Kamervragen zonder antwoord

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVraagDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal1998-19992989913350

Vragen gesteld door de leden der Kamer

2989913350

Vragen van de leden Van der Steenhoven (GroenLinks) en Klein Molekamp (VVD) aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over bodemsanering van de Noorderstraat te Leiden. (Ingezonden 21 mei 1999)

1

Hebt u kennis genomen van het «Eindrapport Inspectieonderzoek bodemsanering Noorderstraat te Leiden» door de Inspectie Milieuhygiëne Zuid-West uit november 1998?

2

Is het u bekend dat met betrekking tot deze zaak GS van Zuid-Holland op 11 februari jl. heeft besloten de Awb-procedure inzake de bezwaren tegen de saneringsverklaring niet ontvankelijk te verklaren waardoor het indienen van bedenkingen niet mogelijk was? Wat is uw oordeel ten aanzien van dit besluit? Is het juist dat normaliter en ook in andere provincies dergelijke besluiten ter visie worden gelegd en het indienen van bedenkingen mogelijk is? Wat denkt u er aan te doen als hier ten onrechte niet in beroep kon worden gegaan?

3

Op basis van welke verifieerbare feiten heeft de Inspectie in het geval van de Noorderstraat te Leiden vastgesteld dat de sanering niet conform de bestektekening d.d. 2-9-'96 heeft plaatsgevonden en evenmin volgens de oorspronkelijke ontgravingstekening1 en evenmin volgens de daarna, op verzoek van GS gemaakte, verbeterde en door GS nadrukkelijk als juist geaccepteerde tekening van juli 1998? Kunt u aangeven op basis waarvan het de Inspectie bekend is dat de «westelijke grens van de sanering in ieder geval verschoven is»2?

4

Waarom wijkt de door de Inspectie in haar Eindrapport Inspectieonderzoek bodemsanering Noorderstraat te Leiden zelf gefabriceerde tekening af van uit de tijdens de sanering gemaakte foto's vast te stellen gegevens?

5

Heeft de Inspectie bij haar onderzoek gebruik gemaakt van de kadastrale gegevens cq. tekeningen? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo neen, waarom niet?

6

Heeft de Inspectie in dit geval gebruik gemaakt van eigen onderzoek of metingen ter plaatse? Zijn bijvoorbeeld gesprekken gevoerd met omwonenden of betrokkenen die een goed beeld kunnen schetsen van wat er daar gebeurd is? Zo neen, waarom niet?

7

Op basis van welke inzichten heeft de Inspectie kunnen concluderen «dat er sprake was van hoge concentraties chloorwaterstoffen»3, terwijl in de rapportage duidelijk wordt gemeld dat er een onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aanwezigheid van EOX, doch dat nadere identificatie van deze stoffen niet heeft plaatsgevonden? Op basis van welke verifieerbare feiten heeft de Inspectie vastgesteld dat de aangetroffen gehalogeneerde koolwaterstoffen hoofdzakelijk chloorkoolwaterstoffen zijn?

8

Kunt u een eindoordeel geven over het onderzoek van de Inspectie binnen de context van de taak van de Inspectie als tweedelijnscontrole op andere overheden en de aanleiding voor het onderzoek (de verdenking van fraude)?

9

Kunt u een oordeel geven over de betrouwbaarheid van de sanering zelf, gezien het feit dat er enerzijds sprake is van een verontreiniging met per en tri, welke beide wateroplosbaar zijn en ook zwaarder zijn dan grondwater maar dat er anderzijds tot slechts 3 meter diepte is gesaneerd? Is op deze locatie voldoende controle achteraf uitgevoerd om zeker te stellen dat de verontreiniging niet dieper zit?


XNoot
1

«Evaluatie van de sanering van de Noorderstraat 3–7 te Leiden» Eindrapport 11 augustus 1997. De Straat Milieuadviseurs.

XNoot
2

Eindrapport Inspectie; bijlage 1, punt 3.

XNoot
3

Eindrapport Inspectie; blz. 5.