Vragen gesteld door de leden der Kamer

2040520240

Vragen van het lid Van Velzen (SP) aan de staatssecretaris van Defensie over ernstige gezondheidsklachten bij dienstplichtigen die nucleaire proeven op marineboten hebben uitgevoerd. (Ingezonden 25 augustus 2005)

1

Is het waar dat de Koninklijke Marine in de periode 1960–1966 stralingsexperimenten heeft uitgevoerd op het vliegkampschip Hr. Ms. Karel Doorman en op andere schepen, te weten de Hr. Ms. De Ruyter, de Hr. Ms. Overijssel, de Hr. Ms. Tromp, de Hr. Ms. Venlo, de Hr. Ms. Noord Brabant, de Hr. Ms. Dubois, de Hr. Ms. Panter, de Hr. Ms. Beilen, de Hr. Ms. Van 't Hof, de Hr. Ms. Drenthe en de Hr. Ms. Onbevreesd?1

2

Hoeveel van deze experimenten, die als doel hadden te meten waar op de desbetreffende schepen zich de beste schuilplaatsen bevonden bij een eventuele kernaanval, hebben toen plaatsgevonden? Is het waar dat de verschillende experimenten soms weken duurden? Hoeveel mensen zijn direct betrokken geweest bij deze experimenten? Is het waar dat het ministerie van Defensie geen sluitende administratie heeft waarin terug te vinden is wie deze betrokkenen zijn? Van hoeveel betrokken heeft u gegevens? Kunt u een schatting geven hoeveel persoonsdossiers er missen?

3

Kunt u bevestigen dat jonge dienstplichtigen werden aangewezen om aan deze experimenten deel te nemen zonder dat hen duidelijk werd gemaakt om wat voor testen het ging? Kunt u bevestigen dat andere militairen voor deze experimenten werden geronseld door hen extra rantsoenen, biefstuk, vrij van wacht en speciaal weekendverlof in het vooruitzicht te stellen?2

4

Is het waar dat sommige betrokkenen tijdens de experimenten badges moesten dragen waarop de hoeveelheid ontvangen straling was af te meten en dat bekend is dat een aantal militairen hun werkzaamheden moest staken in verband met «de zwarting van de badge»? Is het waar dat het ministerie van Defensie geen registratie (meer) bezit van de gegevens van deze badges zodat niet te achterhalen is hoe groot de individuele blootstelling is geweest?

5

Op welke wijze werd de gezondheid van de betrokken militairen beschermd? Kunt u bevestigen dat deze militairen, waaronder voornamelijk dienstplichtigen, zonder beschermende kleding deel moesten nemen aan deze proeven waarbij een radioactieve cilindervormige stralingsbron met behulp van waterdruk door leidingen werd gepompt die in en op de schepen lagen terwijl deelnemend personeel van TNO wel beschermende kleding moest dragen? Kunt u bevestigen dat verschillende militairen de radioactieve stralingsbron handmatig in de leidingen hebben aangebracht? Kunt u bevestigen dat het ministerie van Defensie in die tijd medische keuring van betrokken militairen niet opportuun vond en dat die keuringen dus nooit hebben plaatsgevonden?

6

Welke maximale stralingsdosis werd voor het betrokken marinepersoneel gehanteerd? Deelt u de mening dat dienstplichtigen zonder specifieke radiologische opleiding niet onder de normen voor radiologische werkers zouden mogen vallen? Is het waar dat de doses die de betrokken militairen ondergingen konden oplopen tot 27.1 mSv per schip3 en de experimenten meerdere dagen tot weken konden duren? Is het u bekend dat TNO heeft aangegeven dat voor sommige medewerkers de dosis mogelijk hoger is geweest dan destijds was toegestaan voor niet-radiologische medewerkers (5 mSv per jaar)? Deelt u de mening dat het ministerie van Defensie de verantwoordelijkheid draagt voor eventueel vanwege een te hoge doses straling opgelopen gezondheidsklachten? Zo neen, waarom niet?4

7

Deelt u de mening dat de lange tijd die inmiddels verstreken is, het gebrek aan deugdelijke personeelsarchieven en archieven m.b.t. inhoud en uitkomsten van de experimenten een goede inschatting van de door de militairen individueel opgedane dosis straling moeilijk maakt?

8

Is het waar dat de Arbodienst van de Koninklijke Marine onderzoek heeft gedaan naar de arbeidsomstandigheden bij deze experimenten? Wat was hiervan de uitkomst? Is het voorts waar dat deze Arbodienst betrokkenen heeft opgeroepen zich te melden en «op de persoon toegesneden aanvullende informatie» heeft gezonden aan de mensen die zich hebben gemeld?5 Op welke wijze is deze oproep verspreid, hoeveel mensen hebben zich toen gemeld en welke aanvullende informatie hebben zij ontvangen?

9

Is het u bekend dat verschillende van deze militairen ziektes hebben ontwikkeld waarvan zij zelf vermoeden dat deze te maken hebben met eerdere deelname aan deze stralingsexperimenten? Is het u bekend dat ook bij de kinderen van betrokken militairen ziektes zijn geconstateerd die betrokkenen toeschrijven aan deelname aan deze experimenten?

10

Deelt u de mening dat, gezien het feit dat Defensie niet meer kan traceren wie er al dan niet gedwongen aan deze experimenten hebben deelgenomen en ook de individueel ontvangen stralingsdoses niet meer zijn te traceren, de bewijslast bij Defensie ligt in die zin dat als de betrokken militairen danwel hun nabestaanden zich met gezondheidsklachten tot het ministerie van Defensie richten het aan het ministerie van Defensie is om aan te tonen dat de betrokken militairen danwel hun nabestaanden door andere oorzaken een bepaald ziektebeeld hebben? Zo neen, waarom niet?

11

Is het u bekend dat de weduwe van een van de betrokken dienstplichtigen, de heer Meijer, zich via haar advocaat tot u heeft gericht6 en heeft gesteld dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor alle hierdoor geleden schade, waaronder het overlijden van haar echtgenoot?

12

Kunt u aangeven waarom het ministerie van Defensie tot nu toe nog geen formeel standpunt heeft ingenomen over eventuele aansprakelijkheid?

13

Is het waar dat, hoewel foto's het tegendeel bewijzen, het ministerie van Defensie in interne stukken stelt dat voorzover bekend de genoemde dienstplichtige nooit betrokken is geweest bij deze experimenten?

14

Is het u voorts bekend dat het hoofd van de afdeling rechtstoestand aan de advocaat van de weduwe heeft geantwoord «gelet op de aard van de zaak ben ik bereid om te onderzoeken of het in casu redelijk is om op de (absolute) verjaringstermijn geen beroep te doen» maar dat het ministerie van Defensie daar tot op de dag van vandaag geen uitsluitsel over heeft gegeven?7

15

Is het waar dat u op 16 december 2003 het onderzoeksrapport van de stichting LAKA, getiteld «Stralingsexperimenten Koninklijke Marine 1960–1966», heeft ontvangen waarin aan de hand van beschikbare documentatie de conclusie wordt getrokken dat het erg waarschijnlijk is dat de betrokken dienstplichtige aan een te hoge dosis straling is blootgesteld? Is het waar dat een door u op 21 september 2004 toegezegde reactie op zowel een nader uiteengezette aansprakelijkstelling, in casu de beoordeling van de medische causaliteit, als het hierboven genoemde onderzoeksrapport tot op de dag van vandaag is uitgebleven?

16

Deelt u de mening dat het ministerie van Defensie deze zaak onnodig lang laat duren?

17

Bent u bereid om deze zaak zo snel mogelijk af te ronden te beginnen met een standpunt over de verjaring gaat en een reactie op de aansprakelijkstelling en het hierboven genoemde onderzoeksrapport? Wilt u de Kamer hierover zo spoedig mogelijk informeren?


XNoot
1

Rapport Afschermfactoren Schepen NBCD-school KM Publicatienr A6 januari 1968.

XNoot
2

Oplinie november 1998 – maandblad van de Algemene Federatie van Militair Personeel (AFMP).

XNoot
3

Onderzoeksrapport van de stichting LAKA getiteld «Stralingsexperimenten Koninklijke Marine 1960–1966».

XNoot
4

Brief d.d. 24 november 2000 van toenmalig directeur TNO, drs. Julius, aan de weduwe van één van de betrokken Defensie-medewerkers.

XNoot
5

Van Boord nr. 5 juni 1999, informatiemagazine voor oud-medewerkers van de Koninklijke Marine.

XNoot
6

Brief d.d. 14 november 2001.

XNoot
7

Brief d.d. 9 oktober 2001.

Naar boven