Vragen van het lid Keijzer (Keijzer) aan de Minister-President over het bericht «Premier
Jetten: uitspraak over «vol op hun bek slaan» was «slip of the tongue»» en het «Briefje
van Jan – aan Rob «Badr» Jetten» – by Jan Dijkgraaf (ingezonden 30 september 2026).
Vraag 1
Handhaaft u uw uitspraak over «goed georganiseerde en goed gefinancierde organisaties»
die kleine en grote groepen zouden aanvallen om meer macht te verkrijgen en hun eigen
zakken te vullen wel, of trekt u die ook in?1,
2
Vraag 2
Welke organisaties bedoelde u en op welke concrete feiten baseerde u deze uitspraak?
Vraag 3
Is er volgens u in de recente onderzoeken door de Universiteit Utrecht of de Universiteit
van Amsterdam over homoaccepatie onderzoek naar gedaan? Zo ja, welke organisaties
zijn in deze onderzoeken genoemd?
Vraag 4
Welke financieringsstromen bedoelde u precies? Kunt u aangeven wie de financiers zijn,
uit welke landen deze afkomstig zijn en welke organisaties deze middelen ontvingen
en hoeveel?
Vraag 5
Zijn bij de door u genoemde financieringsstromen buitenlandse overheden of aan hen
gelieerde organisaties betrokken? Zo ja, welke en waaruit blijkt hun betrokkenheid?
Vraag 6
Welke «kleinere groep» of «grotere groepen» worden volgens de Minister-President gepakt
en door welke organisatie of organisaties? Waaruit blijkt dat zij een strategie volgen
waarbij zij achtereenvolgens steeds grotere groepen treffen? Welke groepen zijn dat
precies?
Vraag 7
Hoe zagen die «goed georganiseerde en goed gefinancierde» aanvallen er in de praktijk
uit? Kunt u per aanval aangeven wat er heeft plaatsgevonden en op welke feiten u de
betrokkenheid van de door u bedoelde organisaties baseert?
Vraag 8
Waaruit blijkt dat de door u bedoelde organisaties met deze activiteiten meer macht
proberen te verkrijgen? Welke macht betreft dit en in hoeverre zijn zij daarin geslaagd?
Vraag 9
Waarop baseert u uw bewering dat deze organisaties hun eigen zakken vullen? Welke
organisaties of personen hebben zich volgens u verrijkt, met welke bedragen en hoe
houdt deze verrijking verband met de door u genoemde aanvallen?
Vraag 10
Kunt u dit uitsplitsen per land, per donor en per ontvangende organisatie?
Vraag 11
Doelde u met «aanvallen» op geweld, bedreiging of andere volgens u strafbare feiten?
Welke?
Vraag 12
Zitten hier ook uitingen en activiteiten bij die u afwijst maar wel binnen de grenzen
van de vrijheid van meningsuiting vallen? Zo ja, welke?
Vraag 13
Vindt u dat van een Minister-President mag worden verwacht dat hij dergelijke beschuldigingen
toelicht en onderbouwt, ook wanneer hij spreekt op een partijcongres? Waarom heeft
u daarbij niet duidelijk gemaakt welke organisaties u bedoelde?
Vraag 14
Indien u uw beweringen over georganiseerde aanvallen, machtsverwerving en zelfverrijking
niet kunt onderbouwen, bent u dan bereid deze publiekelijk te corrigeren?
Vraag 15
Indien in de antwoorden opgenomen gaat worden dat delen van de gevraagde informatie
niet gedeeld kan worden, kunt u dan per onderdeel aangeven waarom er een belemmering
bestaat om deze openbaar te delen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 16
Sinds wanneer beschikt het kabinet over de informatie waarop u uw uitspraken baseert?
Vraag 17
Aangezien u de woorden dat u mensen «vol op de bek ging slaan» heeft ingetrokken,
hoe kijkt u terug op het enthousiast mee applaudisseren van de D66-leden ter plekke?