Vragen van het lid Van Duijvenvoorde (FVD) aan de Minister van Justitie en Veiligheid
over de vervolging van de presentatoren van RoddelPraat en de onderbouwing van het
vervolgingsbeleid bij beledigende uitlatingen (ingezonden 28 september 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) Jan Roos en Dennis
Schouten vervolgt wegens beledigende uitlatingen over twee vrouwen in hun programma
RoddelPraat?
Vraag 2
Kunt u bevestigen dat het OM deze vervolging publiekelijk heeft toegelicht met de
stelling dat verbale agressie tegen vrouwen bijdraagt aan een cultuur waarin ernstigere
vormen van geweld mogelijk worden? Kunt u de volledige toelichting aan de Kamer verstrekken?
Vraag 3
Hanteert het OM de zogenoemde «piramide van geweld», of vergelijkbare modellen waarin
beledigingen en seksistische grappen in verband worden gebracht met mishandeling,
verkrachting en moord, bij zijn vervolgingsbeleid, interne opleidingen of publieke
communicatie? Zo ja, welke modellen betreft dit en kunt u de bijbehorende documenten
verstrekken?
Vraag 4
Welke wetenschappelijke onderzoeken onderbouwen het door het OM genoemde verband tussen
verbale agressie tegen vrouwen en ernstigere vormen van geweld? In hoeverre tonen
deze onderzoeken een oorzakelijk verband aan, en in hoeverre beschrijven zij correlaties,
maatschappelijke opvattingen of theoretische veronderstellingen?
Vraag 5
Welk onderscheid maakt het OM tussen een model dat wordt gebruikt voor maatschappelijke
bewustwording en een wetenschappelijk gevalideerd model dat geschikt is om concrete
beslissingen over strafrechtelijke vervolging te ondersteunen?
Vraag 6
Hoe voorkomt het OM dat algemene uitspraken over een maatschappelijke cultuur worden
vertaald naar verantwoordelijkheid van individuele verdachten voor geweld dat zij
niet hebben gepleegd en waartoe zij niet hebben aangezet?
Vraag 7
Welke criteria hanteert het OM om beledigende uitlatingen over een vrouw aan te merken
als gendergerelateerde agressie? Is daarvoor bepalend dat de beledigde persoon een
vrouw is, of moet ook een aantoonbaar verband bestaan tussen de uitlating en haar
geslacht?
Vraag 8
Deelt u de opvatting dat de ernst en urgentie van geweld tegen vrouwen op zichzelf
geen bewijs vormen voor de stelling dat specifieke beledigende uitlatingen aan dat
geweld bijdragen? Hoe wordt dit onderscheid bewaakt in het vervolgingsbeleid en de
communicatie daarover?
Vraag 9
Welke betekenis heeft de veronderstelde bijdrage van uitlatingen aan een gewelddadige
cultuur voor de beslissing om wegens belediging te vervolgen? Betreft dit een zelfstandig
vervolgingsargument, een factor bij de prioritering of uitsluitend een toelichting
voor het publiek, en op welke beleidsregels berust deze toepassing?
Vraag 10
Hoe waarborgt het OM bij dergelijke vervolgingsbeslissingen de vrijheid van meningsuiting,
waaronder de ruimte voor satire, overdrijving en uitlatingen die kwetsen, choqueren
of verontrusten, en hoe worden de rechten en reputatie van betrokkenen daartegen afgewogen?
Vraag 11
Hanteert het OM dezelfde vervolgingscriteria bij vergelijkbare beledigingen over het
uiterlijk van mannen en vrouwen? Zo nee, welke verschillen bestaan er en wat is daarvoor
de objectieve rechtvaardiging?
Vraag 12
Hoe voorkomt het OM dat het in zijn publieke communicatie verdachten van belediging
tevens in verband brengt met ernstige geweldsdelicten waarvoor zij niet worden vervolgd?
Hoe verhoudt dergelijke communicatie zich tot de onschuldpresumptie en de vereiste
terughoudendheid tegenover verdachten?
Vraag 13
Hoe wordt de inzet van opsporings- en vervolgingscapaciteit voor beledigingszaken
afgewogen tegen de inzet voor concrete bedreiging, stalking, mishandeling en seksueel
geweld? Welke rol spelen de ernst van het feit, het aantoonbare risico voor slachtoffers
en de bekendheid van verdachten daarbij?
Vraag 14
Klopt het dat deze zaak aan een meervoudige strafkamer wordt voorgelegd? Zo ja, welke
overwegingen rechtvaardigen die keuze en in hoeverre is deze behandeling gebruikelijk
bij vergelijkbare beledigingszaken?
Vraag 15
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de wetenschappelijke en juridische onderbouwing
van het gebruik van de «piramide van geweld» of vergelijkbare modellen binnen het
OM, en te laten toetsen of daarbij voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen maatschappelijke
urgentie, empirisch bewijs en individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid?