Vragen van het lid Mutluer (PRO) aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de juridische erkenning en vindbaarheid van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen (ingezonden 1 juli 2026).

Vraag 1

Kent u het artikel «Postume tussenadoptie. Juridische erkenning en vindbaarheid van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen»?1

Vraag 2

Is het waar dat vanwege de afwezigheid van formele registratie van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen er sprake is van «een lacune in het juridische en administratieve systeem, waardoor deze kinderen juridisch en administratief onvindbaar blijven»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, acht u het bezwaarlijk dat deze lacune bestaat en waarom?

Vraag 3

Deelt u de mening van de auteur van het genoemde artikel dat de huidige Nederlandse praktijk ook een potentieel mensenrechtelijk tekort betreft in de zin van dat deze praktijk en de bestaande regelgeving op gespannen voet staan met het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, die het recht op naam en identiteit waarborgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

Vraag 4

Wat is uw mening over de oplossing die de genoemde auteur voorstelt ter correctie van het genoemde rechtstekort, namelijk het inzetten van «postume tussenadoptie»? Ziet u zelf andere mogelijkheden om dit tekort te corrigeren en, zo ja, welke dan?

Vraag 5

Overweegt u om de wetgeving aan te passen, zodat de registratie en juridische erkenning van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen verbeterd gaat worden? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u hier zorg voor dragen? Zo nee, waarom niet?


X Noot
1

K. van Tiggelen, «Postume tussenadoptie. Juridische erkenning en vindbaarheid van niet-geïdentificeerde overleden pasgeborenen», Nederlands Tijdschrift voor de Mensenrechten | NJCM-Bulletin 2026/51, nr. 2, p. 197 e.v.

Naar boven