A
VERSLAG OVER HET VERZOEKSCHRIFT1 VAN
B. N. TE A.2 BETREFFENDE AANGIFTEN INKOMSTENBELASTING/PREMIE
VOLKSVERZEKERINGEN EN OMZETBELASTING
Vastgesteld 29 september 2009
Klacht
Verzoeker klaagt erover dat de Belastingdienst een onderhandse lening
om in zijn levensonderhoud te voorzien niet aannemelijk acht zodat hem een
naheffing omzetbelasting en een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering
zijn opgelegd. Subsidiair verzoekt hij kwijtschelding van belasting.
Feiten
Verzoeker is een ambulante markthandelaar. Hij voldoet niet aan de voorwaarden
die aan een onderneming als bron van inkomen worden gesteld. Zijn inkomsten
worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. De Belastingdienst
heeft een boekenonderzoek gedaan naar de fiscale aanvaardbaarheid van de aangiften
inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en omzetbelasting over de jaren
2004 tot en met 2007. De Belastingdienst heeft correcties aangebracht in de
inkomsten over het jaar 2006 omdat hij de door verzoeker gestelde lening die
een landgenoot hem zou hebben verstrekt, niet aannemelijk acht. De aanslag
over het jaar 2006 is in 2009 opgelegd. Tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting
en inkomstenbelasting/premie volksverzekering 2006 heeft verzoeker geen bezwaar
ingediend. Omdat de belastingaanslagen niet op tijd betaald zijn, heeft de
ontvanger van de Belastingdienst een aanmaning gestuurd en daarna een dwangbevel
uitgevaardigd. De aanmaningskosten en de kosten van betekening van het dwangbevel
zijn verzoeker in rekening gebracht. Hiertegen heeft verzoeker bezwaar ingediend.
Overwegingen
Verzoeker voert aan dat er over het jaar 2006 geen verzwegen inkomsten
waren maar dat hij een onderhandse lening op islamitische basis heeft verkregen
om in zijn levensonderhoud te voorzien. Omdat de Belastingdienst deze lening
niet aannemelijk acht, zijn aan hem te hoge belastingaanslagen opgelegd.
De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat hij geen mogelijkheden
heeft anders met de aannemelijkheid van het bestaan van de onderhandse lening
om te gaan dan de Belastingdienst. Verzoeker heeft ook geen bezwaar tegen
de belastingaanslagen ingediend.
Verzoeker heeft geen controleerbare administratie volgens de bestaande
wet- en regelgeving gevoerd; de kasadministratie is geen betrouwbare basis
voor de winstberekening. Aan verzoeker is daarom op grond van artikel 20 Algemene
wet inzake rijksbelastingen een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd.
Oordeel van de commissie1
De commissie is van oordeel dat de Belastingdienst niet onbehoorlijk of
onzorgvuldig heeft gehandeld door de kasadministratie onvoldoende basis te
achten voor de winstberekening en een naheffingsaanslag omzetbelasting op
te leggen gezien de wettelijke informatieverplichting van de belastingplichtige
ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Voorts is de commissie van oordeel dat er wel aanleiding is om verzoeker
de kosten van aanmaning en betekening van het dwangbevel kwijt te schelden.
Voorstel aan de Kamer
De commissie stelt de Kamer voor de staatssecretaris van Financiën
uit te nodigen de Ontvanger van de Belastingdienst te verzoeken de kosten
van aanmaning en betekening van het uitgevaardigde dwangbevel kwijt te schelden.
De voorzitter van de commissie,
Quik-Schuijt
De griffier van de commissie,
De Gier
XNoot
1
Dit adres en de stukken welke de commissie bij haar onderzoek ten dienste
hebben gestaan, liggen op het commissiesecretariaat Verzoekschriften, Lange
Poten 4, Den Haag, ter inzage van de leden.
XNoot
2
Naam en adres van verzoeker zijn de commissie bekend.
XNoot
1
De commissie bestaat uit de leden: Huijbregts-Schiedon (VVD), Janse de
Jonge (CDA), Quik-Schuijt (SP) (voorzitter), Rehwinkel (PvdA), Rosenthal (VVD),
Sylvester (PvdA) en Vedder-Wubben (CDA).