Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-2014CVI nr. B

CVI Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften

B VERSLAG OVER HET VERZOEKSCHRIFT1 VAN P.H.S. M. TE Z.2 BETREFFENDE DE VASTSTELLING VAN DE WOZ-WAARDE IN VERBAND MET ERFBELASTING

Vastgesteld 3 oktober 2013

Klacht

Verzoeker beklaagt zich over het hanteren van de WOZ-waarde voor box 3 in de aangifte Inkomstenbelasting 2010 en 2011 van zijn overleden schoonvader. Daarnaast verzoekt hij de aangifte erfbelasting achterwege te mogen laten en beroept hij zich op het gelijkheidsbeginsel.

Naar aanleiding van deze klacht heeft de staatssecretaris van Financiën inlichtingen verstrekt aan de commissie.

Feiten

De erflater, schoonvader van verzoeker, overleed in augustus 2011. Tot de erfenis behoort een serviceflat. Verzoeker, in zijn hoedanigheid als executeur, heeft gevraagd om toepassing van de hardheidsclausule ex artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bij vaststelling van de erfbelasting, omdat hij van mening is dat het verhuurde appartement een te hoge WOZ-waarde heeft ten opzichte van de waarde in het economisch verkeer. Het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule wordt echter afgewezen met als reden dat er in dit geval geen sprake is van een uitzonderlijk geval van onbillijkheid van overwegende aard. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om voor de waardering van woningen in box 3 aan te sluiten bij de WOZ-waarde en om op die waarde een vastgestelde vermindering toe te passen voor woningen in verhuurde staat. Voor de erfbelasting bestaat echter een afwijkende regeling. Verzoeker is gewezen op de mogelijkheid bezwaar te maken bij de gemeente, die de hoogte van

de WOZ-waarde vaststelt. De Belastingdienst conformeert zich aan de door de gemeente vastgestelde waarde. Verzoeker geeft aan dat zijn schoonvader wel bezwaar wilde maken, maar dat dit mogelijk niet meer gebeurd is vanwege diens gezondheidstoestand. Verzoeker wijst erop dat de staatssecretaris in een gelijksoortig geval wel heeft goedgekeurd dat een serviceflat voor de berekening van de erfbelasting in aanmerking wordt genomen naar de waarde in het economisch verkeer op de overlijdensdatum. Gezien de omvang van de nalatenschap zou er volgens verzoeker in dat geval geen erfbelasting verschuldigd zijn. De staatssecretaris heeft verzoeker gewezen op de wettelijke vereiste aangifte te doen en dat de inspecteur zal beoordelen of er aanslagen erfbelasting worden opgelegd.

Overwegingen

Daar er geen sprake is van niet voorziene gevolgen door de wetgever kunnen die gevolgen niet ongedaan gemaakt worden door toepassing van de hardheidsclausule.

Verzoeker dient zich voor bezwaar en beroep alsmede ambtshalve vermindering van een WOZ-beschikking te richten tot de gemeente.

Oordeel van de commissie3

Het standpunt van de staatssecretaris kan worden gevolgd.

Voorstel aan de Kamer

Er is geen aanleiding om de Kamer een voorstel te doen.

De voorzitter van de commissie, Van Strien

De griffier van de commissie, Roovers


X Noot
1

Dit adres en de stukken welke de commissie bij haar onderzoek ten dienste hebben gestaan, liggen op het commissiesecretariaat Verzoekschriften, Lange Poten 4, Den Haag, ter inzage van de leden.

X Noot
2

Naam en adres van verzoeker zijn de commissie bekend.

X Noot
3

De commissie bestaat uit de leden: R.R. Ganzevoort (GL), W.H. Huijbregts-Schiedon (VVD), A.C. Quik-Schuijt (SP),.J.M. Schouwenaar (VVD), G.A. van Strien, (voorzitter) (PVV), J.G. Vlietstra (PvdA) en G. de Vries-Leggedoor (CDA).