Aan de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 mei 2026
Tijdens de tweede termijn van de behandeling van het voorstel voor een Gedragscode
ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal heb ik uw Kamer toegezegd
om namens het College van Voorzitter en Ondervoorzitters nog een schriftelijke appreciatie
te verstrekken van de amendementen van het lid Van Hattem (PVV) zodra deze daadwerkelijk
waren ingediend. Nu de amendementen op 28 mei 2026 formeel zijn ingediend en gepubliceerd,
kan het College deze toezegging gestand doen.
Het amendement met letter I moet het College ontraden. De indiener beoogt met dit
amendement gedragingen die onder het strafrecht vallen uit te zonderen van het toepassingsbereik
van deze Gedragscode. Zoals reeds tijdens de schriftelijke voorbereiding en in het
debat is opgemerkt, is er van tevoren echter geen scherpe grens te trekken tussen
gedragingen die alleen maar ongewenst zijn en gedragingen die ongewenst én strafbaar
zijn. Reeds uit de formulering «een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar
feit» in het amendement volgt dat de strafbaarheid op voorhand niet vaststaat. Daar
komt nog bij dat evenmin zekerheid bestaat dat tot vervolging zal worden overgegaan.
In Nederland geldt voor vervolging immers het opportuniteitsbeginsel. Tot slot is
het niet goed uit te leggen dat de meest vergaande vormen van ongewenst gedrag niet
worden meegenomen in de Gedragscode ongewenste omgangsvormen en een melder feitelijk
verplicht zou worden aangifte te doen en de strafrechtelijke route in te slaan, waarin
het initiatief bij politie en justitie ligt.
Het amendement met letter J moet het College eveneens ontraden. Dit amendement beoogt
het woord «schuldig» uit de Gedragscode te schrappen en het woord «sanctie» te vervangen
door het woord «vermaning». Zoals herhaaldelijk door het College in de schriftelijke
voorbereiding en in het debat naar voren is gebracht, is het woord «schuldig» niet
een exclusief strafrechtelijk begrip. Dit blijkt onder andere uit de door het College
aangehaalde voorbeelden uit het staatsrecht en het burgerlijk recht. De Gedragscode
bepaalt bovendien dat het College, op advies van de klachtencommissie, besluit of
de klacht gegrond, deels gegrond of ongegrond is, niet of de beklaagde schuldig is
of niet.
Met betrekking tot het woord «sanctie» wenst het College op te merken dat «sanctie»
en «maatregel» in het definitieartikel van deze Gedragscode duidelijk worden onderscheiden.
Dat blijkt ook uit het feit dat het College in zijn besluit bij gehele of gedeeltelijke
gegrondverklaring van een klacht zowel een sanctie als een of meer maatregelen kan
opleggen. Een sanctie is in deze Gedragscode een waarschuwing of een berisping en
heeft dus – in de woorden van de toelichting bij dit amendement – een «punitief» karakter,
terwijl een maatregel gericht is op het borgen van veiligheid en veranderen van gedrag.
Dat de sanctionering in de Gedragscode begrensd is, betekent voorts niet dat het begrip
«sanctie» dan maar moet worden losgelaten. De vervanging van het woord «sanctie» door
«vermaning» lijkt het College ook geen verbetering en taalkundig zelfs een verslechtering.
Een vermaning is per definitie een ernstige waarschuwing, dus een berisping. Dat maakt
de definitie enerzijds tautologisch en anderzijds ongeschikt om de gewone waarschuwing
te beschrijven.
Het meest vérstrekkende amendement dat door het lid Van Hattem is ingediend, zijnde
het amendement met letter K, moet het College ten stelligste ontraden. Met dit amendement
beoogt de indiener zowel de melding als het indienen van een klacht en de afhandeling
daarvan volledig bij de vertrouwenspersoon neer te leggen. De klachtencommissie en
de besluitvorming door het College worden geschrapt en vastgesteld ongewenst gedrag
wordt niet gesanctioneerd. De vertrouwenspersoon kan het College slechts adviseren
maatregelen van praktische of huishoudelijke aard te nemen.
Het College acht het amendement onuitvoerbaar en destructief. Het College heeft in
zijn voorstel juist gekozen voor een nauwkeurig omschreven klachtbehandeling door
een externe, onafhankelijke, deskundig samengestelde, vijfhoofdige klachtencommissie
en uiteindelijke besluitvorming op de klacht door het College van Voorzitter en Ondervoorzitters.
Aldus worden de belangen van klager en beklaagde scherp in het oog gehouden, zijn
hun rechten en plichten in balans, wordt consequent hoor en wederhoor toegepast, worden
adviezen en besluiten zorgvuldig gemotiveerd en onderbouwd, en kan als een klacht
(deels) gegrond blijkt te zijn een sanctie volgen. Die waarborgen worden door het
amendement, dat leidt tot een niet nader omschreven procedure bij één orgaan met twéé
in elkaar grijpende rollen, nagenoeg geheel tenietgedaan. Kort gezegd: de vertrouwenspersoon
moet een melder gaan ondersteunen en begeleiden bij het indienen van een klacht bij
zichzelf en dan vervolgens ook zelf die klacht beoordelen, zonder dat beschreven is
hoe die procedure moet verlopen, zonder dat klager en beklaagde weten waar ze aan
toe zijn en wat hun rechten en plichten zijn en zonder dat bij gegrondverklaring het
ongewenste gedrag wordt gesanctioneerd.
Namens het College van Voorzitter en Ondervoorzitters,
De Voorzitter, M.L. Vos