CLXX Voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal

J AMENDEMENT VAN HET LID VAN HATTEM

Vastgesteld 28 mei 2026

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Het voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer wordt als volgt gewijzigd:

I

Artikel 1, tweede lid, onder h, komt te luiden:

h. Kamerlid:

van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, alsmede oud-lid dat als Kamerlid binnen een tijdsbestek van maximaal één jaar voorafgaand aan de melding of klacht in strijd met deze Gedragscode zou hebben gehandeld of van dat beweerde handelen het slachtoffer is.

II

Artikel 1, tweede lid, onder k, komt te luiden:

k. maatregelen:

maatregelen die tot doel hebben dat een slachtoffer van ongewenste omgangsvormen zich veiliger kan voelen of die zijn gericht op gedragsverandering van een Kamerlid dat in strijd met deze Gedragscode heeft gehandeld.

III

Artikel 1, tweede lid, onder o, komt te luiden:

o. vermaning:

een waarschuwing of berisping.

IV

In de artikelen 11, 17, 18, 19 en 21 wordt het woord «sanctie» of «sancties» telkens vervangen door het woord «vermaning» of «vermaningen».

Toelichting

De term «schuldig» is een strafrechtelijk begrip waarover in ons rechtsstelsel slechts de rechter kan oordelen. Het is dus niet aan het College om schuld aan een gedraging vast te stellen en te sanctioneren. Bij toepassing van deze gedragscode kan slechts worden bepaald of mogelijk in strijd met de gedragscode is gehandeld.

Van de term «sanctie» gaat een punitief karakter uit. De artikelsgewijze toelichting stelt echter (p. 27 bij artikel 18): «Deze maatregelen zijn niet direct bedoeld om te straffen, maar om ervoor te zorgen dat het slachtoffer zich in de (nabije) toekomst veilig kan voelen of dat het Kamerlid zijn gedrag verandert.» Ook wordt hierover gesteld (p. 26): «Het opleggen van een sanctie aan een Kamerlid dat zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste omgangsvormen is juridisch begrensd. Eerste Kamerleden worden gekozen door provinciale staten. Zij hebben geen werknemersrelatie tot de Eerste Kamer, de fractie of de politieke partij waartoe zij behoren, maar beschikken over een vrij mandaat. Van een ontbinding van een arbeidsovereenkomst als ultieme sanctie voor ongewenste omgangsvormen kan daarom geen sprake zijn. Het is ook niet mogelijk om door middel van deze Gedragscode boetes op te leggen of inhoudingen te doen op de vergoedingen van Kamerleden, in hoogte variërend naar gelang de aard, ernst en verwijtbaarheid van ongewenste omgangsvormen. De vergoedingen voor de werkzaamheden van Eerste Kamerleden zijn immers geregeld in de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer, die zich niet door middel van deze Gedragscode laat aanpassen. Schorsingen of ontzetting van het lidmaatschap van de Eerste Kamer verdragen zich niet met het grondwettelijk verankerde vrije mandaat van de leden, zoals de Kamer eerder vaststelde bij aanvaarding van de Gedragscode integriteit Eerste Kamer.»

Gelet op voornoemde juridische beperkingen om te kunnen sanctioneren richting Kamerleden en de intentie van de maatregelen is de term «sanctie» niet gepast. Daarom stelt dit amendement voor het aan te passen tot «vermaning», wat meer aansluit bij het karakter van een waarschuwing of berisping.

Van Hattem

Naar boven