CLXX Voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer der Staten-Generaal

I AMENDEMENT VAN HET LID VAN HATTEM

Vastgesteld 28 mei 2026

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Het voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel 4 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt:

  • 3. Deze Gedragscode is niet van toepassing op gedragingen en bejegeningen van een Kamerlid ten aanzien waarvan een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestaat.

Toelichting

De gedragscode als bedoeld in artikel 131 van het Reglement van Orde moet zien op ongewenste omgangsvormen. Handelingen die expliciet een rechtsnorm schenden en waarvoor in het (straf)recht al uitputtend procedures en maatregelen zijn voorzien passen niet in deze gedragscode. Indien uit een melding of klacht blijkt dat evident sprake is van dergelijke mogelijk strafbare handelingen zijn de daartoe bevoegde instanties aan zet om dit te beoordelen en dient dit niet middels een interne procedure te worden afgedaan. Bovendien stelt de artikelsgewijze toelichting (p. 26, bij art. 18) hierover: «Met betrekking tot het onderwerp sancties moet voorts worden overwogen dat voor gedragingen die zich lijken te kwalificeren als strafbaar feit, bijvoorbeeld zeden- en geweldsdelicten, voor klagers de strafrechtelijke route openstaat en dat zij aangifte kunnen doen.» Derhalve dienen dergelijke gedragingen buiten deze gedragscode te worden gehouden. Dit amendement strekt daartoe door toevoeging van een extra lid aan artikel 4. Hierbij wordt aangesloten bij de definitie van een «verdachte» uit het Wetboek van Strafvordering.

Van Hattem

Naar boven