Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | CLVI nr. AD |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | CLVI nr. AD |
Vastgesteld 20 januari 2026
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit voorstel van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters (hierna: het College). Deze leden vragen zich wel af waarom het twee en half jaar geduurd heeft voordat de motie Vos c.s. ter zake uitgevoerd is.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel en wensen daarover enkele vragen te stellen.
De leden van de SP-fractie hebben over het voorstel nog enkele vragen.
De leden van de fractie van de PvdD hebben kennisgenomen van het voorstel en hebben hierover enkele vragen.
De fractieleden van Volt hebben met interesse kennisgenomen van het voorstel tot vaststelling van een regeling digitaal quorum voor niet-reguliere vergaderdagen. Deze leden zien de voordelen van een digitaal quorum voor niet-reguliere vergaderdagen. Echter, de fractieleden hebben ook enkele zorgen hierbij.
Het lid van de 50PLUS-fractie heeft kennisgenomen van het voorstel en heeft daarover enkele vragen.
In het voorstel wordt tamelijk rechtlijnig vastgehouden aan een regeling voor alleen niet-reguliere vergaderdagen. Als de maandagvergadering op dinsdag wordt voortgezet is daar alsnog op dinsdag een fysiek quorum voor vereist. De leden van de VVD-fractie vinden dit een gekunstelde oplossing waarmee we van de regen in de drup komen. Mede gezien het aantal sprekers dat tegenwoordig intekent bij debatten zal zo’n dinsdagvergadering vaak al rond negen uur beginnen. Daardoor zal een aantal leden toch reeds op maandag naar Den Haag moeten komen. Deze leden menen dat bij een voortgezette vergadering geen nieuw quorum noodzakelijk is. Dit is bij een fysiek quorum op maandag nu immers ook niet het geval. Kan het College daarop reageren?
De leden van de fractie van Volt zijn bezorgd dat een digitaal quorum voor niet-reguliere vergaderdagen ertoe kan leiden dat het aantal vergaderingen op niet-reguliere vergaderdagen onnodig zal toenemen door het invoeren van een digitaal quorum. Hoe kijkt het College daar tegenaan? Daarnaast zijn deze leden van mening dat voor een goed functionerende democratie een goed debat gevoerd moet kunnen worden tussen verschillende partijen. Daarom zouden deze leden graag zien dat er naast een digitaal quorum ook een fysiek quorum wordt ingesteld voor het aantal leden én fracties voor een niet-reguliere vergaderdag. Hoe kijkt het College daar tegenaan?
Het lid van de 50PLUS fractie stelt tezamen met het College vast dat het digitaal quorum voor vergaderingen is ingevoerd tijdens een noodsituatie namelijk ten tijde van de coronapandemie. Niet voor niets is deze vorm van het vaststellen van een noodzakelijk quorum voor het houden van een vergadering bij beëindiging van de noodsituatie, vervallen. In de toelichting staat: «De Eerste Kamer heeft immers ieder jaar een aantal vergaderingen op de maandag terwijl vergaderingen op andere niet-reguliere dagen eigenlijk alleen in de coronatijd voorkwamen.», hetgeen onjuist is. Dit lid heeft uit eigen ervaring meerdere malen in voorafgaande jaren – buiten de coronatijd om – vergaderd op niet-dinsdagen vanwege een overvolle agenda vlak voor een reces. Kan het College dit bevestigen?
Terecht wordt opgemerkt dat de reguliere vergaderdagen voor de Eerste Kamer plaatsvinden op dinsdagen (de reguliere vergaderdag) en dat betekent naar de mening van dit lid dat het vergaderen op niet-reguliere vergaderdagen tot een uitzondering behoort. Kan het College aangeven waarom een noodzaak bestaat tot het voorstel van een digitaal quorum voor niet-reguliere vergaderingen? Immers dit zal veelal beperkt zijn tot twee- of maximaal driemaal per jaar. Behoort het niet tot de taak van een Eerste Kamerlid dat hij/zij beschikbaar moet zijn indien het landsbelang dit vergt, ook op niet-reguliere vergaderdagen? Het feit dat het lidmaatschap van de Eerste Kamer bestaat naast het hebben van een nevenfunctie wil toch nog niet zeggen dat bij een mogelijke overlap qua tijd dan het uitoefenen van de functie van het Eerste Kamerlidmaatschap ondergeschikt zou zijn aan die van het uitoefenen van de mogelijke nevenfunctie? Voorheen was het altijd mogelijk om de fysieke intekening van aanwezigheid reeds vroeg in de ochtend op de niet-reguliere vergaderdag te realiseren. Wat is de reden dat deze mogelijkheid thans niet meer voldoet?
Kan het College nogmaals aan dit lid duidelijk maken wat de urgentie is van dit voorstel tot wijziging?
Onderkent het College het gevaar dat het invoeren van een digitaal quorum om de plenaire vergadering te laten plaatsvinden kan uitgroeien tot een intensievere praktijk zodat deze straks ook wordt gehandhaafd voor de reguliere vergaderdagen? Zo niet, waarom niet?
Als laatste punt merkt dit lid nog op dat dit middel mogelijk uitkomst zou bieden voor kleinere of eenmansfracties (dit lid behoort tot deze laatste categorie), maar dat dit niet geldt voor grotere fracties omdat daarvan überhaupt maar de helft van het aantal leden zich dient aan te melden voor het bereiken van het geëiste quorum. Heeft het College hiermee rekening gehouden?
De leden van de PVV-fractie lezen dat in artikel 1 wordt gesteld: «(…) kunnen leden die aan deze vergadering wensen deel te nemen dit ook op digitale wijze kenbaar maken, zonder aanwezig te zijn in het Kamergebouw.». Kan het College nader duiden hoe hier sprake kan zijn van «deelnemen aan deze vergadering» zonder in het Kamergebouw aanwezig te zijn, nu zij niet daadwerkelijk deelnemen aan de beraadslagingen? Wat is in dat geval nog de betekenis en strekking van deelnemen aan een vergadering?
Voorts stelt artikel 1: «Na digitale intekening gelden zij als ter vergadering aanwezig.». Kan het College duiden wat «ter vergadering aanwezig» hier nog aan effectieve betekenis heeft, nu van het uitoefenen van voor een vergadering essentiële elementen, zoals woordvoering, interrupties, overleg (met de Voorzitter), punten van orde/ordevoorstellen effectief op geen enkele manier sprake is?
Volgens artikel 1 van het voorstel gelden leden na digitale intekening als ter vergadering aanwezig. Betekent dit dat deze leden dezelfde rechten en plichten volgend uit het Reglement van Orde hebben als leden die na fysieke intekening aan de vergadering deelnemen, zo vragen de leden van de SP-fractie? Zo ja, betekent dit dat voor leden die digitaal hebben ingetekend bijvoorbeeld onverkort de artikelen 59 tot en met 63 Reglement van Orde van kracht zijn? Zo ja, is dit de bedoeling van dit voorstel om dit mogelijk te maken? Zo nee, waarom wordt dit in het voorstel niet uitgesloten? Wat betekent digitale ondertekening door leden voor de verplichtingen die voortkomen uit het Reglement van Orde?
Deelt het College de mening van deze leden dat als met dit voorstel wordt beoogd een digitaal quorum voor niet-reguliere vergaderdagen mogelijk te maken, dat in het Reglement van Orde moet worden geregeld dat een digitaal quorum slechts bedoeld is om een voor de vergadering noodzakelijk quorum te bewerkstelligen en dat de overige uit het Reglement van Orde voortkomende rechten slechts kunnen worden uitgeoefend bij fysieke aanwezigheid?
In het voorstel is geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat door een pandemie fysieke vergaderingen aan beperkingen onderhevig moeten zijn. Waarom, vragen de leden van de VVD-fractie, is er geen artikel toegevoegd waardoor via een eenvoudige procedure dit voorstel in zo’n geval ook op reguliere vergaderdagen van toepassing kan worden verklaard? Is het College bereid dit alsnog te regelen?
In artikel 2 lid 1 wordt uitgegaan van het aanmaken van een «digitale identiteit». De leden van de PVV-fractie vragen of het College kan aangeven wat daarvan de exacte definitie is, aan welke criteria deze digitale identiteit moet voldoen, op welke wijze de veiligheid daarvan wordt gewaarborgd en hoe misbruik hiervan wordt tegengegaan? In datzelfde artikel wordt voor het gebruik van deze digitale identiteit ontgrendeling middels een biometrische gezichtsscan verplicht gesteld voor ieder lid. Kan het College aangeven hoe zal worden omgegaan met bezwaren van leden tegen het gebruik van persoonsgevoelige data in de vorm van een biometrische gegevens?
Kan het College aangeven of op deze manier niet een ongelijke positie tussen leden ontstaat ten aanzien van mogelijkheden om digitaal in te kunnen tekenen, als leden principiële bezwaren hebben tegen het gebruik van biometrische gegevens? Kan het College zo nauwkeurig mogelijk aangeven op welke wijze de veiligheid van deze biometrische gegevens gewaarborgd zal worden, wat hiervoor de voorwaarden zijn, de bewaartermijnen en wie toegang kan hebben tot deze gegevens? Kan het college aangeven of het voorgenomen gebruik van deze privacygevoelige data is getoetst bij de Autoriteit Persoonsgegevens?
De PVV-fractieleden lezen dat artikel 3 lid 1 stelt: «Een uitnodiging als bedoeld in artikel 2, tweede lid, bevat tevens optie om digitaal, na aanvang van de vergadering, om stemmen bij zitten en opstaan of stemmen bij hoofdelijke oproeping te vragen.». De bedoelde digitale identiteit zorgt voor de ontgrendeling, maar kan niet controleren of na ontgrendeling ook daadwerkelijk door het betreffende Kamerlid zélf om bijvoorbeeld een hoofdelijke stemming wordt gevraagd (dit kan in theorie ook iemand anders zijn die na de primaire ontgrendeling toegang heeft tot de smartphone, zoals een gezinslid). Kan het College aangeven hoe kan worden uitgesloten dat eenieder anders dan het Kamerlid zelf om een (hoofdelijke) stemming zal vragen?
Het digitaal oproepen tot een hoofdelijke stemming ontneemt de mogelijkheid tot nader collegiaal overleg in de zaal, door de Voorzitter of andere leden, over de daadwerkelijke wenselijkheid van de inzet van dit middel op dat moment, bijvoorbeeld bij spoedeisende wetgeving of absentie van leden vanwege bijvoorbeeld buitenlandse verplichtingen. Kan het College aangeven of het dit nadeel en risico onderkent? Collegiaal overleg over bijvoorbeeld de procedure van de vergadering vindt nu primair in de fysieke vergadering plaats. Kan het College aangeven hoe groot het het risico acht dat er over zulke zaken nu buiten de zaal om een parallelle digitale vergadering kan ontstaan, die zich bovendien buiten het zicht van de openbaarheid af zal spelen?
De toelichting stelt op pagina 3 het volgende: «Uit de motie-Vos c.s. kan worden afgeleid dat een meerderheid van de Kamer van oordeel is dat een digitaal quorum op niet-reguliere vergaderdagen past binnen de interpretatie van artikel 67, eerste lid, van de Grondwet, dat bepaalt dat de Kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering alleen mogen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is.». Dit is een uitleg en gevolgtrekking van de motie, maar zegt op zichzelf niets over de bedoelingen van de Grondwetgever. De PVV-fractieleden vragen het College hoe dit zich verhoudt tot de bedoelingen van de Grondwetgever, in de zin dat beraadslagingen alleen mogelijk zijn als de leden ter vergadering aanwezig zijn? Kan het College dit ook nader onderbouwen met concrete verwijzingen naar de totstandkoming van artikel 67 Grondwet?
In de negentiende eeuw, de tijd van de totstandkoming van onze Grondwet en de quorumregeling, was absentie een veel en langdurig verschijnsel in de Eerste Kamer. Zo stelt prof. dr. Van den Braak hierover: «In het grijze verleden van de Eerste Kamer nam het absenteïsme soms extreme vormen aan. Veel van de oudere senatoren hadden te kampen met bijvoorbeeld jicht en verschenen zelden of nooit. In oktober 1827 meldden liefst dertien van de vijfenvijftig senatoren zich ziek. In 1846 werd zelfs bij het zieke lid Van der Goltz thuis vergaderd, omdat anders het quorum niet zou worden gehaald.».2 In die tijd was digitaal intekenen technisch nog niet mogelijk, maar zouden er wel alternatieven denkbaar zijn geweest, zoals het van huis uit intekenen per koerier te paard. Evenwel heeft de toenmalige Grondwetgever niet voor «schriftelijke» alternatieven gekozen om in te kunnen tekenen voor het quorum. Het voorbeeld over Van der Goltz geeft ook aan dat het – in dit geval ter plaatse – houden van de vergadering in aanwezigheid van leden het uitgangspunt was. Kan het College aangeven waarom met het digitaal intekenen nu dit uitgangspunt van het deelnemen aan de beraadslagingen wordt losgelaten? Kan het College tevens aangeven of op deze manier hedendaags absenteïsme niet in de hand zal worden gewerkt?
Voorts stelt de toelichting op de derde pagina: «De grondslag voor dit voorstel is artikel 52, tweede lid, van het Reglement van Orde. Dit artikellid bepaalt dat, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, de Kamer bij afzonderlijke regeling kan bepalen dat leden die aan de vergadering wensen deel te nemen dit ook op digitale wijze kenbaar kunnen maken, zonder aanwezig te zijn in het Kamergebouw.». Kan het College aangeven wat concreet moet worden verstaan onder «bijzondere omstandigheden» en in hoeverre een agendatechnische uitloopdag van een reguliere vergadering hier ook onder kan worden verstaan?
In noot 5 van de toelichting bij de voorgestelde Regeling wordt verwezen naar de voorlichting door de Afdeling advisering van de Raad van State van 16 april 2020 als onderbouwing van het standpunt dat zich met de Grondwet zou verdragen dat Kamerleden op digitale wijze van buiten het Kamergebouw een presentielijst tekenen. Zien de leden van de PvdD-fractie het goed dat de Afdeling dat alleen aanvaardbaar acht «in bijzondere omstandigheden zoals die zich als gevolg van de uitbraak van het COVID-19 virus kunnen voordoen (...).»?3 Zo ja, dient dan niet opnieuw aan de Afdeling voorlichting te worden gevraagd of de voorgestelde regeling digitaal quorum zich verdraagt met artikel 67, eerste lid van de Grondwet?
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken ziet met belangstelling uit naar de nota naar aanleiding van het verslag en ziet deze graag zo spoedig mogelijk tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Lagas
De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
B. van den Braak, «Zwanger of ziek», De Nederlandse Grondwet, 1 juli 2005 (https://www.denederlandsegrondwet.nl/column/200507/zwanger-ziek).
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
B. van den Braak, «Zwanger of ziek», De Nederlandse Grondwet, 1 juli 2005 (https://www.denederlandsegrondwet.nl/column/200507/zwanger-ziek).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-CLVI-AD.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.