36 986 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030

A VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 10 september 2026

De vaste commissies voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 en voor Justitie en Veiligheid hebben schriftelijk2 overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie over Europese strategie voor gendergelijkheid 2026–2030. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • • De uitgaande brief van 30 juni 2026.

  • • De antwoordbrief van 3 september 2026.

De griffier voor dit verslag, De Graag

BRIEF VAN DE VOORZITTERS DE VASTE COMMISSIES VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP EN VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2026

De vaste commissies voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Justitie en Veiligheid hebben met belangstelling kennisgenomen van de Mededeling van de Europese Commissie inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026)113). Naar aanleiding van de behandeling van deze mededeling in de gecombineerde vergadering van de genoemde commissies op 16 juni 2026 wensen de leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA gezamenlijk, de leden van de fracties van Volt en de PvdD gezamenlijk en de leden van de fractie van de SGP nog enkele vragen aan de regering voor te leggen. Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers sluit zich aan bij de vragen van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA. Het lid van de Fractie-Van Gasteren sluit zich aan bij de vragen van de BBB.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA gezamenlijk

De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van de Mededeling van de Europese Commissie inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–20303 en het bijbehorende BNC-fiche van de regering.4 Deze leden onderschrijven het belang van gendergelijkheid als fundamenteel recht en als voorwaarde voor een goed functionerende democratische rechtsstaat, een sterke economie en een weerbare samenleving. Naar aanleiding van de stukken hebben zij de volgende vragen aan de regering.

  • 1. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA constateren dat zowel de Europese Commissie als de regering in het BNC-fiche signaleren dat gendergelijkheid en vrouwenrechten onder druk staan en dat op onderdelen sprake is van stagnatie of achteruitgang. Welke concrete indicatoren gebruikt de regering om de positie van vrouwen in Nederland te beoordelen en op welke terreinen is volgens de regering de afgelopen jaren sprake geweest van achteruitgang of stagnatie?

  • 2. Kan de regering toelichten welke beleidsmatige, maatschappelijke of economische oorzaken zij ziet voor deze ontwikkelingen? In hoeverre ziet de regering daarbij een rol voor toenemende misogyne narratieven, online desinformatie en traditionele rolpatronen, waar ook de Europese Commissie in de strategie op wijst? Welke concrete maatregelen heeft de regering voor ogen om de effecten van deze misogyne online cultuur te beperken? Ziet de regering het stimuleren van gendergelijkheid onder jongeren als onderdeel van de Strategie voor gendergelijkheid? Zo ja, welke aanvullende initiatieven neemt zij om de zorgelijke ontwikkelingen op dit terrein tegen te gaan?

  • 3. In hoeverre acht de regering langdurige financiële afhankelijkheid van een partner een risico voor de feitelijke vrijheid en zelfbeschikking van vrouwen, bijvoorbeeld in situaties van scheiding of huiselijk geweld? Welke rol ziet de regering voor beleid gericht op financiële geletterdheid en financiële weerbaarheid van vrouwen?

  • 4. Past de regering momenteel vormen van gender budgeting toe bij de rijksbegroting? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wordt inzichtelijk gemaakt welke begrotingsmaatregelen bijdragen aan gendergelijkheid?

  • 5. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA hechten groot belang aan de economische zelfstandigheid van vrouwen. Hoe waarborgt de regering dat de implementatie van Europese regelgeving inzake loontransparantie daadwerkelijk leidt tot een verkleining van de loon- en pensioenkloof en niet beperkt blijft tot administratieve rapportageverplichtingen?

  • 6. Kan de regering daarbij tevens ingaan op de zogenoemde «babyboete»:5 de structurele inkomens-, carrière- en pensioenachterstand die vrouwen ondervinden na het krijgen van kinderen? Welke concrete maatregelen neemt de regering om deze achterstand te verkleinen?

  • 7. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA onderschrijven het belang van een evenwichtige verdeling van arbeid en zorg. Welke structurele belemmeringen ziet de regering voor een gelijkere verdeling van zorgtaken tussen partners en hoe beoordeelt zij in dit verband het belang van toegankelijke en betaalbare kinderopvang?

  • 8. Kan de regering in het licht van de doelstellingen van de Europese strategie ingaan op de stand van zaken van het voornemen tot (nagenoeg) gratis kinderopvang? Welke gevolgen verwacht zij van eventuele aanpassingen van dit beleid voor de arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van vrouwen?

  • 9. Het Europees Instituut voor Gendergelijkheid constateert dat cybergeweld, online intimidatie en digitale haat vrouwen disproportioneel treffen.6 Hoe zorgt de regering ervoor dat de Europese inzet tegen cybergeweld en online haat concreet doorwerkt in de Nederlandse uitvoeringspraktijk? Kan zij daarbij ingaan op de verantwoordelijkheden van online platforms, de handhaving en de ondersteuning van slachtoffers?

  • 10. Hoe beoordeelt de regering de huidige aanpak van gendergerelateerd geweld, waaronder femicide? Acht zij aanvullende maatregelen noodzakelijk op het gebied van preventie, vroegsignalering en bescherming van slachtoffers? Kan de regering daarnaast ingaan op de stand van zaken van de implementatie van de Europese richtlijn uit 2024 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,7 en aangeven op welke onderdelen nog aanvullende nationale maatregelen nodig zijn?

  • 11. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA waarderen de aandacht in de Strategie voor vrouwengezondheid en gendersensitieve zorg. Welke concrete stappen zet de regering om te bevorderen dat medisch onderzoek, diagnostiek, medicatieontwikkeling en behandelrichtlijnen beter aansluiten bij het vrouwenlichaam en dat bestaande kennisachterstanden worden ingelopen?

  • 12. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA constateren dat de regering in het BNC-fiche aangeeft het te betreuren dat de strategie slechts beperkt inzet op nieuwe wetgevende initiatieven. Welke aanvullende Europese wetgeving zou de regering wenselijk achten om de doelstellingen van de strategie daadwerkelijk te realiseren en op welke terreinen acht zij de huidige Europese inzet ontoereikend?

  • 13. Hoe beoordeelt de regering de verschillen tussen lidstaten ten aanzien van de bescherming van vrouwenrechten en gendergelijkheid, mede in het licht van zorgen over democratische en rechtsstatelijke achteruitgang in delen van de Europese Unie (EU)? Welke rol ziet de regering voor de EU bij het beschermen en bevorderen van deze rechten in alle lidstaten?

  • 14. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA lezen in het BNC-fiche dat de regering de algemene doelstellingen van de strategie ondersteunt, met aandacht voor subsidiariteit en nationale bevoegdheden.8 Kan de regering nader toelichten op welke onderdelen Nederland binnen de EU actief wil inzetten op verdere samenwerking en beleidsontwikkeling op het terrein van gendergelijkheid? Met welke lidstaten trekt Nederland hierin op en op welke thema’s ziet de regering ruimte voor aanvullende Europese samenwerking?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van Volt en de PvdD gezamenlijk

De leden van de fracties van Volt en de PvdD hebben met belangstelling kennisgenomen van de Mededeling van de Europese Commissie inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–20309 en het bijbehorende BNC-fiche van de regering.10 Deze leden onderschrijven het belang van gendergelijkheid als fundamentele Europese waarde en als voorwaarde voor een vrije, rechtvaardige en economisch sterke samenleving. Zij waarderen dat de strategie gendergelijkheid niet uitsluitend benadert als een sociaal vraagstuk, maar ook als een voorwaarde voor democratische weerbaarheid, gelijke kansen, gezondheid en concurrentievermogen.

De leden van de fracties van Volt en de PvdD lezen met belangstelling dat de regering de strategie in algemene zin positief beoordeelt, maar tegelijkertijd constateert dat het ambitieniveau van de strategie wordt begrensd door de geopolitieke realiteit.11 Naar aanleiding van de strategie en het BNC-fiche hebben deze leden nog enkele vragen aan de regering.

Samenhang tussen gendergelijkheid en discriminatiebeleid

De strategie kiest nadrukkelijk voor een intersectionele benadering, waarbij wordt erkend dat mensen tegelijkertijd met verschillende vormen van uitsluiting of achterstelling te maken kunnen krijgen. De leden van de fracties van Volt en de PvdD onderschrijven het belang van deze benadering.

  • 1. Kan de regering toelichten hoe zij de samenhang ziet tussen het Nederlandse gendergelijkheidsbeleid en het bredere beleid gericht op het tegengaan van discriminatie en uitsluiting? Op welke wijze wordt voorkomen dat verschillende vormen van ongelijkheid afzonderlijk worden benaderd, terwijl deze zich in de praktijk vaak gelijktijdig voordoen?

Gegevensverzameling en bescherming van persoonsgegevens

De regering geeft aan eventuele Europese aanbevelingen ten aanzien van gegevensverzameling over gendergelijkheid te verwelkomen, maar wijst tegelijkertijd op privacyvraagstukken, uitvoeringslasten en het belang van juridische waarborgen.12

  • 2. Kan de regering nader toelichten welke vormen van gegevensverzameling zij noodzakelijk acht om ongelijkheid zichtbaar te maken en waar volgens haar de grenzen liggen van het verzamelen van zogenoemde «equality data»?13

  • 3. Welke aanvullende juridische waarborgen acht de regering noodzakelijk om te voorkomen dat gegevens die bedoeld zijn om ongelijkheid te bestrijden, leiden tot nieuwe privacy- of discriminatierisico’s? Op welke wijze brengt de regering deze aandachtspunten onder de aandacht van de Europese Commissie?

Jongens en mannen als partners in gendergelijkheid

De leden van de fracties van Volt en de PvdD lezen met belangstelling dat zowel de Europese Commissie als de regering expliciet aandacht besteden aan de rol en meerwaarde van jongens en mannen bij het realiseren van gendergelijkheid.14

  • 4. Kan de regering toelichten welke concrete beleidsdoelen zij verbindt aan deze inzet? Op welke wijze wordt gemonitord of beleid gericht op gendergelijkheid daadwerkelijk bijdraagt aan meer gelijkwaardige maatschappelijke verhoudingen en aan een grotere betrokkenheid van jongens en mannen bij het bevorderen van gendergelijkheid?

Mentale gezondheid van vrouwen

De regering merkt in het BNC-fiche op dat zij het een gemiste kans vindt dat de strategie beperkt aandacht besteedt aan de mentale gezondheid van vrouwen.

  • 5. Kan de regering nader toelichten welke specifieke knelpunten zij op dit terrein signaleert en welke vormen van Europese samenwerking of kennisuitwisseling zij wenselijk acht om deze problematiek beter te adresseren?

Europese samenwerking in de zorg

De strategie bevat het voornemen om te werken aan een Europese Zorgovereenkomst gericht op de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorgdiensten en op betere arbeidsomstandigheden in de zorgsector.

  • 6. Kan de regering verduidelijken welke onderdelen van een dergelijke Europese Zorgovereenkomst volgens haar meerwaarde hebben op Europees niveau en welke onderdelen primair een nationale verantwoordelijkheid blijven?

  • 7. Welke gevolgen verwacht de regering van een dergelijke overeenkomst voor lidstaten die, zoals Nederland, kampen met aanzienlijke personeelstekorten in de zorgsector?

Uitvoerbaarheid en monitoring

De strategie bevat een groot aantal ambities, beleidsinitiatieven en aangekondigde maatregelen. De leden van de fracties van Volt en de PvdD hechten eraan dat dergelijke ambities niet alleen leiden tot nieuwe rapportageverplichtingen, maar ook aantoonbaar bijdragen aan betere maatschappelijke uitkomsten.

  • 8. Welke indicatoren acht de regering noodzakelijk om vast te stellen of de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 daadwerkelijk heeft bijgedragen aan het verkleinen van ongelijkheden binnen de Europese Unie?

  • 9. Hoe voorkomt de regering dat toekomstige Europese monitorings- en rapportageverplichtingen leiden tot hogere administratieve lasten zonder dat daar aantoonbaar betere beleidsresultaten tegenover staan?

Gendergelijkheid en Europees concurrentievermogen

De leden van de fracties van Volt en de PvdD lezen dat de Commissie verwacht dat het volledig dichten van de genderkloof kan bijdragen aan economische groei en miljoenen extra banen in de Europese Unie.15

  • 10. Kan de regering toelichten welke maatregelen volgens haar de grootste bijdrage leveren aan deze economische opbrengst en welke lessen daaruit voor Nederland kunnen worden getrokken voor het versterken van het Europese concurrentievermogen, de arbeidsmarkt en de strategische weerbaarheid van de Europese Unie?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP

De leden van de fractie van de SGP hebben kennisgenomen van de Gender Equality Strategy 2026–203016 en hebben daarover enkele vragen.

De Europese Commissie noemt onveilige abortussen een zaak van volksgezondheid en acht zichzelf daarom bevoegd om het Europees Sociaal Fonds (ESF+) te gebruiken om abortuszorg te financieren. Abortusingrepen vallen, voor zover deze leden bekend, buiten de kaders van het Europees Sociaal Fonds en betreffen bovendien een nationale aangelegenheid.

  • 1. Hoe zet de regering zich in Europees verband in om de middelen in het ESF+ uitsluitend te gebruiken binnen de kaders die zijn gesteld?

In de beantwoording van vragen van de Tweede Kamerleden Kops en Stöteler (beide PVV)17 geeft de regering aan dat de Europese Unie lidstaten mag ondersteunen in hun beleid voor gezondheidszorg en dat er daarmee sprake is van een rechtmatige besteding van de ESF+ gelden.

  • 2. Is de regering ermee bekend dat in Malta en Polen abortus is verboden en is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht?

De leden van de fractie van de SGP wijzen erop dat ook in Nederland abortus strafbaar is gesteld in artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht. Met dit solidariteitsmechanisme acteert de Europese Commissie naar het oordeel van deze leden ook binnen de sfeer van het strafrecht en gaat het dus niet uitsluitend om beleid inzake gezondheidszorg.

  • 3. Kan de regering ingaan op de bevoegdheid van de Europese Commissie om in te grijpen in het nationale strafrecht? Acht zij dat in dit geval gerechtvaardigd?

De leden van de SGP-fractie zijn blij om in het BNC-fiche18 te lezen dat de ESF+ gelden in Nederland niet worden gebruikt om abortus te financieren. Tegelijk betreft het een solidariteitsmechanisme waardoor Nederland meebetaalt aan abortuszorg in andere landen middels een Europees instrument dat daarvoor volgens deze leden niet is bedoeld.

  • 4. Hoe wil de regering voorkomen dat Nederlands belastinggeld wordt ingezet om abortus toegankelijk te maken voor niet-Nederlanders?

Als onderbouwing voor het besluit wordt benoemd dat honderdduizenden onveilige abortussen plaatsvinden. De leden van de fractie van de SGP merken op dat het naar hun mening evident is dat abortus niet als veilig kan worden beschouwd, omdat daarbij een mensenleven omkomt.

  • 5. Hoe reflecteert de regering in dat licht op de onderbouwing van de Europese Commissie? Onderschrijft zij die?

In het BNC-fice benoemt de regering dat onveilige abortussen een van de belangrijkste oorzaken van moedersterfte zijn. De leden van de fractie van de SGP merken op dat de regering daarmee naar hun mening vergeet te melden dat abortussen een belangrijke oorzaak zijn van kindersterfte. In dat licht maken deze leden zich grote zorgen dat de Europese Commissie abortussen wil promoten in Europese diplomatieke contacten.

Hoewel de Europese Commissie belast is met het uitvoeren en handhaven van het EU-recht, bestaat er, voor zover deze leden bekend, geen bevoegdheidsgrondslag voor de Europese Commissie om promotiebeleid te voeren op thema’s die niet onder haar bevoegdheid vallen. Dat geldt volgens deze leden helemaal voor ethische thema’s die zo controversieel zijn als abortus.

  • 6. Hoe reflecteert de regering hierop?

  • 7. Vindt de regering het wenselijk dat de Europese Commissie actief ethische standpunten promoot?

  • 8. Erkent de regering dat dit de (ervaren) ruimte van nationale politici ontneemt om zich uit te spreken tegen abortus?

  • 9. Is zij voornemens om de Europese Commissie op dit punt tot de orde te roepen?

Als het gaat om abortuswetgeving hebben lidstaten wettelijke kaders en waarborgen gesteld waarbij veel belangen worden afgewogen, die volgens deze leden niet gelden bij de inzet van het ESF+.

  • 10. Is de regering ermee bekend of er een zorgvuldigheidstoets is uitgevoerd op dit onderdeel van het ESF+ fonds?

  • 11. Is de regering ermee bekend of er is onderzocht of het financieren van abortussen vanuit het ESF+ fonds voldoet aan het antidiscriminatiebeginsel?

De leden van de vaste commissies voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Justitie en Veiligheid zien met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Een afschrift van deze brief is gezonden aan de Minister van Justitie en Veiligheid.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Th.W. Rietkerk

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, B.O. Dittrich

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS EN EMANCIPATIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 september 2026

Antwoorden op de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA gezamenlijk (mede namens het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers)

1. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA constateren dat zowel de Europese Commissie als de regering in het BNC-fiche signaleren dat gendergelijkheid en vrouwenrechten onder druk staan en dat op onderdelen sprake is van stagnatie of achteruitgang. Welke concrete indicatoren gebruikt de regering om de positie van vrouwen in Nederland te beoordelen en op welke terreinen is volgens de regering de afgelopen jaren sprake geweest van achteruitgang of stagnatie?

Ik monitor de positie van vrouwen in Nederland aan de hand van verschillende onderzoeken. De tweejaarlijkse Emancipatiemonitor laat zien hoe vrouwen en mannen ervoor staan op het gebied van gezondheid, onderwijs, werk, zorg, inkomen, sociale veiligheid en gelijkheid in Europees perspectief. Ook brengt de monitor maatschappelijke opvattingen over de rol van vrouwen en mannen in beeld. De belangrijkste uitkomsten uit de Emancipatiemonitor en uit andere monitoringsonderzoeken zijn te vinden op OCW in Cijfers. In de begroting en het jaarverslag worden relevante indicatoren uit OCW in Cijfers ieder jaar gekoppeld aan de doelen van het emancipatiebeleid.

Emancipatie kost tijd. Vooruitgang gaat stap voor stap. Zo zijn de economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid van vrouwen de afgelopen jaren gestaag toegenomen.19 Tegelijkertijd ziet het kabinet dat er meer geweld tegen vrouwen wordt gemeld.20 Dat onderstreept dat blijvende inzet op emancipatie nodig is.

2. Kan de regering toelichten welke beleidsmatige, maatschappelijke of economische oorzaken zij ziet voor deze ontwikkelingen? In hoeverre ziet de regering daarbij een rol voor toenemende misogyne narratieven, online desinformatie en traditionele rolpatronen, waar ook de Europese Commissie in de strategie op wijst? Welke concrete maatregelen heeft de regering voor ogen om de effecten van deze misogyne online cultuur te beperken? Ziet de regering het stimuleren van gendergelijkheid onder jongeren als onderdeel van de Strategie voor gendergelijkheid? Zo ja, welke aanvullende initiatieven neemt zij om de zorgelijke ontwikkelingen op dit terrein tegen te gaan?

Online omgevingen en sociale media hebben invloed op normen, denkbeelden en gedrag van jongeren en volwassenen. Helaas zijn er ook online gemeenschappen waarin vrouwonvriendelijke of gewelddadige denkbeelden worden verspreid of desinformatie wordt gedeeld. Zo zie ik dat de manosfeer en religieus conservatisme in toenemende mate impact hebben op de denkbeelden van (jonge) mensen. Om een effectieve aanpak te kunnen ontwikkelen is meer inzicht nodig uit (internationaal) onderzoek. De invloed van de manosfeer kan niet alleen door het onderwijs worden opgelost. Ook ouders en opvoeders hebben een belangrijke rol om jongeren de fundamentele waarden in onze samenleving vrijheid, gelijkwaardigheid en respect bij te brengen.

Tegelijkertijd moet de online publieke ruimte veilig, toegankelijk en transparant zijn. Daarbij geldt dat wat offline illegaal is, online ook illegaal is. Discriminatie en uitsluiting zijn niet toegestaan.

Het kabinet blijft zich inzetten voor deze veilige online omgeving. Zo werkt het kabinet onder leiding van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan een aanpak tegen buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging. Ook zet het kabinet zich hiervoor in met het interdepartementale plan van aanpak tegen online discriminatie, waarvan ook de aanpak van misogynie onderdeel is. Dit jaar starten we een maatschappelijk dialoog over online discriminatie. Ook bieden we maatschappelijke organisaties en gemeenten, trainingen en praktische handvatten om online haatspraak beter te herkennen en aan te pakken. Met de nieuwe subsidieregeling voor de Mannenalliantie zetten we onder meer in op de rol van opvoeders, omstanderinterventies en het doorbreken van schadelijke stereotypen en normen over vrouwen en mannen.

School moet een veilige plek zijn om te leren en te werken. School is ook een plek om het gesprek aan te gaan met leerlingen en jongeren, zodat leerlingen over de negatieve impact van onder andere de manosfeer en religieus conservatisme voor zowel jongens en meiden leren. Vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht, kerndoelen en een stevige pedagogische basis geven scholen les over gelijkwaardigheid en respect, bijvoorbeeld tussen mannen en vrouwen. Voor het bevorderen van een veilig schoolklimaat kunnen scholen terecht bij Stichting School & Veiligheid.

3. In hoeverre acht de regering langdurige financiële afhankelijkheid van een partner een risico voor de feitelijke vrijheid en zelfbeschikking van vrouwen, bijvoorbeeld in situaties van scheiding of huiselijk geweld? Welke rol ziet de regering voor beleid gericht op financiële geletterdheid en financiële weerbaarheid van vrouwen?

Financiële onafhankelijkheid is een belangrijke voorwaarde voor vrijheid, zelfbeschikking en veiligheid. Daarmee is het een belangrijke pijler van de emancipatienota. Daarom zet het kabinet zich in om de financiële onafhankelijkheid van vrouwen te vergroten. Dat gebeurt onder meer met de herziening van het kinderopvangstelsel en de vereenvoudiging van het verlofstelsel. Zo wordt werken toegankelijker en wordt het aantrekkelijker om meer te werken.

Ook ondersteunt de alliantie Financieel Sterk door Werk werkgevers via het programma Het Potentieel Pakken bij gesprekken met medewerkers over het uitbreiden van arbeidsuren en wat dat financieel oplevert. Recent onderzoek laat zien dat meer uren werken voor vier op de vijf medewerkers loont. Daarom zet ik mij samen met mijn collega’s in voor vrijwillige urenuitbreiding.

Zelfbeschikking is essentieel. Ook op financieel gebied. Daarom zet het kabinet zich ook in voor mensen van wie de zelfbeschikking onder druk staat, met aandacht voor financiële weerbaarheid. Daarbij is er specifieke aandacht voor vrouwen, vooral vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen die financieel afhankelijk zijn. Een voorbeeld is de interventie Kiezen voor Werk van Diversion, die samen met migrantenvrouwenorganisaties wordt uitgevoegd. Ook in het inburgeringstraject is aandacht voor zelfbeschikking en voor de positie en veiligheid van vrouwen.

Tot slot heb ik Movisie opdracht gegeven om een overzicht te maken van «wat werkt bij de arbeidstoeleiding van niet-werkende vrouwen». Hierin worden geleerde lessen uit verschillende pilots bij elkaar gebracht om vrouwen die nu niet werken, naar werk te begeleiden en daarmee hun eigen inkomen te vergroten.

4. Past de regering momenteel vormen van gender budgeting toe bij de rijksbegroting? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wordt inzichtelijk gemaakt welke begrotingsmaatregelen bijdragen aan gendergelijkheid?

Het kabinet onderstreept het belang van een tweeledige aanpak van gendergelijkheid: gendermainstreaming én gerichte maatregelen. Dat sluit aan bij de Raadsconclusies uit 2023 over de integratie van het gendergelijkheidsperspectief in beleid, programma’s en begrotingen.21 Daarbij houdt het kabinet ook rekening met de huidige inrichting van de Nederlandse begroting. Genderbudgeting is binnen de huidige inrichting van de rijksbegroting niet mogelijk. Daarom is rijksbreed afgesproken dat bij elk beleidstraject het Beleidskompas wordt gebruikt. De Kwaliteitseis Effecten op Gendergelijkheid is daarvan een verplicht onderdeel. Zo wordt bij de ontwikkeling van nieuw beleid structureel gekeken naar de gevolgen voor gendergelijkheid.

Op Europees niveau waardeert het kabinet een modernisering van de meerjarenbegroting van de EU (2028–2034). De Europese Commissie wil uiterlijk eind 2026 technische richtsnoeren presenteren om inzichtelijk te maken welke EU-uitgaven bijdragen aan gendergelijkheid. Daarbij wordt ook gekeken naar prestatie-indicatoren die zijn uitgesplitst naar gender. Het kabinet steunt deze horizontale aanpak om gendergelijkheid beter mee te nemen in EU-programma’s.22 Zodra de richtsnoeren beschikbaar zijn, beoordeelt het kabinet deze op hun eigen merites.

5. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA hechten groot belang aan de economische zelfstandigheid van vrouwen. Hoe waarborgt de regering dat de implementatie van Europese regelgeving inzake loontransparantie daadwerkelijk leidt tot een verkleining van de loon- en pensioenkloof en niet beperkt blijft tot administratieve rapportageverplichtingen?

Het kabinet werkt hard aan de implementatie van de EU-richtlijn loontransparantie. Het wetsvoorstel ligt op dit moment voor behandeling in de Tweede Kamer. Het doel van dit wetsvoorstel is om met onder meer transparantieverplichtingen bij te dragen aan het verkleinen van loonverschillen tussen mannen en vrouwen.

Het kabinet wil de regels zo vormgeven dat werkgevers eraan kunnen voldoen met zo min mogelijk administratieve lasten. Tegelijkertijd moeten de maatregelen bijdragen aan gelijke beloning van vrouwen en mannen. De verschillende maatregelen in het wetsvoorstel versterken elkaar. Zo moeten werkgevers beschikken over een objectief systeem voor functiewaardering en -indeling, zodat verschillen in inschaling tussen vrouwen en mannen worden voorkomen. Ook zorgen de transparantieverplichtingen ervoor dat werknemers beter inzicht krijgen in hun recht op gelijke beloning. Om werkgevers hierbij te ondersteunen, worden in het kader van het wetsvoorstel loontransparantie verschillende hulpmiddelen ontwikkeld. Rondom de inwerkingtreding van de wet is daarnaast een publiekscampagne over de rechten en plichten in het kader van het wetsvoorstel voorzien. Recent is verder een handreiking in het kader van de verplichting een deugdelijk systeem van functiewaardering en -indeling te hebben beschikbaar gesteld.23

Het kabinet zet zich breed in voor meer gendergelijkheid op de arbeidsmarkt. Dat doet het onder meer met de herziening van het kinderopvangstelsel en de vereenvoudiging van het verlofstelsel. Zo wordt werken toegankelijker en aantrekkelijker. Dat draagt bij aan de financiële onafhankelijkheid van vrouwen en aan het verkleinen van de loonkloof.

6. Kan de regering daarbij tevens ingaan op de zogenoemde «babyboete»:24 de structurele inkomens-, carrière- en pensioenachterstand die vrouwen ondervinden na het krijgen van kinderen? Welke concrete maatregelen neemt de regering om deze achterstand te verkleinen?

Het kabinet vindt het onwenselijk dat vrouwen na de geboorte van hun eerste kind vaak significant minder inkomen hebben dan daarvoor en dan hun partner. Deze zogenoemde «babyboete» hangt vooral samen met een afname van het aantal gewerkte uren. Sociale normen over de verdeling van werk en zorg spelen daarbij een belangrijke rol.25

Een gelijkere verdeling van werk en zorg tussen mannen en vrouwen is belangrijk. Een evenwichtiger verdeling van zorgtaken draagt bij aan een kleiner inkomensverschil doordat vrouwen vaker blijven werken of meer uren werken. Dit komt naar voren uit de evaluatie van het betaald ouderschapsverlof.26

Het kabinet werkt aan een eenvoudiger en zekerder financieringsstelsel voor kinderopvang voor werkende ouders. Ook komt er een vereenvoudiging van het verlofstelsel, zodat verlof eenvoudiger, begrijpelijker en toegankelijker wordt. Het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie en zwangerschapsdiscriminatie heeft de aandacht om gelijke kansen op de arbeidsmarkt te bevorderen. Dit verloopt via het Offensief Gelijke kansen, waarbij onder meer werkgevers worden ondersteund met het zorgen voor objectieve werving en selectie.

7. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA onderschrijven het belang van een evenwichtige verdeling van arbeid en zorg. Welke structurele belemmeringen ziet de regering voor een gelijkere verdeling van zorgtaken tussen partners en hoe beoordeelt zij in dit verband het belang van toegankelijke en betaalbare kinderopvang?

Stereotype denkbeelden over taakverdeling tussen mannen en vrouwen bij zorg en werk, evenals verschillen in inkomen, belemmeren een gelijkere verdeling en blijken hardnekkig. Goede en toegankelijke verlofregelingen waar mannen en vrouwen gebruik van maken zijn van belang. Datzelfde geldt voor toegankelijke en betaalbare kinderopvang. De huidige hervorming van het kinderopvangstelsel voor werkende ouders is een goede stap. Dit kan bijdragen aan cultuurverandering en de arbeidsparticipatie bevorderen.

8. Kan de regering in het licht van de doelstellingen van de Europese strategie ingaan op de stand van zaken van het voornemen tot (nagenoeg) gratis kinderopvang? Welke gevolgen verwacht zij van eventuele aanpassingen van dit beleid voor de arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van vrouwen?

Het kabinet gaat door met de herziening van het kinderopvangstelsel, zoals afgesproken in het coalitieakkoord. Het kabinet streeft ernaar om eind 2026 het wetsvoorstel aan te bieden aan de Tweede Kamer. De bijna gratis kinderopvang kan bijdragen aan de arbeidsparticipatie en de financiële onafhankelijkheid van vrouwen.

9. Het Europees Instituut voor Gendergelijkheid constateert dat cybergeweld, online intimidatie en digitale haat vrouwen disproportioneel treffen.27 Hoe zorgt de regering ervoor dat de Europese inzet tegen cybergeweld en online haat concreet doorwerkt in de Nederlandse uitvoeringspraktijk? Kan zij daarbij ingaan op de verantwoordelijkheden van online platforms, de handhaving en de ondersteuning van slachtoffers?

Om ervoor te zorgen dat de inzet tegen online haat doorwerkt in Nederland, geven we onder meer uitvoering aan het Plan van aanpak tegen online discriminatie. Daarin staan maatregelen waarmee de aanpak van online haat beter wordt gecoördineerd, slachtoffers beter worden ondersteund en zetten we in op het verminderen van het aantal uitingen van online haat en discriminatie. Daarvoor werken we samen met het maatschappelijk middenveld.

Op grond van de Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA) dragen platforms de verantwoordelijkheid om hun platformen veilig te maken. Dat betekent onder meer dat zij systeemrisico’s, die het gevolg zijn van schadelijke content zoals haat tegen vrouwen en meiden, moeten beperken. Het toezicht op de naleving van de regels uit de DSA ligt bij de Autoriteit Consument & Markt in Nederland. Voor de grootste platforms is de Europese Commissie de toezichthouder.

Binnen de Versterkte Aanpak lhbtiq+-veiligheid en het Nationaal Actieplan geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling is ook aandacht voor cybergeweld en online haat, evenals de invloed van de manosfeer en religieus conservatisme op geweld tegen vrouwen en lhbtiq+ personen. Deze vrouw- en lhbtiq+-onvriendelijke online omgevingen hebben mogelijk zorgwekkende gevolgen voor de online en offline veiligheid en vrijheid van ons allemaal.

10. Hoe beoordeelt de regering de huidige aanpak van gendergerelateerd geweld, waaronder femicide? Acht zij aanvullende maatregelen noodzakelijk op het gebied van preventie, vroegsignalering en bescherming van slachtoffers? Kan de regering daarnaast ingaan op de stand van zaken van de implementatie van de Europese richtlijn uit 2024 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,28 en aangeven op welke onderdelen nog aanvullende nationale maatregelen nodig zijn?

Het kabinet intensiveert en verbetert de aanpak van gendergerelateerd geweld. Dat doet het op alle fronten: van preventie en vroegsignalering tot ondersteuning van slachtoffers. De voortgang van deze aanpak is toegelicht in de Kamerbrief Voortgang van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling van 3 juli 2026.

Half september start de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld om versnippering tegen te gaan en de samenhang te versterken. De kerntaken zijn: het opstellen en aanjagen van een Nationaal Actieplan, het borgen van samenhang tussen departementale acties en het fungeren als aanspreekpunt voor signalen van gemeenten en uitvoeringsorganisaties. Deze versterkte regie moet leiden tot een merkbaar effectievere aanpak voor (potentiële) slachtoffers en plegers.

Daarnaast heeft de ministerraad op 29 mei 2026 ingestemd met toezending van het wetsvoorstel ter implementatie van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (EU 2024/1385) aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Aanvullende nationale maatregelen worden voorzien op het gebied van professionalisering, uniformiteit en kwaliteit van voorzieningen, slachtofferbescherming, gegevensdeling en versterkte primaire preventie. De Kamerbrief licht de inhoud van het wetsvoorstel nader toe. Het wetsvoorstel, inclusief de beleidsmatige implementatie van de richtlijn, wordt naar verwachting dit najaar aan de Tweede Kamer aangeboden.

11. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA waarderen de aandacht in de Strategie voor vrouwengezondheid en gendersensitieve zorg. Welke concrete stappen zet de regering om te bevorderen dat medisch onderzoek, diagnostiek, medicatieontwikkeling en behandelrichtlijnen beter aansluiten bij het vrouwenlichaam en dat bestaande kennisachterstanden worden ingelopen?

Op 26 juni 2026 heeft het kabinet de werkagenda vrouwengezondheid gepubliceerd. Deze werkagenda werkt de strategie vrouwengezondheid uit en zet in op drie actielijnen: het erkennen en herkennen van klachten, kennisontwikkeling, implementatie en innovatie, en infrastructuur en samenwerking. Het Kennisprogramma Vrouwspecifieke Aandoeningen van ZonMw, in opdracht van het Ministerie van VWS, zet bijvoorbeeld in op kennisontwikkeling en netwerkvorming. De stap van strategie naar actie vraagt om de gezamenlijke inzet van vele partijen. Daarom zet het kabinet in op samenwerking tussen zorgaanbieders, zorgverzekeraars, onderzoekers, werkgevers en opleiders om de vrouwengezondheid in Nederland te verbeteren. Meer dan 40 organisaties, waaronder zorginstellingen, kennisinstituten, investeerders en werkgevers, hebben sinds de werkconferentie vrouwengezondheid in februari 2026 zogenoemde «pledges» ingediend, waarin zij aangeven hoe zij bijdragen aan betere vrouwengezondheid.

12. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA constateren dat de regering in het BNC fiche aangeeft het te betreuren dat de strategie slechts beperkt inzet op nieuwe wetgevende initiatieven. Welke aanvullende Europese wetgeving zou de regering wenselijk achten om de doelstellingen van de strategie daadwerkelijk te realiseren en op welke terreinen acht zij de huidige Europese inzet ontoereikend?

Ik vind het teleurstellend dat het ambitieniveau van de strategie beperkt lijkt en dat er geen wetgevende maatregelen worden voorgesteld. Desondanks waardeer ik de focus op het implementeren, uitvoeren en handhaven van het bestaande wetgevende kader en het versterken van bestaande. De Europese inzet op gender- en lhbtiq+-gelijkheid wordt nader uitgewerkt aan de hand van de Emancipatienota. Over de uitvoering van deze inzet wordt vervolgens gerapporteerd in de voortgangsrapportage bij de Emancipatienota.

13. Hoe beoordeelt de regering de verschillen tussen lidstaten ten aanzien van de bescherming van vrouwenrechten en gendergelijkheid, mede in het licht van zorgen over democratische en rechtsstatelijke achteruitgang in delen van de Europese Unie (EU)? Welke rol ziet de regering voor de EU bij het beschermen en bevorderen van deze rechten in alle lidstaten?

Uit rapportages van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) blijkt dat de bescherming van vrouwenrechten en gendergelijkheid binnen de Europese Unie nog aanzienlijke verschillen vertoont, onder meer ten aanzien van gendergerelateerd geweld, discriminatie en gelijke behandeling.29, 30 De Europese Commissie signaleert in de jaarlijkse rechtsstaatrapportage31 ook dat er zowel positieve vooruitgang is in de lidstaten om de rechtsstaat te beschermen, maar uit ook zorgen over enkele lidstaten. Het kabinet is van oordeel dat wanneer de rechtsstaat onder druk staat, dit ook gevolgen kan hebben voor de bescherming van fundamentele rechten. Daarom zet Nederland zich binnen de Europese Unie in zowel voor het versterken van de democratische rechtsstaat, als voor het bevorderen van gendergelijkheid en lhbtiq+-gelijkheid. De Europese Commissie speelt als hoedster van de EU-verdragen een sleutelrol in het bevorderen van de waarden van de EU en het handhaven van EU-wetgeving op dit terrein. Het is primair aan de Europese Commissie om toe te zien op de naleving van het Unierecht en om, waar nodig, passende maatregelen te nemen wanneer lidstaten hun verplichtingen niet nakomen.

14. De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA lezen in het BNC-fiche dat de regering de algemene doelstellingen van de strategie ondersteunt, met aandacht voor subsidiariteit en nationale bevoegdheden.32 Kan de regering nader toelichten op welke onderdelen Nederland binnen de EU actief wil inzetten op verdere samenwerking en beleidsontwikkeling op het terrein van gendergelijkheid? Met welke lidstaten trekt Nederland hierin op en op welke thema’s ziet de regering ruimte voor aanvullende Europese samenwerking?

De internationale en Europese inzet wordt nader uitgewerkt in het vervolg op de Emancipatienota, die ik september aan de Tweede Kamer aanbied. De genoemde thema’s in het BNC-fiche verdienen daarbij bijzondere aandacht, zoals de volledige transpositie van Richtlijn (EU) 2024/1385 en de aanpak van desinformatie. Ook wil ik op Europees niveau werk maken van meer aandacht voor de prioriteiten uit de Emancipatienota: veiligheid, gezondheid en vrijheid.

Antwoorden op de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van Volt en PvdD gezamenlijk

1. Kan de regering toelichten hoe zij de samenhang ziet tussen het Nederlandse gendergelijkheidsbeleid en het bredere beleid gericht op het tegengaan van discriminatie en uitsluiting? Op welke wijze wordt voorkomen dat verschillende vormen van ongelijkheid afzonderlijk worden benaderd, terwijl deze zich in de praktijk vaak gelijktijdig voordoen?

Het kabinet zet zich in voor gelijkwaardigheid, gelijke behandeling en het voorkomen van uitsluiting. Dat is het uitgangspunt van zowel het gendergelijkheidsbeleid als het bredere antidiscriminatiebeleid. Die samenhang is belangrijk, omdat ongelijke kansen vaak meerdere oorzaken hebben.

Daarom zet het kabinet in op mainstreaming en kiest het daarbij voor een brede benadering: beleid wordt zo ingericht dat rekening wordt gehouden met het feit dat mensen op basis van meerdere kenmerken tegelijk verschillende vormen van ongelijkheid kunnen ervaren. Dit gebeurt bijvoorbeeld aan de hand van het Beleidskompas waarin onder andere een toets op gendergelijkheid plaatsvindt. Het kabinet zet in op goede samenwerking tussen departementen. Zo wordt dubbel beleid voorkomen en wordt ervoor gezorgd dat alle betrokken doelgroepen voldoende worden meegenomen, ongeacht waar de verantwoordelijkheden zijn belegd.

2. Kan de regering nader toelichten welke vormen van gegevensverzameling zij noodzakelijk acht om ongelijkheid zichtbaar te maken en waar volgens haar de grenzen liggen van het verzamelen van zogenoemde «equality data»?33

De regering verzamelt en gebruikt gegevens uit monitoringsonderzoeken, bijvoorbeeld de Emancipatiemonitor, om inzicht te verkrijgen in de stand van zaken op het gebied van gendergelijkheid op tal van maatschappelijke terreinen. Het betreft veelal gegevens op algemeen maatschappelijk niveau, zoals het aandeel vrouwen en mannen in Nederland dat financieel onafhankelijk is. Zulke cijfers zijn noodzakelijk om een globaal inzicht te krijgen in de grootste opgaven om ongelijkwaardigheid tegen te gaan en in de voortgang en het bereiken van de doelen van het emancipatiebeleid.

Bij het verzamelen en gebruiken van gegevens over gendergelijkheid en het bepalen van de grenzen daaraan spelen meerdere overwegingen een rol. Ten eerste moet gegevensverzameling een noodzakelijk doel dienen, zoals het verkrijgen van inzicht in de maatschappelijke opgaven of in de directe en indirecte werking en effecten van het emancipatiebeleid. Ten tweede dient gegevensverzameling (kosten)efficiënt en proportioneel te zijn en dus in verhouding te staan tot de omvang en aard van het gevoerde emancipatiebeleid. Ten derde dient gegevensverzameling de privacy van burgers en de privacywetgeving te respecteren.

3. Welke aanvullende juridische waarborgen acht de regering noodzakelijk om te voorkomen dat gegevens die bedoeld zijn om ongelijkheid te bestrijden, leiden tot nieuwe privacy- of discriminatierisico’s? Op welke wijze brengt de regering deze aandachtspunten onder de aandacht van de Europese Commissie?

De AVG heeft voldoende bestaande waarborgen om privacyrisico’s te verminderen, mits deze strikt en goed nageleefd en gehandhaafd worden. Zo moet de regering data altijd met een duidelijk doel verzamelen, en niet meer data verzamelen dan nodig voor het doel. Daarbij wordt ook gekeken naar het risico op discriminatie. Voor grootschalige of risicovolle dataverwerkingen moeten risico’s voor de burger met een Data Protection Impact Assessment (DPIA) in kaart gebracht worden. Ook is voor algoritmische verwerkingen voert de overheid een Artificial Intelligence Impact Assessment (AIIA) of een Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes uit. De regering brengt het belang van goede naleving en handhaving van de AVG bij de Europese Commissie onder de aandacht, onder meer door zich in te zetten voor grensoverschrijdende samenwerking van privacytoezichthouders.

4. Kan de regering toelichten welke concrete beleidsdoelen zij verbindt aan de rol en meerwaarde van jongens en mannen bij het realiseren van gendergelijkheid? Op welke wijze wordt gemonitord of beleid gericht op gendergelijkheid daadwerkelijk bijdraagt aan meer gelijkwaardige maatschappelijke verhoudingen en aan een grotere betrokkenheid van jongens en mannen bij het bevorderen van gendergelijkheid?

Het kabinet zet zich in voor meer gendergelijkheid en het tegengaan van schadelijke genderstereotypen en opvattingen, zowel offline als online. Daarbij heb ik ook aandacht voor jongens en mannen, bijvoorbeeld via het ondersteunen van de stichting Emancipator34, de publiekscampagne in het kader van het Nationaal Actieprogramma seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld («Man, zeg er wat van»), de verkenning rondom de manosfeer en de ontwikkeling van de Mannenalliantie. De Mannenalliantie heeft specifieke aandacht voor mannen in de rol van opvoeders.

Er zijn meer en gerichtere maatregelen mogelijk. Daarom neem ik bij de ontwikkeling van het nieuwe Nationaal Actieplan Geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en de versterkte aanpak lhbtiq+ veiligheid de invloed van de manosfeer mee. De aanpakken zullen op verschillende doelgroepen gericht zijn, waaronder religieuze en conservatieve groepen. In de Emancipatienota die beide Kamers in september 2026 ontvangen wordt uw Kamer hier nader over geïnformeerd.

Gendergelijkheid wordt gemonitord met de tweejaarlijkse Emancipatiemonitor. Het emancipatiebeleid wordt ook geëvalueerd in periodieke rapportages. Volgens de laatste periodieke rapportage van AEF is het zeer aannemelijk dat het emancipatiebeleid heeft bijgedragen aan positieve maatschappelijke verandering. Daarnaast monitor en evalueer ik de specifieke beleidsinzet. Zo heeft de campagne «Man, zeg er wat van!» de bewustwording en sociale acceptatie van ingrijpen bij grensoverschrijdend gedrag meetbaar vergroot. Mannen voelen vaker dat zij iemand kunnen aanspreken en ervaren dit minder als een sociaal risico.35 Zowel de Mannenalliantie als de versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid zullen afzonderlijk geëvalueerd worden.

5. Kan de regering nader toelichten welke specifieke knelpunten zij op het terrein van mentale gezondheid van vrouwen signaleert en welke vormen van Europese samenwerking of kennisuitwisseling zij wenselijk acht om deze problematiek beter te adresseren?

De manier waarop mentale gezondheidsproblemen zich uiten, kan verschillen tussen jongens en meiden en tussen mannen en vrouwen. Zo rapporteren vrouwen en meiden vaker mentale problemen dan mannen en jongens. Ook krijgen vrouwen vaker een diagnose voor een psychische aandoening en melden meer vrouwelijke werknemers burn-outklachten. De verklaring voor deze cijfers is op dit moment niet eenduidig. Meer kennis, bewustzijn en inzicht is nodig. Dat helpt om mentale gezondheidsproblemen beter te signaleren, passende ondersteuning en zorg te bieden en meer oog te hebben voor de ervaringen en behoeften van vrouwen en meiden. Ook onderzoek en kennisuitwisseling op Europees niveau kunnen daaraan bijdragen. Aandacht voor de mentale gezondheid van vrouwen is essentieel voor hun welzijn en kan daarnaast bijdragen aan financiële onafhankelijkheid, vrijheid en duurzame deelname aan de arbeidsmarkt.

6. De strategie bevat het voornemen om te werken aan een Europese Zorgovereenkomst gericht op de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorgdiensten en op betere arbeidsomstandigheden in de zorgsector. Kan de regering verduidelijken welke onderdelen van een dergelijke Europese Zorgovereenkomst volgens haar meerwaarde hebben op Europees niveau en welke onderdelen primair een nationale verantwoordelijkheid blijven?

Het kabinet kijkt positief naar het voornemen van de Commissie om te werken aan een Europese Zorgovereenkomst ter verbetering van de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorgdiensten en het versterken van arbeidsomstandigheden in de zorgsector. Ook de aandacht voor het stimuleren van een hogere opname van ouderschapsverlof door vaders wordt door het kabinet gewaardeerd, in lijn met de kabinetsinzet om een evenwichtigere verdeling van arbeid en zorg te bevorderen. Het kabinet zal de Zorgovereenkomst na publicatie beoordelen. Daarbij is het van belang dat de bestaande bevoegdheidsverdeling tussen de Europese Unie en haar lidstaten, in dit geval op het terrein van de zorg, gerespecteerd blijft.

7. Welke gevolgen verwacht de regering van een dergelijke overeenkomst voor lidstaten die, zoals Nederland, kampen met aanzienlijke personeelstekorten in de zorgsector?

Op dit moment is het nog niet mogelijk om de gevolgen van een dergelijke overeenkomst voor lidstaten die te kampen hebben met aanzienlijke personeelstekorten in de zorg, zoals Nederland, in te schatten, omdat we eerst het concrete voorstel van de Europese Commissie en de gevolgen daarvan moeten afwachten en beoordelen. Zoals aangegeven staat het kabinet positief tegenover het voornemen om een nieuwe Europese Zorgovereenkomst te publiceren, die zou kunnen bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit, de betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorgdiensten.

8. Welke indicatoren acht de regering noodzakelijk om vast te stellen of de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 daadwerkelijk heeft bijgedragen aan het verkleinen van ongelijkheden binnen de Europese Unie?

Het is aan de Europese Commissie om passende en proportionele monitoring en evaluatie vorm te geven bij de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030.

9. Hoe voorkomt de regering dat toekomstige Europese monitorings- en rapportageverplichtingen leiden tot hogere administratieve lasten zonder dat daar aantoonbaar betere beleidsresultaten tegenover staan?

De regering monitort en evalueert de voortgang en effecten van het Nederlandse emancipatiebeleid. Dit vormt de basis voor eventuele rapportages hierover aan de Europese Commissie. Waar relevant kan de regering de Europese Commissie faciliteren om gebruik te maken van de uitkomsten van reeds uitgevoerde monitoringsonderzoeken en beleidsevaluaties van het Nederlandse emancipatiebeleid. De regering verwacht daarmee een toename van administratieve lasten te kunnen beperken.

10. Kan de regering toelichten welke maatregelen volgens haar de grootste bijdrage leveren aan de economische opbrengst van het dichten van de genderkloof en welke lessen daaruit voor Nederland kunnen worden getrokken voor het versterken van het Europese concurrentievermogen, de arbeidsmarkt en de strategische weerbaarheid van de Europese Unie?

De maatregelen uit de EU-strategie dragen als integraal plan bij aan de versterking van het Europese concurrentievermogen. In een samenleving waarin vrouwen gelijkwaardig en veilig zijn, kunnen ze in vrijheid keuzes maken. Deze EU-strategie draagt daaraan bij, door bijvoorbeeld in te zetten op de aanpak van gendergerelateerd geweld, vrouwengezondheid, gelijke beloning, financiële onafhankelijkheid en een betere werk-privébalans. Dit sluit aan bij de ambitie van het kabinet, die verder wordt uitgewerkt in de Emancipatienota die dit najaar met de Tweede Kamer wordt gedeeld.

Antwoorden op de vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP

1. De leden van de fractie van de SGP stellen dat abortuszorg buiten de kaders van het ESF+ valt en bovendien een nationale aangelegenheid betreft. Zij vragen hoe de regering zich in Europees verband inzet om de middelen in het ESF+ uitsluitend te gebruiken binnen de kaders die zijn gesteld?

Het Europees Sociaal Fonds (ESF+) is een structuurfonds van de Europese Unie waaruit wordt geïnvesteerd in het stimuleren van werkgelegenheid, onderwijs en vaardigheden en sociale inclusie en armoedebestrijding. Hieronder valt ook de toegang tot gezondheidszorg. De Europese Commissie heeft aan de hand van een analyse in een mededeling geconcludeerd dat abortuszorg binnen de kaders van het ESF+ valt36. Binnen deze kaders bepalen lidstaten zelf aan welke concrete activiteiten zij middelen besteden.

2. Is de regering ermee bekend dat in Malta en Polen abortus is verboden en is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht?

Ja. Het kabinet is hiermee bekend.

3. Kan de regering ingaan op de bevoegdheid van de Europese Commissie om in te grijpen in het nationale strafrecht? Acht zij dat in dit geval gerechtvaardigd?

Het mechanisme dat de Europese Commissie beschrijft in haar mededeling over het burgerinitiatief «My Voice My Choice», gaat over besteding van financiële middelen en grijpt niet in het nationale strafrecht. Zoals toegelicht in de Kamerbrief hierover van 29 mei jl.37 is het voorstel van de Commissie niet in strijd met afspraken over nationale bevoegdheden binnen de Europese Unie.38

4. Hoe wil de regering voorkomen dat Nederlands belastinggeld wordt ingezet om abortus toegankelijk te maken voor niet-Nederlanders?

Nederland draagt, net als andere lidstaten, af aan de algemene begroting van de Europese Unie. Deze middelen worden samengevoegd in de EU-begroting en vervolgens, overeenkomstig de door de Europese instellingen vastgestelde begrotings- en subsidieregels, ingezet voor verschillende programma's. Na afdracht zijn de middelen niet meer herleidbaar tot de bijdragen van afzonderlijke lidstaten.

5. Als onderbouwing voor het besluit wordt benoemd dat honderdduizenden onveilige abortussen plaatsvinden. De leden van de fractie van de SGP merken op dat het naar hun mening evident is dat abortus niet als veilig kan worden beschouwd, omdat daarbij een mensenleven omkomt. Hoe reflecteert de regering in dat licht op de onderbouwing van de Europese Commissie? Onderschrijft zij die?

De abortuszorg in Nederland is toegankelijk en van hoge kwaliteit. Abortussen die in Nederland worden uitgevoerd zijn veilig. Dat is niet in alle landen het geval. Wereldwijd hebben veel vrouwen geen toegang tot veilige abortuszorg. Dat kan tot zeer schrijnende en gevaarlijke situaties leiden. Onveilige abortus is wereldwijd een van de belangrijkste – voorkombare – oorzaken van moedersterfte. In dat licht onderschrijft het kabinet de onderbouwing van de Europese Commissie.

6. Hoe reflecteert de regering op de bevoegdheidsgrondslag voor de Europese Commissie?

7. Vindt de regering het wenselijk dat de Europese Commissie actief ethische standpunten promoot?

8. Erkent de regering dat dit de (ervaren) ruimte van nationale politici ontneemt om zich uit te spreken tegen abortus?

9. Is zij voornemens om de Europese Commissie op dit punt tot de orde te roepen?

Vraag 6, 7, 8 en 9 zijn hieronder samen beantwoord.

Zoals toegelicht in de Kamerbrief hierover van 29 mei jl.39 is het voorstel van de Europese Commissie (hierna: EC) niet in strijd met afspraken over nationale bevoegdheden binnen de EU.40

De verdeling van bevoegdheden binnen de Europese Unie is vastgelegd in de artikelen 2 tot en met 6 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Artikel 168 lid 5 en lid 7 VWEU bepalen verder aspecten van de maatregelen die de EC kan nemen in het kader van bescherming en verbetering van de menselijke gezondheid. Lid 7 bepaalt dat het aan de lidstaten is om hun gezondheidsbeleid te bepalen en gezondheidszorg te organiseren. De EC erkent in haar mededeling dat de keuze om abortus al dan niet te legaliseren volledig binnen deze vrijheid valt. De EU kan het optreden van de lidstaten alleen ondersteunen, coördineren en aanvullen, maar mag op dit terrein geen maatregelen vaststellen die de lidstaten verplichten hun wet- en regelgeving te harmoniseren.

Het is binnen Europese samenwerking gebruikelijk om een gesprek te voeren over verschillende onderwerpen, óók over kwesties die tot de nationale bevoegdheden behoren. Zolang dit gesprek plaatsvindt binnen de kaders van het VWEU en met respect voor nationale democratische besluitvorming, is dit niet onwenselijk, maar juist een belangrijk onderdeel van internationale samenwerking. Het blijft nationale politici vrij staan om zich uit te spreken over abortus. De mededeling van de EC over het burgerinitiatief doet daar niets aan af. De regering zal de EC op dit punt niet tot de orde roepen.

10. Is de regering ermee bekend of er een zorgvuldigheidstoets is uitgevoerd op dit onderdeel van het ESF+ fonds?

Het ESF+ bevat geen specifiek onderdeel dat ziet op abortuszorg. Eventuele ondersteuning op dit terrein valt binnen de bredere doelstelling van het fonds om gelijke toegang tot beschikbare, duurzame en betaalbare diensten, waaronder gezondheidszorg, te bevorderen, voor zover dit past binnen de kaders van de ESF+-verordening en de nationale invulling daarvan.

De Europese verordeningen voor het Meerjarig Financieel Kader 2021–2027, waaronder de ESF+-verordening, zijn bij hun totstandkoming onderworpen aan een impact assessment door de Europese Commissie.41 De uitkomsten daarvan zijn betrokken bij de voorbereiding van de verordeningen en worden in de toelichting bij de Commissievoorstellen beschreven.

Daarnaast geldt dat het aan de lidstaten is om, binnen de kaders van de ESF+-verordening en de eigen nationale wet- en regelgeving, te bepalen hoe zij ESF+-middelen inzetten.

11. Is de regering ermee bekend of er is onderzocht of het financieren van abortussen vanuit het ESF+ fonds voldoet aan het antidiscriminatiebeginsel?

Er is een aantal horizontale beginselen van toepassing op de verschillende mechanismen. Artikel 6 van de Verordening 2021/1057 (ESF+) verwijst zowel naar artikel 28 van dezelfde verordening, alsook naar 9 lid 2 van Verordening 2021/1060. Deze laatste verordening bevat gemeenschappelijke bepalingen gericht op verschillende Europese fondsen, waaronder het ESF+ fonds. Uit de genoemde artikelen blijkt dat de Commissie passende maatregelen dient te nemen om discriminatie op verschillende gronden te voorkomen in de voorbereiding op en uitvoering van de programma's, waaronder dus ook programma's onder het ESF+ fonds. De Europese Commissie heeft in haar communicatie over het Europees burgerinitiatief My Voice, My Choice toegelicht dat een lidstaat, indien deze ervoor kiest ESF+-middelen in te zetten voor toegang tot legale abortuszorg, daarbij volledig neutraal moet blijven ten aanzien van de nationaliteit of woonplaats van de doelgroep.42


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Doornhof (CDA), Fiers (PRO), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Jaspers (BBB), Karaaslan(D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Van Knapen (BBB), Lagas (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (PRO), Rietkerk (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (PRO), Rosenmöller (PRO), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (PRO) (ondervoorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (PRO), Lievense (BBB), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (PRO), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (PRO), Recourt (PRO), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (PRO), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

(COM(2026)113) – Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – «Gender Equality Strategy 2026–2030».

X Noot
4

BNC-fiche inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026) 113), aangeboden aan de Eerste Kamer op 13 mei 2026.

X Noot
5

BNC-fiche inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026) 113), aangeboden aan de Eerste Kamer op 13 mei 2026, p. 6.

X Noot
6

European Institute for Gender Equality (EIGE), «Tackling Cyber Violence against Women and Girls: The Role of Digital Platforms», 2024, p. 5, zie https://eige.Europa.eu/publications-resources/publications/tackling-cyber-violence-against-women-and-girls-role-digital-platforms.

X Noot
7

Richtlijn (EU) 2024/1385 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.

X Noot
8

BNC-fiche inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026) 113), aangeboden aan de Eerste Kamer op 13 mei 2026, p. 8.

X Noot
9

(COM(2026)113) – Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – «Gender Equality Strategy 2026–2030».

X Noot
10

BNC-fiche inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026) 113), aangeboden aan de Eerste Kamer op 13 mei 2026.

X Noot
11

BNC-fiche inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026) 113), aangeboden aan de Eerste Kamer op 13 mei 2026, p. 4.

X Noot
12

BNC-fiche inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026) 113), aangeboden aan de Eerste Kamer op 13 mei 2026, p. 7.

X Noot
13

BNC-fiche inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026) 113), aangeboden aan de Eerste Kamer op 13 mei 2026, p. 7.

X Noot
14

BNC-fiche inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026) 113), aangeboden aan de Eerste Kamer op 13 mei 2026, p. 3 en 7.

X Noot
15

BNC-fiche inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026) 113), aangeboden aan de Eerste Kamer op 13 mei 2026, p. 9.

X Noot
16

(COM(2026)113) – Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – «Gender Equality Strategy 2026–2030».

X Noot
17

Kamerstukken II 2025/26, nr. 1378.

X Noot
18

Brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 mei 2026 inzake de kabinetsreactie op de mededeling van de Europese Commissie over abortuszorg, kenmerk 4384001–1098397-IZ.

X Noot
19

Zie de indicator «Economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid» op OCW in Cijfers.

X Noot
20

Zie figuur «7.1.1 Slachtoffers geweld» in de Emancipatiemonitor 2024.

X Noot
22

BNC-fiche inzake het Meerjarig Financieel Prestatiekader 2028 – 2034, aangeboden aan de Eerste Kamer op 12 september 2025

X Noot
23

Handreiking systeem van functiewaardering en -indeling (loonstructuur), via https://open.overheid.nl/details/a50f1517-bd20–4c05-bf4f-bbc0268c837a

X Noot
24

BNC-fiche inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026) 113), aangeboden aan de Eerste Kamer op 13 mei 2026, p. 6.

X Noot
26

Kamerstuk 2025–2026, 32 855, nr. 42

X Noot
27

European Institute for Gender Equality (EIGE), «Tackling Cyber Violence against Women and Girls: The Role of Digital Platforms», 2024, p. 5, zie https://eige.Europa.eu/publications-resources/publications/tackling-cyber-violence-against-women-and-girls-role-digital-platforms.

X Noot
28

Richtlijn (EU) 2024/1385 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld

X Noot
29

European Union Agency for Fundamental Rights (FRA), Fundamental Rights Report 2025

X Noot
30

European Union Agency for Fundamental Rights (FRA), European Institute for Gender Equality (EIGE) & Eurostat, EU Gender-Based Violence Survey – Evidence for Policy and Practice: Publications Office of the European Union 2026

X Noot
31

Europese Commissie, 2026 Rule of Law Report. Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions

X Noot
32

BNC-fiche inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026) 113), aangeboden aan de Eerste Kamer op 13 mei 2026, p. 8

X Noot
33

BNC-fiche inzake de Strategie voor gendergelijkheid 2026–2030 (COM(2026) 113), aangeboden aan de Eerste Kamer op 13 mei 2026, p. 7

X Noot
34

Maatschappelijke organisatie die zich inzet voor het voorkomen van gewelddadige mannelijkheid en het promoten van zorgzame mannelijkheid.

X Noot
35

Verian & Validators (2026). Campagne-effectonderzoek Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag – Man, zeg er wat van! (flight 1) 2025

X Noot
38

De verdeling van bevoegdheden binnen de Europese Unie is vastgelegd in de artikelen 2 tot en met 6 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

X Noot
40

De verdeling van bevoegdheden binnen de Europese Unie is vastgelegd in de artikelen 2 tot en met 6 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

X Noot
41

Impact assessment van het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+), via SWD(2018) 289 final

Naar boven