Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36964 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36964 nr. 2 |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter implementatie van Richtlijn (EU) 2025/1 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 en de Verordeningen (EU) nr. 1094/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2017/1129;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De Wet op het financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1:1 wordt in de alfabetische volgorde de volgende definitie ingevoegd:
Richtlijn (EU) 2025/1 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 en de Verordeningen (EU) nr. 1094/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2017/1129;
B
In artikel 1:25d, derde lid, onderdeel h, wordt na «artikel 3A:50a» ingevoegd «en 3A:121a».
C
In artikel 1:51, eerste lid, wordt «een afwikkelingsautoriteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen» vervangen door «een afwikkelingsautoriteit aangewezen overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen of artikel 3, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars».
D
Artikel 1:51e komt te luiden:
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de samenwerking tussen de toezichthouder en de toezichthoudende instanties van andere lidstaten of afwikkelingsautoriteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, en artikel 3, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars en de verstrekking van gegevens of inlichtingen door de toezichthouder aan die toezichthoudende instanties en afwikkelingsautoriteiten.
E
In de titel van afdeling 1.3.3 wordt na «toezichthoudende instanties» ingevoegd «en bij afwikkeling betrokken autoriteiten».
F
In artikel 1:90, eerste lid, aanhef, wordt na «richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen» ingevoegd «of een persoon of instantie als bedoeld in artikel 65, tweede lid, onderdeel j, en artikel 66, vierde en vijfde lid, onderdeel c, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars,».
G
Na artikel 3:57b wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. De Nederlandsche Bank bepaalt op grond van de criteria opgenomen in artikel 5, eerste, tweede, derde lid, eerste alinea, en twaalfde lid, onderdelen a en b, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars of een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, een voorbereidend crisisplan als bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, moet opstellen dat actueel wordt gehouden en maatregelen bevat die de verzekeraar in staat moet stellen zijn financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen.
2. Kleine en niet-complexe ondernemingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars worden niet aan de vereisten inzake voorbereidende crisisplanning onderworpen, tenzij de Nederlandsche Bank van oordeel is dat de onderneming een bijzonder risico op nationaal of regionaal niveau vormt.
3. De Nederlandsche Bank bepaalt in overeenstemming met artikel 4, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars of ten aanzien van een verzekeraar de verplichtingen met betrekking tot het voorbereidend crisisplan op vereenvoudigde wijze kunnen worden toegepast.
H
§ 3.6.3.3.a. komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank bepaalt op grond van de criteria opgenomen in artikel 5, tweede lid, derde lid en twaalfde lid, onderdelen (a) en (b), van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, of een uiteindelijke moederonderneming als bedoeld in artikel 3A:77 met zetel in Nederland, een voorbereidend groepscrisisplan als bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, moet opstellen. Dit voorbereidend crisisplan bevat corrigerende maatregelen die mogelijk op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming en op het niveau van haar afzonderlijke dochterondernemingen moeten worden uitgevoerd om hun financiële positie te herstellen indien die positie aanzienlijk is verslechterd.
2. Indien de Nederlandsche Bank oordeelt dat een dochteronderneming met zetel in Nederland, gelet op het belang van deze dochteronderneming in Nederland en op de verplichtingen waaraan vergelijkbare ondernemingen in Nederland onderworpen zijn, onvoldoende in aanmerking wordt genomen in het voorbereidend groepscrisisplan bedoeld in het eerste lid, dan kan de Nederlandsche Bank de betreffende groepstoezichthouder op basis van een met redenen omkleed advies verzoeken om van de uiteindelijke moederonderneming te verlangen een herzien voorbereidend groepscrisisplan op te stellen, waarin de bezwaren van de Nederlandsche Bank in aanmerking worden genomen.
3. Indien de Nederlandsche Bank beoordeelt dat het herziene voorbereidend groepscrisisplan, bedoeld in het tweede lid onvoldoende haar bezwaren wegneemt of indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, kan zij van de betrokken dochteronderneming of een entiteit in de zin van artikel 3A:78, onderdelen b en c, verlangen dat deze een voorbereidend crisisplan opstelt als bedoeld in artikel 3:57c, eerste lid, en dat indient. De Nederlandsche Bank verstrekt aan de groepstoezichthouder, bedoeld in het tweede lid, een met redenen omkleed advies ten behoeve van haar beoordeling en vervolgens het voorbereidend crisisplan.
4. De Nederlandsche Bank bepaalt in overeenstemming met artikel 4, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars of ten aanzien van een uiteindelijke moederonderneming met zetel in Nederland de verplichtingen met betrekking tot het voorbereidend groepscrisisplan op vereenvoudigde wijze kunnen worden toegepast.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot voorbereidende groepscrisisplanning.
I
In artikel 3A:14, zesde lid, wordt «als bedoeld in het vierde en vijfde lid» vervangen door «als bedoeld in het derde tot en met vijfde lid».
J
Artikel 3A:77 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de definitie van «afwikkelingsinstrument» wordt na onderdeel c het woord «en» verwijderd, wordt na de puntkomma na onderdeel d het woord «en» toegevoegd en wordt een onderdeel aan de definitie toegevoegd, luidende:
e. het instrument van solvabele run-off, bedoeld in artikel 3A:119a;
2. De definities «afwikkelingsmaatregel», «eigendomsinstrumenten», «groep» en «schuldinstrumenten» komen te luiden:
een besluit om een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78 af te wikkelen ingevolge de artikelen 3A:85, 3A:86 of 3A:87, de toepassing van een afwikkelingsinstrument of het uitoefenen van een bevoegdheid ingevolge hoofdstuk 3A.2;
aandelen, rechten op aandelen, certificaten van aandelen, rechten op certificaten van aandelen, andere deelnemingsrechten of participaties in het kapitaal of certificaten van die rechten en participaties, lidmaatschapsrechten of hiermee vergelijkbare rechten, claims, opties, conversierechten of hiermee vergelijkbare rechten die bij uitoefening omgezet kunnen worden in of recht geven op de verwerving van aandelen, certificaten van aandelen of daarmee vergelijkbare rechten die aanspraken geven op het kapitaal of het vermogen van de desbetreffende entiteit;
een groep als bedoeld in artikel 212, eerste lid, onderdeel c, van de richtlijn solvabiliteit II;
schuldinstrumenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 39, van de richtlijn herstel en afwikkeling verzekeraars;
3. In de alfabetische volgorde worden de volgende definities ingevoegd:
een aanbieder van essentiële diensten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
bevoegdheden als bedoeld in artikel 2, onderdeel 56, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
de Nederlandsche Bank of een door een lidstaat overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars aangewezen autoriteit;
een afwikkelingscollege dat overeenkomstig artikel 70 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars is opgericht;
een afwikkelingsplan als bedoeld in artikel 2, onderdeel 30, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
afwikkelingsprocedures van een derde land als bedoeld in artikel 2, onderdeel 72, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een beëindigingsrecht als bedoeld in artikel 2, onderdeel 68, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan als bedoeld in artikel 2, onderdeel 90, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een betrokken autoriteit van een staat die geen lidstaat is als bedoeld in artikel 2, onderdeel 74, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
buitengewone openbare financiële steun in de zin van artikel 2, onderdeel 19, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een door zekerheid gedekte verplichting als bedoeld in artikel 2, onderdeel 57, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een onderneming in afwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 69, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een vehikel voor activa en passiva beheer als bedoeld in artikel 2, onderdeel 45, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
groepsafwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 31, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een afwikkelingsautoriteit op groepsniveau als bedoeld in artikel 2, onderdeel 33, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een groepsafwikkelingsplan als bedoeld in artikel 2, onderdeel 32, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
kritieke functies als bedoeld in artikel 2, onderdeel 25, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een overbruggingsonderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 48, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
relevante kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 63, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
significante grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 152 bis bis, lid 1, van de richtlijn solvabiliteit II;
kernvermogensbestanddelen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 94, lid 1, van de richtlijn solvabiliteit II;
een uiteindelijke moederonderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 70, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een Uniebijkantoor van een onderneming van een derde land als bedoeld in artikel 2, onderdeel 73, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een verzekeraar met zetel in Nederland die een dochteronderneming is van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land of moederonderneming van een derde land als bedoeld in artikel 2, onderdeel 88, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een ontvanger als bedoeld in artikel 2, onderdeel 66, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een verzekeringsgarantiestelsel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 62, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
K
Artikel 3A:78 komt te luiden:
Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende entiteiten, met zetel in Nederland, tenzij anders is bepaald:
a. verzekeraars die onder toezicht van de Nederlandsche Bank staan;
b. verzekeringsholdings;
c. gemengde financiële holdings;
d. aanbieders van essentiële diensten;
e. Uniebijkantoren in Nederland.
L
Na artikel 3A:79 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
1. Een besluit van een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat inhoudende de overgang van eigendomsinstrumenten, activa of passiva die zich in Nederland bevinden of waarop Nederlands recht van toepassing is, dan wel inhoudende de omzetting of afschrijving van passiva waarop Nederlands recht van toepassing is, wordt van rechtswege erkend en alhier ten uitvoer gelegd.
2. Tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid kan niet in Nederland in rechte worden opgekomen.
1. De Nederlandsche Bank besluit over de erkenning en handhaving van afwikkelingsmaatregelen van een staat die geen lidstaat is met betrekking tot een Uniedochteronderneming of een Uniebijkantoor in Nederland of een moederonderneming. Daarbij neemt de Nederlandsche Bank de elementen genoemd in artikel 76, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars in acht.
2. Voor zover noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van een besluit als bedoeld in het eerste lid, beschikt de Nederlandsche Bank over de bevoegdheden in de afdelingen 3A.2.3 tot en met 3A.2.6. en kan DNB besluiten dat artikel 3A:80c van toepassing is.
3. Het eerste en tweede lid laten toepassing van de titels I en II van de Faillissementswet onverlet.
4. De Nederlandsche Bank kan weigeren om afwikkelingsmaatregelen van een staat die geen lidstaat is te erkennen of te handhaven indien zij van oordeel is dat sprake is van een of meer situaties als genoemd in artikel 77 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
M
Artikel 3A:80 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na «enig instemmingsvereiste» ingevoegd «ingevolge de wet, de statuten of een overeenkomst».
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Een besluit ingevolge dit hoofdstuk alsmede de voorbereiding en uitvoering ervan, met uitzondering van afdeling 3A.2.2., is niet onderworpen aan enig kennisgevingsvereiste of procedureel voorschrift ingevolge de wet, de statuten of een overeenkomst, onverminderd de artikelen 63 en 65 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
N
Na artikel 3A:80 worden vijf artikelen ingevoegd, luidende:
1. Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen a tot en met d, neemt ten behoeve van de mogelijkheid tot effectieve toepassing van afwikkelingsmaatregelen, contractuele bepalingen als bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars op in overeenkomsten ten aanzien van activa die zich bevinden in een staat die geen lidstaat is, dan wel eigendomsinstrumenten, rechten of passiva die vallen onder het recht van een staat die geen lidstaat is.
2. De Nederlandsche Bank kan van de entiteiten bedoeld in het eerste lid een met redenen omkleed juridisch advies van een onafhankelijke juridische deskundige verlangen, waarin de juridische afdwingbaarheid en de rechtsgeldigheid van de contractuele bepalingen bedoeld in het eerste lid worden bevestigd.
1. Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen a tot en met d, neemt in iedere door haar gesloten financiële overeenkomst waarop het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is, een bepaling op waarbij de partijen erkennen dat de financiële overeenkomst onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit bedoeld in artikel 52, eerste en vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, en ermee instemmen dat zij gebonden zijn aan de vereisten van artikel 48 van die richtlijn.
2. De Nederlandsche Bank kan eisen dat een uiteindelijke moederonderneming met zetel in Nederland ervoor zorgt dat een of meer van haar dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is, een bepaling opnemen in hun financiële overeenkomsten bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
3. Indien een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78 onderdelen a tot en met d, niet de contractuele bepalingen bedoeld in het eerste of tweede lid opneemt, belet dit de Nederlandsche Bank niet om de bevoegdheden, bedoeld in artikel 52, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, toe te passen.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op financiële overeenkomsten die zijn aangegaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, tenzij na de inwerkingtreding van dit artikel daarin een nieuwe verplichting wordt gecreëerd of een daarin opgenomen verplichting wezenlijk wordt gewijzigd.
1. Een ten aanzien van een entiteit getroffen maatregel als bedoeld in artikel 1:75, eerste lid of artikel 1:76, eerste lid, met betrekking tot een in de artikelen 3:57c en 3:288i1 bedoeld voorbereidend crisisplan, of de uitoefening van een bevoegdheid op grond van dit hoofdstuk, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt, is voor de toepassing van een overeenkomst waarbij die entiteit partij is, indien deze voortgaat met zowel de voldoening aan de verplichtingen die voortvloeien uit de bedingen in de overeenkomst die de kern van de prestaties weergeven, als het verschaffen van zekerheden, geen:
a. afdwingingsgrond als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel l, van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten;
b. grond voor uitoefening van:
1°. een recht om een overeenkomst te beëindigen;
2°. een recht om de nakoming van verplichtingen te versnellen, voortijdig te beëindigen of te verrekenen;
3°. een recht om een verplichting van een partij bij de overeenkomst op te schorten, te wijzigen, te salderen, te vernietigen of nietig te verklaren; of
4°. een recht dat het ontstaan belet van een verplichting uit hoofde van de overeenkomst die anders zou zijn ontstaan;
c. grond voor verwerving van het bezit van, uitoefening van de zeggenschap over of uitoefening of vestiging van een zekerheidsrecht op een goed in eigendom van de entiteit;
d. grond voor afbreuk aan de rechten van de entiteit uit de overeenkomst; of
e. insolventieprocedure als bedoeld in Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een overeenkomst die is aangegaan door een entiteit in de groep waarvan de entiteit bedoeld in het eerste lid deel uitmaakt en die kruiselingse tekortkomingsbepalingen bevat.
3. Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op een overeenkomst die is aangegaan door een dochteronderneming van de entiteit bedoeld in het eerste lid en die verplichtingen omvat die door een andere entiteit in de groep waarvan de entiteit bedoeld in het eerste lid deel uitmaakt, zijn gegarandeerd of anderszins worden gewaarborgd.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een besluit van een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat tot toepassing van een crisisbeheersingsmaatregel of crisispreventiemaatregel als bedoeld in artikel 2, onderdelen 80 en 79, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars of een afwikkelingsmaatregel van een staat die geen lidstaat is, die erkend is ingevolge artikel 3A:79b, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt.
5. Een maatregel of een gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid laat onverlet:
a. een overboekingsopdracht die is gegeven aan een systeem of systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel p, van de Faillissementswet, een centrale tegenpartij of centrale bank;
b. een aan een aangewezen systeem of systeemexploitant gegeven opdracht tot verrekening, of een uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren; of
c. rechten en verplichtingen die voor de entiteit zijn ontstaan in verband met zijn deelname aan het systeem;
d. dat een persoon het recht heeft tot de in het eerste lid bedoelde handelingen over te gaan, indien dit recht ontstaat uit hoofde van een andere gebeurtenis dan de in het eerste lid genoemde maatregelen en bevoegdheden of uit hoofde van een gebeurtenis die rechtstreeks verband houdt met de toepassing van een dergelijke maatregel.
6. Dit artikel is een bepaling van bijzonder dwingend recht als bedoeld in artikel 9 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.
Afdeling 13 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek is niet van toepassing op de volgende rechtspersonen:
a. een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel 3A:112, voor zover deze overbruggingsinstelling houder is van eigendomsinstrumenten in een andere overbruggingsinstelling of in de entiteit in afwikkeling;
b. een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3A:113, die tot taak heeft de eigendom te houden in een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel 3A:112;
c. een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3A:118, die tot taak heeft de eigendom in een entiteit voor activa- en passivabeheer als bedoeld in artikel 3A:117 te houden;
d. een bijzonder bestuurder als bedoeld in artikel 3A:120 voor zover deze zeggenschap uitoefent over een entiteit in afwikkeling, overbruggingsinstelling of een entiteit voor activa- en passivabeheer;
e. een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:121a.
1. Met de voorbereiding en uitvoering van besluiten ingevolge dit hoofdstuk zijn belast de bij besluit van de Nederlandsche Bank aangewezen personen. De artikelen 5:12 tot en met 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De Nederlandsche Bank is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde voorbereiding en uitvoering van besluiten.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
O
Afdeling 3A.2.2. komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank stelt in overeenstemming met artikel 9 en artikel 15, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars een afwikkelingsplan op voor verzekeraars met zetel in Nederland, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, die zij in overeenstemming met artikel 9, eerste en tweede lid, van die richtlijn, selecteert.
2. De Nederlandsche Bank kan een afwikkelingsplan opstellen voor de entiteiten genoemd in artikel 10, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, met zetel in Nederland, indien een situatie bedoeld in dat lid zich voordoet.
3. De Nederlandsche Bank stelt een afwikkelingsplan op voor de entiteiten genoemd in artikel 17, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, met zetel in Nederland, indien een situatie als bedoeld in dat lid zich voordoet.
4. De Nederlandsche Bank evalueert periodiek het afwikkelingsplan en werkt het indien nodig bij in overeenstemming met artikel 9, vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
5. Een verzekeraar of een entiteit als bedoeld in het tweede of derde lid brengt de Nederlandsche Bank onverwijld op de hoogte van elke gebeurtenis bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars die een evaluatie of bijwerking van het afwikkelingsplan noodzakelijk maakt.
1. Indien de Nederlandsche Bank de groepsafwikkelingsautoriteit is voor een groep waarop onder de voorwaarden genoemd in artikel 9, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars afwikkelingsplanning van toepassing is, stelt zij daarvoor een groepsafwikkelingsplan op overeenkomstig de artikelen 10, 11, 15, tweede lid, en 17 van die richtlijn.
2. Een uiteindelijke moederonderneming met zetel in Nederland van een groep als bedoeld in het eerste lid, brengt de Nederlandsche Bank onverwijld op de hoogte van elke gebeurtenis bedoeld in artikel 11, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars die een evaluatie of bijwerking van het groepsafwikkelingsplan noodzakelijk maakt.
1. De Nederlandsche Bank beoordeelt bij het opstellen van een afwikkelingsplan als bedoeld in artikel 3A:81, overeenkomstig de procedure en de criteria in artikel 13 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, de mate waarin de betrokken verzekeraar afwikkelbaar is.
2. Bij het maken van de beoordeling bedoeld in het eerste lid onderzoekt de Nederlandsche Bank, in overeenstemming met artikel 41, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, tevens of een entiteit waarop in het kader van afwikkeling het instrument van bail-in kan worden toegepast, te allen tijde voldoende maatschappelijk kapitaal of andere tier 1-instrumenten aanhoudt zodat een maatregel op grond van de artikelen 3A:93, eerste lid, onderdeel b, en 3A:96 daadwerkelijk kan worden toegepast.
De Nederlandsche Bank beoordeelt bij het opstellen van een groepsafwikkelingsplan als bedoeld in artikel 3A:81a, overeenkomstig de procedure en de criteria in de artikelen 14 en 41, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, de mate waarin de betrokken groep afwikkelbaar is.
1. Indien de Nederlandsche Bank bij de beoordeling bedoeld in artikel 3A:82, eerste lid, vaststelt dat er wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de verzekeraar bestaan, brengt zij deze schriftelijk ter kennis aan de betrokken verzekeraar.
2. Een verzekeraar stelt binnen vier maanden na de datum van ontvangst van de overeenkomstig het eerste lid verrichte kennisgeving, mogelijke maatregelen voor aan de Nederlandsche Bank om de in de kennisgeving genoemde wezenlijke belemmeringen te verminderen of weg te nemen. Daarbij houdt de verzekeraar bij de planning van de implementatie van voorgestelde maatregelen rekening met de redenen voor de wezenlijke belemmeringen.
3. De Nederlandsche Bank beoordeelt of de volgens het tweede lid voorgestelde maatregelen de wezenlijke belemmeringen daadwerkelijk verminderen of wegnemen. Indien zij oordeelt dat dit niet het geval is, legt zij een aanwijzing op om alternatieve maatregelen te nemen overeenkomstig artikel 15, vierde tot en met achtste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling verzekeraars.
4. Een verzekeraar of entiteit legt binnen een maand na ontvangst van de aanwijzing bedoeld in het derde lid, een plan over aan de Nederlandsche Bank om aan deze aanwijzing te voldoen.
1. Indien de Nederlandsche Bank de groepsafwikkelingsautoriteit is, stelt zij bij de beoordeling bedoeld in artikel 3A:82a, eerste lid, overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars vast of maatregelen als bedoeld in artikel 15, vierde en vijfde lid, van die richtlijn nodig zijn om wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van een groep weg te nemen. Indien dit het geval is, stelt de Nederlandsche Bank daartoe een verslag op overeenkomstig de procedure in artikel 16, tweede lid, van die richtlijn.
2. De uiteindelijke moederonderneming kan binnen vier maanden na de datum van ontvangst van het verslag bij de Nederlandsche Bank opmerkingen indienen en maatregelen voorstellen om de in het verslag geïdentificeerde wezenlijke belemmeringen te verminderen of weg te nemen.
3. De Nederlandsche Bank kan invulling geven aan een gezamenlijk besluit als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling verzekeraars door een aanwijzing met alternatieve maatregelen te geven.
De Nederlandsche Bank bepaalt in overeenstemming met artikel 4, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars of ten aanzien van de afwikkelingsplannen bedoeld in de artikelen 3A:81 en 3A:81a, en de beoordeling van de afwikkelbaarheid in de artikelen 3A:82, eerste lid, en 3A:82a, vereenvoudigde verplichtingen kunnen worden toegepast.
P
De artikelen 3A:84 en 3A:85 komen te luiden:
De Nederlandsche Bank neemt de afwikkelingsmaatregelen met inachtneming van de afwikkelingsdoelstellingen genoemd in artikel 18, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, overeenkomstig het eerste en derde lid van dat artikel.
1. De Nederlandsche Bank neemt afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3A:78, onderdeel a, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de Nederlandsche Bank heeft vastgesteld dat de verzekeraar faalt of waarschijnlijk zal falen;
b. het valt redelijkerwijs niet te verwachten dat alternatieve maatregelen van de particuliere sector of van een toezichthouder, met inbegrip van preventieve en corrigerende maatregelen, binnen een redelijk tijdsbestek het falen kunnen voorkomen; en
c. een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang.
2. Een verzekeraar wordt geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen indien:
a. de verzekeraar inbreuk of waarschijnlijk inbreuk maakt op het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 3:53, vierde lid, en er geen redelijk vooruitzicht is op herstel van de naleving;
b. de verzekeraar op een zodanige wijze inbreuk maakt op de wettelijke eisen, de vergunningsvereisten of de aan de vergunning verbonden voorwaarden, of er objectieve aanwijzingen bestaan voor de veronderstelling dat de verzekeraar in de nabije toekomst op een zodanige wijze daarop inbreuk zal maken dat intrekking van de vergunning gerechtvaardigd is;
c. de waarde van de activa van de verzekeraar geringer is dan de waarde van de passiva, of er objectieve aanwijzingen zijn dat de activa van de verzekeraar in de nabije toekomst geringer zullen zijn dan zijn passiva;
d. de verzekeraar niet in staat is of er objectieve aanwijzingen zijn voor de vaststelling dat de verzekeraar in de nabije toekomst niet in staat zal zijn om schulden of andere passiva waaronder betalingen aan verzekeringnemers of begunstigden, te betalen wanneer deze opeisbaar worden; of
e. buitengewone openbare financiële steun noodzakelijk is.
3. Een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang indien die maatregel noodzakelijk is om een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen genoemd in artikel 3A:84 te verwezenlijken en daarmee ook evenredig is, en deze doelstellingen niet in dezelfde mate verwezenlijkt zouden worden indien de verzekeraar in faillissement zou worden geliquideerd, ook met gebruikmaking van een op die verzekeraar toepasselijk verzekeringsgarantiestelsel.
Q
Na artikel 3A:85 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen a tot en met e, stelt de Nederlandsche Bank in kennis indien deze organen van oordeel zijn dat de bedoelde entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen als bedoeld in artikel 3A:85, tweede lid.
R
De artikelen 3A:86 tot en met 3A:89 komen te luiden:
1. De Nederlandsche Bank kan afwikkelingsmaatregelen nemen ten aanzien van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, indien die entiteit op overeenkomstige wijze voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid.
2. De Nederlandsche Bank kan afwikkelingsmaatregelen nemen ten aanzien van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78 onderdelen b tot en met d, ook indien die niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, indien aan alle voorwaarden genoemd in artikel 20, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars wordt voldaan.
De Nederlandsche Bank kan een of meer afwikkelingsmaatregelen nemen ten aanzien van een Uniebijkantoor in Nederland overeenkomstig artikel 78, eerste en derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in het tweede lid van dat artikel.
Indien de Nederlandsche Bank een afwikkelingsmaatregel neemt, lijden de houders van eigendomsinstrumenten, verzekeringsnemers, begunstigden, indieners van vorderingen en andere schuldeisers van de entiteit in afwikkeling geen grotere verliezen dan zij zouden hebben geleden indien de entiteit op het moment van het besluit tot afwikkeling van de entiteit in een faillissement zou zijn geliquideerd.
1. De Nederlandsche Bank draagt er zorg voor dat afwikkelingsmaatregelen worden genomen op basis van waarderingen in overeenstemming met de artikelen 23, eerste tot en met vierde lid, 24 en 25, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
2. Tegen een waardering als bedoeld in het eerste lid kan alleen beroep worden ingesteld tegelijk met een beroep tegen het nemen van een afwikkelingsmaatregel.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de waarderingen bedoeld in het eerste lid.
S
Artikel 3A:90 vervalt.
T
De artikelen 3A:91 en 3A:92 komen te luiden:
1. De Nederlandsche Bank draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk na de uitvoering van de afwikkelingsmaatregel of afwikkelingsmaatregelen een waardering wordt verricht overeenkomstig artikel 56 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
2. Indien uit de waardering, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat een houder van eigendomsinstrumenten, verzekeringsnemer, begunstigde, indiener van vorderingen of andere schuldeiser of, waar van toepassing, verzekeringsgarantiestelsels op grond van het toepasselijk nationaal recht, grotere verliezen heeft geleden dan hij zou hebben geleden in faillissement, kent de Nederlandsche Bank een vergoeding toe ter grootte van het verschil, ten laste van de financieringsregeling, bedoeld in artikel 3A:138.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de methodologie voor het uitvoeren van de waardering bedoeld in het eerste lid.
1. Deze afdeling is van toepassing indien een besluit tot afwikkeling wordt genomen op grond van de artikelen 3A:85, 3A:86 of 3A:87.
2. De Nederlandsche Bank kan de afwikkelingsinstrumenten uit deze afdeling individueel of gecombineerd toepassen, tenzij de wet anders bepaalt. Ook kunnen de afwikkelingsinstrumenten meermaals worden toegepast tijdens afwikkeling indien dat nodig is om de afwikkelingsdoelstellingen genoemd in artikel 3A:84 te verwezenlijken.
3. Indien de toepassing van een afwikkelingsinstrument tot gevolg heeft dat houders van eigendomsinstrumenten, verzekeringsnemers, begunstigden, indieners van vorderingen en andere schuldeisers van de entiteit, verliezen lijden of dat hun vorderingen zouden worden geherstructureerd of omgezet, dan past de Nederlandsche Bank het instrument van bail-in toe gelijktijdig met of onmiddellijk voorafgaand aan de toepassing van dat afwikkelingsinstrument.
4. De Nederlandsche Bank past het instrument van bail-in niet toe op vorderingen uit hoofde van verzekering, tenzij zij aantoont dat:
a. de afwikkelingsdoelstellingen genoemd in artikel 3A:84, eerste lid, niet door toepassing van andere afwikkelingsinstrumenten kunnen worden verwezenlijkt; of
b. de toepassing van het instrument van bail-in leidt tot een betere bescherming van de verzekeringnemers dan de toepassing van andere afwikkelingsinstrumenten.
U
Artikel 3A:93 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. Onderdeel a komt te luiden:
a. de hoofdsom van de door of met medewerking van een entiteit uitgegeven tier 1-instrumenten of eigendomsinstrumenten verminderen, of deze instrumenten intrekken;
b. In onderdeel b wordt «in rechten op nieuw uit te geven eigendomsinstrumenten van die entiteit» vervangen door «in rechten op eigendomsinstrumenten of tier-1-instrumenten van die entiteit».
c. Onder vervanging van een punt door een puntkomma aan het einde van onderdeel b, wordt er een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. de door of met medewerking van een entiteit uitgegeven tier 1-instrumenten of eigendomsinstrumenten doen overgaan op houders van de rechten, bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b, waarbij de instemming van de verkrijger ingevolge artikel 3A:80, eerste lid, niet benodigd is, of op de stichting administratiekantoor afwikkeling genoemd in artikel 3A:121a.
2. In het tweede lid wordt «op een overbrugginginstelling» vervangen door «op een overbruggingsinstelling».
3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
3. De Nederlandsche Bank oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, uit overeenkomstig het bepaalde ingevolge de artikelen 26, tweede lid, derde alinea, 35, eerste lid, tweede lid, negende lid, 36, eerste lid, laatste zin, en 37 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
V
Artikel 3A:94 komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank past het instrument van bail-in niet toe op de volgende verplichtingen, ongeacht of deze vallen onder het recht van een lidstaat of van een staat die geen lidstaat is:
a. door zekerheid gedekte verplichtingen, met dien verstande dat het instrument van bail-in kan worden toegepast op het deel van de door zekerheid gedekte verplichting dat de waarde van het zekerheidsrecht overschrijdt;
b. verplichtingen uit hoofde van een verzekering als bedoeld in artikel 2 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
c. verplichtingen ten aanzien van banken, beleggingsondernemingen of verzekeraars als bedoeld in artikel 35, lid 5, onderdeel b, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, met uitzondering van entiteiten die tot dezelfde groep behoren, met een oorspronkelijke looptijd van minder dan zeven dagen;
d. verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen jegens systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen overeenkomstig richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen of hun deelnemers die uit de deelname aan een dergelijk systeem voortvloeien, of jegens een centrale tegenpartij met een vergunning op grond van artikel 14 van de EMIR-verordening of een centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die erkend is op grond van artikel 25 van de EMIR-verordening;
e. verplichtingen jegens werknemers, met betrekking tot hun loon, pensioenuitkeringen of andere vaste vergoedingen, met uitzondering van de niet bij collectieve arbeidsovereenkomst geregelde variabele component van de beloning, tenzij de werknemer recht heeft op uitkering ingevolge artikel 61 van de Werkloosheidswet;
f. verplichtingen welke voortvloeien uit de levering van goederen of diensten aan de entiteit die nodig zijn voor de dagelijkse bedrijfsactiviteiten ervan of om de continuïteit van de verzekeringsdekking te waarborgen;
g. verplichtingen uit hoofde van een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet;
h. verplichtingen jegens belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties die preferent zijn voor zover deze verplichtingen in faillissement een hogere rang zouden hebben dan vorderingen uit hoofde van verzekering als bedoeld in artikel 213, onderdeel o, van de Faillissementswet;
i. verplichtingen ten aanzien van verzekeringsgarantiestelsels die voortvloeien uit bijdragen die verschuldigd zijn uit hoofde van de nationale wetgeving.
2. De Nederlandsche Bank kan in uitzonderlijke omstandigheden besluiten het instrument van bail-in geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op verplichtingen indien een of meerdere van de situaties genoemd in artikel 35, achtste lid, onderdelen a tot en met e, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars zich voordoen ten aanzien van die verplichtingen.
W
Na artikel 3A:95 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Onverminderd artikel 3A:95, past de Nederlandsche Bank het instrument van bail-in op zodanige wijze toe dat het de resultaten genoemd in artikel 38, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, oplevert.
2. Indien de Nederlandsche Bank beslist of passiva moeten worden afgeschreven of in eigendomsinstrumenten moeten worden omgezet, mag zij niet een categorie passiva omzetten terwijl een categorie passiva die achtergesteld is daaraan, niet in eigendomsinstrumenten wordt omgezet of niet wordt afgeschreven.
X
Artikel 3A:96 komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat een entiteit eigendomsinstrumenten of tier 1-instrumenten uitgeeft, of medewerking verleent aan de uitgifte daarvan, aan de houders van de rechten bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b.
2. Teneinde gevolg te geven aan de in het eerste lid bedoelde uitgifte, kan de Nederlandsche Bank voorschrijven dat een entiteit tier 1-instrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft aan:
a. een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:121a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b, en hun rechtsopvolgers; of,
b. een rechtspersoon met als statutaire doelstelling het tegen toekenning van certificaten ten titel van beheer verwerven en administreren van aandelen.
3. Teneinde gevolg te geven aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde uitgifte kan de Nederlandsche Bank de in dat lid bedoelde rechtspersoon instrueren om certificaten van aandelen uit te geven en toe te kennen aan een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:121a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b, en hun rechtsopvolgers.
4. Bij de uitgifte bedoeld in het eerste tot en met derde lid kunnen geen andere rechten worden uitgeoefend dan die bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b.
5. De voorwaarden en de bevoegdheid bedoeld in artikel 38, derde en vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, zijn van toepassing op de uitgifte bedoeld in het eerste lid, al dan niet in samenhang met een uitgifte als bedoeld in het tweede of derde lid.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Y
Artikel 3A:97 vervalt.
Z
Artikel 3A:98 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank bepaalt in haar besluiten op grond van artikel 3A:93 of 3A:96 nader:
a. op welke wijze en onder welke voorwaarden de afschrijving, uitgifte of omzetting plaatsvindt;
b. de gevolgen van deze besluiten voor zover nodig;
c. de nominale waarde van nieuw uit te geven eigendomsinstrumenten of de bestaande eigendomsinstrumenten bij overgang op de houders van de rechten bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b.
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel c, wordt na «nieuwe» ingevoegd «tier 1-instrumenten of».
b. In onderdeel e, wordt «vermindering» vervangen door «aanpassing».
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Bij de toepassing van het tweede lid, onderdelen c en d, is artikel 3, eerste en tweede lid, van de prospectusverordening niet van toepassing.
AA
Artikel 3A:99 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel b, wordt na «is afgeschreven» ingevoegd «, met uitzondering van elke reeds opeisbare verplichting en elke schadevergoedingsverplichting die kan ontstaan als gevolg van een beroep waarbij de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid wordt betwist».
2. In onderdeel c vervalt de zinsnede «nieuw uit te geven».
BB
In artikel 3A:100, eerste lid, wordt na «uitgeoefend» toegevoegd «en kunnen zij niet worden ingebracht in het kader van eventuele latere procedures met betrekking tot de entiteit in afwikkeling of een eventuele opvolgende entiteit bij een latere liquidatie».
CC
Artikel 3A:101 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Indien na toepassing van het instrument van bail-in op basis van een voorlopige waardering, uit de definitieve waardering, bedoeld in de artikelen 23, 24 en 25 van de richtlijn herstel en afwikkeling verzekeraars, blijkt dat met een beperktere vermindering van de hoofdsom van tier 1-instrumenten, of eigendomsinstrumenten of het bedrag van in aanmerking komende passiva, bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, had kunnen worden volstaan, kan de Nederlandsche Bank de hoofdsom of dit bedrag verhogen in overeenstemming met de definitieve waardering.
2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.
3. In het tweede lid (nieuw) vervalt «of tweede».
DD
Aan artikel 3A:102 wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. De waarde van uit derivaten voortvloeiende passiva wordt bepaald op basis van methoden en beginselen genoemd in artikel 40, derde en vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
EE
Artikel 3A:103 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt na «verricht» ingevoegd «tijdig».
b. Onderdeel a komt te luiden:
a. de uitoefening van een ingevolge artikel 3A:93, eerste lid, verworven recht op tier 1-instrumenten of eigendomsinstrumenten;
2. In het derde lid, onderdeel a, wordt na «uitgeoefend» toegevoegd «, zonder dat zij daarvoor aansprakelijk is».
3. Aan het vierde lid wordt na «bekendgemaakt» toegevoegd «, tenzij anders bepaald».
4. In het vijfde lid wordt «Het tweede lid» vervangen door «Het derde lid, onderdelen a en b,».
FF
In artikel 3A:104, onderdeel b, wordt «activa of passiva» vervangen door «activa, rechten of passiva».
GG
De artikelen 3A:105 tot en met 3A:109 komen te luiden:
1. Bij toepassing van het instrument van overgang van de onderneming wordt een overgang verricht onder commerciële voorwaarden, rekening houdend met de omstandigheden. Daarbij neemt de Nederlandsche Bank alle redelijke stappen om commerciële voorwaarden te bedingen die consistent zijn met de waardering ingevolge artikel 3A:89.
2. De Nederlandsche Bank past het instrument van overgang van de onderneming toe overeenkomstig de procedurevoorschriften genoemd in artikel 29, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
3. Het tweede lid laat onverlet dat de Nederlandsche Bank specifieke potentiële kopers kan benaderen.
4. De Nederlandsche Bank kan middels een met redenen omkleed besluit afwijken van de voorschriften bedoeld in het tweede lid, indien zij constateert dat naleving van die voorschriften waarschijnlijk een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen genoemd in artikel 3A:84 zou ondermijnen.
Indien de Nederlandsche Bank besluit tot overgang van gedeelten van de activa, rechten of passiva van een entiteit in afwikkeling, verzoekt zij de rechtbank Amsterdam binnen een redelijke termijn het faillissement van de entiteit uit te spreken, tenzij het voortbestaan van het overgebleven deel van de entiteit nodig is om de afwikkelingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 3A:84, te verwezenlijken of om aan de beginselen, bedoeld in artikel 22 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, te voldoen.
Onverminderd de artikelen 3A:101 en 3A:133, komt een door de verkrijger te betalen overgangsprijs toe aan de oorspronkelijke eigenaren overeenkomstig artikel 28, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
De Nederlandsche Bank kan met toestemming van de verkrijger ten aanzien van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die zijn overgegaan, besluiten dat deze terug overgaan op de entiteit in afwikkeling of de oorspronkelijke eigenaren. De entiteit in afwikkeling of de oorspronkelijke eigenaren zijn verplicht de overgedragen eigendomsinstrumenten, activa of passiva, terug te nemen.
1. De Nederlandsche Bank beoordeelt een aanvraag door een verkrijger van activa, rechten of passiva voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:26a, 2:26d, 2:27, 2:36, 2:40 of 2:48 tijdig en in samenhang met de beoogde overgang van activa, rechten of passiva.
2. Indien een overgang van eigendomsinstrumenten zou leiden tot verwerving of vergroting van een gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar, is artikel 3A:103 van overeenkomstige toepassing.
HH
In artikel 3A:110 wordt «activa of passiva» vervangen door «activa, rechten of passiva».
II
In artikel 3A:111, eerste lid, wordt na «clearing- en afwikkelingssystemen,» ingevoegd «verzekeringsgarantiestelsels,».
JJ
Na artikel 3A:111 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. De Nederlandsche Bank kan de entiteit in afwikkeling, de rechtspersonen die met de entiteit een groep vormen als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de verkrijger verplichten tot het aan elkaar verstrekken van informatie en verlenen van bijstand.
2. De Nederlandsche Bank kan de entiteit in afwikkeling en de rechtspersonen die met de entiteit een groep vormen als bedoeld in artikel 3A:77 verplichten tot het verschaffen van operationele diensten en faciliteiten die nodig zijn om de verkrijger in staat te stellen de op hem overgegane bedrijfsactiviteiten effectief uit te oefenen, ook indien de entiteit in afwikkeling of de desbetreffende groepsentiteit in staat van faillissement verkeert. De voorwaarden genoemd in artikel 45, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars zijn van toepassing op de verschaffing van deze operationele diensten en faciliteiten.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van in Nederland gezetelde groepsentiteiten van een in een andere lidstaat gevestigde entiteit in afwikkeling, waarop een afwikkelingsautoriteit haar bevoegdheden ingevolge artikel 45, eerste lid, heeft toegepast.
4. Indien voldaan is aan een van de voorwaarden genoemd in artikel 45, tweede lid, onderdelen a en b, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, kan de Nederlandsche Bank een aanbieder van essentiële diensten die direct of indirect goederen of diensten levert aan de entiteit in afwikkeling, door middel van een aanwijzing verplichten die levering voort te zetten nadat een afwikkelingsmaatregel is genomen.
KK
In artikel 3A:112, onderdeel b, wordt «activa of passiva» vervangen door «activa, rechten of passiva».
LL
Artikel 3A:113 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «of van een rechtspersoon die tot taak heeft de eigendom in een overbruggingsinstelling te houden.» vervangen door «, waaronder is begrepen een overbruggingsonderneming en een rechtspersoon die tot taak heeft het eigendom in een overbruggingsonderneming te houden en de eigendomsinstrumenten als genoemd in artikel 3A:112, onderdeel a, te verkrijgen en te houden.»
2. In het tweede lid vervalt «of rechtspersoon».
3. Het derde lid komt te luiden:
3. Bij de toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling zorgt de Nederlandsche Bank ervoor dat de totale waarde van de passiva die overgaan op de overbruggingsinstelling de totale waarde van de rechten en activa die op de overbruggingsinstelling overgaan niet overschrijdt.
MM
De artikelen 3A:114 en 3A:115 komen te luiden:
1. De Nederlandsche Bank kan ten aanzien van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die zijn overgegaan op of aanwezig zijn in een overbruggingsinstelling, besluiten tot overgang op een derde.
2. De Nederlandsche Bank kan ten aanzien van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die zijn overgegaan, besluiten tot overgang op de oorspronkelijke eigenaren in de situaties genoemd in artikel 32, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars en indien wordt voldaan aan de daarin genoemde voorwaarden.
3. De overgang op de oorspronkelijke eigenaren vindt plaats binnen de termijn die wordt genoemd in het besluit tot overgang en voldoet aan de in dat besluit opgenomen voorwaarden.
NN
In artikel 3A:116, tweede lid, wordt «tijdelijk» vervangen door «voor een periode van maximaal 24 maanden».
OO
Artikel 3A:117 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «activa en passiva» vervangen door «activa, rechten en passiva».
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel a, wordt na «desbetreffende activa» «, rechten» ingevoegd;
b. In onderdeel b, wordt na «activa» «, rechten» ingevoegd en wordt na «overbruggingsinstelling» ingevoegd «of om toepassing van het instrument van solvabele run-off bedoeld in artikel 3A:119a mogelijk te maken»;
c. In onderdeel c, wordt na «activa» «, rechten» ingevoegd.
PP
Na artikel 3A:118 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
1. Bij de overgang van activa, rechten en passiva van een entiteit in afwikkeling of overbruggingsinstelling naar een entiteit voor beheer van activa en passiva bepaalt de Nederlandsche Bank de te betalen vergoeding voor overgang, in overeenstemming met de waardering ingevolge artikel 3A:89. De vergoeding kan een nominale of negatieve waarde hebben.
2. Onverminderd de artikelen 3A:101 en 3A:133, komt een door een entiteit voor activa- en passivabeheer betaalde vergoeding voor rechtstreeks van de entiteit in afwikkeling verworven activa, rechten of passiva toe aan de entiteit in afwikkeling. Vergoedingen kunnen worden betaald in de vorm van door de entiteit voor activa- en passivabeheer uitgegeven schuldpapier.
Artikel 3A:119 komt te luiden:
RR
Na § 3a.2.4.4 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
1. De Nederlandsche Bank kan besluiten tot toepassing van het instrument van solvabele run-off, waarbij de vergunning van de entiteit in afwikkeling wordt gewijzigd of ingetrokken zodat zij geen nieuwe verzekerings- of herverzekeringscontracten kan afsluiten.
2. De Nederlandsche Bank zorgt ervoor dat de verzekeraar in een solvabele run-off onmiddellijk na toepassing van dat instrument tenminste voldoet aan het minimaal aan te houden vermogen bedoeld in artikel 3:53. Indien de vergunning is ingetrokken, zijn de artikelen 3:53 en 3:57 niet van toepassing gedurende de looptijd van de solvabele run-off.
3. Indien de Nederlandsche Bank het instrument van solvabele run-off gebruikt, is artikel 27, vierde tot en met zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling verzekeraars van overeenkomstige toepassing.
4. Bij de toepassing van het instrument van solvabele run-off kan de Nederlandsche Bank het uitkeren van vergoedingen voor eigen vermogen en als eigen vermogen behandelde instrumenten, met inbegrip van dividenduitkeringen, en betalingen van variabele vergoedingen en discretionaire pensioenuitkeringen beperken of verbieden.
1. De Nederlandsche Bank besluit dat een verzekeraar ten aanzien waarvan het instrument van solvabele run-off is toegepast, wordt geliquideerd indien, al naargelang welke situatie zich het eerst voordoet:
a. alle of vrijwel alle activa, rechten of passiva van de entiteit in afwikkeling in een solvabele run-off zijn overgedragen of overgegaan aan een derde-verkrijger; of
b. de activa van de entiteit in afwikkeling in een solvabele run-off volledig te gelde zijn gemaakt en haar passiva volledig zijn voldaan.
2. Indien het eigen vermogen van een verzekeraar in solvabele run-off berekend overeenkomstig de regels vastgesteld op grond van artikel 3:53, derde lid, negatief is geworden, beoordeelt de Nederlandsche Bank of zij de rechtbank Amsterdam verzoekt om het faillissement van de verzekeraar uit te spreken dan wel of het nodig is een ander afwikkelingsinstrument toe te passen om de verzekeraar af te wikkelen.
SS
De artikelen 3A:120 en 3A:120a komen te luiden:
1. De Nederlandsche Bank kan een of meer bijzondere bestuurders bij een entiteit in afwikkeling aanstellen of de zeggenschap over die entiteit overnemen. De bijzonder bestuurder beschikt over de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis om zijn of haar functies uit te oefenen.
2. De Nederlandsche Bank maakt de benoeming van een bijzonder bestuurder openbaar. De Nederlandsche Bank benoemt een bijzonder bestuurder voor ten hoogste een jaar. De termijn kan bij wijze van uitzondering worden verlengd als de Nederlandsche Bank van oordeel is dat nog steeds aan de voorwaarden voor de aanstelling van een bijzonder bestuurder wordt voldaan. De Nederlandsche Bank kan de bijzonder bestuurder op elk moment uit zijn of haar functie ontheffen.
3. Een bijzonder bestuurder als bedoeld in het eerste lid treedt in de rechten en bevoegdheden van de organen van de entiteit in afwikkeling en haar aandeelhouders, certificaathouders of leden.
4. De bijzonder bestuurder neemt alle noodzakelijke maatregelen om de in artikel 3A:84 genoemde afwikkelingsdoelstellingen te bewerkstelligen en afwikkelingsmaatregelen uit te voeren overeenkomstig het besluit van de Nederlandsche Bank. Het verwezenlijken van de voornoemde afwikkelingsdoelstellingen en het uitvoeren van besluiten van de Nederlandsche Bank gaat boven elke andere bestuurstaak op grond van de wet of de statuten van de entiteit in afwikkeling ingeval deze niet consistent zijn.
5. De bijzonder bestuurder oefent de rechten en bevoegdheden uit onder toezicht van de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank kan grenzen stellen aan het optreden van de bijzonder bestuurder of eisen dat voor bepaalde handelingen van de bijzonder bestuurder voorafgaande toestemming van de Nederlandsche Bank vereist is. Indien van toepassing stelt de Nederlandsche Bank de bevoegdheidsverdeling tussen de bijzonder bestuurder en de organen van de entiteit in afwikkeling vast.
6. Na de benoeming van een bijzonder bestuurder:
a. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van de entiteit in afwikkeling de bijzonder bestuurder alle medewerking;
b. is voor schade ten gevolge van handelingen die zijn verricht in strijd met de aanstelling van de bijzonder bestuurder of de besluiten van de bijzonder bestuurder die daarmee verband houden, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van de entiteit dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de entiteit in afwikkeling, tenzij het verrichten van deze handelingen niet aan hem is te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden;
c. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel b, voorzover deze rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of behoorde te weten dat de handeling is verricht in strijd met de aanstelling van de bijzonder bestuurder of de besluiten van de bijzonder bestuurder die daarmee verband houden.
7. De bijzonder bestuurder stelt in elk geval aan het begin en einde van zijn benoemingstermijn een verslag op over de economische en financiële positie van de entiteit in afwikkeling en over de handelingen die hij bij de uitoefening van zijn taken heeft verricht. De Nederlandsche Bank stelt vast met welke frequentie de bijzonder bestuurder tijdens zijn aanstelling verslag doet.
8. Tegen een besluit van een bijzonder bestuurder kan administratief beroep worden ingesteld bij de Nederlandsche Bank.
9. Het tweede lid, eerste zin, derde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op overname van de zeggenschap door de Nederlandsche Bank als bedoeld in het eerste lid.
De Nederlandsche Bank kan bij een entiteit in afwikkeling leden van het bestuur en het bestuur als geheel, alsook leden van de raad van commissarissen of leden van een orgaan dat een met die van de raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft, leden van het hoger management en de raad van commissarissen als geheel, of een orgaan als geheel dat een met die van de raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft, ontslaan, benoemen of aanstellen.
TT
Artikel 3A:121, eerste lid, komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank kan bij de toepassing van het instrument van bail-in of bij de toepassing van een andere afwikkelingsmaatregel, indien nodig, bij besluit de rechtsvorm van de betrokken entiteit omzetten.
UU
Na artikel 3A:121 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. De Nederlandsche Bank kan, indien dit bijdraagt aan de uitvoering van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting, bedoeld in artikel 3A:93 een stichting administratiekantoor afwikkeling oprichten.
2. De Nederlandsche Bank kan de stichting een aanwijzing geven met betrekking tot de taakuitoefening.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de oprichting en beëindiging, de taak, de financiering, de inrichting, het bestuur en de werkwijze van een stichting administratiekantoor afwikkeling.
4. Een stichting administratiekantoor afwikkeling kan in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen eigendomsinstrumenten verkopen en gelden consigneren waarop rechthebbenden geen aanspraak hebben gemaakt.
VV
Na artikel 3A:122 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. De Nederlandsche Bank kan een terugbetalingsrecht van verzekeringnemers ingevolge een levensverzekeringsovereenkomst waarbij een entiteit in afwikkeling partij is tijdelijk beperken of opschorten voor de periode zoals genoemd in het besluit tot opschorting, mits aan de uit de overeenkomst voortvloeiende materiële verplichtingen wordt voldaan.
2. De Nederlandsche Bank past de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uitsluitend toe indien dit nodig is om de toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten te vergemakkelijken.
WW
Artikel 3A:123, vierde lid, komt te luiden:
4. Het eerste lid is niet van toepassing op betalingsverplichtingen en leveringsverplichtingen van een entiteit die reeds hebben geleid tot een gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, of tot rechten en verplichtingen die voor de entiteit in afwikkeling als deelnemer ingevolge of in verband met zijn deelname aan het systeem zijn ontstaan, welke betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen bestaan jegens een:
a. systeem of systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel p, van de Faillissementswet;
b. centrale tegenpartij waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;
c. centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is erkend overeenkomstig artikel 25 van de EMIR-verordening.
XX
Artikel 3A:124, tweede lid, komt te luiden:
2. De Nederlandsche Bank oefent de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid niet uit met betrekking tot een zekerheidsrecht dat is gevestigd ten behoeve van een:
a. systeem of systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel p, van de Faillissementswet;
b. centrale tegenpartij waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;
c. centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is erkend overeenkomstig artikel 25 van de EMIR-verordening;
YY
Artikel 3A:125 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vierde lid komt te luiden:
4. De opschorting werkt niet ten aanzien van een:
a. systeem of systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel p, van de Faillissementswet;
b. centrale tegenpartij waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;
c. centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is erkend overeenkomstig artikel 25 van de EMIR-verordening.
2. Onder vernummering van het vijfde tot zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
5. De beëindigingsrechten overeenkomstig de voorwaarden van die overeenkomst mogen voor het verstrijken van de opschortingstermijn, bedoeld in het derde lid, worden uitgeoefend indien de wederpartij bericht krijgt van de Nederlandsche Bank dat de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen niet:
a. aan een andere entiteit worden overgedragen; of
b. zijn onderworpen aan afschrijving of omzetting overeenkomstig artikel 3A:93.
ZZ
In artikel 3A:126 wordt na «de artikelen» ingevoegd «3A:80c,».
AAA
Na artikel 3A:127 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Onverminderd artikel 3A:124, kan de Nederlandsche Bank indien nodig voor de doeltreffendheid van een of meer afwikkelingsmaatregelen een rechterlijke instantie verzoeken een of meer gerechtelijke maatregelen of procedures waaraan een entiteit in afwikkeling onderworpen is, op te schorten gedurende een in het licht van de nagestreefde doelstelling passende termijn.
BBB
Artikel 3A:128 vervalt.
CCC
Artikel 3A:131 vervalt.
DDD
Artikel 3A:132 komt te luiden:
1. Indien de Nederlandsche Bank een besluit neemt tot overgang van activa of passiva of een besluit als bedoeld in artikel 3A:130, eerste lid, onderdeel b, strekt dat besluit ten aanzien van een financiëlezekerheidsovereenkomst, salderingsovereenkomst, verrekeningsovereenkomst, of herverzekeringsovereenkomst, niet tot:
a. overgang van slechts een gedeelte van de activa of passiva die onder de overeenkomst worden beschermd; of
b. wijziging of beëindiging van rechten of verplichtingen die worden beschermd door de overeenkomst.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden activa, passiva, rechten en verplichtingen geacht te zijn beschermd door een financiëlezekerheidsovereenkomst, een verrekeningsovereenkomst, een salderingsovereenkomst of een herverzekeringsovereenkomst, indien de partijen bij de overeenkomst recht hebben op de verrekening of saldering van die activa, passiva, rechten en verplichtingen.
3. Indien de Nederlandsche Bank een besluit neemt als bedoeld in het eerste lid, strekt dat besluit ten aanzien van een zekerheidsregeling, of de activa of passiva die onder een zekerheidsregeling vallen, niet tot:
a. overgang van activa waarmee de verplichting is gedekt, tenzij ook wordt besloten tot overgang van de verplichting en het voordeel van de zekerheid;
b. overgang van een gedekte verplichting, tenzij ook wordt besloten tot overgang van het voordeel van de zekerheid;
c. overgang van het voordeel van de zekerheid, tenzij ook wordt besloten tot overgang van de gedekte verplichting; of
d. wijziging of beëindiging van de zekerheidsregeling, indien door die wijziging de verplichtingen niet langer zouden worden gedekt.
4. Indien de Nederlandsche Bank een besluit neemt als bedoeld in het eerste lid, strekt dat besluit ten aanzien van een gestructureerde financieringsregeling, beleggingsverzekeringen of andere geoormerkte portefeuilles, met inbegrip van regelingen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdelen e en g, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, waarbij de entiteit in afwikkeling partij is, niet tot:
a. overgang van slechts een gedeelte van de activa, passiva, rechten of verplichtingen die de regeling vormen of onderdeel daarvan uitmaken; of
b. wijziging of beëindiging van de activa, passiva, rechten of verplichtingen die de regeling vormen of onderdeel daarvan uitmaken.
5. Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid worden onder activa of passiva mede begrepen transacties, tegen de entiteit in afwikkeling uit te oefenen nevenrechten, alsmede in verband met de overeenkomst gevestigde rechten tot zekerheid op aan de entiteit in afwikkeling of derden toebehorende activa, andere rechten tot zekerheid en voorrechten op die activa.
6. Het eerste lid is niet van toepassing op een besluit tot overgang, beëindiging of wijziging in overeenstemming met artikel 59, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, het tweede lid is niet van toepassing op een besluit tot overgang, beëindiging of wijziging in overeenstemming met artikel 60, tweede lid, van die richtlijn, en het derde lid is niet van toepassing op een besluit tot overgang, beëindiging of wijziging in overeenstemming met artikel 61, tweede lid, van die richtlijn.
7. Een overgang, beëindiging of wijziging in strijd met het eerste, tweede of derde lid, is niet nietig of vernietigbaar. Rechten die worden beschermd door die leden, worden door een dergelijke overgang, beëindiging of wijziging niet aangetast.
EEE
Artikel 3A:133 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt «kosten» vervangen door «redelijke kosten».
b. In onderdeel c, wordt «of een» vervangen door een komma en wordt na «passivabeheer» toegevoegd «of van de entiteit in een solvabele run-off».
2. In het derde lid wordt na «artikel 3A:93, eerste lid,» toegevoegd «of een overgang als bedoeld in de artikelen 3A:104, 3A:112, 3A:114, eerste lid, en 3A:117, eerste lid,».
FFF
Na artikel 3A:133 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Onverminderd de artikelen 3A:88, 3A:91 en 3A:138 en paragraaf 3a.2.4.7, hebben aandeelhouders of schuldeisers van de entiteit in afwikkeling en andere derden wier activa, rechten of passiva niet met behulp van het instrument van overgang van de onderneming bedoeld in artikel 3A:104, het instrument van de overbruggingsinstelling bedoeld in artikel 3A:112, of het instrument van afsplitsing van activa en passiva bedoeld in artikel 3A:117 worden overgedragen, geen rechten of vorderingen op overgedragen activa, rechten of passiva of jegens het bestuur en de raad van commissarissen, hun individuele leden en leden van het hoger management van de overbruggingsinstelling of de entiteit voor activa- en passivabeheer.
GGG
Aan artikel 3A:135 wordt een lid toegevoegd, luidende:
7. De bestuursrechter baseert zijn toetsing op de economische beoordeling van de feiten zoals uitgevoerd door de Nederlandsche Bank.
HHH
Artikel 3A:138 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Ten behoeve van de financiering van de afwikkeling van entiteiten als bedoeld in artikel 3A:78 kunnen bijdragen worden geheven van verzekeraars met zetel in Nederland, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, en Uniebijkantoren in Nederland.
2. Het derde lid, onderdeel a, wordt als volgt gewijzigd:
a. «of schuldeiser» wordt telkens vervangen door «, de verzekeringnemer, de begunstigde, de indiener van vorderingen of andere schuldeiser of, waar van toepassing, een verzekeringsgarantiestelsel op grond van het toepasselijk nationaal recht,»;
b. «onmiddellijk voorafgaand aan dat besluit» wordt vervangen door «op het moment van het besluit tot afwikkeling van de entiteit».
3. Aan het einde van het derde lid, onderdeel c, wordt onder vervanging van een punt door een komma toegevoegd «voor zover dit noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.»
4. Onder vernummering van het vijfde tot zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
5. Onverminderd het derde lid, wordt de financieringsregeling toegepast in overeenstemming met de beginselen genoemd in artikel 22 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
III
De Bijlage bij artikel 1:79 Wet op het financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder «Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen» worden in de numerieke volgorde ingevoegd «3:57c» en «3:288i1».
2. Onder «Deel Bijzondere maatregelen en voorzieningen betreffende financiële ondernemingen» worden in de numerieke volgorde ingevoegd «3A:80a», «3A:80b», «3A:83, tweede en vierde lid», 3A:83a», en «3A:111a».
JJJ
De Bijlage bij artikel 1:80 Wet op het financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder «Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen» worden in de numerieke volgorde ingevoegd «3:57c» en «3:288i1».
2. Onder «Deel Bijzondere maatregelen en voorzieningen betreffende financiële ondernemingen» worden in de numerieke volgorde ingevoegd «3A:80a», 3A:80b», «3A:83, tweede en vierde lid», «3A:83a», «3A:85a», «3A:111a» en «3A:119a, derde en vierde lid».
De Faillissementswet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 213 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt na «schadeverzekeraar» een komma ingevoegd en wordt «of levensverzekeraar» vervangen door «levensverzekeraar of herverzekeraar».
2. In onderdeel g wordt «moedermaatschappij van een verzekeraar» vervangen door «entiteit als bedoeld in artikel 3a:78, onderdelen b tot en met d van de Wet op het financieel toezicht» en wordt «die moedermaatschappij» vervangen door «die entiteit».
3. Onderdeel r komt te luiden:
Richtlijn (EU) 2025/1 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 en de Verordeningen (EU) nr. 1094/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2017/1129.
B
Artikel 213abis komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank N.V. verzoekt binnen redelijke termijn de rechtbank Amsterdam ten aanzien van een verzekeraar met zetel in Nederland het faillissement uit te spreken indien De Nederlandsche Bank N.V. oordeelt dat ten aanzien van die verzekeraar is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het financieel toezicht, maar dat een afwikkelingsmaatregel niet in het algemeen belang is als bedoeld in onderdeel c van dat lid.
2. De omstandigheid dat De Nederlandsche Bank N.V. de vergunning van een verzekeraar heeft ingetrokken, staat er niet aan in de weg dat ten aanzien van die verzekeraar toepassing wordt gegeven aan deze afdeling.
3. Onverminderd het vierde lid, kan een ander dan De Nederlandsche Bank N.V. niet het faillissement aanvragen van een verzekeraar die een door De Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning heeft of heeft gehad.
4. Een verzekeraar die een door De Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning heeft of heeft gehad kan aangifte doen van haar eigen faillissement. In dat geval stelt de rechtbank De Nederlandsche Bank N.V. onverwijld in kennis van deze aangifte.
5. De rechtbank beslist niet op de aangifte, bedoeld in het vierde lid, voordat:
a. De Nederlandsche Bank N.V. de rechtbank in kennis heeft gesteld dat zij niet voornemens is een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:77 van de Wet op het financieel toezicht te nemen met betrekking tot de verzekeraar; of
b. een termijn van zeven dagen na dagtekening van de kennisgeving bedoeld in het vierde lid is verstreken.
6. Indien De Nederlandsche Bank N.V. de rechtbank in kennis heeft gesteld dat zij met betrekking tot de verzekeraar voornemens is een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:77 van de Wet op het financieel toezicht te nemen of een besluit tot afwikkeling heeft genomen op grond van artikel 3A:85, eerste lid, van die wet, dan wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring op eigen aangifte af.
7. De Nederlandsche Bank N.V. kan bij het verzoek, bedoeld in het eerste of tweede lid, of naar aanleiding van de aangifte, bedoeld in het vierde lid een advies overleggen over de uitvoering van het faillissement door de curator.
C
In artikel 213af, eerste lid, wordt «dat zich een situatie als bedoeld in artikel 213a bis voordoet.» vervangen door «dat is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het financieel toezicht.»
D
Artikel 213ag wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Onverminderd artikel 213abis, zesde lid, spreekt de rechtbank het faillissement uit indien summierlijk blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het financieel toezicht.
2. In het derde lid wordt «Indien het verzoek wordt toegewezen» vervangen door «Indien op het verzoek of de aangifte het faillissement wordt uitgesproken».
E
Artikel 213ar vervalt.
F
Na artikel 213mk wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Voor zover dat niet reeds uit de wet volgt, worden vorderingen die voortvloeien uit bestanddelen van het eigen vermogen, bedoeld in artikel 2, onderdeel 28, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, op de boedel verhaald na de vorderingen die niet voortvloeien uit een bestanddeel van het eigen vermogen, bedoeld in dat artikel, in de volgende volgorde:
a. vorderingen uit hoofde van kernvermogens- of aanvullendvermogensbestanddelen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 94, derde lid, van de richtlijn solvabiliteit II;
b. vorderingen uit hoofde van kernvermogens- of aanvullendvermogensbestanddelen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 94, tweede lid, van de richtlijn solvabiliteit II;
c. vorderingen uit hoofde van kernvermogensbestanddelen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 94, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor zover een instrument slechts gedeeltelijk als een bestanddeel van het eigen vermogen wordt erkend, het gehele instrument behandeld als een uit een bestanddeel van het eigen vermogen voortvloeiende vordering met een lagere rang dan vorderingen die niet voortvloeien uit een bestanddeel van het eigen vermogen.
3. Vorderingen die niet langer voortvloeien uit bestanddelen van het eigen vermogen bedoeld in het eerste lid worden op de boedel verhaald onmiddellijk voor de vorderingen, bedoeld in het eerste lid, tenzij een andere wijziging in de achterstelling is overeengekomen die in overeenstemming is met de richtlijn solvabiliteit II.
4. Indien een achterstelling van een vordering volgt uit een verwijzing naar een andere achtergestelde vordering en de achterstelling van een van die twee vorderingen wordt gewijzigd doordat zij niet langer voortvloeit uit bestanddelen van het eigen vermogen is die wijziging niet van invloed op de achterstelling van de andere vordering.
G
Artikel 213gg komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank N.V. kan de rechtbank Amsterdam verzoeken ten aanzien van een verzekeraar met beperkte risico-omvang het faillissement uit te spreken indien De Nederlandsche Bank N.V. oordeelt dat ten aanzien van die verzekeraar met beperkte risico-omvang is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het financieel toezicht.
2. De artikelen 213a, eerste lid, 213abis, derde tot en met zevende lid, 213ad1, 213ae, 213af, 213ag, 213aga, 213agb, 213agc, 213ah, 213b, 213d, 213i, 213j en 213k, eerste lid, 213ka, 213kaa, 213l, 213ma tot en met 213ml, alsmede paragraaf 3 van deze afdeling zijn van overeenkomstige toepassing op verzekeraars met beperkte risico-omvang.
H
Artikel 213kka vervalt.
I
Na afdeling 11B wordt een nieuwe afdeling ingevoegd, luidende:
1. De Nederlandsche Bank N.V. kan de rechtbank Amsterdam verzoeken ten aanzien van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht, met zetel in Nederland, het faillissement uit te spreken indien De Nederlandsche Bank N.V. oordeelt dat ten aanzien van die entiteit is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het financieel toezicht, maar dat een afwikkelingsmaatregel niet in het algemeen belang is als bedoeld in onderdeel c van dat lid.
2. Onverminderd het vierde lid en behoudens het recht van deze entiteiten om aangifte te doen van hun eigen faillissement, kan een ander dan De Nederlandsche Bank N.V. niet het faillissement aanvragen van entiteiten als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b en c, van de Wet op het financieel toezicht.
3. In afwijking van artikel 2, eerste lid, geschiedt de faillietverklaring van een entiteit als bedoeld in het eerste lid door de rechtbank Amsterdam.
4. Indien een ander dan De Nederlandsche Bank N.V. het faillissement aanvraagt van een entiteit als bedoeld in het eerste lid, stelt de rechtbank De Nederlandsche Bank N.V. onverwijld in kennis van dit verzoek of de eigen aangifte.
5. De rechtbank beslist niet op het verzoek of de eigen aangifte bedoeld in het vierde lid voordat:
a. De Nederlandsche Bank N.V. de rechtbank in kennis heeft gesteld dat zij niet voornemens is een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:77 van de Wet op het financieel toezicht te nemen met betrekking tot de entiteit; of
b. een termijn van zeven dagen na dagtekening van de kennisgeving bedoeld in het vierde lid is verstreken.
6. Indien De Nederlandsche Bank N.V. de rechtbank in kennis heeft gesteld dat zij met betrekking tot de entiteit voornemens is een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:77 van de Wet op het financieel toezicht te nemen of een besluit tot afwikkeling heeft genomen op grond van artikel 3A:86 van die wet, dan wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring op eigen aangifte af.
1. De artikelen 213ad1, 213ae, 213af, 213ag, 213b, 213i, 213j, 213k en 213ml, zijn van overeenkomstige toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 213kkb, eerste lid.
2. Artikel 213g, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 213kkb, eerste lid, met dien verstande dat het bepaalde ten aanzien van de in dat artikel genoemde machtigingen niet van toepassing zijn.
3. De artikelen 213af, 213ag, eerste lid, en 213b zijn niet van toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 213kkb, eerste lid, indien een ander dan de Nederlandsche Bank N.V. het faillissement aanvraagt.
J
In artikel 215 wordt telkens «moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar met een vergunning als bedoeld in artikel 2:26a, 2:27 of 2:54a van de Wet op het financieel toezicht is» vervangen door «verzekeraar met beperkte risico-omvang of een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht is».
K
Artikel 218 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het zesde lid komt te luiden:
6. Indien een aanvraag tot faillietverklaring, niet zijnde een verzoek of aangifte als bedoeld in artikel 213gg of artikel 213kkb, en een verzoek tot surseance gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst het verzoek tot surseance in behandeling. Indien een verzoek tot faillietverklaring of een aangifte als bedoeld in artikel 213gg of artikel 213kkb en een verzoek tot surseance gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst de aanvraag tot faillietverklaring in behandeling.
2. In het achtste lid wordt «moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar als bedoeld in artikel 213abis, eerste lid,» vervangen door «verzekeraar met beperkte risico-omvang of een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht,».
L
In artikel 242, vijfde lid, wordt «moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar als bedoeld in artikel 213abis, eerste lid.» vervangen door «verzekeraar met beperkte risico-omvang of een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht.»
M
In artikel 248, eerste lid, wordt »artikel 213ar» vervangen door «artikel 213gg of artikel 213kkb».
N
In artikel 272, vijfde lid, wordt «moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar als bedoeld in artikel 213abis, eerste lid,» vervangen door «verzekeraar met beperkte risico-omvang of een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht,».
O
In artikel 277 wordt «moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar als bedoeld in artikel 213abis, eerste lid,» vervangen door «verzekeraar met beperkte risico-omvang of een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht,».
P
In artikel 280, derde lid, wordt «moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar als bedoeld in artikel 213abis, eerste lid,» vervangen door «verzekeraar met beperkte risico-omvang of een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht,».
De Bankwet 1998 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 4a, tweede zin, wordt «of» vervangen door een komma en wordt na «centrale tegenpartijen» ingevoegd «of artikel 3A:84 van de Wet op het financieel toezicht».
B
In artikel 12b, derde lid, wordt «3A:81 tot en met 3A:83 van de Wet op het financieel toezicht» vervangen door «Afdeling 3A.2.2. van de Wet op het financieel toezicht».
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Financiën,
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36964-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.