Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36960 nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36960 nr. B |
Vastgesteld 23 juni 2026
De vaste commissies voor Justitie en Veiligheid1 en voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad2 hebben schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Justitie en Veiligheid over de Commissiemededeling – ProtectEU: Agenda om terrorisme te voorkomen en te bestrijden. Bijgaand brengen de commissies hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 28 mei 2026.
• De antwoordbrief van 22 juni 2026.
De griffier voor dit verslag, De Graag
BRIEF VAN DE VOORZITTERS VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID EN VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL / JBZ-RAAD
Aan de Minister van Justitie en Veiligheid
Den Haag, 28 mei 2026
De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid en Immigratie en Asiel / JBZ-Raad en hebben met belangstelling kennisgenomen van de Commissiemededeling ProtectEU: Agenda om terrorisme te voorkomen en te bestrijden van 26 februari 2026.3 De leden van de fracties van de BBB en PVV hebben naar aanleiding van dit verslag nog een aantal vragen en opmerkingen die zij aan u willen voorleggen. De fractieleden van JA21 sluiten zich aan bij de gestelde vragen door de fractieleden van de BBB.
Vragen en opmerkingen van de fractie van de BBB
In het BNC-fiche schrijft u over preventie van online radicalisering, waarbij jongeren als kwetsbare groep worden genoemd.4 De fractieleden van de BBB vragen of u van mening bent dat TikTok, een social medium dat eigendom is van een Chinees bedrijf, bijdraagt aan radicalisering van de Nederlandse bevolking, vooral de Nederlandse jeugd. Welke andere social media veroorzaken een groot deel van de radicalisering van de Nederlandse jeugd? Kunt u hier voldoende maatregelen tegen treffen, ook als zij eigendom zijn van buitenlandse bedrijven, zeker ook als die buiten Nederland en de Europese Unie gevestigd zijn? Als u hierdoor niet voldoende maatregelen kunt treffen, wanneer zou u dan overwegen deze social media in Nederland, of via een gezamenlijk beleid in heel de Europese Unie, ontoegankelijk (onbenaderbaar) te laten maken?
De Europese Commissie overweegt te komen met «een wetsinitiatief om de definitie van online haatmisdrijven te harmoniseren».5 Welke Nederlandse wet(ten) zijn nu tegen online haatmisdrijven gericht? Verwacht u een Europese richtlijn of verordening? (In hoeverre) wilt u accepteren dat de Europese definitie van online haatmisdrijven afwijkt van de huidige Nederlandse definitie?
In het BNC-fiche wordt versterking van het grenstoezicht genoemd.6 Hoe wilt u aan de Nederlandse grenzen het toezicht tegen terrorisme versterken? Zijn daar wijzigingen in de Vreemdelingenwet of andere wet(ten) voor nodig?
De Europese Commissie onderzoekt de mogelijkheden om het gebruik van passagiersgegevens in de strijd tegen terrorisme en ernstige criminaliteit uit te breiden naar vervoersmodaliteiten over zee en land, «waar tot nu toe alleen passagiersgegevens van luchtvervoerders gebruikt worden».7 In het BNC-fiche staat vermeld dat Nederland hier geen nationale wetgeving voor heeft8 en dat «(o)p dit moment (…) het kabinet niet voornemens [is] om, vooruitlopend op de Europese ontwikkelingen, hier aanvullende nationale wetgeving voor op te stellen».9 Waarom wilt u niet zo snel mogelijk nationale wetgeving introduceren, zodat de kans kleiner wordt dat een terrorist met een ferry, bus of trein ongemerkt Nederland in reist? Daarmee zou toch betrekkelijk snel een significante dreiging kunnen worden verminderd?
Door de aanvallen op Iran is recent ook de dreiging van Iraanse aanslagen in Nederland toegenomen.10 Kunt u hier voldoende maatregelen tegen nemen? Of meent u hiertegen extra (financiële) middelen dan wel wijzigingen in wet- en regelgeving nodig te hebben?
U schrijft dat «personen die radicaliseren worden besproken in het multidisciplinaire casusoverleg. Hierin stellen lokale professionals samen een plan van aanpak op».11 Kunt u garanderen dat, ook door lokale overheden, semi-overheden en NGO’s, in niet-schriftelijke en potentieel informele overleggen zoals deze, geen gegevens worden uitgewisseld zonder dat daarvoor wettelijke toestemming bestaat? Bent u ervan overtuigd dat alleen wordt uitgewisseld wat wel mag? Zo nee, vindt u uitbreiding van wettelijke mogelijkheden wenselijk voor gegevensuitwisseling tussen betrokken organisaties, inclusief decentrale niet-justitiële organisaties?
In het BNC-fiche staat dat dit jaar een nationale evaluatie van de Uitvoeringswet Terroristische Online-Inhoud (TOI) wordt uitgevoerd.12 Is in de opdracht daarvoor ook expliciet opgenomen dat moet worden onderzocht of wet- en regelgeving voldoet? Bij dergelijke evaluaties wordt dit aspect vaak buitengesloten, aldus de fractieleden van de BBB.
In het BNC-fiche staat dat u in EU-verband een «werkbare definitie van gewelddadige extremistische content» wilt, mede conform de motie van het lid Michon-Derkzen (VVD). Ook wordt de aanpak van «borderline content» genoemd.13 Wat stelt de vigerende Nederlandse wet- en regelgeving hierover? (In welke opzichten) vindt u deze onvoldoende? Wilt u in dit verband wetswijzigingen gaan voorstellen?
In het BNC-fiche geeft u terecht aan dat Nederland ernaar streeft «zorgvuldig te kunnen (blijven) afwegen of en onder welke voorwaarden uit Nederland afkomstige gegevens in Europese informatiesystemen (waaronder SIS) worden gedeeld met derde landen».14 Welke voorwaarden worden daar nu aan gesteld? Op basis van welke Nederlandse wet- en regelgeving zijn deze beperkingen gebaseerd? Maakt u bij het delen van gegevens met derde landen onderscheid tussen bevriende, gelijkwaardige rechtsstaten en democratieën, zoals Noorwegen en Canada, en landen die duidelijk geen rechtsstaat en democratie kennen? Vindt u het in het kader van terrorismebestrijding wenselijk, en ziet u mogelijkheden, om toch gegevens uit te wisselen met genoemde gelijkwaardige landen?
U stelt dat ook aandacht van belang is voor misdrijven tegen de menselijkheid en genocide.15 Wat doet u om dit in de Europese Unie onder de aandacht te brengen? Wilt u hier meer tegen doen?
Vragen en opmerkingen van de fractie van de PVV
Juridische basis en bevoegdheidsverdeling
De fractieleden van de PVV stellen vast dat in de mededeling geen expliciete juridische grondslag in het VWEU wordt genoemd. Welke verdragsartikelen (bijvoorbeeld artikelen 83, 87, 88 VWEU) vormen de basis voor de concrete wetgevende initiatieven die in deze agenda worden aangekondigd? Hoe beoordeelt u de toepasbaarheid van die grondslagen per afzonderlijk initiatief?
Deze leden stellen dat terrorismebestrijding zowel raakt aan JBZ-samenwerking (Titel V VWEU) als aan het buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB). In hoeverre acht u de gekozen structuur juridisch zuiver gegeven de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten op het terrein van nationale veiligheid (artikel 4 lid 2 VEU)?
Subsidiariteit en proportionaliteit
De mededeling kondigt een «beschermingsverplichting» aan voor exploitanten van openbare ruimten (sportzalen, muziekzalen, gebedshuizen).16 Hoe verhoudt dit zich tot het subsidiariteitsbeginsel, gegeven dat de meeste lidstaten al eigen wetgeving hebben? Heeft u bezwaren tegen EU-minimumnormen op dit terrein?
In het BNC-fiche gaat u in op de proportionaliteit.17 Acht u de voorgestelde maatregelen – inclusief de aangekondigde wetgevingsinitiatieven – in balans met de gesignaleerde dreiging, of zijn er specifieke onderdelen die u als disproportioneel beschouwt?
Terrorismedefinitie en strafbaarstelling
De mededeling signaleert dat «vervaagde grenzen tussen online- en fysieke operaties» het moeilijk maken terroristische misdrijven te definiëren.18 Stel dat de Commissie overweegt de definitie van terrorisme in Richtlijn 2017/541 te verruimen, hoe waarborgt u dan dat dit niet leidt tot een te ruime toepassing die raakt aan fundamentele rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en het recht op demonstratie?
De mededeling noemt «minder ideologisch gedreven actoren» als nieuwe uitdaging.19 Hoe wilt u omgaan met de afbakening tussen terrorisme en ernstige geweldsmisdrijven zonder ideologisch motief?
Online terroristische inhoud (TERREG)
De mededeling verwijst naar de uitvoering van Verordening (EU) 2021/784 (TERREG) voor het verwijderen van online terroristische inhoud. Wat is de stand van uitvoering van TERREG in Nederland, en hoe beoordeelt u de doeltreffendheid van het one-hour removal order-systeem?
Gegevensdeling, rechtmatige toegang en encryptie
De mededeling verwijst naar de «routekaart voor de rechtmatige en doeltreffende toegang tot gegevens (2025)».20 Wat is de concrete inhoud van deze routekaart en houdt deze een voorstel in om encryptie te verzwakken («lawful access to encrypted communications»)? Hoe staat u tegenover maatregelen die end-to-end-encryptie zouden ondermijnen?
De e-Evidence-verordening (2023/1543) treedt in augustus 2026 in werking. Welke implementatie stappen moeten nog worden gezet in Nederland, en hoe wordt omgegaan met verzoeken gericht aan dienstverleners in derde landen?
De mededeling pleit voor Prüm II als instrument voor biometrisch gegevensverkeer.21 In hoeverre worden de DPIA-vereisten (data protection impact assessments) en de beginselen van doelbinding onder de AVG en de Richtlijn politiegegevens (2016/680) afdoende gewaarborgd bij grensoverschrijdende biometrische uitwisseling?
Migratie-veiligheidsconnectie
De mededeling stelt dat «geavanceerde reisinformatie» (API/PNR) moet worden uitgebreid.22 Welke categorieën reizigers worden hiermee aanvullend bestreken ten opzichte van de huidige PNR-richtlijn (2016/681), en heeft u een positie over de wenselijkheid van verdere uitbreiding van PNR naar andere vervoersmodaliteiten?
Financiering en handhaving
De mededeling noemt een investering van 30 miljoen euro voor de beveiliging van openbare ruimten.23 Uit welk EU-fonds of -instrument wordt dit gefinancierd (ISF, Horizon, et cetera), en wat zijn de cofinancieringsverplichtingen voor Nederland?
Wat zijn de totale verwachte financiële implicaties van de gehele ProtectEU-terrorismeagenda voor de Nederlandse rijksbegroting, inclusief uitvoeringskosten voor nationale autoriteiten, politie en justitie?
Hoe wordt voorzien in toezicht op en evaluatie van de voortgang van deze agenda, en welk mechanisme bestaat er om de Eerste Kamer tussentijds te informeren over de uitvoering van de aangekondigde maatregelen?
De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid en Immigratie en Asiel / JBZ-Raad zien met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangen deze graag uiterlijk 23 juni 2026.
Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, B.O. Dittrich
Voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad, A.W.J.A. van Hattem
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 juni 2026
Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen van de leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van de fracties BBB, PVV en JA21 over de Commissiemededeling ProtectEU: Agenda om terrorisme te voorkomen en te bestrijden van 26 februari 2026.
Deze vragen werden ingezonden op 28 mei 2026 met kenmerk 181127.
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. Van Weel
Vraag 1
In het BNC-fiche schrijft u over preventie van online radicalisering, waarbij jongeren als kwetsbare groep worden genoemd.24 De fractieleden van de BBB vragen of u van mening bent dat TikTok, een social medium dat eigendom is van een Chinees bedrijf, bijdraagt aan radicalisering van de Nederlandse bevolking, vooral de Nederlandse jeugd. Welke andere social media veroorzaken een groot deel van de radicalisering van de Nederlandse jeugd? Kunt u hier voldoende maatregelen tegen treffen, ook als zij eigendom zijn van buitenlandse bedrijven, zeker ook als die buiten Nederland en de Europese Unie gevestigd zijn? Als u hierdoor niet voldoende maatregelen kunt treffen, wanneer zou u dan overwegen deze social media in Nederland, of via een gezamenlijk beleid in heel de Europese Unie, ontoegankelijk (onbenaderbaar) te laten maken?
Antwoord op vraag 1
Het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland25 onderschrijft de grote zorgen over de snelle online radicalisering van jongeren. In dit dreigingsbeeld wordt geconcludeerd dat jihadistische propaganda, jihadistische groepen en netwerken zich bevinden op onder meer Facebook, Instagram, TikTok, Telegram, Element en RocketChat. Ook de AIVD-publicatie «Een web van haat»26 stelt dat jongeren online in aanraking komen met extremistische en terroristische propaganda op Discord, Instagram, Roblox, Snapchat, Telegram en TikTok, alsook andere platformen.
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om online radicalisering, extremisme en terrorisme aan te pakken en effectief te reageren op nieuwe ontwikkelingen. De recente inspanningen zijn beschreven in de Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content die op 22 mei jl. aan de Tweede Kamer is verzonden. In de uitvoering van de aanpak is onder andere een structurele en normerende dialoog met de internetsector opgezet, en zijn er de afgelopen jaren gesprekken gevoerd met onder meer TikTok. Daarbij kan de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) terroristische content op platformen binnen één uur laten verwijderen ingevolge de Uitvoeringswet Verordening Terroristische Online-Inhoud (hierna: TOI). Daarnaast stelt de Digital Services Act (DSA) verplichtingen aan grote sociale media bedrijven met de doelstelling om te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving. In 2027 wordt de Europese DSA geëvalueerd. In het kader van deze evaluatie zal Nederland daar waar nodig pleiten voor aanscherpingen van de DSA, teneinde online platformen beter aan te kunnen spreken op hun verantwoordelijkheid in het tegengaan van online radicalisering.27
In het coalitieakkoord is daarnaast het voornemen geuit voor een Europese minimumleeftijd van 15 jaar met privacy-vriendelijke leeftijdsverificatie voor sociale media, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit zal, zoals is toegezegd tijdens het Wetgevingsoverleg Digitale Zaken van 2 maart jl., de Tweede Kamer na het zomerreces informeren over de stand van zaken van de Europese aanpak voor een Europese minimumleeftijd voor sociale media.
Vraag 2
De Europese Commissie overweegt te komen met «een wetsinitiatief om de definitie van online haat-misdrijven te harmoniseren».28 Welke Nederlandse wet(ten) zijn nu tegen online haatmisdrijven gericht? Verwacht u een Europese richtlijn of verordening? (In hoeverre) wilt u accepteren dat de Europese definitie van online haatmisdrijven afwijkt van de huidige Nederlandse definitie?
Antwoord op vraag 2
Online haatmisdrijven zijn strafbaar op grond van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In de artikelen 137c-g wordt onder meer strafbaar gesteld groepsbelediging en het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld van mensen vanwege hun ras, godsdienst of levensovertuiging, geslacht, seksuele gerichtheid of handicap. De Europese Commissie heeft hernieuwde aandacht voor de harmonisatie van definities van online haatmisdrijven. Of dit op korte termijn leidt tot een concreet voorstel van de Europese Commissie is nog niet duidelijk. Nederland ondersteunt het belang van een effectieve aanpak van online haatmisdrijven en verwelkomt voorstellen van de Europese Commissie die hieraan bijdragen. Daarbij is het belangrijk dat het niveau van bescherming tegen online haatmisdrijven niet omlaaggaat door een Europese definitie en dat het in Nederland geldende recht op vrijheid van meningsuiting wordt gerespecteerd.
Vraag 3
In het BNC-fiche wordt versterking van het grenstoezicht genoemd.29 Hoe wilt u aan de Nederlandse grenzen het toezicht tegen terrorisme versterken? Zijn daar wijzigingen in de Vreemdelingenwet of andere wet(ten) voor nodig?
Antwoord op vraag 3
In de bestrijding van terrorisme zijn goedwerkende Europese (grens)informatiesystemen en interoperabiliteit essentieel. Hierbij is zowel de informatie-uitwisseling tussen nationale en Europese informatiesystemen, als tussen verschillende Europese informatiesystemen van belang. Nederland werkt hard aan de implementatie van grootschalige EU-informatiesystemen, zoals het European Entry and Exit System (hierna: EES) en het European Travel Information and Authorisation System (hierna: ETIAS). Hiermee vergroot Nederland en de EU in den brede haar grip op wie de EU in- en uitreist. In het EES worden onderdanen van derde landen geregistreerd bij de in- en uitreis, hetgeen bijdraagt aan de verbeterde controle van hun identiteit en het voorkomen van overstay. ETIAS maakt het mogelijk om te voorkomen dat personen die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoen, bijvoorbeeld omdat zij een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, naar het Schengengebied reizen. De Advance Passenger Information (hierna: API) Verordening voor Grenstoezicht (EU Verordening 2022/12) vervangt de API Richtlijn (EU Richtlijn 2004/38) en levert een verdere verbetering van datakwaliteit op. Dit ondersteunt grensautoriteiten in het tijdig onderkennen van reizigers die een gevaar vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid.
Ook noemt de Europese Commissie de implementatie van de Screeningsverordening als belangrijke stap. In alle Europese lidstaten kunnen er zich onderdanen van derde landen bevinden die illegaal de buitengrenzen zijn gepasseerd of illegaal op het grondgebied van lidstaten verblijven, zonder een inreiscontrole te hebben ondergaan. Met de implementatie van de Screeningsverordening worden niet-EU-onderdanen aan de buitengrenzen EU-breed systematisch en op dezelfde wijze gescreend o.a. op veiligheidsrisico’s. De screeningsverordening is op 12 juni jl. in werking getreden. De Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact is op 26 mei jl. aangenomen door de Eerste Kamer. Er zijn op dit moment geen andere wijzigingen van de Vreemdelingenwet t.a.v. het grenstoezicht voorzien.
Vraag 4
De Europese Commissie onderzoekt de mogelijkheden om het gebruik van passagiersgegevens in de strijd tegen terrorisme en ernstige criminaliteit uit te breiden naar vervoersmodaliteiten over zee en land, «waar tot nu toe alleen passagiersgegevens van luchtvervoerders gebruikt worden».30 In het BNC-fiche staat vermeld dat Nederland hier geen nationale wetgeving voor heeft31 en dat «(o)p dit moment (…) het kabinet niet voornemens [is] om, vooruitlopend op de Europese ontwikkelingen, hier aanvullende nationale wetgeving voor op te stellen».32 Waarom wilt u niet zo snel mogelijk nationale wetgeving introduceren, zodat de kans kleiner wordt dat een terrorist met een ferry, bus of trein ongemerkt Nederland in reist? Daarmee zou toch betrekkelijk snel een significante dreiging kunnen worden verminderd?
Antwoord op vraag 4
De Passagiersinformatie-eenheid Nederland (hierna: Pi-NL) draagt bij aan de bestrijding van grensoverschrijdend terrorisme en ernstige criminaliteit door met behulp van passagiersgegevens de mogelijke betrokkenheid van luchtvaartpassagiers bij een terroristisch misdrijf of andere vormen van ernstige criminaliteit te detecteren. De Pi-NL ontvangt hiervoor van commerciële luchtvaartmaatschappijen passagiersgegevens, te weten boekings- en reserveringsgegevens (Passenger Name Record, hierna: PNR) en gegevens verzameld uit het paspoort en tijdens de check-in (Advance Passenger Information/API). Op dit moment zijn luchtvaartmaatschappijen alleen verplicht om API-gegevens te verzamelen voor vluchten die van buiten het Schengengebied naar een luchthaven binnen het Schengengebied vliegen. Met de komst van de API-verordening voor Rechtshandhaving (EU Verordening 2022/13) worden luchtvaartmaatschappijen ook verplicht API-gegevens te verzamelen voor vluchten binnen de EU en vluchten die de EU verlaten.
De mogelijkheden om reisbewegingen van malafide reizigers te detecteren verschilt per vervoersmodaliteit. De operationele complexiteit en impact op de verschillende vervoerssectoren en burgers, vraagt om een zorgvuldige afweging voor het opstellen van aanvullende wetgeving. Uit eerdere studies van de Europese Commissie is onder andere gebleken dat voor de commerciële maritieme- en landvervoerderssector minder vergaande harmonisatie bestaat van het verwerken van passagiersgegevens dan bij commerciële vervoerders in de luchtvaartsector. Om te voorkomen dat er een lappendeken van verschillende regelgeving binnen de EU ontstaat, acht het kabinet het verstandig om Europees breed voort te bouwen op de ervaringen van andere Europese landen ten aanzien van andere vervoersmodaliteiten. Daarom verwelkomt het kabinet toekomstige Europese initiatieven om de detectie van ongewenste reisbewegingen te verbeteren met inachtneming van fundamentele rechten, waaronder de opvolging van de lopende Europese evaluatie van de PNR-Richtlijn (Richtlijn 2016/681).
Wel verzamelt de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) in het kader van grenstoezicht reeds passagiersgegevens van ferry- en cruiseschepen die in/via Nederland het Schengengebied inreizen of verlaten. Dit betreft data volgens de internationale standaarden van het Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationaal verkeer ter zee.33 De KMar ontvangt deze data op basis van de Schengen Grenscode en verwerkt deze data in hetzelfde systeem als waarin zij de passagiersgegevens die zij van luchtvaartvervoerders ontvangt voor het uitvoeren van het grenstoezicht op basis van de Schengen Grenscode.
Vraag 5
Door de aanvallen op Iran is recent ook de dreiging van Iraanse aanslagen in Nederland toegenomen.34 Kunt u hier voldoende maatregelen tegen nemen? Of meent u hiertegen extra (financiële) middelen dan wel wijzigingen in wet- en regelgeving nodig te hebben?
Antwoord op vraag 5
Er wordt voortdurend en op basis van dreigingsinformatie bezien wat mogelijk is om ongewenste buitenlandse inmenging in Nederland te voorzien, verstoren, verijdelen en/of mitigeren. In lijn met eerdere toezeggingen aan de Tweede Kamer, wordt deze aanpak momenteel geëvalueerd. Over de opvolging van deze evaluatie wordt de Tweede Kamer in het kader van de ontwikkeling aanpak statelijke en hybride dreigingen in najaar 2026 geïnformeerd, financiën zijn daar onderdeel van.35
Vraag 6
U schrijft dat «personen die radicaliseren worden besproken in het multidisciplinaire casusoverleg. Hierin stellen lokale professionals samen een plan van aanpak op».36 Kunt u garanderen dat, ook door lokale overheden, semioverheden en NGO’s, in niet-schriftelijke en potentieel informele overleggen zoals deze, geen gegevens worden uitgewisseld zonder dat daarvoor wettelijke toestemming bestaat? Bent u ervan overtuigd dat alleen wordt uitgewisseld wat wel mag? Zo nee, vindt u uitbreiding van wettelijke mogelijkheden wenselijk voor gegevensuitwisseling tussen betrokken organisaties, inclusief decentrale niet-justitiële organisaties?
Antwoord op vraag 6
Op 1 juli 2025 is de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten in werking getreden (hierna: de Wet). De Wet biedt heldere grondslagen voor gegevensverwerking in het casusoverleg radicalisering en beschrijft onder meer welke organisaties deel mogen nemen aan het casusoverleg radicalisering en onder welke voorwaarden, zodat het voor eenieder duidelijk is dat deelnemers aan het casusoverleg persoonsgegevens mogen verstrekken aan elkaar en welke kaders daarvoor gelden. Daarnaast schrijft de Wet specifieke waarborgen voor met betrekking tot zorgvuldige gegevensverwerking.
Dit najaar wordt gestart met de invoeringstoets van de Wet. Ik zal bij de invoeringstoets nadrukkelijk aandacht vragen voor gegevensuitwisseling, evenals voor de andere onderwerpen die de aandacht van Uw Kamer hebben. Over de uitkomsten van deze invoeringstoets zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd; uw Kamer zal een afschrift van deze brief ontvangen.
Vraag 7
In het BNC-fiche staat dat dit jaar een nationale evaluatie van de Uitvoeringswet Terroristische Online-Inhoud (TOI) wordt uitgevoerd.37 Is in de opdracht daarvoor ook expliciet opgenomen dat moet worden onderzocht of wet- en regelgeving voldoet? Bij dergelijke evaluaties wordt dit aspect vaak buitengesloten, aldus de fractieleden van de BBB.
Antwoord op vraag 7
Ja, de vraag of deze wetgeving voldoet wordt betrokken bij de evaluatie van de Uitvoeringswet TOI. De evaluatie omvat onder meer de juridische reikwijdte van verwijderbevelen en de mogelijkheden voor de aanvullende inzet van verwijderverzoeken. Met deze evaluatie wordt opvolging gegeven aan de wettelijke verplichting om binnen drie jaar na inwerkingtreding van een wet een evaluatie aan de Tweede Kamer te presenteren. Het eindrapport zal in het najaar van 2026 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
Vraag 8
In het BNC-fiche staat dat u in EU-verband een «werkbare definitie van gewelddadige extremistische content» wilt, mede conform de motie van het lid Michon-Derkzen (VVD). Ook wordt de aanpak van «borderline content» genoemd.38 Wat stelt de vigerende Nederlandse wet- en regelgeving hierover? (In welke opzichten) vindt u deze onvoldoende? Wilt u in dit verband wetswijzigingen gaan voorstellen?
Antwoord op vraag 8
Het kabinet stelt zich op het standpunt dat «borderline content», zowel illegale als niet-illegale content waaronder (gewelddadige) extremistische content, ernstige gevolgen kan hebben en aandacht behoeft. Illegale online content is online materiaal dat strijdig is met de vigerende wetgeving, waaronder het Unierecht of het nationale recht. Dit omvat content waarvan het vervaardigen, bezit, openbaar maken of verspreiden strafbaar is en content die jegens derden onrechtmatig is op grond van het civiele recht. Deze content is daarmee verboden en kan worden verwijderd. Met betrekking tot niet-illegale content is in de basis voorzichtigheid geboden, omdat deze in beginsel wordt beschermd door het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit fundamentele recht is verankerd in de Grondwet, alsook in het Handvest van de EU en internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft gebonden. Bovendien is het feit dat dergelijke content niet als illegaal is aangemerkt door de wetgever een teken dat er in het parlement geen overeenstemming is over de toelaatbaarheid van dergelijke content. Terughoudendheid is daarom op zijn plaats.
Tegelijkertijd is de noodzaak en urgentie om schadelijke online content, in het bijzonder gewelddadige extremistische content, aan te kunnen pakken groot. In het coalitieakkoord is onder meer het voornemen opgenomen om te onderzoeken of content die misdrijven toont, kan worden verboden en verwijderd. Dit zou mogelijkheden kunnen bieden in de aanpak van gewelddadige extremistische content. De komende periode wordt bekeken op welke wijze deze ambitie kan worden uitgewerkt. Het kabinet zet ook in op Europese wet- en regelgeving en internationale samenwerking, aangezien het internet zich niet tot onze landsgrenzen beperkt. Zo bepaalt de EU Verordening TOI (en de bijbehorende uitvoeringswet) dat terroristische content binnen 1 uur offline moet zijn gehaald. Ook de DSA reguleert schadelijke content. Zo zijn zeer grote online platforms en zoekmachines verplicht om tenminste jaarlijks te onderzoeken of hun diensten vatbaar zijn voor zogenaamde systeemrisico’s, zoals gebruik van hun diensten voor het ondermijnen van verkiezingsprocessen of ernstige negatieve gevolgen voor het lichamelijk en geestelijke welzijn van personen. Als dergelijke systeemrisico’s bestaan dan moeten platformen daartegen maatregelen nemen. De DSA bepaalt nadrukkelijk niet dat dit moet leiden tot het verwijderen van content om te voorkomen dat het recht op vrijheid van meningsuiting onnodig wordt ingeperkt. De DSA wordt in 2027 geëvalueerd. Ook Nederland zal hieraan bijdragen en, waar nodig, pleiten voor aanscherpingen van de DSA.
Vraag 9
In het BNC-fiche geeft u terecht aan dat Nederland ernaar streeft «zorgvuldig te kunnen (blijven) afwegen of en onder welke voorwaarden uit Nederland afkomstige gegevens in Europese informatiesystemen (waaronder SIS) worden gedeeld met derde landen».39 Welke voorwaarden worden daar nu aan gesteld? Op basis van welke Nederlandse wet- en regelgeving zijn deze beperkingen gebaseerd? Maakt u bij het delen van gegevens met derde landen onderscheid tussen bevriende, gelijkwaardige rechtsstaten en democratieën, zoals Noorwegen en Canada, en landen die duidelijk geen rechtsstaat en democratie kennen? Vindt u het in het kader van terrorismebestrijding wenselijk, en ziet u mogelijkheden, om toch gegevens uit te wisselen met genoemde gelijkwaardige landen?
Antwoord op vraag 9
De Wet politiegegevens (hierna: Wpg) stelt onder meer regels over de doorgifte van politiegegevens met derde landen en vereist bij een dergelijke doorgifte een weging van noodzakelijkheid, proportionaliteit en doelbinding en stelt vereisten omtrent gegevensbescherming en een toereikend beschermingsniveau van het derde land (zie artikel 17a Wpg). Hoe deze toets wordt uitgevoerd hangt af van of er een adequaatheidsbesluit ligt van de Europese Commissie, of er een juridisch bindend instrument is dat de bescherming van persoonsgegevens waarborgt of dat uit een integrale toetsing van alle omstandigheden geconcludeerd is dat het derde land passende bescherming van persoonsgegevens biedt. De proportionaliteitstoets houdt ook rekening met bijzondere situaties waarbij doorgifte bijvoorbeeld nodig is om onmiddellijk gevaar te voorkomen voor een land of vitale belangen van natuurlijke personen te beschermen. Factoren als de betrouwbaarheid van het (partner)land, de mate waarin mensenrechten geborgd en gerespecteerd worden en het strafklimaat in het desbetreffende land zijn deels geïmpliceerd in deze weging en worden ook meegewogen bij de beslissing tot doorgifte. Naast het Schengen Informatie Systeem (hierna: SIS) en andere Europese informatiesystemen, heeft de politie verschillende andere mogelijkheden (o.a. bilateraal en via Europol en Interpol) om informatie uit te wisselen met derde landen, zo ook met Noorwegen en Canada.
Ook de verordeningen waarin de wettelijke basis voor het SIS is opgenomen, stellen regels over de doorgifte van gegevens aan derde landen. Artikel 65 van Verordening (EU) 2018/1862 schrijft voor dat informatie die opgenomen is in het SIS in beginsel niet doorgegeven aan of ter beschikking gesteld mag worden aan derde landen of internationale organisaties. In artikel 48 van Verordening (EU) 2018/1862 is een uitzondering op dit voorschrift opgenomen: Europol kan een lidstaat om toestemming vragen om informatie uit een signalering van de desbetreffende lidstaat te delen met een derde land, mits dat derde land aangesloten is bij Europol. Ik hecht er overigens aan te benoemen dat Noorwegen geen derde land is. Het is een Schengen associated country met eigenstandige toegang tot het SIS.
Vraag 10
U stelt dat ook aandacht van belang is voor misdrijven tegen de menselijkheid en genocide.40 Wat doet u om dit in de Europese Unie onder de aandacht te brengen? Wilt u hier meer tegen doen?
Antwoord op vraag 10
Binnen Nederland en verschillende andere lidstaten van de Europese Unie is de afgelopen jaren de nodige ervaring opgedaan met zogenaamde cumulatieve vervolgingen voor zowel terroristische als internationale misdrijven, waaronder oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. De ervaringen met dergelijke strafrechtelijke onderzoeken worden besproken binnen het European Network for investigation and prosecution of genocide, crimes against humanity and war crimes («Genocide Prosecution Network»), waarin ook Nederland stevig is vertegenwoordigd. Verder maakt Nederland deel uit van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (Joint Investigation Team) dat samenwerkt in onderzoeken naar misdrijven gepleegd door IS tegen Jezidi slachtoffers in Syrië en Irak. In de periodieke Rapportagebrief Internationale Misdrijven worden enkele van de Nederlandse inspanningen benoemd, waaronder internationale samenwerking als sleutel in de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven.41 Nederland blijft zich hier ook voor inzetten.
Vraag 11
De fractieleden van de PVV stellen vast dat in de mededeling geen expliciete juridische grondslag in het VWEU wordt genoemd. Welke verdragsartikelen (bijvoorbeeld artikelen 83, 87, 88 VWEU) vormen de basis voor de concrete wetgevende initiatieven die in deze agenda worden aangekondigd? Hoe beoordeelt u de toepasbaarheid van die grondslagen per afzonderlijk initiatief?
Antwoord op vraag 11
Nieuwe, concrete wetgevende initiatieven die uit deze agenda zullen voortkomen zijn nog niet gepubliceerd. Daarom kan ik nog geen antwoord geven over de rechtsgrondslagen voor de voorgenomen wetgeving. Wanneer de relevante wetgevingsvoorstellen gepubliceerd worden, zal ik echter nauwgezet de juistheid van de benoemde rechtsgrondslagen beoordelen. Deze beoordeling zal op dat moment met uw Kamer worden gedeeld in de relevante BNC-fiches.
Vraag 12
Deze leden stellen dat terrorismebestrijding zowel raakt aan JBZ-samenwerking (Titel V VWEU) als aan het buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB). In hoeverre acht u de gekozen structuur juridisch zuiver gegeven de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten op het terrein van nationale veiligheid (artikel 4 lid 2 VEU)?
Antwoord op vraag 12
Ten aanzien van de bevoegdheid voor de mededeling, is mijn oordeel positief. Over de bevoegdheid van de EU ten aanzien van enige voorgenomen wetgevingshandelingen, kan ik op dit moment daarentegen nog geen definitief oordeel vellen, aangezien deze voorstellen nog niet zijn gepubliceerd. Wel geldt dat op grond van artikel 4, lid 2, Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: VEU) de EU de essentiële staatsfuncties, zoals de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de nationale veiligheid, dient te eerbiedigen. In dat kader zal ik bij de wetgevingsvoorstellen die uit deze mededeling voortkomen erop blijven toezien dat deze bevoegdheidsverdeling geëerbiedigd wordt.
Vraag 13
De mededeling kondigt een «beschermingsverplichting» aan voor exploitanten van openbare ruimten (sportzalen, muziekzalen, gebedshuizen).42 Hoe verhoudt dit zich tot het subsidiariteitsbeginsel, gegeven dat de meeste lidstaten al eigen wetgeving hebben? Heeft u bezwaren tegen EU-minimumnormen op dit terrein?
Antwoord op vraag 13
Als dergelijke beschermingsverplichtingen voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en dit niet het beste door de Unie kan worden bereikt, is dit mogelijk niet in lijn met het subsidiariteitsbeginsel. Het is op dit moment echter nog niet mogelijk om het voornemen van de Commissie op basis van het subsidiariteitsbeginsel te beoordelen, nu dit voornemen nog niet concreet is uitgewerkt. Enige beoordeling van mogelijke EU-minimumnormen op dit gebied zal eveneens afhankelijk zijn van de concrete uitwerking en kan daarom nog niet worden gegeven.
Vraag 14
In het BNC-fiche gaat u in op de proportionaliteit.43 Acht u de voorgestelde maatregelen – inclusief de aangekondigde wetgevingsinitiatieven – in balans met de gesignaleerde dreiging, of zijn er specifieke onderdelen die u als disproportioneel beschouwt?
Antwoord op vraag 14
Het voorgestelde optreden is in balans met de gesignaleerde dreiging en zal wezenlijk bijdragen aan het bestrijden van terrorisme en gewelddadig extremisme binnen de Unie. Dit wordt bewerkstelligd door middel van de zes voorgestelde pijlers en de daarbij horende acties, namelijk het versterken van adequate voorbereiding op dreigingen, het versterken van de radicaliseringspreventie, de grotere inzet op de bescherming van (kwetsbare) personen en jongeren online, het versterken van grenstoezicht samen met zowel opsporing en vervolging in Europa als internationale samenwerking. Bovendien gaat het voorgestelde optreden niet verder dan noodzakelijk, doordat de mededeling bestaande samenwerking en initiatieven versterkt en nieuwe voorstellen doet zonder de ruimte van lidstaten te beperken of verdere verplichtingen op te leggen dan noodzakelijk. Zoals aangegeven in het BNC-fiche, heeft het kabinet een positieve grondhouding ten aanzien van de proportionaliteit. De mededeling heeft tot doel lidstaten te ondersteunen in het bestrijden van terrorisme en gewelddadig extremisme.
Vraag 15
De mededeling signaleert dat «vervaagde grenzen tussen online- en fysieke operaties» het moeilijk maken terroristische misdrijven te definiëren.44 Stel dat de Commissie overweegt de definitie van terrorisme in Richtlijn 2017/541 te verruimen, hoe waarborgt u dan dat dit niet leidt tot een te ruime toepassing die raakt aan fundamentele rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en het recht op demonstratie?
Antwoord op vraag 15
De mededeling bevat geen verwijzing naar een mogelijke verruiming van de definitie van terrorisme in Richtlijn 2017/541. Er is dan ook geen aanleiding om daar in dit verband specifiek op in te gaan. In algemene zin kan ik wel aangegeven dat, mocht een eventuele verruiming van de definitie van terrorisme als bedoeld in Richtlijn 2017/541 worden voorgesteld, het kabinet onder meer de precieze reikwijdte en implicaties van de voorgestelde verruiming, de noodzaak daarvan (mede in het licht bezien van reeds bestaande nationale en internationale maatregelen tegen terrorisme), alsmede de proportionaliteit en subsidiariteit van het voorstel afweegt. Hoe belangrijk terrorismebestrijding en bescherming van onze nationale veiligheid ook is, er zal altijd nadrukkelijk in ogenschouw worden genomen in welke mate met een (wets)voorstel inbreuk wordt gemaakt op grondrechten van burgers, zoals het recht op vrijheid van meningsuiting of het recht op vrijheid van vergadering en betoging, alsmede of die inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving en of daarmee een legitiem doel wordt nagestreefd. Daarbij worden uiteraard ook de kaders, die in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn neergelegd, betrokken.
Vraag 16
De mededeling noemt «minder ideologisch gedreven actoren» als nieuwe uitdaging.45 Hoe wilt u omgaan met de afbakening tussen terrorisme en ernstige geweldsmisdrijven zonder ideologisch motief?
Antwoord op vraag 16
Radicalisering vindt vrijwel altijd plaats door een combinatie van ideologische, psychologische en persoonlijke factoren, maar de invulling van de ideologie is deels aan het veranderen. In veel gevallen vermengen extremisten en terroristen religieuze en politieke overtuigingen met samenzweringstheorieën, haat en persoonlijke grieven. Van daaruit construeren ze een nieuw persoonlijk wereldbeeld, dat sterk kan afwijken van «klassieke» extremistische ideologieën. Wanneer geweldsbereide personen niet passen binnen bestaande ideologische kaders, is het moeilijker in te schatten óf en in hoeverre er sprake is van extremistische denkbeelden. Hiermee ontstaat het risico dat signalen van radicalisering worden gemist en potentiële aanslagplegers niet als extremisten of terroristen worden herkend. Het is daarom van belang om blijvend in te zetten op kennis en vaardigheden bij (lokale) professionals die een rol (kunnen) spelen in de (vroeg)signalering van radicalisering en te bouwen aan een lokaal netwerk van aandachtsfunctionarissen. Wanneer signalen over (mogelijke) radicalisering binnenkomen bij bijvoorbeeld de politie of gemeente, kunnen deze worden besproken in de weegploeg, bestaande uit politie, gemeente en Openbaar Ministerie.
Het doel van deze weging is om in een zo vroeg mogelijk stadium te bezien of een persoon een (potentieel) gevaar vormt voor de veiligheid van zichzelf of de samenleving en of bespreking in het lokale casusoverleg radicalisering noodzakelijk is, of dat een alternatieve aanpak of inzet passender is. De weegploeg kijkt hierbij naar radicale opvattingen in combinatie met het (in)direct legitimeren van geweld, of naar de bereidheid om activiteiten te verrichten die de democratische rechtsstaat ondermijnen. Bij de weging wordt er beoordeeld op basis van objectieve, wettelijke criteria46, waaronder (1) de mate waarin betrokkene bereid is geweld toe te passen of te propageren, (2) de mate waarin betrokkene vasthoudt aan extremistische denkbeelden, (3) diens sociale relaties, (4) de mate van identificatie met een extremistische groep of ideologie, en (5) zelfredzaamheid.
Ten aanzien van het strafrecht geldt dat in het Wetboek van Strafrecht geen definitie is opgenomen van het begrip «terrorisme». Wel is bepaald welke misdrijven kunnen worden aangemerkt als terroristische misdrijven. Daarbij gaat het – kort samengevat – om misdrijven die zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk. Dit betekent dat het misdrijf is gepleegd met het daadwerkelijke doel om bijvoorbeeld de samenleving ernstige vrees aan te jagen, de overheid te dwingen iets te doen of de fundamenten van ons land te ontwrichten of te vernietigen.
Vraag 17
De mededeling verwijst naar de uitvoering van Verordening (EU) 2021/784 (TERREG) voor het verwijderen van online terroristische inhoud. Wat is de stand van uitvoering van TERREG in Nederland, en hoe beoordeelt u de doeltreffendheid van het one-hour removal order-systeem?
Antwoord op vraag 17
Een onmisbaar onderdeel van de aanpak gericht op bestrijding van online terrorisme, is het (laten) verwijderen van online terroristische content door de online platformen en aanbieders van hostingdiensten. Ik neem aan dat u in deze vraag doelt op de TOI. De ATKM is in Nederland aangewezen als bevoegde autoriteit voor de uitvoering van de EU Verordening TOI. Tot op heden is in vrijwel alle gevallen door de online platformen en aanbieders van hostingdiensten opvolging aan verwijderingsbevelen van de ATKM binnen één uur gegeven. Uit het jaarverslag van de ATKM blijkt dat in 2025 in 93% van de gevallen het terroristische materiaal tijdig verwijderd of ontoegankelijk is gemaakt. In die gevallen waarin niet binnen de termijn van één uur opvolging is gegeven aan het verwijderbevel, zijn de bevoegde autoriteiten in de EU-lidstaten waar de betreffende aanbieders van hostingdiensten zijn gevestigd, op de hoogte gesteld. Wanneer een online platform of een aanbieder van hostingdiensten een verwijderbevel niet opvolgt, kan de ATKM een last onder dwangsom of boete opleggen. Momenteel wordt de Uitvoeringswet TOI waarmee de ATKM is opgericht geëvalueerd, waarbinnen er ook aandacht is voor de doeltreffendheid van de werkwijze. Ik verwacht dit evaluatierapport in het najaar van 2026 en de Europese evaluatie van de EU Verordening TOI eind 2026. Hierover zal ik de Tweede Kamer in een volgende voortgangsbrief over de Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content nader informeren.
Vraag 18
De mededeling verwijst naar de «routekaart voor de rechtmatige en doeltreffende toegang tot gegevens (2025)».47 Wat is de concrete inhoud van deze routekaart en houdt deze een voorstel in om encryptie te verzwakken («lawful access to encrypted communications»)? Hoe staat u tegenover maatregelen die end-to-end-encryptie zouden ondermijnen?
Antwoord op vraag 18
De Commissie verwijst in haar mededeling naar de «Roadmap for lawful and effective access to data for law enforcement», die zij uitbracht op 24 juni 2025. De Commissie reageerde hiermee op de oproep van de JBZ-Raad om met een routekaart te komen met betrekking tot de aanbevelingen van de High Level Group on access to data (hierna: HLG). In juni 2023 is onder het Zweedse voorzitterschap de HLG opgericht ten behoeve van de effectieve rechtshandhaving. De HLG had als doel om met experts vanuit heel Europa problemen in kaart te brengen en tot oplossingsrichtingen te komen voor de uitdagingen die rechtshandhavingspartners ervaren bij het verkrijgen van digitale gegevens voor opsporing. De belangrijkste thema’s waar de HLG zich op richtte betroffen dataretentie en versleuteling.
Met betrekking tot deze routekaart heeft het kabinet een BNC-fiche gezonden aan de Eerste en Tweede Kamer d.d. 29 augustus 2025. Hierin schreef het kabinet, indachtig de aanbevelingen van de HLG om een voorzichtige aanpak te hanteren bij het ontwerpen van oplossingen voor rechtmatige toegang tot systemen, dat de industrie niet mag worden gevraagd systemen te integreren die de encryptie op een algemene of systematische manier voor alle gebruikers van een dienst kunnen verzwakken. Rechtmatige toegang tot gegevens moet gericht blijven en beperkt blijven tot specifieke communicatie, van geval tot geval. Ook schreef het kabinet dat dergelijke regulering vorm moet krijgen met inachtneming van grondrechten (waaronder privacy en vertrouwelijkheid van communicatie), de jurisprudentie van het EU-Hof en relevante wetgeving inzake gegevensbescherming – en op proportionele en evenwichtige wijze, met betrokkenheid van alle relevante stakeholders. Daarbij is het belangrijk om digitale en nationale veiligheidsrisico’s te voorkomen. Het kabinet zal daarbij in Europa blijven uitdragen dat end-to-end encryptie niet onmogelijk mag worden gemaakt, conform het kabinetsstandpunt.48
Vraag 19
De e-Evidence-verordening (2023/1543) treedt in augustus 2026 in werking. Welke implementatie stappen moeten nog worden gezet in Nederland, en hoe wordt omgegaan met verzoeken gericht aan dienstverleners in derde landen?
Antwoord op vraag 19
Op dit moment is het voorstel voor een Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal in behandeling bij de Tweede Kamer. Recent heb ik de vragen van de Tweede Kamer in het verslag over het voorstel beantwoord middels de nota naar aanleiding van het verslag.49 Gaarne verwijs ik naar de inhoud van deze nota. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel inmiddels aangemeld voor plenaire behandeling.
Naast het wetgevingsproces wordt er momenteel gewerkt aan de realisatie van de benodigde IT-systemen en de diverse samenhangende (werk)processen alsmede aan het opleiden van personeel.
Verzoeken gericht aan dienstaanbieders die buiten de EU gevestigd zijn, zijn binnen het e-Evidence regime alleen aan de orde indien die dienstaanbieders in de EU-diensten aanbieden. In dat geval dienen de aangewezen wettelijke vertegenwoordiger(s) van deze dienstaanbieders zich te registreren in een EU-lidstaat en ontvangen zij de bevelen in het daartoe aangewezen portaal en een notificatie dat er een bevel voor hen ontvangen is.
Vraag 20
De mededeling pleit voor Prüm II als instrument voor biometrisch gegevensverkeer.50 In hoeverre worden de DPIA-vereisten (data protection impact assessments) en de beginselen van doelbinding onder de AVG en de Richtlijn politiegegevens (2016/680) afdoende gewaarborgd bij grensoverschrijdende biometrische uitwisseling?
Antwoord op vraag 20
Verordening 2024/982 (Prüm II) laat onverlet dat de AVG en de Richtlijn 2016/680 gelden binnen de lidstaten van de EU, zoals ook blijkt uit artikelen 3 en 61 van Prüm II. De vereisten rondom een DPIA en de beginselen van doelbinding gelden onverkort bij enige uitwisseling van biometrische gegevens tussen lidstaten. Indien er biometrische gegevens worden uitgewisseld met derde landen of internationale organisaties, vindt dit slechts plaats in overeenstemming met de Richtlijn 2016/680 en met toestemming van de aangezochte lidstaat (artikel 60 van Prüm II). Indien er biometrische gegevens worden uitgewisseld met derde landen of internationale organisaties via Europol, vindt dit slechts plaats onder de voorwaarden van artikel 25 van Verordening 2016/794 en met toestemming van de aangezochte lidstaat. In artikel 25 van Verordening 2016/794 staat dat de rechtsbasis voor verstrekking enkel kan op basis van een adequaatheidsbesluit van de Europese Commissie, een internationale overeenkomst met passende waarborgen of een reeds bestaande samenwerkingsovereenkomst die vóór 1 mei 2017 is gesloten. In deze rechtsinstrumenten liggen de beginselen en normen van de AVG en de Richtlijn 2016/680 besloten. Kortom, de bestaande kaders dwingen af dat de DPIA-vereisten en de beginselen van doelbinding onder de AVG en de Richtlijn 2016/680 afdoende gewaarborgd moeten zijn bij grensoverschrijdende gegevensuitwisseling van biometrische persoonsgegevens.
Vraag 21
De mededeling stelt dat «geavanceerde reisinformatie» (API/PNR) moet worden uitgebreid.51 Welke categorieën reizigers worden hiermee aanvullend bestreken ten opzichte van de huidige PNR-richtlijn (2016/681), en heeft u een positie over de wenselijkheid van verdere uitbreiding van PNR naar andere vervoersmodaliteiten?
Antwoord op vaag 21
Zie antwoord op vraag 4.
Vraag 22
De mededeling noemt een investering van 30 miljoen euro voor de beveiliging van openbare ruimten.52 Uit welk EU-fonds of -instrument wordt dit gefinancierd (ISF, Horizon, et cetera), en wat zijn de cofinancieringsverplichtingen voor Nederland?
Antwoord op vraag 22
De investering van 30 miljoen euro voor de beveiliging van openbare ruimten wordt gefinancierd vanuit het Internal Security Fund (ISF). De EU-bijdrage bedraagt maximaal 90% voor dit fonds. Voor de overige 10% procent geldt een cofinancieringsverplichting voor alle Lidstaten, waaronder Nederland.
Vraag 23
Wat zijn de totale verwachte financiële implicaties van de gehele ProtectEU-terrorismeagenda voor de Nederlandse rijksbegroting, inclusief uitvoeringskosten voor nationale autoriteiten, politie en justitie?
Antwoord op vraag 23
Er wordt geen concrete informatie gegeven over eventueel verwachte financiële impact op de hoogte of uitgaven van de EU-begroting. Het kabinet is van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2021–2027, en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting van de EU. Er wordt geen concrete informatie gegeven over eventueel verwachte financiële gevolgen voor de lidstaten. Vooralsnog lijkt het erop dat de agenda geen financiële gevolgen voor het Rijk heeft. Eventuele budgettaire gevolgen voor de nationale begroting worden in ieder geval ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement, conform de regels van de budgetdiscipline.
Vraag 24
Hoe wordt voorzien in toezicht op en evaluatie van de voortgang van deze agenda, en welk mechanisme bestaat er om de Eerste Kamer tussentijds te informeren over de uitvoering van de aangekondigde maatregelen?
Antwoord op vraag 24
Er is geen toezichts- of evaluatiebepaling opgenomen in de CT-agenda (een mededeling), dit soort bepalingen zijn ook niet gebruikelijk in mededelingen. De voortgang en verdere uitwerking van de CT-agenda wordt wel in verschillende raadswerkgroepen in Brussel besproken. Via de reguliere cyclus van JBZ-brieven wordt de Tweede Kamer op de hoogte gehouden van relevante ontwikkelingen en vervolgstappen die worden gezet op basis van de CT-agenda.
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Lievense (BBB), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Samenstelling:
Bakker-Klein (CDA), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Dittrich (D66), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66) (ondervoorzitter), Van Hattem (PVV) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Janssen (SP), Kaljouw (VVD), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Lievense (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Meijer (VVD), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
BBC, «US charges Iraqi with plots to target Jews in cities from London to LA», te raadplegen op: www.bbc.com/news/articles/c7v918j6nj0o.
Convention on Facilitation of International Maritime traffic van de Internationale Maritieme Organisatie
BBC, «US charges Iraqi with plots to target Jews in cities from London to LA», te raadplegen op: www.bbc.com/news/articles/c7v918j6nj0o.
Artikel 5, derde lid Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Lievense (BBB), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Samenstelling:
Bakker-Klein (CDA), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Dittrich (D66), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66) (ondervoorzitter), Van Hattem (PVV) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Janssen (SP), Kaljouw (VVD), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Lievense (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Meijer (VVD), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
BBC, «US charges Iraqi with plots to target Jews in cities from London to LA», te raadplegen op: www.bbc.com/news/articles/c7v918j6nj0o.
Convention on Facilitation of International Maritime traffic van de Internationale Maritieme Organisatie
BBC, «US charges Iraqi with plots to target Jews in cities from London to LA», te raadplegen op: www.bbc.com/news/articles/c7v918j6nj0o.
Artikel 5, derde lid Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36960-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.