Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36957 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36957 nr. 2 |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wetgeving op het gebied van pensioenen op een aantal punten te wijzigen naar aanleiding van toezeggingen bij de Wtp – vrijwillige voortzetting van het nabestaandenpensioen, de uniformering van de kinddefinitie en de voortzetting van pensioen bij arbeidsongeschiktheid – en in verband met enkele andere gewenste wijzigingen zoals de gelijke aanpassingen van pensioenuitkeringen;
Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De Pensioenwet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. De begripsbepaling van gedetacheerde werknemer komt te luiden:
een werknemer die in een andere lidstaat wordt gedetacheerd om daar te werken en die krachtens verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Pb L 166), onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat van waaruit de werknemer wordt gedetacheerd;
2. In de begripsbepaling van partner wordt in onderdeel c «bloedverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de tweede graad in de rechte lijn» vervangen door «bloed- of aanverwant in de eerste graad, een bloed- of aanverwant in de tweede graad in de rechte lijn» en wordt «meerderjarig voormalig pleegkind» vervangen door «meerderjarig pleegkind».
3. In de alfabetische volgorde wordt de volgende begripsbepaling ingevoegd:
a. eigen kind: het kind van een ouder als bedoeld in artikel 198 of artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
b. stiefkind: het in artikel 2b, eerste lid, genoemde kind; of
c. pleegkind: het in artikel 2b, tweede lid, genoemde kind;
4. De begripsbepaling van Onze Minister komt te luiden:
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
5. De begripsbepaling van wezenpensioen komt te luiden:
een geldelijke vastgestelde of variabele uitkering voor een kind, wegens het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer;
B
Na artikel 2a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder stiefkind: het eigen kind van de partner van de werknemer of gewezen werknemer, dat:
a. staat ingeschreven op hetzelfde adres als de werknemer of gewezen werknemer;
b. stond ingeschreven op hetzelfde adres als de werknemer of gewezen werknemer en direct aansluitend aan de uitschrijving tijdelijk elders verblijft gedurende maximaal zes maanden;
c. op grond van een ouderschapsplan, overeenkomst of rechterlijke beschikking ten minste gedurende 156 dagen per kalenderjaar in het huishouden verblijft van de werknemer of gewezen werknemer; of
d. voor wie de werknemer, gewezen werknemer of de partner aantoonbaar bijdraagt in het levensonderhoud voor een bedrag per kalenderkwartaal dat minimaal gelijk is aan het krachtens artikel 7, achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, vastgestelde bedrag.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder pleegkind:
a. het pleegkind voor wie de werknemer, gewezen werknemer of partner pleegouder is en kinderbijslag ontvangt; of
b. het pleegkind van 18 jaar en ouder voor wie de werknemer, gewezen werknemer of partner:
1°. pleegouder is of was;
2°. kinderbijslag ontving tot aan het moment waarop het pleegkind 18 jaar werd; en
3°. aantoonbaar bijdraagt in het levensonderhoud voor een bedrag per kalenderkwartaal dat minimaal gelijk is aan het krachtens artikel 7, achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, vastgestelde bedrag.
C
Artikel 10b, zevende lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. deelnemers of gewezen deelnemers deel uitmaken van de toedelingskring in de laatste tien jaar voorafgaand aan de reglementaire pensioenleeftijd, waarbij de deelname van deelnemers of gewezen deelnemers aan de toedelingskring plaatsvindt door:
1°. tijdsevenredige toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme in deze periode; of
2°. tijdsevenredige toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme in deze periode, waarbij uitsluitend in het laatste jaar voorafgaand aan de pensioendatum eenmalig een niet-tijdsevenredige toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme plaatsvindt; en
D
In artikel 11 wordt voor «voor pensioenuitkering bestemd vermogen» ingevoegd «het».
E
Artikel 55, vierde lid, komt te luiden:
4. Indien de pensioenovereenkomst voorziet in een nabestaandenpensioen op risicobasis wordt de dekking uit hoofde van het nabestaandenpensioen voortgezet, waarbij:
a. de voortzetting duurt zolang de gewezen deelnemer direct na beëindiging van de deelneming:
1°. een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet;
2°. een uitkering ontvangt op grond van een werkloosheidsuitkering van diens woonland;
3°. een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet;
4°. een loongerelateerde werkloosheidsuitkering ontvangt op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst, indien dit is opgenomen in de pensioenovereenkomst;
5°. een periodieke werkloosheidsuitkering ontvangt ter vervanging van gederfd loon of te derven loon, indien dit is opgenomen in de pensioenovereenkomst; of
6°. zonder onderbreking verschillende van de genoemde uitkeringen ontvangt;
b. de voortzetting duurt gedurende een periode van drie maanden, tenzij in de pensioenovereenkomst een periode van zes maanden is opgenomen, rechtstreeks na beëindiging van de deelneming, indien er geen sprake is van een uitkering als bedoeld in onderdeel a, of van een aansluitend dienstverband, maar uiterlijk tot het moment dat sprake is van een nieuw dienstverband dan wel de ingangsdatum van het ouderdomspensioen;
c. voor de hoogte van de dekking wordt uitgegaan van de situatie op de dag voor beëindiging van de deelneming; en
d. in het geval van onderdeel a, subonderdelen 1°, 2°, 4°, 5° en 6° voor de hoogte van de dekking rekening wordt gehouden met de omvang van de werkloosheid.
F
Artikel 61a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden:
2. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot vierde tot en met zesde lid en vernummering van het vijfde lid tot het achtste lid, wordt het eerste lid vervangen door drie leden, luidende:
1. Dit artikel is van toepassing indien een pensioenovereenkomst voorziet in een ouderdomspensioen en een wezenpensioen of partnerpensioen op risicobasis.
2. Na afloop van de periode waarin het wezenpensioen of partnerpensioen op risicobasis op grond van artikel 55, vierde lid, wordt voortgezet, heeft de gewezen deelnemer het recht om in plaats van ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen te kiezen voor het voortzetten van het wezenpensioen of partnerpensioen op risicobasis.
3. Indien de pensioenovereenkomst ook voorziet in een partnerpensioen op opbouwbasis bij overlijden op of na pensioendatum, wordt dit pensioen ook betrokken bij de uitruil, mits dit in de pensioenovereenkomst is opgenomen. De uitruil is niet van invloed op de verhouding tussen het genoemde partnerpensioen op opbouwbasis dat bij de uitruil betrokken wordt en het ouderdomspensioen.
3. Het vierde lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt «het eerste lid» vervangen door «het tweede en derde lid».
b. In onderdeel b wordt «; of» vervangen door een puntkomma.
c. In onderdeel c wordt de punt vervangen door «; of».
d. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. indien de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen op of na pensioendatum geen toestemming verleent voor de uitruil.
4. In het vijfde lid (nieuw) wordt «de keuzemogelijkheid, bedoeld in het eerste lid» vervangen door «de keuzemogelijkheid, bedoeld in het tweede en derde lid» en wordt «recht op uitruil op grond van het tweede lid» vervangen door «recht op uitruil op grond van het vierde lid».
5. Na het zesde lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:
7. Het derde lid is niet van toepassing op de aanspraak op bijzonder partnerpensioen van de gewezen partner.
G
Artikel 63 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt «artikel 18d, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964» vervangen door «artikel 18d, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964».
2. Het vierde lid komt te luiden:
4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt bij variabele uitkeringen de mate van variatie vastgesteld, uitgaande van de rendementsverwachtingen op de ingangsdatum van het pensioen. Bij variabele uitkeringen blijven aanpassingen buiten aanmerking voor zover deze het gevolg zijn van:
a. de omstandigheid dat de opgetreden ontwikkeling van de levensverwachting, de behaalde sterfteresultaten of de behaalde beleggingsresultaten tot hogere of lagere uitkeringen leiden dan op de ingangsdatum van het pensioen het uitgangspunt was, bedoeld in artikel 63a, eerste lid;
b. een periodieke vaste daling of vaste stijging van de uitkering als bedoeld in artikel 63a, tweede lid;
c. de variatie om gelijke aanpassingen te realiseren, bedoeld in de artikelen 10a, vijfde en zevende lid, 10b, vierde en negende lid, en 63a; of
d. toepassing van een projectierendement dat hoger of lager is dan de risicovrije rente als bedoeld in artikel 63a, derde lid.
H
Artikel 63a wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende:
Indien is of wordt toegetreden tot een collectief toedelingsmechanisme kan de hoogte van een variabele uitkering in een flexibele premieovereenkomst ook variëren door een uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen vastgestelde variatie, voor zover dat nodig is om gelijke aanpassingen te realiseren met de variabele uitkeringen van de pensioengerechtigden die al deel uitmaken van de toedelingskring.
2. In het vierde lid wordt onder vervanging van « of» door een komma na «het projectierendement» ingevoegd «, of de uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen vastgestelde variatie om gelijke aanpassingen te realiseren».
I
In artikel 150e, derde lid, vervalt onderdeel c, onder vervanging van «; en» door een punt in onderdeel b.
J
In artikel 150f wordt onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:
4. Indien een pensioenovereenkomst afspraken bevat over compensatie voor de gewezen werknemer die op grond van artikel 54, eerste of tweede lid, of op grond van artikel 220hb, een pensioenregeling vrijwillig voortzet, dan zijn de voorwaarden genoemd in het eerste lid, onderdelen b en c, van overeenkomstige toepassing.
K
Artikel 150p, tweede lid, komt te luiden:
2. In afwijking van het eerste lid kan een pensioenfonds dat op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip geen implementatieplan heeft ingediend bij de toezichthouder, voor dat jaar en de daaropvolgende jaren gedurende de transitieperiode geen overbruggingsplan indienen.
L
In artikel 220g worden onder vernummering van het zesde tot en met achtste lid tot elfde tot en met dertiende lid, vijf leden ingevoegd, luidende:
6. De begripsbepaling van kind, bedoeld in artikel 1, is niet van toepassing op een wezenpensioen waarvan de ingangsdatum ligt voor het overgangstijdstip.
7. Een persoon die voor het overgangstijdstip kwalificeerde als kind zoals gedefinieerd in de pensioenregeling wordt als kind in de zin van deze wet aangemerkt zolang de betreffende relatie tussen het kind en de werknemer of gewezen werknemer wordt voortgezet.
8. Een persoon die voor het overgangstijdstip als kind aanspraakgerechtigde was voor een wezenpensioen op opbouwbasis is aanspraakgerechtigde voor de tot het overgangstijdstip opgebouwde aanspraak op wezenpensioen.
9. Een kind komt niet in aanmerking voor wezenpensioen dat is opgebouwd voor het overgangstijdstip in een pensioenregeling met een definitie van kind waaraan dit kind niet voldeed of zou hebben voldaan.
10. Indien het overgangstijdstip voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen A en B, van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen ligt, wordt in het zesde tot en met negende lid voor «overgangstijdstip» telkens gelezen: het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen A en B, van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen.
M
Na artikel 220g worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
1. Bij de uitruil, bedoeld in artikel 61a, kan de tot het overgangstijdstip, bedoeld in artikel 220g, eerste lid, opgebouwde aanspraak op partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing worden gelaten, indien deze mogelijkheid in de pensioenovereenkomst is opgenomen.
2. Indien het overgangstijdstip voor inwerkingtreding van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen ligt, kan het partnerpensioen op opbouwbasis bij overlijden op of na pensioendatum, bedoeld in artikel 61a, derde lid, voor de gewezen deelnemer die voor inwerkingtreding van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen gewezen deelnemer is geworden vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen worden betrokken bij de uitruil, bedoeld in artikel 61a.
De gewezen deelnemer die voor inwerkingtreding van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen gewezen deelnemer is geworden, heeft niet het recht om op of na de inwerkingtreding van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen te kiezen voor het voortzetten van het wezenpensioen op risicobasis, bedoeld in artikel 61a, tweede lid.
N
Artikel 220h wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt «voorzetting» vervangen door «voortzetting».
2. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. de uitkeringsovereenkomst wordt uitgevoerd door een pensioenfonds dat een beëindigde pensioenregeling uitvoert, waarbij deze voorwaarde voor een algemeen pensioenfonds wordt toegepast per collectiviteitkring;
3. In het eerste lid, onderdeel b, wordt na «van die pensioenaanspraken» ingevoegd «in de beëindigde pensioenregeling» en wordt «; en» vervangen door een puntkomma.
4. Het eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:
c. het recht op premievrije voortzetting is ontstaan voorafgaand aan het tijdstip, bedoeld in het tweede lid; en
5. Aan het eerste lid wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. het pensioenfonds of het algemeen pensioenfonds voor de betreffende collectiviteitkring geen collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 150m doet voor de pensioenaanspraken en pensioenrechten die zijn opgebouwd in de beëindigde regeling.
6. Na het eerste lid worden onder vernummering van het tweede tot vierde lid twee leden ingevoegd, luidende:
2. Het tijdstip waarop het recht op premievrije voortzetting uiterlijk is ontstaan, ligt voor het moment dat een pensioenfonds overgaat op uitvoering van de beëindigde pensioenregeling. De beëindiging ligt voor het moment van overgang op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst, maar uiterlijk voor het uiterlijke tijdstip als bedoeld in artikel 220i, eerste lid, aanhef.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kan de opbouw van pensioenaanspraken op grond van een uitkeringsovereenkomst tevens worden voortgezet indien nog geen premievrije voortzetting is ontstaan voor het tijdstip, genoemd in het tweede lid, maar voor dat tijdstip wel de periode, bedoeld in artikel 220ha, tweede lid, onderdeel a, is aangevangen.
7. Na het vierde lid (nieuw) wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Opbouw van pensioenaanspraken als gevolg van een premievrije voortzetting, bedoeld in het eerste lid, en de regeling van het nabestaandenpensioen, bedoeld in het vierde lid, kunnen worden voortgezet bij de ontvangende pensioenuitvoerder, indien sprake is van waardeoverdracht als bedoeld in:
a. artikel 83, eerste lid, onderdeel a;
b. artikel 83, eerste lid, onderdeel b;
c. artikel 83, eerste lid, onderdeel d, voor zover deze waardeoverdracht er niet toe strekt in verband met een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomsten de waarde van pensioenaanspraken of pensioenrechten aan te wenden bij hetzelfde algemeen pensioenfonds overeenkomstig die gewijzigde pensioenovereenkomsten; of
d. artikel 84.
O
Artikel 220ha wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt «voorzetting» vervangen door «voortzetting».
2. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. het recht op premievrije voortzetting vanwege arbeidsongeschiktheid is ontstaan:
1°. voor het tijdstip dat de verzekeraar overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i, tweede lid; dan wel
2°. na afloop van de periode, bedoeld in onderdeel a, waarbij deze periode is aangevangen voor het tijdstip dat de verzekeraar overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 220i, tweede lid.
3. Het vierde lid vervalt.
De Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. De begripsbepaling van gedetacheerd beroepsgenoot komt te luiden:
een beroepsgenoot die in een andere lidstaat wordt gedetacheerd om daar te werken en die krachtens verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Pb L 166), onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat van waaruit de werknemer wordt gedetacheerd;
2. In de begripsbepaling van partner wordt in onderdeel c «bloedverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de tweede graad in de rechte lijn» vervangen door «bloed- of aanverwant in de eerste graad, een bloed- of aanverwant in de tweede graad in de rechte lijn» en wordt «meerderjarig voormalig pleegkind» vervangen door «meerderjarig pleegkind».
3. In de alfabetische volgorde wordt de volgende begripsbepaling ingevoegd:
a. eigen kind: het kind van een ouder als bedoeld in artikel 198 of artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
b. stiefkind: het in artikel 2b, eerste lid, genoemde kind; of
c. pleegkind: het in artikel 2b, tweede lid, genoemde kind;
4. De begripsbepaling van Onze Minister komt te luiden:
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
5. De begripsbepaling van wezenpensioen komt te luiden:
een geldelijke vastgestelde of variabele uitkering voor een kind, wegens het overlijden van de beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot;
B
Na artikel 2a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder stiefkind:
het eigen kind van de partner van de beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot, dat:
a. staat ingeschreven op hetzelfde adres als de beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot;
b. stond ingeschreven op hetzelfde adres als de beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot en direct aansluitend aan de uitschrijving tijdelijk elders verblijft gedurende maximaal zes maanden;
c. op grond van een ouderschapsplan, overeenkomst of rechterlijke beschikking tenminste gedurende 156 dagen per kalenderjaar in het huishouden verblijft van de beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot; of
d. voor wie de beroepsgenoot, gewezen beroepsgenoot of de partner aantoonbaar bijdraagt in het levensonderhoud voor een bedrag per kalenderkwartaal dat minimaal gelijk is aan het krachtens artikel 7, achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, vastgestelde bedrag.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder pleegkind:
a. het pleegkind voor wie de beroepsgenoot, gewezen beroepsgenoot of partner pleegouder is en kinderbijslag ontvangt; of
b. het pleegkind van 18 jaar en ouder voor wie de beroepsgenoot, gewezen beroepsgenoot of partner:
1°. pleegouder is of was;
2°. kinderbijslag ontving tot aan het moment waarop het pleegkind 18 jaar werd; en
3°. aantoonbaar bijdraagt in het levensonderhoud voor een bedrag per kalenderkwartaal dat minimaal gelijk is aan het krachtens artikel 7, achtste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, vastgestelde bedrag.
C
Artikel 28b, zevende lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. deelnemers of gewezen deelnemers deel uitmaken van de toedelingskring in de laatste tien jaar voorafgaand aan de reglementaire pensioenleeftijd, waarbij de deelname van deelnemers of gewezen deelnemers aan de toedelingskring plaatsvindt door:
1°. tijdsevenredige toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme in deze periode; of
2°. tijdsevenredige toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme in deze periode, waarbij uitsluitend in het laatste jaar voorafgaand aan de pensioendatum, eenmalig een niet-tijdsevenredige toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme plaatsvindt; en
D
In artikel 29 wordt voor «voor pensioenuitkering bestemd vermogen» ingevoegd «het».
E
Artikel 66, vierde lid, komt te luiden:
4. Indien de beroepspensioenregeling voorziet in een nabestaandenpensioen op risicobasis wordt de dekking uit hoofde van het nabestaandenpensioen voortgezet, waarbij:
a. de voortzetting duurt zolang de gewezen deelnemer direct na beëindiging van de deelneming:
1°. een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet;
2°. een uitkering ontvangt op grond van een werkloosheidsuitkering van diens woonland;
3°. een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet;
4°. een loongerelateerde werkloosheidsuitkering ontvangt op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst, indien dit is opgenomen in de pensioenovereenkomst;
5°. een periodieke werkloosheidsuitkering ontvangt ter vervanging van gederfd loon of te derven loon, indien dit is opgenomen in de pensioenovereenkomst; of
6°. zonder onderbreking verschillende van de genoemde uitkeringen ontvangt;
b. de voortzetting duurt gedurende een periode van drie maanden, tenzij in de beroepspensioenregeling een periode van zes maanden is opgenomen, rechtstreeks na beëindiging van de deelneming, indien er geen sprake is van een uitkering als bedoeld in onderdeel a, of van een aansluitend dienstverband, maar uiterlijk tot het moment dat sprake is van een nieuw dienstverband dan wel de ingangsdatum van het ouderdomspensioen;
c. voor de hoogte van de dekking wordt uitgegaan van de situatie op de dag voor beëindiging van de deelneming; en
d. in het geval van onderdeel a, subonderdelen 1°, 2°, 4°, 5° en 6° voor de hoogte van de dekking rekening wordt gehouden met de omvang van de werkloosheid.
F
Artikel 73a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden:
2. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot vierde tot en met zesde lid en vernummering van het vijfde lid tot het achtste lid, wordt het eerste lid vervangen door drie leden, luidende:
1. Dit artikel is van toepassing indien een beroepspensioenregeling voorziet in een ouderdomspensioen en een wezenpensioen of partnerpensioen op risicobasis.
2. Na afloop van de periode waarin het wezenpensioen of partnerpensioen op risicobasis op grond van artikel 66, vierde lid, wordt voortgezet, heeft de gewezen deelnemer het recht om in plaats van ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen te kiezen voor het voortzetten van het wezenpensioen of partnerpensioen op risicobasis.
3. Indien de pensioenovereenkomst ook voorziet in een partnerpensioen op opbouwbasis bij overlijden op of na pensioendatum, wordt dit pensioen ook betrokken bij de uitruil, mits dit in de pensioenovereenkomst is opgenomen. De uitruil is niet van invloed op de verhouding tussen het genoemde partnerpensioen op opbouwbasis dat bij de uitruil betrokken wordt en het ouderdomspensioen.
3. Het vierde lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt «het eerste lid» vervangen door «het tweede en derde lid».
b. In onderdeel b wordt «; of» vervangen door een puntkomma.
c. In onderdeel c wordt de punt vervangen door «; of».
d. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. indien de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen op of na pensioendatum geen toestemming verleent voor de uitruil.
4. In het vijfde lid (nieuw) wordt «de keuzemogelijkheid, bedoeld in het eerste lid» vervangen door «de keuzemogelijkheid, bedoeld in het tweede en derde lid» en wordt «recht op uitruil op grond van het tweede lid» vervangen door «recht op uitruil op grond van het vierde lid».
5. Na het zesde lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:
7. Het derde lid is niet van toepassing op de aanspraak op bijzonder partnerpensioen van de gewezen partner.
G
Artikel 75 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt «artikel 18d, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964» vervangen door «artikel 18d, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964».
2. Het vierde lid komt te luiden:
4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt bij variabele uitkeringen de mate van variatie vastgesteld uitgaande van de rendementsverwachtingen op de ingangsdatum van het pensioen. Bij variabele uitkeringen blijven aanpassingen buiten aanmerking voor zover deze het gevolg zijn van:
a. de omstandigheid dat de opgetreden ontwikkeling van de levensverwachting, de behaalde sterfteresultaten of de behaalde beleggingsresultaten tot hogere of lagere uitkeringen leiden dan op de ingangsdatum van het pensioen het uitgangspunt was, bedoeld in artikel 75a, eerste lid;
b. een periodieke vaste daling of vaste stijging van de uitkering als bedoeld in artikel 75a, tweede lid;
c. de variatie om gelijke aanpassingen te realiseren, bedoeld in de artikelen 28a, vijfde en zevende lid, 28b, vierde en negende lid, en 75a; of
d. toepassing van een projectierendement dat hoger of lager is dan de risicovrije rente als bedoeld in artikel 75a, derde lid.
H
Artikel 75a wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende:
Indien is of wordt toegetreden tot een collectief toedelingsmechanisme kan de hoogte van een variabele uitkering in een flexibele premieregeling ook variëren door een uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen vastgestelde variatie, voor zover dat nodig is om gelijke aanpassingen te realiseren met de variabele uitkeringen van de pensioengerechtigden die al deel uitmaken van de toedelingskring.
2. In het vierde lid wordt onder vervanging van « of» door een komma na «het projectierendement» ingevoegd «of de uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen vastgestelde variatie om gelijke aanpassingen te realiseren».
I
In artikel 145d, derde lid, vervalt onderdeel c, onder vervanging van «; en» door een punt in onderdeel b.
J
In artikel 145e wordt onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:
4. Indien een beroepspensioenregeling afspraken bevat over compensatie voor de gewezen beroepsgenoot die op grond van artikel 65, eerste of tweede lid, of op grond van artikel 214fb, een beroepspensioenregeling vrijwillig voortzet, dan zijn de voorwaarden genoemd in het eerste lid, onderdelen b en c, van overeenkomstige toepassing.
K
Artikel 145o wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. In afwijking van het eerste lid kan een beroepspensioenfonds dat op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip geen implementatieplan heeft ingediend bij de toezichthouder, voor dat jaar en de daaropvolgende jaren gedurende de transitieperiode geen overbruggingsplan indienen.
2. Het tiende lid wordt vernummerd tot het negende lid.
L
In artikel 171, eerste lid, wordt «73, 74» vervangen door «73, 73a, 74», wordt «124, 145f» vervangen door «124, 125, 125a, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 135, 138, 140, 141, 142, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 145, 145f» en wordt «145p, tweede en vierde lid, 125, 125a, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 135, 138, 140, 141, 142, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 145, 162» door «145p, tweede en vierde lid, 162».
M
In artikel 214e worden onder vernummering van het zesde tot en met achtste lid tot elfde tot en met dertiende lid, vijf leden ingevoegd, luidende:
6. De begripsbepaling van kind, bedoeld in artikel 1, eerste lid, is niet van toepassing op een wezenpensioen waarvan de ingangsdatum ligt voor het overgangstijdstip.
7. Een persoon die vóór het overgangstijdstip kwalificeerde als kind zoals gedefinieerd in de beroepspensioenregeling wordt als kind in de zin van deze wet aangemerkt zo lang de betreffende relatie tussen het kind en de beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot wordt voortgezet.
8. Een persoon die voor het overgangstijdstip als kind aanspraakgerechtigde was voor een wezenpensioen op opbouwbasis is aanspraakgerechtigde voor de tot het overgangstijdstip opgebouwde aanspraak op wezenpensioen.
9. Een kind komt niet in aanmerking voor wezenpensioen dat is opgebouwd voor het overgangstijdstip in een beroepspensioenregeling met een definitie van kind waaraan dit kind niet voldeed of zou hebben voldaan.
10. Indien het overgangstijdstip voor inwerkingtreding van artikel II, onderdelen A en B, van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen ligt, wordt in het zesde tot en met negende lid voor «overgangstijdstip» telkens gelezen: het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdelen A en B, van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen.
N
Na artikel 214e worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
1. Bij de uitruil, bedoeld in artikel 73a, kan de tot het overgangstijdstip, bedoeld in artikel 214e, eerste lid, opgebouwde aanspraak op partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing worden gelaten, indien deze mogelijkheid in de beroepspensioenregeling is opgenomen.
2. Indien het overgangstijdstip voor inwerkingtreding van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen ligt, kan het partnerpensioen op opbouwbasis bij overlijden op of na pensioendatum, bedoeld in artikel 73a, derde lid, voor de gewezen deelnemer die voor inwerkingtreding van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen gewezen deelnemer is geworden vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen worden betrokken bij de uitruil, bedoeld in artikel 73a.
De gewezen deelnemer die voor inwerkingtreding van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen gewezen deelnemer is geworden, heeft niet het recht om op of na de inwerkingtreding van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen te kiezen voor het voortzetten van het wezenpensioen op risicobasis, bedoeld in artikel 73a, tweede lid.
O
Artikel 214f wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt «voorzetting» vervangen door «voortzetting».
2. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. de uitkeringsregeling wordt uitgevoerd door een beroepspensioenfonds dat een beëindigde beroepspensioenregeling uitvoert, waarbij deze voorwaarde voor een algemeen pensioenfonds wordt toegepast per collectiviteitkring;
3. In het eerste lid, onderdeel b, wordt na «van die pensioenaanspraken» ingevoegd «in de beëindigde beroepspensioenregeling» en wordt «; en» vervangen door een puntkomma.
4. Het eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:
c. het recht op premievrije voortzetting is ontstaan voorafgaand aan het tijdstip, bedoeld in het tweede lid; en
5. Aan het eerste lid wordt een onderdeel toegevoegd luidende:
d. het beroepspensioenfonds of het algemeen pensioenfonds voor de betreffende collectiviteitkring geen collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 145l doet voor de pensioenaanspraken en pensioenrechten die zijn opgebouwd in de beëindigde regeling.
6. Na het eerste lid worden onder vernummering van het tweede tot vierde lid twee leden ingevoegd, luidende:
2. Het tijdstip waarop het recht op premievrije voortzetting uiterlijk is ontstaan, ligt voor het moment dat een beroepspensioenfonds overgaat op uitvoering van de beëindigde pensioenregeling. De beëindiging ligt voor het moment van overgang op uitvoering van een gewijzigde beroepspensioenregeling, maar uiterlijk voor het uiterlijke tijdstip als bedoeld in artikel 214g, eerste lid, aanhef.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kan de opbouw van pensioenaanspraken op grond van een uitkeringsregeling tevens worden voortgezet indien nog geen premievrije voortzetting is ontstaan voor het tijdstip, genoemd in het tweede lid, maar voor dat tijdstip wel de periode, bedoeld in artikel 214fa, tweede lid, onderdeel a, is aangevangen.
7. Na het vierde lid (nieuw) wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Opbouw van pensioenaanspraken als gevolg van een premievrije voortzetting, bedoeld in het eerste lid, en de regeling van het nabestaandenpensioen, bedoeld in het vierde lid, kunnen worden voortgezet bij de ontvangende pensioenuitvoerder, indien sprake is van waardeoverdracht als bedoeld in:
a. artikel 91, eerste lid, onderdeel a;
b. artikel 4a, vierde lid, in samenhang met artikel 91, voor zover deze waardeoverdracht er niet toe strekt in verband met een wijziging van de beroepspensioenregeling de waarde van pensioenaanspraken of pensioenrechten aan te wenden bij hetzelfde algemeen pensioenfonds overeenkomstig die gewijzigde beroepspensioenregeling; of
c. artikel 92.
P
Artikel 214fa wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt «voorzetting» vervangen door «voortzetting».
2. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. het recht op premievrije voortzetting vanwege arbeidsongeschiktheid is ontstaan:
1°. voor het tijdstip dat de verzekeraar overgaat op uitvoering van een gewijzigde beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 214g, tweede lid; dan wel
2°. na afloop van de periode, bedoeld in onderdeel a, waarbij deze periode is aangevangen voor het tijdstip dat de verzekeraar overgaat op uitvoering van een gewijzigde beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 214g, tweede lid.
3. Het vierde lid vervalt.
De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, wordt «kinderen en pleegkinderen» vervangen door «kinderen, pleegkinderen en stiefkinderen».
B
Artikel 18d, derde lid, komt te luiden:
3. Voor de toepassing van het eerste lid blijven aanpassingen van de uitkeringen buiten aanmerking voor zover deze het gevolg zijn van:
a. de omstandigheid dat de opgetreden ontwikkeling van de levensverwachting, de behaalde sterfteresultaten of de behaalde beleggingsresultaten tot hogere of lagere uitkeringen leiden dan op de ingangsdatum van het pensioen het uitgangspunt was;
b. een periodieke vaste daling of vaste stijging van de uitkering;
c. de variatie om gelijke aanpassingen te realiseren, bedoeld in de artikelen 10a, vijfde en zevende lid, 10b, vierde en negende lid, en 63a van de Pensioenwet of de artikelen 28a, vijfde en zevende lid, 28b, vierde en negende lid, en 75a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
d. toepassing van een projectierendement dat hoger of lager is dan de risicovrije rente als bedoeld in artikel 63a, derde lid, van de Pensioenwet of artikel 75a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; of
e. aanpassing van het pensioen aan een loon- of prijsontwikkeling na ingang van het pensioen.
C
Artikel 38c wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «vóór 1 januari 2029, voor zover» vervangen door «voor zover het recht van voortgezette inleg bestaat op grond van een pensioenregeling waarin» en vervalt «en voor de werknemer niet reeds een pensioenregeling van toepassing is als bedoeld in hoofdstuk IIB zoals dat geldt vanaf de dag van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen».
2. In het tweede lid wordt «artikel 220h, tweede lid» vervangen door «artikel 220h, vierde lid» en wordt «artikel 214f, tweede lid» vervangen door «artikel 214f, vierde lid».
De Wet toekomst pensioenen wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel XIIB wordt «of er binnen deze termijn wel of geen ouderdomspensioen in de zin van de Pensioenwet is opgebouwd,» vervangen door «of er binnen deze termijn wel of geen deelname aan de pensioenregeling in de zin van de Pensioenwet is,».
B
In artikel XIV, eerste lid, onderdeel c, wordt na «bedoeld in artikel 150f, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet» ingevoegd «en artikel 145e, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling».
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat de artikelen of onderdelen daarvan terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
De Staatssecretaris van Financiën,
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36957-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.