Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36950 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36950 nr. 2 |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling voor de opsporing, vervolging en berechting van ambtsmisdrijven in de zin van artikel 119 van de Grondwet, begaan door leden van de Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:
A
De artikelen 355 en 356 vervallen.
B
In artikel 380, eerste lid, vervalt «355,».
Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 7 vervalt.
B
In artikel 12b vervalt «dan wel, in geval van artikel 13a, de Hoge Raad».
C
Artikel 13a vervalt.
D
Artikel 162 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het tweede tot en met zevende lid tot derde tot en met achtste lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:
2. In afwijking van het eerste lid wordt de aangifte gedaan bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad indien het misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is begaan door een lid van de Staten-Generaal, Minister of Staatssecretaris.
2. In het derde lid (nieuw) wordt na «de officier van justitie of de door deze aangewezen hulpofficier» ingevoegd «onderscheidenlijk de procureur-generaal bij de Hoge Raad».
3. In het vierde lid (nieuw) wordt «het eerste en tweede lid» vervangen door «het eerste tot en met derde lid».
4. In het achtste lid (nieuw) wordt «het vierde of vijfde lid» vervangen door «het vijfde of zesde lid».
E
Artikel 464a wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het tweede tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de herzieningsaanvraag betrekking heeft op een uitspraak die overeenkomstig Titel I van het Vierde Boek door de Hoge Raad is gedaan.
2. In het derde lid (nieuw) wordt «de Derde Titel van het Derde Boek» vervangen door «Titel III van het Derde Boek of Titel I van het Vierde Boek».
F
Aan artikel 473 wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. In het geval, bedoeld in artikel 471, tweede lid, kan het bevel tot gevangenhouding in afwijking van het eerste lid, tweede zin, niet door het gerechtshof, maar door de Hoge Raad worden geschorst of opgeheven.
G
In de artikelen 477, eerste lid, en 482h, tweede lid, wordt «tien raadsheren» vervangen door «zeven raadsheren» en vervalt de tweede zin.
H
Titel I van het Vierde Boek komt te luiden:
1. Deze titel is van toepassing op ambtsmisdrijven begaan door leden van de Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen.
2. In deze titel wordt onder ambtsmisdrijven verstaan: de strafbare feiten, bedoeld in Titel XXVIII van het Tweede Boek en Titel VIII van het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht, alsmede andere strafbare feiten indien de verdachte door het begaan van het feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van het feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.
1. Leden van de Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen staan, ook na hun aftreden, wegens ambtsmisdrijven in eerste en enige aanleg terecht voor de Hoge Raad.
2. Al hetgeen in dit wetboek is bepaald over de rechtbank, de rechter-commissaris en de griffier, geldt op overeenkomstige wijze ten aanzien van respectievelijk de Hoge Raad, de raadsheer-commissaris bij de Hoge Raad en de griffier van de Hoge Raad.
3. De Hoge Raad kan ambtshalve, op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad of op verzoek van de verdachte uit zijn midden een raadsheer-commissaris benoemen.
4. De bevoegdheden die op grond van het tweede lid toekomen aan de raadsheer-commissaris bij de Hoge Raad kunnen ook worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. Deze uitoefening vindt plaats in opdracht van de raadsheer-commissaris bij de Hoge Raad of op vordering van een officier van justitie die onderdeel uitmaakt van het onderzoeksteam, bedoeld in artikel 485b, tweede lid.
5. Indien hoger beroep openstaat of een bezwaarschrift is toegelaten tegen een beschikking van de raadsheer-commissaris bij de Hoge Raad ingevolge het tweede lid of een beschikking van de rechter-commissaris ingevolge het vierde lid, wordt dit hoger beroep of bezwaarschrift behandeld door de raadkamer van de Hoge Raad. Tegen beschikkingen van deze raadkamer staat geen rechtsmiddel open.
1. De procureur-generaal bij de Hoge Raad is belast met de opsporing en vervolging van ambtsmisdrijven begaan door leden van de Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen.
2. Al hetgeen in dit wetboek is bepaald over de officier van justitie en het openbaar ministerie geldt op overeenkomstige wijze ten aanzien van de procureur-generaal bij de Hoge Raad.
3. De vervolging, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend ingesteld op grond van een daartoe strekkende opdracht als bedoeld in artikel 485d, derde lid.
1. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kan een opsporingsonderzoek instellen wanneer hij kennis krijgt van een ambtsmisdrijf, begaan door een lid van de Staten-Generaal, Minister of Staatssecretaris.
2. De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelt in elk geval een opsporingsonderzoek in wanneer hij een daartoe strekkende opdracht heeft ontvangen van de Tweede Kamer of de regering als bedoeld in artikel 485d, derde lid. De opdracht bevat in elk geval een omschrijving van de feiten waarop het opsporingsonderzoek betrekking moet hebben.
3. De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelt de Tweede Kamer en de regering direct schriftelijk in kennis van de instelling van een opsporingsonderzoek.
1. Het opsporingsonderzoek vindt plaats onder leiding en verantwoordelijkheid van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Hij geeft daartoe de nodige bevelen.
2. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kan zich bij de uitvoering van het opsporingsonderzoek laten bijstaan door een onderzoeksteam, dat wordt samengesteld uit opsporingsambtenaren en kan worden aangevuld met leden van het openbaar ministerie. De leden van het onderzoeksteam worden benoemd door de procureur-generaal. Het College van procureurs-generaal verleent de procureur-generaal op diens verzoek de nodige bijstand bij de instelling van het onderzoeksteam.
3. Indien de procureur-generaal bij de Hoge Raad gedurende het opsporingsonderzoek kennis krijgt van een ander misdrijf dan een ambtsmisdrijf als bedoeld in artikel 483, eerste lid, voert hij overleg met de bevoegde officier van justitie over de opsporing van dat misdrijf.
4. Indien de procureur-generaal bij de Hoge Raad gedurende het opsporingsonderzoek kennis krijgt van andere strafbare feiten dan de strafbare feiten die zijn genoemd in de kennisgeving over de instelling van het opsporingsonderzoek als bedoeld in artikel 485a, derde lid, en hij bevoegd is tot opsporing van die feiten, stelt hij de Tweede Kamer en de regering schriftelijk in kennis over de kennisneming van die andere strafbare feiten en diens voornemen tot uitbreiding van de reikwijdte van het opsporingsonderzoek.
5. De artikelen 127 tot en met 129 van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn niet van toepassing op de werkzaamheden van het onderzoeksteam en de bijstand van het College van procureurs-generaal, bedoeld in het tweede lid.
1. De Tweede Kamer en de regering gezamenlijk kunnen op elk moment de procureur-generaal bij de Hoge Raad opdragen een lopend opsporingsonderzoek te beëindigen. De procureur-generaal geeft aan die gezamenlijke opdracht direct gevolg.
2. Indien de opdracht tot beëindiging van het opsporingsonderzoek enkel door de Tweede Kamer of de regering wordt gegeven, wint de procureur-generaal bij de Hoge Raad binnen twee weken na ontvangst van de opdracht het gevoelen over die opdracht in bij respectievelijk de regering of de Tweede Kamer.
3. De regering of de Tweede Kamer stelt de procureur-generaal binnen een maand schriftelijk in kennis over haar gevoelen over de opdracht tot beëindiging van het opsporingsonderzoek. Indien deze kennisgeving strekt tot:
a. beëindiging van het opsporingsonderzoek, geeft de procureur-generaal direct gevolg aan de opdracht;
b. voortzetting van het opsporingsonderzoek, vervolgt de procureur-generaal het opsporingsonderzoek.
4. Indien de regering of de Tweede Kamer niet overeenkomstig het derde lid binnen een maand de procureur-generaal schriftelijk in kennis stelt van haar gevoelen over de opdracht tot beëindiging van het opsporingsonderzoek, vervolgt de procureur-generaal het opsporingsonderzoek.
5. De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelt de Tweede Kamer en de regering direct schriftelijk in kennis van de beëindiging of voortzetting van het opsporingsonderzoek als bedoeld in het eerste en derde lid.
6. Onze Minister van Justitie en Veiligheid geeft kennis van elke opdracht tot beëindiging of voortzetting van het opsporingsonderzoek die overeenkomstig dit artikel is gegeven door publicatie van de opdracht in de Staatscourant.
1. De procureur-generaal bij de Hoge Raad sluit het opsporingsonderzoek binnen zes maanden gerekend vanaf het tijdstip waarop de Tweede Kamer en de regering overeenkomstig artikel 485a, derde lid, van de instelling van het opsporingsonderzoek in kennis zijn gesteld. Daarna kan de termijn op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad telkens met ten hoogste zes maanden door de Hoge Raad worden verlengd indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert. De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelt de Tweede Kamer en de regering schriftelijk in kennis van iedere verlenging van de termijn.
2. De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelt de Tweede Kamer, de regering en de verdachte direct schriftelijk in kennis van de sluiting van het opsporingsonderzoek. De kennisgeving gaat vergezeld van een verslag van het opsporingsonderzoek en van een opgave van de strafbare feiten waarvoor naar zijn oordeel vervolging kan worden ingesteld.
3. De Tweede Kamer en de regering stellen de procureur-generaal bij de Hoge Raad binnen drie maanden na sluiting van het opsporingsonderzoek schriftelijk in kennis van hun opdracht tot het instellen van vervolging, hun beslissing om daarvan af te zien, dan wel hun opdracht tot het verrichten van nader onderzoek.
4. Een opdracht tot nader onderzoek bevat een aanduiding van de inhoud van het nader onderzoek en kan instructies bevatten over de wijze waarop het nader onderzoek moet worden uitgevoerd. De procureur-generaal bij de Hoge Raad is verplicht het nader onderzoek uit te voeren. De artikelen 485b en 485c en het eerste tot en met derde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Indien de Tweede Kamer en de regering niet binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving over de sluiting van het opsporingsonderzoek toepassing hebben gegeven aan het derde lid, wordt voor hetzelfde feit niet opnieuw een opsporingsonderzoek ingesteld, tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Artikel 255, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1. De opdracht tot vervolging, bedoeld in artikel 485d, derde lid, bevat in elk geval een omschrijving van de feiten waarvoor vervolging moet worden ingesteld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad geeft direct gevolg aan de ontvangen opdracht.
2. De procureur-generaal bij de Hoge Raad neemt op straffe van niet-ontvankelijkheid in de tenlastelegging geen andere feiten op dan de feiten die zijn genoemd in de opdracht tot vervolging.
1. De artikelen 12 tot en met 13, 20, 70, 71, 72a, 74, 75, 87, met uitzondering van wat in dat artikel is bepaald over het hoger beroep bij de rechtbank tegen beschikkingen van de rechter-commissaris, 140a, 152, tweede lid, 167, 223, derde lid, 241c tot en met 247, 255, eerste lid, 255a, 257a tot en met 257h, 262a, 266, 267, 354a, 404 tot en met 444, 449 tot en met 456, 511g, 511h, 552d, tweede tot en met vierde lid, 552f, zesde en zevende lid, 6:4:5, derde lid, wat betreft daarin is bepaald over het beroep in cassatie tegen de beschikking van de raadkamer, 6:6:15 tot en met 6:6:17, 6:6:22a en 6:6:23f, zijn niet van toepassing.
2. In afwijking van artikel 5.3.1, vijfde lid, wordt het daar bedoelde beklag gedaan bij de Hoge Raad.
De Wet op de rechterlijke organisatie wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 76 komt te luiden:
1. De Hoge Raad neemt in eerste en enige aanleg kennis van ambtsmisdrijven als bedoeld in artikel 483, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, begaan door leden van de Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen, alsook van daarmee samenhangende vorderingen tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van de benadeelde partij.
2. In deze zaken oordeelt de Hoge Raad met een aantal van zeven raadsheren.
B
Artikel 111, tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. de opsporing en vervolging van ambtsmisdrijven als bedoeld in artikel 483, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, begaan door leden van de Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen.
De Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen wordt ingetrokken.
Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen II, III en IV een commissie van onderzoek als bedoeld in artikel 9 van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen is ingesteld of een opdracht tot vervolging als bedoeld in artikel 119 van de Grondwet is gegeven, vindt de opsporing, vervolging en berechting plaats met toepassing van het vóór dat tijdstip geldende recht.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Justitie en Veiligheid,
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36950-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.