De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 27 mei 2026 voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Bij brief van 10 juni 2026 zijn ze door de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Huizenga
De griffier van de commissie, Schukkink
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Hoe verklaart u dat bij meerdere grote projecten ramingen of verplichtingen bij Najaarsnota
nog niet voldoende accuraat waren, zoals bij ViA15 en A27 Houten-Hooipolder?
Antwoord 1
De kas- en verplichtingenreeksen van de projecten in de begroting worden op de reguliere
begrotingsmomenten aangepast. Projecten zijn gedurende het jaar echter volop in voorbereiding
of uitvoering. Dat leidt tussentijds tot nieuwe inzichten of onvoorziene uitkomsten
die effect kunnen hebben op het benodigde budget en/of kasreeks.
Bij het project ViA15 is € 22,2 miljoen meer gerealiseerd. Deze toename wordt veroorzaakt
doordat na het definitief worden van het Tracébesluit (TB) door de Raad van State
de verwachte opstartkosten eerder te laag waren ingeschat. Deze kosten zijn in een
later stadium alsnog toegevoegd. Daarnaast is vanwege de financial close, die pas
in december gesloten is na de Najaarsnota, de laatste financiële informatie duidelijk
geworden (o.a. rentepercentage). Dit heeft tot een technische wijziging van het verplichtingenbudget
geleid. De omzetting van het DBFM-contract is verwerkt met bij de Voorjaarsnota 2026.
Bij de A27 Houten-Hooipolder is er in 2025 € 21,4 miljoen meer gerealiseerd. In 2025
zijn er twee termijnen betaald aan de aannemerscombinaties van zowel contract Noord
als contract Zuid. Eerst was de verwachting dat deze termijnen pas in 2026 betaald
zouden worden.
Vraag 2
Welke structurele maatregelen neemt u om capaciteitsproblemen binnen Rijkswaterstaat
en projectorganisaties te beperken, gezien de directe impact op projectuitvoering
en kasrealisatie?
Antwoord 2
Rijkswaterstaat opereert in een veranderende context met grote uitdagingen, waaronder
krapte op de arbeidsmarkt. Het maken van scherpe keuzes op het gebied van personeel
en financiën hoort daarbij. Daartoe brengt Rijkswaterstaat continu in beeld waar de
grootste capaciteitsuitdagingen zitten, zodat hier tijdig op kan worden gestuurd.
Om er structureel voor te zorgen dat onze huidige capaciteit doelmatig en effectief
wordt ingezet ten behoeve van onze opgave, bereidt RWS een organisatieverandering
voor – het samenhangend toekomstperspectief. De Kamer is hierover geïnformeerd in
het Jaarverslag IenW 2025, Kamerstukken 36 945-XII. Het doel van de reorganisatie
is een eenduidigere sturing, minder dubbel werk en een hogere productie. Op die wijze
benut Rijkswaterstaat haar menselijk kapitaal optimaal om Nederland leefbaar, veilig
en bereikbaar te houden.
Vraag 3
In hoeverre acht u de interne financiële beheersing op orde, gelet op de betaalstop
bij Zuidasdok, waardoor facturen niet meer in 2025 konden worden voldaan?
Antwoord 3
De interne financiële beheersing maakt onderdeel uit van de door de Algemene Rekenkamer
onderzochte bedrijfsvoering. De Rekenkamer concludeert dat het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat, inclusief Rijkswaterstaat, in 2025 grotendeels voldoet aan de gestelde
eisen met uitzondering van één onvolkomenheid in het inkoopbeheer. Tegelijkertijd
constateert de Rekenkamer dat een structureel verbetertraject is ingezet dat inmiddels
aantoonbare resultaten laat zien.
Voor de specifieke casus Zuidasdok geldt dat de factuur rechtmatig is en op tijd is
betaald. Dat gebeurde alleen een paar dagen later dan gepland: op 2 januari 2026 in
plaats van eind december 2025. Eind december is een factuur bij Zuidasdok aangehouden,
omdat het door de Kamer geautoriseerde uitgavenkader voor 2025 was bereikt. Op de
laatste betaaldag van 2025 is echter een btw-teruggave geboekt en verrekend met de
uitgaven, waardoor uiteindelijk sprake is van onderuitputting. Bij het Rijk geldt
dat uitgaven worden geboekt in het jaar waarin ze daadwerkelijk worden betaald. Omdat
deze betaling net over de jaargrens heen ging, telt die dus mee voor 2026 en niet
meer voor 2025.