36 944 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechtsbijstand en enkele andere wetten in verband met het versterken van rechtsbijstand in het strafproces (Wet versterking rechtsbijstand in het strafproces)

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! Doen te weten:

Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het recht op rechtsbijstand in het strafproces te versterken;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goed vinden en verstaan bij deze:

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goed vinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 28b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt «een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld» vervangen door «een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten».

2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot tweede en derde lid.

3. In het derde lid (nieuw) wordt «de kennisgeving, bedoeld in het eerste en tweede lid» vervangen door «de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid» en wordt «het contact, bedoeld in het eerste, tweede, of derde lid» vervangen door «het contact, bedoeld in het eerste of tweede lid».

B

Na artikel 28b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 28ba

Indien een kwetsbare verdachte van een misdrijf die zich in vrijheid bevindt wordt uitgenodigd op een plaats van verhoor te verschijnen om te worden verhoord, stelt de opsporingsambtenaar die de verdachte uitnodigt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand direct daarvan in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. Artikel 28b, eerste lid, laatste zin, is van toepassing.

C

Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt «artikel 28b, eerste en tweede lid» vervangen door «de artikelen 28b, eerste lid, en 28ba».

2. In het vierde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van dat lid door een komma, toegevoegd «tenzij de aanwijzing plaatsvond in verband met de kennisgeving, bedoeld in artikel 28ba. In dat geval eindigt de aanwijzing na afloop van het verhoor.».

D

Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van het eerste lid komt te luiden: Voor de verdachte die geen raadsman heeft, wordt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen:

2. In het eerste lid, onderdeel a, wordt voor «ten aanzien van hem de bewaring of gevangenneming is bevolen» ingevoegd «op ambtshalve last van de voorzitter van de rechtbank, indien».

3. In het eerste lid, onderdeel b, wordt voor «hoger beroep is ingesteld» ingevoegd «op ambtshalve last van de voorzitter van het gerechtshof, indien».

4. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Het openbaar ministerie geeft aan de voorzitter van het gerecht onverwijld kennis dat een last tot aanwijzing van een raadsman overeenkomstig het eerste lid noodzakelijk is.

E

In artikel 257c, eerste lid, vervalt de laatste zin.

F

Na artikel 257c worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 257ca

  • 1. De officier van justitie die voornemens is om een strafbeschikking uit te vaardigen tegen een verdachte die rechtens zijn vrijheid is ontnomen doet de verdachte tijdig mededeling van zijn recht op rechtsbijstand ter zake daarvan. De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de uitvaardiging van de strafbeschikking een onderhoud met een beschikbare raadsman te hebben, tenzij daardoor niet binnen de duur van de vrijheidsbeneming een afschrift van strafbeschikking in persoon aan de verdachte kan worden uitgereikt. In dat geval is artikel 257cb, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien de in het eerste lid bedoelde verdachte zal worden gehoord over de voorgenomen strafbeschikking, wordt hem tijdig mededeling gedaan van zijn recht op rechtsbijstand in verband met het horen en wordt hij in de gelegenheid gesteld om het in het eerste lid bedoelde onderhoud voorafgaand aan het horen te hebben.

  • 3. Voor de verdachte die geen raadsman heeft en die het recht op rechtsbijstand, bedoeld in het eerste en tweede lid, wil uitoefenen, wordt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen. Artikel 39 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 257cb

  • 1. De verdachte van een misdrijf die zich in vrijheid bevindt en die niet voorafgaand aan de uitvaardiging van de strafbeschikking voor dat misdrijf zal worden gehoord, wordt in de strafbeschikking mededeling gedaan van zijn recht op een onderhoud met een raadsman en op de mogelijkheid om daartoe contact op te nemen met het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, opdat het bestuur de verdachte de gelegenheid biedt zich met een raadsman in verbinding te stellen.

  • 2. Het in het eerste lid omschreven recht komt ook toe aan de verdachte van een strafbaar feit die zich in vrijheid bevindt en die voorafgaand aan de uitvaardiging van een strafbeschikking voor dat feit zal worden gehoord.

    Deze verdachte wordt in de uitnodiging voor het horen mededeling gedaan van dat recht, alsook van zijn recht op rechtsbijstand in verband met het horen en de mogelijkheid om met het oog daarop aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand om toevoeging van een raadsman te verzoeken.

G

Aan artikel 488aa, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. van het recht om aan de ouders of voogd de informatie over de rechten van de verdachte te laten verstrekken die de verdachte zelf gerechtigd is te ontvangen.

H

Na artikel 489 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 489a1

Indien een verdachte van een misdrijf die zich in vrijheid bevindt wordt uitgenodigd om te worden verhoord, stelt de opsporingsambtenaar die de verdachte uitnodigt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand direct daarvan in kennis, opdat het bestuur een raadsman aanwijst. Deze kennisgeving kan achterwege blijven indien de verdachte een raadsman heeft gekozen en deze of een vervangende raadsman tijdig beschikbaar zal zijn. Artikel 28a is niet van toepassing.

I

Artikel 491, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Onverminderd artikel 489, eerste lid, wordt op ambtshalve last van de voorzitter van het gerecht door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand voor de verdachte die geen raadsman heeft, een raadsman aangewezen, nadat hij er door het openbaar ministerie over in kennis is gesteld dat tegen de verdachte een vervolging, anders dan door een strafbeschikking, is aangevangen. Artikel 40, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

J

Artikel 6:6:3, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Voor de veroordeelde die geen raadsman heeft, wordt voorafgaand aan het onderzoek op last van de rechter door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen. De last tot aanwijzing wordt niet gegeven indien de zaak betrekking heeft op een overtreding van de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, bedoeld in artikel 14c, eerste lid, of artikel 38p, derde lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafrecht. De artikelen 38 en 43 tot en met 46 zijn van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL II

De Wet op de rechtsbijstand wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 12, eerste lid, wordt na «niet overschrijdt» ingevoegd «, tenzij bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald dat die financiële draagkracht niet in aanmerking wordt genomen».

B

Artikel 43 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de laatste zin.

2. Aan het tweede lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel k door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • l. de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

C

In artikel 49 wordt «De voordracht voor een krachtens de artikelen 12, derde lid, 34a, vierde lid, 35 en 37, vijfde lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur» vervangen door «De voordracht voor een krachtens de artikelen 12, eerste en derde lid, 34a, vierde lid, 35, 37, vijfde lid, en 43, tweede lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur».

ARTIKEL III

In artikel 45a, derde lid, van de Uitleveringswet wordt «wijst het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, na mededeling van de vrijheidsbeneming door het openbaar ministerie, een raadsman aan» vervangen door «wijst het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op last van de voorzitter van de rechtbank in het arrondissement waarin de persoon zich bevindt voor die persoon een raadsman aan. Het openbaar ministerie geeft aan de voorzitter onverwijld kennis dat een last tot aanwijzing van een raadsman noodzakelijk is».

ARTIKEL IV

In artikel 64, derde lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen wordt «wijst het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, na mededeling van de vrijheidsbeneming door het openbaar ministerie, een raadsman aan» vervangen door «wijst het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op last van de voorzitter van de rechtbank in het arrondissement waarin de persoon zich bevindt voor die persoon een raadsman aan. Het openbaar ministerie geeft aan de voorzitter onverwijld kennis dat een last tot aanwijzing van een raadsman noodzakelijk is».

ARTIKEL V

In artikel 2:20, tweede lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties wordt «door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen na mededeling door het openbaar ministerie dat» vervangen door «op last van de in het eerste lid bedoelde rechter-commissaris door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen nadat».

ARTIKEL VI

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

ARTIKEL VII

Deze wet wordt aangehaald als: Wet versterking rechtsbijstand in het strafproces.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Naar boven