36 939 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten die betrekking hebben op de BES eilanden (Fiscale verzamelwet BES eilanden 2027)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

blz.

       

I.

ALGEMEEN

1

 

1.

Aanleiding

1

 

2.

Voorgestelde wijzigingen

3

 

3.

Budgettaire aspecten

5

 

4.

Uitvoeringsaspecten

6

 

5.

Doenvermogen

7

 

6.

Administratieve lasten/gevolgen voor bedrijfsleven en burger

7

 

7.

EU-aspecten

7

 

8.

Advies en consultatie

7

 

9.

Doelmatigheid, doeltreffendheid en evaluatie

12

II.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

14

I. ALGEMEEN

1. Aanleiding

Per 1 januari 2011 is een afzonderlijk fiscaal stelsel op de BES eilanden ingevoerd. Deze fiscale wetgeving heeft onderhoud nodig, niet in de laatste plaats omdat een aantal wetten is verouderd en op verschillende punten niet meer consistent is. In 2024 en 2025 is om die redenen voor de BES eilanden al een aantal, meer inhoudelijke aanpassingen ingevoerd door middel van twee afzonderlijke Belastingplannen. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt een aantal technische wijzigingen voorgesteld met geen, of een zeer beperkt budgettair effect. Dit betreft een voorstel tot wijziging van de Belastingwet BES, de Wet inkomstenbelasting BES (Wet IB BES, de Wet loonbelasting BES (Wet LB BES), de Douane- en Accijnswet BES (DABES) en de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet FinBES), waaronder:

  • Aanpassing van het tarief van de vastgoedbelasting voor hotels die in eigendom zijn van niet-natuurlijke personen;

  • Invoering van een fiscale eenheid in de algemene bestedingsbelasting (ABB);

  • Invoering van een vrijstelling voor de ABB voor goederen die voor de landbouw worden gebruikt;

  • Invoering van een vrijstelling in de overdrachtsbelasting ten aanzien van de verkrijging van cultuurgrond die voor de landbouw wordt aangewend;

  • Invoering van een invorderingsmaatregel om motorrijtuigen stil te laten staan om een dwangschrift ten uitvoer te leggen;

  • Invoering van de bevoegdheid om dwangschriften per post te kunnen laten bezorgen;

  • Aanpassing van een boetebepaling bij de verplichting tot het indienen van een verzamelloonstaat;

  • Vervallen van de mogelijkheid om aftrekposten tussen echtgenoten in het jaar van echtscheiding afwijkend te verdelen;

  • Verduidelijking van de tekst van de koppeling tussen de belastingvrije som (BVS) en het wettelijk minimumloon (WML);

  • Jaarlijkse indexering van het normbedrag voor de gebruikelijkloonregeling met de tabelcorrectiefactor; en

  • Invoering van een eindheffing voor het loon ter zake van aan een of meer werknemers ter beschikking gestelde auto’s.

Het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet BES eilanden 2027 is zo veel mogelijk beperkt tot maatregelen die idealiter met ingang van 1 januari 2027 in werking moeten treden of vanwege de uitvoerbaarheid vóór die datum in het Staatsblad moeten zijn opgenomen.

Verzamelwetsvoorstellen

Het onderhavige wetsvoorstel is een inhoudelijk verzamelwetsvoorstel en voldoet aan de criteria uit de notitie Verzamelwetgeving1 en aanwijzing 6.4 uit de Aanwijzingen voor de regelgeving.2 In het onderhavige wetsvoorstel is sprake van thematische en/of uitvoeringstechnische samenhang. Het wetsvoorstel bevat een aantal maatregelen die separaat te klein zijn om als zelfstandig wetsvoorstel in te dienen. Het is op voorhand niet de verwachting dat een van de onderdelen van dit wetsvoorstel dermate politiek omstreden is dat een goede parlementaire behandeling van andere onderdelen in het geding komt.

Opzet algemeen deel

De paragrafen in het algemeen deel van deze memorie van toelichting zijn op onderwerp en maatregel gerangschikt. In paragraaf 2 wordt per maatregel in het wetsvoorstel een korte algemene toelichting gegeven. Paragraaf 3 gaat in op de budgettaire aspecten. In paragraaf 4 komen de uitvoeringsaspecten aan bod. Paragraaf 5 ziet op de gevolgen voor het doenvermogen van de maatregelen in dit wetsvoorstel. In paragraaf 6 komen de administratieve lasten en gevolgen voor burgers en bedrijfsleven aan bod. Paragraaf 7 gaat in op EU-aspecten. In paragraaf 8 wordt ingegaan op advies en consultatie, dit ziet met name op de reacties die binnen zijn gekomen in de internetconsultatie. In paragraaf 9 wordt ingegaan op de doelmatigheid en doeltreffendheid van de maatregelen in dit wetsvoorstel.

Doeltreffendheid is de mate waarin de beleidsmaatregel er naar verwachting in zal slagen om het gestelde beleidsdoel te bereiken. Uiteengezet wordt hoe en in welke mate de in te zetten instrumenten naar verwachting bijdragen aan het realiseren van het doel. De doelmatigheid is de mate waarin dat tegen zo laag mogelijke kosten gebeurt en hoe dat in verhouding staat tot de gestelde doelen. Het kan gaan om budgettaire gevolgen, maar ook om maatschappelijke gevolgen. Daarbij komt ook de benodigde beleidsinformatie aan bod. Het is belangrijk om voorafgaand aan de implementatie van nieuw beleid te bepalen hoe die informatie wordt vergaard en hoe het beleid zal worden geëvalueerd. Dit draagt bij aan een effectieve toetsing van de effectiviteit en efficiëntie van overheidsbeleid. Voor een uitgebreidere toelichting op de afzonderlijke maatregelen wordt ook verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

2. Voorgestelde wijzigingen

Vooral in de Belastingwet BES, waarin onder andere de vastgoedbelasting, de opbrengstbelasting, de ABB en de overdrachtsbelasting zijn opgenomen, wordt een aantal wijzigingen voorgesteld. Daarnaast worden wijzigingen voorgesteld in de Wet IB BES, de Wet LB BES, de DABES en de Wet FinBES.

Vastgoedbelasting (hoofdstuk IV Belastingwet BES)

Het verlaagde percentage van de vastgoedbelasting voor hotels in eigendom van niet-natuurlijke personen wordt aangepast van 11 percent naar 12 percent. Per 2013 is het verlaagde percentage voor dergelijke hotels met terugwerkende kracht tot en met 2011 ingevoerd: van het reguliere tarief van 17,5 percent naar 10 percent. In het Belastingplan BES-eilanden 2025 is begonnen om deze tijdelijke verlaging stapsgewijs terug te brengen naar het reguliere tarief. De eerste aanpassing is per 1 januari 2025 in werking getreden, waarbij het tarief van 10 percent naar 11 percent is verhoogd. Per 1 januari 2027 wordt een tweede aanpassing voorgesteld van 11 naar 12 percent. Door de verhoging van het tarief twee jaar na de eerste verhoging voor te stellen, wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat veel hotelexploitanten aan meerjarige contracten met (onder andere) touroperators zijn gebonden.

Algemene bestedingsbelasting (hoofdstuk VI Belastingwet BES)

Voorgesteld wordt om tussen een moedermaatschappij en haar dochtermaatschappijen (zowel BES ondernemers als producenten) voor zover de moedermaatschappij 100 percent van de aandelen in de dochtermaatschappij bezit enkel op verzoek een fiscale eenheid te (laten) vormen voor de algemene bestedingsbelasting (ABB). De regeling komt in hoofdzaak overeen met de Arubaanse regeling in de Landsverordening belasting op invoer van goederen, over bedrijfsomzetten en additionele voorzieningen pps-projecten. De fiscale eenheid die in de Nederlandse Wet omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) geldt is erg complex en doet geen recht aan de vaak minder complexe vennootschapsstructuren die op de BES eilanden zijn opgezet. Ook is het voor de Belastingdienst lastig te bepalen of de Europees Nederlandse criteria qua economische, financiële en organisatorische verwevenheid van toepassing zijn tussen lichamen die op de BES eilanden zijn gevestigd. Om die redenen is gekozen voor een relatief eenvoudige regeling zoals die in Aruba in het verleden is ingevoerd. De fiscale eenheid in de ABB leidt ertoe dat geen ABB wordt geheven over prestaties en leveringen tussen een moedermaatschappij en haar dochtermaatschappijen. Vooral voor de prijzen die eindgebruikers betalen voor diensten of producten kan de regeling een kostprijsverlagend effect hebben.

Voorgesteld wordt in de ABB ook een nieuwe vrijstelling op te nemen, waarbij de vervaardiging van zaken die in de landbouwsector worden gebruikt van ABB wordt vrijgesteld (conform de invoer van dergelijke zaken). Deze maatregel beoogt vooral om de lokale landbouw te stimuleren.

Overdrachtsbelasting (hoofdstuk VII Belastingwet BES)

De voorgestelde wijziging in de overdrachtsbelasting betreft een vrijstelling waarbij de overdracht van cultuurgrond kan worden vrijgesteld. Ook deze maatregel beoogt om, net als de eerder vermelde vrijstelling in de ABB, de lokale landbouw te stimuleren door fiscale belemmeringen te verminderen.

Formeel belastingrecht en invordering van BES belastingen (hoofdstuk VIII Belastingwet BES)

In hoofdstuk 8 wordt een aantal wijzigingen voorgesteld. Allereerst wordt een bevoegdheid in de wet voorgesteld om motorrijtuigen stil te laten staan om een dwangschrift ten uitvoer te leggen. Verder wordt voorgesteld een wettelijke bevoegdheid op te nemen om dwangschriften ook per post te kunnen laten bezorgen, een en ander met behoud van rechtsbescherming van de inwoners en bedrijven van de BES eilanden. Daarnaast wordt een wijziging voorgesteld die verband houdt met de verplichting van de werkgever tot het indienen van een verzamelloonstaat. Omdat deze verplichting ook is opgenomen in de Wet LB BES kan de gelijkluidende, in de Belastingwet BES opgenomen verplichting, komen te vervallen. In verband met deze voorgestelde wijziging is het nodig de met deze verplichting samenhangende boete- en strafbepalingen in de Belastingwet BES aan te passen. Daartoe wordt in dit wetsvoorstel eveneens een aanpassing voorgesteld. Tevens wordt voorgesteld de termijn voor het opleggen van een verzuimboete aan de administratieplichtige die niet voldoet aan de verplichting aan de inspecteur een opgave te verstrekken betreffende derden die werkzaamheden hebben verricht te verruimen van één jaar tot vier jaren na afloop van het kalenderjaar waarop de opgave ziet.

Inkomstenbelasting

In de Wet IB BES worden twee wijzigingen voorgesteld. In de eerste plaats wordt voorgesteld de bepaling te laten vervallen die de verdeling van aftrekposten tussen echtgenoten in het jaar van scheiding van goederen regelt. Meer in het bijzonder ziet deze bepaling op de berekening van de verschuldigde belasting in geval van een scheiding van goederen tussen gehuwden. Bij de verdeling van goederen in die gevallen blijven de toerekeningsregels van het zuiver inkomen op verzoek van één of beide echtgenoten achterwege. Voor de berekening van de verschuldigde belasting wordt er in dat geval echter van uitgegaan dat de toerekeningsregels van toepassing zijn. De door beide echtgenoten tezamen verschuldigde inkomstenbelasting wordt vervolgens naar rato van ieders zuiver inkomen over beide echtgenoten omgeslagen.Het achterwege laten van de toerekeningsregels raakt dus uitsluitend de verdeling van de verschuldigde inkomstenbelasting over beide echtgenoten, niet de hoogte van de gezamenlijk verschuldigde inkomstenbelasting. In de praktijk is gebleken dat deze toerekeningsregels nadelig kunnen uitpakken voor de echtgenoot die geen belastingaanslag krijgt opgelegd. Dit is het geval als de belastingplichtige binnen 18 maanden na afloop van het belastingjaar aangifte heeft gedaan en er geen verrekening van voorheffingen meer plaatsvindt, omdat het totaal van die voorheffingen de verschuldigde belasting niet of met niet meer dan USD 84 te boven gaat. De aanslag wordt dan vastgesteld op nihil. Ook zijn er knelpunten geconstateerd ten aanzien van aftrekposten die één van de echtgenoten al voor het huwelijk genoot en die door de toerekeningsregels aan de andere echtgenoot kunnen toevallen. Om deze redenen wordt voorgesteld deze toerekeningsregels bij de scheiding van goederen te laten vervallen.

De tweede voorgestelde wijziging is een verduidelijking met betrekking tot de hoogte van BVS. Per 1 januari 2025 is de BVS gekoppeld aan het WML. Op de BES eilanden wordt dit WML per openbaar lichaam vastgesteld en kan dus per openbaar lichaam verschillen. Omdat op dit moment onduidelijkheid zou kunnen ontstaan welke van de drie bedragen van het WML moet worden gebruikt om de BVS voor alle inwoners van de BES eilanden vast te stellen, wordt voorgesteld te verduidelijken dat de BVS altijd wordt gekoppeld aan het WML van het openbaar lichaam waar dat het hoogste is.

Loonbelasting

In de Wet LB BES worden een tweetal wijzigingen voorgesteld.

Allereerst wordt voorgesteld om met ingang van 1 januari 2027 de koppeling tussen het normbedrag voor de gebruikelijkloonregeling en de ontwikkeling van de BVS los te laten en het normbedrag jaarlijks te indexeren met de tabelcorrectiefactor. Door de steeds maar hoger wordende BVS is koppeling met het normbedrag niet meer wenselijk. De verwachting is dat door deze voorgestelde maatregel de jaarlijkse stijging van het normbedrag zal afvlakken.

Tot slot wordt voorgesteld een eindheffing te introduceren voor het loon ter zake van een door een inhoudingsplichtige aan een of meer werknemers ter beschikking gestelde auto, indien die auto in verband met de aard van het werk doorlopend afwisselend door twee of meer werknemers wordt gebruikt en in verband daarmee bezwaarlijk is vast te stellen of en aan wie die auto ter beschikking is gesteld. De eindheffing is van toepassing indien de inhoudingsplichtige ervoor kiest dit loon aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel. De door de inhoudingsplichtige verschuldigde eindheffing is bij benadering gelijk aan de belasting die de inhoudingsplichtige verschuldigd zou zijn indien hij het loon niet zou aanwijzen als eindheffingsbestanddeel, maar de over dit loon verschuldigde belasting voor eigen rekening zou nemen. Voorgesteld wordt bij ministeriële regeling de mogelijkheid te geven tot het nader stellen van regels over de aanwijzing van dit loon.

Douane- en Accijnswet BES

In de DABES wordt voorgesteld een onjuiste verwijzing in artikel 2.142 te herstellen.

Inwerkingtreding

Beoogd is alle bepalingen van dit wetsvoorstel in werking te laten treden op 1 januari 2027.

3. Budgettaire aspecten

De meeste maatregelen in dit wetvoorstel betreffen kleine wijzigingen, technische en redactionele aanpassingen of verduidelijkingen van bestaande praktijken en zullen budgettair geen effect hebben. Enkele maatregelen die mogelijk wel budgettaire gevolgen kunnen hebben, zijn onderzocht en worden hieronder toegelicht.

Vastgoedbelasting

De huidige opbrengst van de vastgoedbelasting bedraagt jaarlijks circa USD 9.600.000. Met een verhoging van het tarief met 1 percentpunt voor hotels in eigendom van niet-natuurlijke personen is de verwachte meeropbrengst circa USD 300.000. Daarmee wordt het budgettaire effect van de maatregel nihil geacht.

Algemene bestedingsbelasting

De invoering van de fiscale eenheid in de ABB levert naar verwachting geen meeropbrengsten op. Vele ondernemers maken reeds gebruik van een aantal contractuele overeenkomsten om de ABB op interne prestaties tegen te gaan. Voorbeelden van dergelijke overeenkomsten zijn partageovereenkomsten, «rental pool»-overeenkomsten en kosten voor gemene rekening. Ook maken vele besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (B.V.’s) en naamloze vennootschappen (N.V.’s) onderdeel uit van een commanditaire vennootschap (C.V.) of vennootschap onder firma (v.o.f), hoewel deze overeenkomsten veelal het risico op ABB op interne prestaties niet verminderen en wellicht onterecht worden toegepast. Het kabinet signaleert dat interne prestaties niet onder de heffing van ABB zouden moeten vallen, omdat de ABB alsdan cumuleert, en meent dat een goede wettelijke regeling om dit te voorkomen wenselijker is dan de toevlucht in diverse overeenkomsten waaraan kan worden getwijfeld of zij in elke situatie soelaas bieden.

Loonbelasting

De aanpassing van het normbedrag bij het gebruikelijk loon wordt per 1 januari 2027 geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor in plaats van een koppeling met de BVS. Deze is momenteel gekoppeld aan het WML en de verwachting is dat het WML de komende jaren sterker stijgt dan de tabelcorrectiefactor. Hierdoor kent de maatregel budgettaire gevolgen. Het totaal aantal directeurgrootaandeelhouders (DGA’s) is bekend. Hiervan geniet circa 10 percent een inkomen om en nabij het gebruikelijk loon. De inschatting is dat bij het aanpassen van het normbedrag dit alleen gevolgen heeft voor deze groep. Verder is de verwachting dat de komende jaren het WML 3,5 percentpunt per jaar meer zou stijgen dan de tabelcorrectiefactor op basis van historische ontwikkelingen. De budgettaire lasten van deze maatregel komen daarmee uit op USD 60.000 in 2028 oplopend tot USD 380.000 in 2033.

4. Uitvoeringsaspecten

Dit wetsvoorstel is door de Belastingdienst beoordeeld met een uitvoeringstoets. Voor dit wetsvoorstel geldt dat de Belastingdienst de maatregelen uitvoerbaar acht per de voorgestelde inwerkingtredingsdatum. De gevolgen voor de uitvoering zijn beschreven in de uitvoeringstoetsen die als bijlagen zijn bijgevoegd. Uit de toets komt naar voren dat de uitvoeringsgevolgen beperkt zijn en dat het risico op procesverstoringen gemiddeld is. In het bijzonder heeft de invoering van een fiscale eenheid in de ABB gevolgen voor de uitvoering. Deze maatregel werkt complexiteitsverhogend voor de Belastingdienst en vereist blijvende aandacht voor kennisopbouw, afstemming en zorgvuldige uitvoering. Bovendien vergt de invoering van de fiscale eenheid grote ICT-aanpassingen, welke worden geschat op afgerond € 670.000, en moet er structureel afgerond 1 fte bijkomen om deze nieuwe regeling uit te voeren.

5. Doenvermogen

De meeste maatregelen in dit wetsvoorstel betreffen kleine wijzigingen, technische en redactionele aanpassingen of verduidelijkingen en zullen weinig tot geen effect hebben op de doenlijkheid van de burger. Niettemin worden drie voorgestelde maatregelen toegelicht.

De fiscale eenheid voor de ABB zal per gebruiker/fiscale eenheid een kleine impact hebben op de doenlijkheid van de betrokken ondernemers. Zij moeten op eigen initiatief een schriftelijk verzoek indienen om het fiscale eenheidsregime te kunnen toepassen. De voorwaarde voor toepassing van de regeling (100 percent aandeelhouderschap) is echter zeer duidelijk, waardoor de inhoud van het verzoek en de toekenning ervan naar verwachting niet tot significante aandachtspunten zal leiden.

Een andere maatregel zal van de burger vragen alert te zijn bij de aangifte inkomstenbelasting en heeft daarom ook enige invloed op de doenlijkheid van de burger. Het gaat hierbij om de toerekening van het zuiver inkomen aan de echtgenoot van de belastingplichtige. Deze regeling kan op verzoek niet worden toegepast, omdat deze nadelig kan uitpakken voor één van de echtgenoten. In dit wetsvoorstel vervalt die keuzemogelijkheid waardoor een te behalen voordeel bij de andere echtgenoot vervalt. Enerzijds wordt de aangifte hiermee eenvoudiger, anderzijds kan het vervallen van deze mogelijkheid, het resulterende financieel nadeel en de stress die dit mogelijk oplevert, een lichte en tijdelijke reductie in de doenlijkheid veroorzaken.

De invoering van een eindheffing voor auto’s die doorlopend afwisselend worden gebruikt, leidt tot een lichte verbetering van de doenlijkheid, omdat de werknemer, indien de werkgever voor toepassing van deze eindheffing kiest, geen kilometeradministratie meer hoeft bij te houden waaruit blijkt dat de auto niet privé werd gebruikt.

6. Administratieve lasten/gevolgen voor bedrijfsleven en burger

De voorgestelde wijzigingen in dit wetsvoorstel hebben geen tot beperkte gevolgen voor de administratieve lasten voor burgers en bedrijven. Het wetsvoorstel is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

7. EU-aspecten

Aan dit wetsvoorstel zijn geen EU-aspecten verbonden, omdat de BES eilanden als Landen en Gebieden Overzee (LGO) geen integraal onderdeel uitmaken van de Europese Unie (EU), en het EU-recht slechts op een aantal aspecten betrekking heeft in de relatie tot de lidstaten. De voorgestelde maatregelen vallen allen buiten de kaders van het EU-recht.

8. Advies en consultatie

Op de internetconsulatie van dit wetsvoorstel, die liep van 16 augustus 2025 tot en met 15 september 2025, zijn in totaal 9 reacties binnengekomen. De volgende organisaties en burgers hebben gereageerd en allen hebben ingestemd met openbaarmaking van de reactie:

  • Centraal Dialoog Bonaire (CDB),

  • Openbaar Lichaam Bonaire (OLB),

  • Vereniging van Administratiekantoren en Belastingconsulenten BES (VvAB),

  • Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN),

  • R.A. Dijkman,

  • J.H.T. Meijer,

  • M.W.G. Franzen, en

  • M. Mulder.

De reacties naar aanleiding van deze consultatie zijn meegewogen bij de verdere uitwerking van dit wetsvoorstel. Op een aantal punten die uit de internetconsultatie naar voren zijn gekomen wordt hieronder uitgebreider ingegaan. Ook hebben ambtenaren van het Ministerie van Financiën in 2025 een aantal malen een bezoek gebracht aan Bonaire, Sint Eustatius en Saba om deze voorstellen met lokale vertegenwoordigers te bespreken.

Algemene opmerkingen/wezenlijke samenspraak

De meeste partijen hebben positief gereageerd op de mogelijkheid om door middel van een internetconsultatie zienswijzen naar voren te brengen. Op een aantal maatregelen (fiscale vrijstellingen voor de landbouwsector) is positief gereageerd. Zowel het CDB als het OLB geven in navolging echter aan graag in wezenlijke samenspraak te (willen blijven) kijken naar in te voeren wetgeving en graag mee te willen denken over aanpassingen in het huidige belastingstelsel op de BES eilanden na 2027. Het Ministerie van Financiën vindt het belangrijk en is bezig om deze wezenlijke samenspraak zo in te richten dat dit functioneel en effectief is en waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van de relevante partijen. Daarbij zal ook rekening worden gehouden met hetgeen via deze consultatie hierover is aangegeven.

Vastgoedbelasting: aanpassing tarief hotels van niet-natuurlijke personen

Ten aanzien van de vastgoedbelasting is bepleit om de verhoging van 11 naar 12 percent uit te stellen of om daarvan af te zien. Hierbij is vooral aangegeven dat op de BES eilanden het aantal hotelkamers relatief meer is gestegen dan de groei van het toerisme, waardoor de bezettingsgraad van hotels en resorts per saldo niet verbeterd is. Verder is aangegeven dat in de afgelopen jaren vooral de loonkosten voor werknemers zijn gestegen vanwege de verhoging van het WML waardoor werkgevers het totale loongebouw hebben aangepast.

Het kabinet heeft hiervan kennisgenomen. Echter, aan het besluit van verhoging van het tarief van de vastgoedbelasting voor hotels liggen eveneens een aantal andere overwegingen ten grondslag. In de eerste plaats is het verschil in de belastingtarieven tussen hotels in eigendom van niet-natuurlijke personen (voorgesteld op 12 percent) en niet-hotels/hotels in eigendom van natuurlijke personen (17,5 percent met een voetvrijstelling van USD 70.000) nog steeds relatief groot. Wat ook meespeelt is dat de werkelijke (ongerealiseerde) waarden van de percelen grond waar de hotels en resort op zijn gebouwd (of gebruik van maken) vanaf 2013 fors zijn gestegen en vaak meer bedragen dan de vijfjaarlijkse leggerwaarden waarop de vastgoedbelasting thans wordt berekend. Voor wat betreft het verder verkleinen van het verschil tussen hotels in eigendom van niet-natuurlijke personen en niet-hotels/hotels in eigendom van natuurlijke personen zal tevens worden onderzocht of de voetvrijstelling verhoogd kan worden en periodiek kan worden aangepast middels de tabelcorrectiefactor (via de bijstellingsregeling).

Op basis hiervan bedraagt het werkelijk rendement in het algemeen dus meer dan het huidige forfaitair rendement. Ook is reeds opgemerkt dat voor een tweejaarlijkse aanpassing is gekozen, zodat hotels en resorts in eigendom van niet-natuurlijke personen de tijd hebben de contractuele voorwaarden met externe partijen (touroperators en luchtvaartmaatschappijen) te wijzigen. Op die manier kan de kamerprijs of een pakketprijs hierop tijdig worden aangepast. Een voorgesteld alternatief om (tevens) opbrengstbelasting te heffen bij de op de BES eilanden gevestigde vaste inrichting (hotel) van een hoofdhuis gevestigd buiten de BES eilanden is lastig te realiseren. Enerzijds kan de heffing niet worden opgelegd als het hoofdhuis is gevestigd in een land of jurisdictie waar, in relatie tot de BES eilanden, een reeds bestaande regeling ter voorkoming van dubbele belasting op van toepassing is. Anderzijds kan binnen de bestaande parameters niet op korte termijn een opbrengstbelasting tussen de vaste inrichting en het hoofdhuis tot stand worden gebracht.

Fiscale eenheid in de algemene bestedingsbelasting

Voor wat betreft de ABB is de maatregel als een welkome aanvulling beoordeeld. Niettemin wordt ook gevraagd de regeling te verruimen om op die manier ook vennootschapsstructuren waar de moedermaatschappij minder dan 100 percent van de aandelen in een dochtermaatschappij in bezit heeft onder de faciliteit te brengen. Het kabinet heeft ervoor gekozen de 100 percent-voorwaarde te blijven hanteren om vooral uitvoeringsproblemen te voorkomen. Daaraan ligt ten grondslag dat op de BES eilanden aandelen niet verplicht hoeven te worden overgedragen met tussenkomst van een notaris. Partijen kunnen zelf (onderhands) aandelen verkopen en juridisch leveren. Voor de Belastingdienst zou het vrijwel onmogelijk zijn om alle belangen van moedermaatschappijen in dochtermaatschappijen continue te (blijven) controleren.

Voor de 100 percent-voorwaarde is overigens ook gekozen omdat de Arubaanse regeling op dit punt conform is en in Aruba in de uitvoering, door de 100 percent-voorwaarde te hanteren, juist weinig noemenswaardige problemen spelen in de uitvoering van dezelfde regeling aldaar.

Bezorgen van dwangschriften per post

Er zijn zorgen geuit dat de terpostbezorging van dwangschriften door de gebrekkige algemene postdiensten op de BES eilanden de rechtszekerheid van belastingschuldigen kan ondermijnen.

Het kabinet merkt op dat de strekking van deze zogenoemde bureaubetekening vooral is bedoeld om de doelmatigheid en de efficiëntie van de invordering te verbeteren en de ontvanger een eenvoudigere wijze van verzending aan te bieden. Op geen enkele wijze wil het kabinet afbreuk doen aan de rechten die belastingschuldigen hebben. Door actief opvolging te blijven geven aan verstuurde dwangschriften en om belastingschuldigen altijd hulp aan te bieden, meent het kabinet de zorgen hierover voldoende weg te kunnen nemen.

Stilhouden motorrijtuigen

Uit de reacties op het wetsvoorstel komt ook naar voren dat de regeling rondom het stilhouden van een voertuig om een dwangschrift ten uitvoer te leggen niet altijd op instemming kan rekenen; vooral vanwege de gebruiksfunctie van een auto op de BES eilanden. De regeling is echter identiek aan de Europees Nederlandse regeling3 waarbij de functie van een auto, alsmede het gebruik ervan, volgens het kabinet niet wezenlijk anders is. De regeling is op verzoek van de Belastingdienst in dit wetsvoorstel opgenomen, omdat zij deze (vaak) essentiële bevoegdheid juist niet had om belastingschulden beter te kunnen invorderen.

Inkomstenbelasting: vervallen toerekening zuiver inkomen aan echtgenoot met hoogste inkomen

In de reacties uit de internetconsultatie komt naar voren dat niet iedereen de noodzaak ziet waarom de toerekening van het zuiver inkomen aan de echtgenoot dient te vervallen.

Zoals eerder aangegeven heeft het kabinet signalen vanuit de Belastingdienst ontvangen dat de regeling ongelukkig kan uitvallen, met name in het geval waar een huwelijk wordt ontbonden. De nadelige effecten van de maatregel treffen vooral de echtgenoot met het laagste inkomen. Daarom is ervoor gekozen dit te laten vervallen.

Eindheffing auto’s in de loonbelasting

Er zijn meerdere reacties binnengekomen met betrekking tot de voorgestelde invoering van een eindheffing voor auto’s. Onder andere is een aantal keer de vergelijking met Nederland gemaakt met betrekking tot veel strakkere regels rondom privégebruik van auto’s op de BES eilanden in vergelijking met Nederland. Het kabinet heeft in goede samenspraak met betrokkenen en de Belastingdienst, onderzocht of het mogelijk is om – net als in Nederland – een vrije ruimte in te voeren voor privégebruik van de auto. Het onderzoek leidt tot de conclusie dat invoering van een dergelijke vrije ruimte voor de BES eilanden vanuit administratief en uitvoeringstechnisch oogpunt niet haalbaar is. Om in aanmerking te komen voor de vrije ruimte moet de werknemer kunnen aantonen dat er per kalenderjaar niet meer dan het aantal vrijgestelde kilometers privé wordt gereden. In Nederland is een door de Belastingdienst afgegeven «verklaring geen privégebruik auto» in combinatie met het bijhouden van een rittenadministratie daarvoor de meest voor de hand liggende methode. Het nadeel van een rittenadministratie is dat deze doorgaans tijdrovend en foutgevoelig is. Elke rit moet nauwkeurig worden bijgehouden, inclusief o.a. kilometerstanden, datum, vertrek- en aankomstadres en het doel van de rit. Vergeten een rit te noteren of iets verkeerd invullen kan leiden tot problemen bij een belastingcontrole met risico op naheffing en boetes. Kortom, bij de invoering van een vrije ruimte is er een significant effect op het doenvermogen van werkgevers en werknemers te verwachten.

Daarnaast is het niet onwaarschijnlijk dat deze optie als onuitvoerbaar wordt beschouwd voor de Belastingdienst. Het afgeven van een «verklaring geen privégebruik auto», geeft aanzienlijke druk op de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst in Caribisch Nederland. Er moet een nieuwe beschikking worden geïntroduceerd, waarvoor een nieuw proces moet worden ingericht. Dit leidt tot aanzienlijke systeemaanpassingen bij de Belastingdienst.

Ook zijn er bij de invoering van een vrije ruimte gevolgen voor de handhaafbaarheid. De Belastingdienst moet meer controles uitvoeren hetgeen leidt tot een aanzienlijke toename van de uitvoeringslasten. De Belastingdienst heeft daar momenteel geen capaciteit voor en het is tevens niet de verwachting dat daar op korte termijn capaciteit voor vrij kan worden gemaakt.

Het is wel mogelijk om een goedkeuring af te geven voor auto’s die zijn ingericht voor bepaalde diensten en uiterlijk als zodanig herkenbaar zijn en voor het privégebruik van auto’s tijdens zogenoemde wacht- en piketdiensten. Deze goedkeuringen zullen in het Handboek Loonheffingen worden uitgewerkt. Daarbij zal worden gekeken of dit per 1 januari 2027 in werking kan treden.

Ook wordt in één van de reacties gevraagd of in plaats van de nieuwwaarde – net als in Nederland – de catalogusprijs kan worden gebruikt. Voor de heffing van BPM wordt in de Wet BPM aangesloten bij het begrip catalogusprijs. De catalogusprijs kan worden omschreven als de in Nederland door de fabrikant of importeur publiekelijk kenbaar gemaakte prijs van de auto. In Nederland fungeert de catalogusprijs (inclusief BTW en BPM) tevens als objectief bepaalbare grootheid voor het bepalen van het voordeel wegens privégebruik auto.

Voor de BES eilanden zijn geen officiële door de fabrikant of importeur vastgestelde prijslijsten beschikbaar. Tegelijkertijd worden er op de BES eilanden ook auto’s ingevoerd die op de Nederlandse prijslijsten niet beschikbaar zijn. Het gebruik van de catalogusprijs op de BES zou slechts in een beperkt aantal gevallen leiden tot een objectief bepaalbare grootheid waarvan het voordeel wegens privégebruik auto kan worden afgeleid en ligt om die reden niet voor de hand. Daarnaast kent Nederland een online database van de Dienst Wegverkeer (RDW). De RDW legt in deze database de catalogusprijzen vast van auto’s die vanaf 1 januari 2005 voor het eerst zijn geregistreerd. De BES eilanden kennen geen vergelijkbare database waar deze catalogusprijzen uit zouden kunnen worden gehaald. Overigens zijn uit de praktijk geen signalen bekend dat het bepalen van de nieuwwaarde tot onoverkomelijke situaties leidt.

Verder wordt in één van de reacties een opmerking gemaakt over de aard van de werkzaamheden. Het doorlopend afwisselend gebruik dient direct verband te houden met de aard van de werkzaamheden. Dit zal veelal samenhangen met de (noodzakelijke) organisatie van de werkzaamheden. Doorlopend afwisselend gebruik dat niet direct samenhangt met de aard van de werkzaamheden, bijvoorbeeld op basis van onderlinge afspraken tussen werknemers zonder dat de werkzaamheden aanleiding geven voor het afwisselend gebruik van de auto’s, is geen grond voor toepassing van de eindheffing.

Invoeren werkkostenregeling of soortgelijk instrument

RCN vraagt naar de mogelijkheid om op de BES eilanden een werkkostenregeling (WKR) of soortgelijk instrument in te voeren. De WKR is een instrument waarmee bij wijze van uitzondering de loonbelasting niet van de werknemer wordt geheven, maar van de inhoudingsplichtige in de vorm van een eindheffing voor zover het in de wet bedoelde eindheffingsbestanddelen betreft. Hierdoor verschuift de belastingplicht van de werknemer naar de werkgever. Op basis van de WKR zoals die in Nederland geldt, mag een inhoudingsplichtige een percentage van de totale fiscale loonsom – de vrije ruimte – besteden aan onbelaste vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen voor zijn werknemers. Voor de berekening van de vrije ruimte geldt een tweeschijvenstelsel. Tot en met het fiscale loon van € 400.000 bedraagt voor 2025 de vrije ruimte 2,00%. Over het meerdere van het fiscale loon bedraagt de vrije ruimte 1,18%. Daarnaast kan een inhoudingsplichtige bepaalde zaken onbelast vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen door gebruik te maken van gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen. Indien de vrije ruimte wordt overschreden, betaalt de inhoudingsplichtige 80% eindheffing over de overschrijding. De WKR biedt dus slechts beperkte ruimte voor belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen; het is geen ruimhartige regeling op basis waarvan allerhande vergoedingen en verstrekkingen onbelast gegeven kunnen worden. Op overschrijding van de vrije ruimte staat een relatief hoge heffing bij de inhoudingsplichtige. Aan het vrijstellen van bepaalde loonbestanddelen zijn voorwaarden verbonden die voor de werkgever leiden tot administratieve lasten, bijvoorbeeld door het nemen van extra beheersmaatregelen die het risico dat over een vergoeding of verstrekking ten onrechte geen loonheffingen worden betaald moet beperken. Overigens is in Nederland de WKR recentelijk geëvalueerd. Daaruit kwam naar voren dat de WKR als systeem maar deels doelmatig is en dat vooral de complexiteit en de daarbij behorende administratieve lasten voor werkgevers en de Belastingdienst een groot aandachtspunt zijn.

Wetgeving voor een dergelijke regeling betreft een omvangrijke opgave. Ook met betrekking tot de uitvoering is het voor zowel werkgevers als voor BCN een zeer grote uitdaging, zoals zelfs in Nederland al te zien is. Daarmee staat een WKR haaks op de uitgangspunten van fiscale wetgeving op de BES eilanden. Die moet immers eenvoudig en uitvoerbaar zijn.4 Daarnaast neemt het invoeren van een dergelijke regeling veel tijd in beslag (ter vergelijking: in Nederland was er maar liefst vier jaar overgangsrecht van toepassing waarbij gedurende deze periode voor toepassing van een van beide regimes kon worden gekozen). Een WKR of soortgelijk instrument wordt door het kabinet daarom als niet wenselijk gezien voor de BES eilanden.

Gebruikelijk loon in de loonbelasting

De gebruikelijkloonregeling houdt in dat een aanmerkelijkbelanghouder wordt geacht een loon te krijgen dat normaal is voor het niveau en de duur van zijn arbeid. Een van de maatstaven hiervoor is het normbedrag. Dit normbedrag is van belang voor de verdeling van het bewijs bij toepassing van de gebruikelijkloonregeling. Als de DGA en de inspecteur beiden niet, of onvoldoende kunnen bewijzen wat de hoogte is van het gebruikelijk loon wordt dit loon op het normbedrag vastgesteld. Dit normbedrag wordt sinds 2024 gesteld op een bedrag dat gelijk is aan tweemaal de belastingvrije som, bedoeld in artikel 24, tweede lid, Wet IB BES. Zoals hierna in de artikelsgewijze toelichting wordt aangegeven is dit normbedrag, doordat de BVS ook als inkomensinstrument wordt gebruikt om de koopkracht van inwoners op de BES eilanden te verbeteren fors gestegen. Hierdoor is het niet langer wenselijk de BVS aan de bepaling van het normbedrag te koppelen.

Met het loslaten van de koppeling aan de BVS wordt het normbedrag voor de gebruikelijkloonregeling enkel afhankelijk van de ontwikkeling van het gewogen gemiddelde van de prijsindexcijfers van de openbare lichamen (tabelcorrectiefactor) en zal de jaarlijkse stijging van het normbedrag naar verwachting aanzienlijk afvlakken. Het normbedrag komt daarmee meer in lijn met het normbedrag van de gebruikelijkloonregeling in Nederland. Het huidige niveau van het normbedrag zorgt voor een betere balans in de verdeling van de bewijslast tussen inspecteur en DGA. Een normbedrag gelijk aan eenmaal de belastingvrije som, gecombineerd met het nog immer lage tarief van de opbrengstbelasting, zal ervoor zorgen dat die balans wordt verstoord. De gebruikelijkloonregeling biedt de DGA met een geringe winst onverminderd de mogelijkheid aannemelijk te maken dat een gebruikelijk loon voor hem lager moet zijn dan het normbedrag.

9. Doelmatigheid, doeltreffendheid en evaluatie

De maatregelen in dit wetsvoorstel zijn onderdeel van een breder pakket aan (vooral technische) maatregelen dat als doel heeft om de fiscale wetgeving op de BES eilanden te moderniseren en te verbeteren, alsmede enkele knelpunten in de uitvoering op te lossen. Deze technische wijzigingen dragen bij aan dat doel en zijn daarmee doelmatig en doeltreffend. Een tweetal maatregelen worden nader toegelicht.

Fiscale eenheid voor de algemene bestedingsbelasting

Dit wetsvoorstel bevat een regeling op grond waarvan een moedermaatschappij met haar dochtermaatschappij(en) een fiscale eenheid voor de ABB kan aangaan. Deze regeling wordt vooral voorgesteld om ongewenste cumulatie in de ABB te voorkomen ten aanzien van interne prestaties binnen de onderneming: tussen de moeder- en dochtermaatschappij, en tussen dochtermaatschappijen onderling. Deze regeling is op verzoek van ondernemers op de BES eilanden tot stand gekomen. Weliswaar zijn er mogelijkheden voor deze ondernemers om cumulatie van ABB op interne prestaties te voorkomen, maar deze alternatieven werken niet altijd goed uit voor alle mogelijk interne prestaties (overeenkomsten voor kosten voor gemene rekening, partageovereenkomsten, «rental pool»-overeenkomsten), dan wel zijn de overige alternatieven (het vormen van een v.o.f. of een C.V. tussen N.V.’s en B.V.’s omslachtig, gekunsteld en brengt het onnodige kosten voor ondernemers mee. Voor wat betreft de regeling heeft het kabinet vooral een inschatting gemaakt hoeveel ondernemers op de BES eilanden een fiscale eenheid zouden kunnen aangaan. Voor die inschatting is allereerst het aantal operationele N.V.’s en B.V.’s op de BES eilanden vergeleken met het aantal DGA’s die op de BES eilanden wonen of gevestigd zijn. Vervolgens is beoordeeld hoewel ondernemersstructuren de fiscale eenheid zouden willen gebruiken. Hierbij is vooral geconcludeerd dat het die ondernemers betreft die in de uitoefening van de onderneming gebruikmaken van onroerende zaken (hotels en resorts, supermarkten, detailhandel) en die deze om juridische redenen vennootschappelijk afscheiden van de exploitatie van de onderneming. Aangezien een aantal van de geïdentificeerde DGA’s die van het voorgestelde fiscale eenheidsregime in de ABB gebruik zullen maken meerdere vennootschappen bezitten, rekent het kabinet erop dat 100 tot 150 fiscale eenheidsverzoeken een reële inschatting is.

Het kabinet heeft ook laten meewegen hoe de regeling voor de Belastingdienst uitpakt. De Belastingdienst zal immers beschikkingen moeten afgeven en initieel moeten toetsen of aan de voorwaarde voor het vormen van een fiscale eenheid wordt voldaan. Dat vergt meer inspanning en leidt tot hogere uitvoeringskosten. Aan de andere kant zullen minder inhoudingsplichtigen per kwartaal aangifte ABB doen, omdat de moedermaatschappij dit namens de dochtermaatschappijen zal doen. In dat kader is overwogen of een alternatieve regeling kan worden voorgesteld die minder druk legt op de uitvoering en wellicht minder kosten met zich brengt. Daar is uiteindelijk niet voor gekozen, vooral omdat controle achteraf eveneens druk op de (kosten voor de) uitvoering legt, maar belangrijker is dat de thans gekozen wijze de mogelijkheden voor de ontvanger verbetert om achteraf onterecht niet aangegeven en afgedragen ABB beter en sneller te kunnen invorderen.

Tegen die achtergrond is het huidige voorstel om een fiscale eenheid voor de ABB in te voeren doelmatig en doeltreffend. De fiscale eenheidsregeling waarbij inhoudingsplichtigen vooraf een beschikking aanvragen bij de Belastingdienst is een efficiënt, functioneel en praktische oplossing om ongewenste cumulatie tegen te gaan, en voorts ondernemerskosten te besparen. Het bereikt eveneens het gewenste en door vertegenwoordigers van de BES eilanden verzochte doel, te weten het verminderen van ondernemerslasten en het verbeteren van de rechtszekerheid ten aanzien van de cumulatie van ABB. De onderhavige maatregel is in dat kader doeltreffend en doelmatig.

Deze regeling zal niet inhoudelijk worden geëvalueerd, maar wel zal worden bijgehouden hoeveel ondernemers op de BES eilanden een beschikking fiscale eenheid ABB aanvragen in het eerste en tweede jaar.

Eindheffingsregeling in de loonbelasting

Tevens bevat dit wetsvoorstel een maatregel om een eindheffing te introduceren in de loonbelasting voor het loon ter zake van een door een inhoudingsplichtige aan een of meer werknemers ter beschikking gestelde auto, indien die auto in verband met de aard van het werk doorlopend afwisselend door twee of meer werknemers wordt gebruikt. Momenteel bestaat deze keuzemogelijkheid niet en moet de werknemer doen blijken dat de auto niet privé wordt gebruikt, bijvoorbeeld door het bijhouden van een kilometeradministratie. Indien deze administratie niet, dan wel niet op de juiste wijze wordt bijgehouden, dient de auto te worden bijgeteld als loon bij de werknemer. Het doel van de nieuwe maatregel is om de administratieve lasten voor de werknemer en werkgever te verlichten. Door de werkgever de mogelijkheid te geven om de auto in de eindheffing te betrekken wordt dat doel naar verwachting bereikt, daarom is de maatregel doeltreffend. Omdat de regeling relatief eenvoudig in te voeren is en goed uitvoerbaar is, is deze maatregel ook doelmatig.

De maatregelen in dit wetsvoorstel zullen niet worden geëvalueerd. De reden is dat het in dit wetsvoorstel vooral om technische wijzigingen gaat.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

Artikel I, onderdeel A (artikel 4.9 van de Belastingwet BES)

Via de vastgoedbelasting worden op de BES eilanden voordelen uit onroerende zaken belast. Het voordeel, dat volgens een wettelijke fictie 4 percent van de waarde van de onroerende zaak bedraagt, wordt als hoofdregel belast tegen een tarief van 17,5 percent. Hierdoor geldt voor zover de waarde van de onroerende zaak daadwerkelijk in de heffing wordt betrokken een effectieve belastingdruk van 0,7 percent. In het Belastingplan 2013 is voor hotels (voor zover het genot ervan op grond van eigendom, bezit of beperkt recht berust bij een niet-natuurlijk persoon) een verlaagd tarief van 10 percent ingevoerd met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011. Tot en met 2024 bedroeg de effectieve belastingdruk voor deze belastingplichtigen dus 0,4 percent. De achtergrond van deze tariefsverlaging was dat de hotelsector beschikt over omvangrijke onroerende zaken die vanwege de ligging (vaak aan of met uitzicht op de zee, en een gunstige windligging) veelal een zeer hoge waarde hebben, terwijl het werkelijke behaalde rendement (winstgevendheid) in die periode geen gelijke tred hield met het forfaitair rendement. Het toerisme op de BES eilanden, vooral op Bonaire, is in de afgelopen tien jaar echter fors toegenomen. Juist deze sector is een van de weinige bedrijvigheden die zeer succesvol is. De hogere vastgoedbelasting voor hotels van natuurlijke personen en vastgoed in gebruik voor andere doeleinden (winkels, kantoren, tweede woning) ten opzichte van het lagere tarief voor overige hoteleigenaren, is niet meer te rechtvaardigen.

Tegen deze achtergrond is per 2025 begonnen om deze ongelijkheid tussen de verschillende groepen eigenaren geleidelijk te verkleinen. Om rekening te houden met de omstandigheid dat de hotelsector vaak aan meerjarige contracten gebonden is (met bijvoorbeeld touroperators of luchtvaartmaatschappijen) wordt stapsgewijs een verhoging van het tarief ingevoerd. Om die reden is het verlaagde tarief van de vastgoedbelasting op 1 januari 2025 verhoogd van 10 percent naar 11 percent. Het kabinet stelt daarom voor per 2027 het verlaagde tarief te verhogen van 11 naar 12 percent. Hierdoor zal voor een hoteleigenaar (niet-natuurlijk persoon) de effectieve belastingdruk stijgen van 0,44 percent van de waarde van de op de BES eilanden gelegen onroerende goederen (11 percent van 4 percent) naar 0,48 percent van deze waarde (12 percent van 4 percent).

Artikel I, onderdeel B (artikel 6.8a van de Belastingwet BES)

Het voorgestelde artikel 6.8a, eerste lid, van de Belastingwet BES regelt op gezamenlijk verzoek een beperkte fiscale eenheid in de ABB tussen moeder- en dochtermaatschappijen. Een voordeel van een fiscale eenheid is dat onderlinge (interne) transacties tussen deze BES ondernemers of producenten die voldoen aan de criteria niet (meer) met ABB worden belast. Het vormen van een fiscale eenheid leidt ertoe dat er geen ABB wordt geheven tussen de moedermaatschappij en haar dochtermaatschappijen. Vooral voor de prijzen die eindgebruikers betalen voor diensten of producten waarbij de leden van de fiscale eenheid zijn betrokken kan de regeling een kostprijsverlagend effect hebben. Een bijkomend administratief voordeel van de fiscale eenheid is dat alleen de moedermaatschappij een aangifte voor de ABB hoeft in te dienen in plaats van dat elke vennootschap afzonderlijk een aangifte ABB indient. Daar staat tegenover dat het vormen van de fiscale eenheid voor de ABB wel betekent dat de dochtermaatschappij hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de niet afgedragen belasting door de moedermaatschappij.

Een fiscale eenheid is alleen mogelijk tussen vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal (N.V.’s, B.V.’s, en andere vennootschappen waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld), die op de BES eilanden zijn gevestigd en kwalificeren als producent of BES ondernemer voor de ABB. Hierbij dient de moedermaatschappij zowel juridisch als economisch direct alle (100 percent van de) aandelen van de dochtermaatschappij of dochtermaatschappijen te bezitten. Andere ondernemings- of samenwerkingsvormen, zoals een eenmanszaak, een C.V., doelvermogens of v.o.f. kunnen geen deel uitmaken van een fiscale eenheid dan wel een fiscale eenheid vormen. Ook stichtingen, stichtingen particulier fonds en verenigingen zijn van deelname in een fiscale eenheid voor de ABB uitgesloten. In die zin is de regeling dus beperkter dan de gelijkluidende regeling onder de Wet OB 1968. De belasting wordt geheven bij de moedermaatschappij. Om praktische en uitvoeringstechnische redenen kunnen leden van de fiscale eenheid er niet voor kiezen om de belasting te laten voldoen door één van de dochtermaatschappijen.

Aanvraag en beëindiging fiscale eenheid

Het voorgestelde artikel 6.8a, tweede lid, van de Belastingwet BES regelt dat slechts op schriftelijk verzoek vennootschappen die aan de voorwaarden voldoen als één ondernemer (de fiscale eenheid) worden aangemerkt. Hierdoor blijven onderlinge prestaties tussen de moeder- en de dochtermaatschappij, alsmede tussen meerdere dochtermaatschappijen, buiten de heffing van ABB. In tegenstelling tot de regeling onder de Wet OB 1968 vloeit het bestaan van een fiscale eenheid niet van rechtswege uit de feiten voort. Alle betrokken vennootschappen die willen deelnemen in een fiscale eenheid zullen hiervoor een gezamenlijk schriftelijk verzoek moeten indienen bij de Belastingdienst. De inspecteur beslist ingevolge het voorgestelde artikel 6.8a, tweede lid, van de Belastingwet BES op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Er kan alleen sprake van een fiscale eenheid zijn indien de inspecteur een daartoe strekkende beschikking neemt. De Belastingdienst kan niet op eigen initiatief («van rechtswege») een fiscale eenheid voor de ABB aannemen of vaststellen.

De fiscale eenheid bestaat vanaf de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beschikking door de inspecteur is afgegeven. Het gevolg van deze beschikking is dat de moedermaatschappij belastingplichtig wordt (of blijft). De dochtermaatschappij hoeft dan geen periodieke aangifte ABB meer in te dienen. Alle leden van de fiscale eenheid kunnen daarentegen wel hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de volledige ABB-schuld van de fiscale eenheid; ongeacht bij welke vennootschap die schuld ontstaat.

Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het bestaan van een fiscale eenheid (waaronder 100 percent aandelenbelang van de moeder- in de dochtermaatschappij) bestaat de fiscale eenheid in beginsel niet meer vanaf die dag. Dat zal vooral het geval zijn indien de moedermaatschappij een deel van (of alle) aandelen verkoopt, dan wel indien de moeder- of dochtermaatschappij ophoudt te bestaan en vervolgens wordt ontbonden, of de moeder- of dochtermaatschappij niet meer op de BES eilanden is gevestigd. Op dat moment zullen de overige leden van de fiscale eenheid (de dochtermaatschappijen) weer zelfstandig ABB-plichtig worden.

Vanwege het niet melden van relevante wijzigingen in de eigendomsverhoudingen van de dochtermaatschappij(en) kan dan ook de niet-afgedragen ABB worden nageheven en kan zowel op grond van de artikelen 8.23 en 8.26 van de Belastingwet BES ten aanzien van de niet-aangegeven en afgedragen ABB een verzuim- of vergrijpboete worden opgelegd. De aansprakelijkheid voor ABB-schulden blijft ook in stand totdat het verbreken van de fiscale eenheid aan de inspecteur is gemeld. Zolang dit niet gebeurt blijven de afzonderlijke leden van de fiscale eenheid (de dochtermaatschappijen) dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de ABB-schuld van de fiscale eenheid. De inspecteur geeft op de hier bedoelde (af)melding geen beschikking af. Dat betekent dat de eventuele bevestiging van de afmelding door de inspecteur geen rechtsingang biedt voor bezwaar.

In het voorgestelde artikel 6.8a, derde lid, van de Belastingwet BES wordt een delegatiebepaling opgenomen op grond waarvan bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld ter zake van de vorming, wijziging en beëindiging van de fiscale eenheid. Op basis daarvan zal worden voorgesteld om de fiscale eenheid te laten ingaan met ingang van de maand waarin het verzoek is ingediend. Wijzigingen in de samenstelling van de eenheid zullen eveneens aanvangen met ingang van de maand waarin het verzoek is ingediend. Ook zal worden voorgesteld de fiscale eenheid niet te laten vervallen met ingang van de dag waarin niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan, maar pas aan het begin van de volgende maand waarin niet meer aan de voorwaarden van het vormen van een fiscale eenheid wordt voldaan. Voor de heffing van ABB eindigt de fiscale eenheid van rechtswege en de leden van de fiscale eenheid zullen dit dan ook tijdig en schriftelijk aan de Belastingdienst moeten melden. Ook ten aanzien van dit voornemen wordt voorgesteld hierover bij ministeriële regeling nadere regels op te nemen.

Artikel I, onderdeel C (artikel 6.11 van de Belastingwet BES)

Ten aanzien van het vergroten van de zelfredzaamheid van de openbare lichamen neemt de lokale landbouw een centrale positie in. Die positie wordt steeds belangrijker. Een van de doelstellingen van het kabinet is dat rond 2030 de landbouw meer structureel kan bijdragen aan de lokale voedselvoorziening en economie. Hiervoor worden alternatieven en innovaties gestimuleerd, zodat er een transitie wordt bereikt naar een natuur-inclusieve economie. Om dat doel te steunen wil het kabinet, mede op verzoek van vertegenwoordigers van de BES eilanden, een aantal fiscale belemmeringen weghalen. De vrijstelling opgenomen in het voorgestelde artikel 6.11, eerste lid, onderdeel aa, van de Belastingwet BES stelt om die reden de levering vrij van goederen die lokaal worden geproduceerd en bedrijfsmatig worden aangewend in de uitoefening van landbouw (waaronder de zogenoemde techniek van aquaponics), veehouderij, tuinbouw of visserij. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om de productie van een hekwerk om een perceel grond af te bakenen. Hiermee wordt de productie en levering van deze goederen gelijkgesteld met de invoer van dezelfde producten. Die zijn namelijk wel van de heffing van ABB (bij invoer) vrijgesteld.

Artikel I, onderdeel D (artikel 7.4 van de Belastingwet BES)

Het grotere belang van de landbouw speelt ook in de sfeer van de overdrachtsbelasting. Naast de eerdergenoemde vrijstelling in de ABB wil het kabinet ook de overdracht van ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond vrijstellen. Hiervoor wordt voorgesteld een vrijstelling op te nemen in artikel 7.4, eerste lid, onderdeel h, van de Belastingwet BES. Deze regeling stelt de overdracht vrij van grond, daaronder eveneens begrepen de rechten van erfpacht daarop, die bedrijfsmatig worden aangewend in de uitoefening van landbouw.

In het voorgestelde artikel 7.4, derde lid, van de Belastingwet BES is een definitie opgenomen van cultuurgrond. Onder cultuurgrond wordt verstaan grond die bestemd is voor een aantal vormen van landbouw, zoals veeteelt, akkerbouw, tuinbouw. Ook de ondergrond van opstanden die worden gebruikt voor de diverse technieken als hydrocultuur, aquacultuur of een combinatie daarvan valt onder de definitie van cultuurgrond. Hierbij is ook beoogd de techniek van aquaponics om voedsel te verbouwen onder de vrijstelling te scharen.

Artikel I, onderdeel E (artikel 8.20 van de Belastingwet BES)

De voorgestelde wijzigingen van artikel 8.20, vierde lid, Belastingwet BES betreffen een taalkundige verbetering en, in onderdeel b, het opnemen van een verwijzing naar artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES. Artikel 8.20, vierde lid, onderdeel b, van de Belastingwet regelt dat de inspecteur geen ambtshalve vermindering, ontheffing of teruggaaf verleent, als niet is voldaan aan de in dat onderdeel genoemde verplichtingen. Artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES verplicht de inhoudingsplichtige jaarlijks een verzamelloonstaat in te dienen met daarin per werknemer de gegevens die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Met de voorgestelde wijziging wordt beoogd te regelen dat de inspecteur geen ambtshalve vermindering, ontheffing of teruggaaf verleent als de inhoudingsplichtige niet heeft voldaan aan de verplichting een verzamelloonstaat in te dienen. Deze wijziging houdt eveneens verband met het voorstel tot het laten vervallen van artikel 8.87, derde lid, van de Belastingwet BES waarin een vergelijkbare verplichting voor de inhoudingsplichtige is opgenomen, welk voorstel hierna wordt toegelicht. Tot een inhoudelijke wijziging leidt dit niet.

Artikel I, onderdeel F (artikel 8.24 van de Belastingwet BES)

Artikel 8.24, eerste lid, van de Belastingwet BES regelt dat de inspecteur ter zake van bepaalde verzuimen een boete van ten hoogste USD 2.800 kan opleggen. De verzuimen die op basis van het huidige artikel 8.24, eerste lid, van de Belastingwet BES beboetbaar zijn, betreffen het door een administratieplichtige niet, niet tijdig of niet volledig verstrekken van de opgave, bedoeld in artikel 8.87, tweede en derde lid, van de Belastingwet BES. Artikel 8.24, tweede lid, van de Belastingwet BES regelt de termijn waarbinnen de inspecteur een dergelijke boete kan opleggen.

De voorgestelde wijziging van artikel 8.24 van de Belastingwet BES houdt verband met de in artikel I, onderdeel K, van dit wetsvoorstel voorgestelde wijziging van artikel 8.87 van de Belastingwet BES.

Op grond van het voorgestelde artikel 8.24, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Belastingwet BES blijft het niet voldoen aan de verplichting op grond van artikel 8.87, tweede lid, van die wet een beboetbaar verzuim. Met artikel I, onderdeel L, van dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om artikel 8.87, derde lid, van de Belastingwet BES te laten vervallen. Artikel 8.87, derde lid, van de Belastingwet BES ziet op het jaarlijks indienen van een verzamelloonstaat met daarin per werknemer de gegevens die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. De verplichting jaarlijks een verzamelloonstaat in te leveren is eveneens opgenomen in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES. In het voorgestelde artikel 8.24, eerste lid onderdeel b, van de Belastingwet BES is daarom een verwijzing naar artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES opgenomen in plaats van een verwijzing naar artikel 8.87, derde lid, van de Belastingwet BES. Hiermee blijft ook het niet voldoen aan de verplichting tot het inleveren van een verzamelloonstaat een verzuim waarvoor de inspecteur een bestuurlijke boete kan opleggen.

De in het voorgestelde artikel 8.24, tweede lid, onderdeel a, van de Belastingwet BES opgenomen termijn van vier jaar sluit aan bij de uitvoeringspraktijk waarin doorgaans eerst bij een boekenonderzoek wordt geconstateerd dat de administratieplichtige niet heeft voldaan aan de verplichting om binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar een opgave te verstrekken over derden die in dat kalenderjaar werkzaamheden of diensten hebben verricht. Deze boekenonderzoeken worden niet zelden later dan één jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de verplichting is ontstaan ingesteld. Dat rechtvaardigt de voorgestelde termijn van vier jaar. De in het voorgestelde artikel 8.24, tweede lid, onderdeel b, van de Belastingwet BES opgenomen termijn van een jaar biedt de inspecteur wel voldoende tijd voor het opleggen van een verzuimboete, omdat dit verzuim eenvoudig te constateren is in de systemen van de Belastingdienst. Vooral omdat een inhoudingsplichtige als zodanig geregistreerd is bij de Belastingdienst, kan uit het computersysteem op eenvoudige wijze worden afgeleid of de werkgever aan de verplichting tot het inleveren van een verzamelloonstaat heeft voldaan. Daarentegen is het voor de inspecteur niet steeds op voorhand duidelijk of een inhoudingsplichtige (als administratieplichtige) die in enig jaar betalingen aan derden-niet-werknemers doet dergelijke betalingen heeft gedaan en daarom de verplichting heeft een opgaaf van dergelijke betalingen te doen.

Artikel I, onderdeel G (artikel 8.47 van de Belastingwet BES)

Artikel 8.47 van de Belastingwet BES geeft regels over de inhoud waaraan een dwangschrift moet voldoen, zodat het voor belastingschuldige duidelijk wordt aan wie het dwangschrift is gericht, op welke schuld het dwangschrift betrekking heeft en op welke wettelijke grondslagen het dwangschrift berust. Voorgesteld wordt om aan de belastingschuldige duidelijker te maken dat tegen het dwangschrift in verzet kan worden gekomen door dit expliciet op het dwangschrift te vermelden. De regels over verzet zijn in artikel 8.53 van de Belastingwet BES opgenomen.

Artikel I, onderdeel H (artikel 8.48 van de Belastingwet BES)

In artikel 8.48, eerste lid, van de Belastingwet BES is voor wat betreft het betekenen van dwangschriften aangesloten bij de wijze van betekenen op de voet van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES (Wetboek BRv BES). Uitgangspunt daarbij is een persoonlijk contact tussen de belastingdeurwaarder en degene aan wie een exploot moet worden betekend. Indien een persoonlijk contact niet mogelijk blijkt, kan toch een rechtsgeldige betekening plaatsvinden op basis van artikel 2, eerste lid, Wetboek BRv BES.

Het voorgestelde artikel 8.48, tweede lid, van de Belastingwet BES biedt een extra mogelijkheid met betrekking tot de wijze van betekenen van een dwangschrift met bevel tot betaling. Hierbij wordt op twee punten afgeweken van de huidige wijze van betekenen: enerzijds van het uitgangspunt van persoonlijk contact en anderzijds van de tot nog toe gebruikelijke betekening door de belastingdeurwaarder. In het voorgestelde artikel 8.48, tweede lid, van de Belastingwet BES wordt ook de ontvanger aangewezen die een dwangschrift (samen met het bevel tot betaling) kan betekenen door middel van bezorgen ervan per post. Overigens vaardigt ook nu al de ontvanger een dwangschrift uit en beslist de ontvanger of (en wanneer) het dwangschrift moet worden betekend. Het inschakelen van een deurwaarder heeft bij de normale postbezorging echter geen toegevoegde waarde. Nu het uitvaardigen en het besluit over het al dan niet betekenen al bij de ontvanger ligt, is het logischer dat de bezorging per post dan ook door (of namens) de ontvanger zal gebeuren. Indien het dwangschrift wordt uitgevoerd is in het voorgestelde artikel 8.48, tweede lid, tweede zin, van de Belastingwet BES geregeld dat de betekening van het bevel tot betaling geacht wordt te zijn betekend door de belastingdeurwaarder. Deze fictie is noodzakelijk omdat bij de tenuitvoerlegging op grond van artikel 8.48 van de Belastingwet BES wordt bedoeld de tenuitvoerlegging met toepassing van het Wetboek BRv BES. Bij diverse vormen van tenuitvoerlegging met toepassing van die wet wordt vereist dat eerst een bevel tot betaling wordt betekend. Deze betekening dient op grond van het Wetboek BRv BES te geschieden door de deurwaarder.

Het voorgestelde artikel 8.48, tweede lid, derde zin, van de Belastingwet BES bepaalt wat moet blijken uit de ongeopende ter post te bezorgen envelop die het afschrift van het dwangschrift en het bevel tot betaling bevat. Met deze bepaling wordt bereikt dat in gevallen waarin per post wordt betekend, dezelfde voorschriften met betrekking tot de uit de envelop af te leiden informatie in acht worden genomen als die ingevolge artikel 2, eerste lid, Wetboek BRv BES in samenhang met artikel 8.48, eerste lid, van de Belastingwet BES gelden. Het betreft de gevallen waarin geen afschrift kan worden afgegeven aan de belastingschuldige in persoon of een huisgenoot. De geadresseerde zal door deze vermelding aangespoord worden kennis te nemen van de inhoud van de envelop en vervolgens contact op te nemen met de ontvanger. De gekozen formulering maakt het overigens mogelijk dat gebruik wordt gemaakt van zogenaamde vensterenveloppen. Aangezien het ter post bezorgen van een afschrift van het dwangschrift met bevel tot betaling dezelfde rechtsgevolgen heeft als de klassieke wijze van betekenen, geldt voor het voorgestelde artikel 8.48, tweede lid, van de Belastingwet BES als datum van betekening de dag waarop de stukken ter post worden bezorgd, waarbij de datumstempel op de envelop in beginsel leidend is. In de nieuwe opzet is ook de handeling van het ter post bezorgen van een afschrift van het dwangschrift met bevel tot betaling beslissend voor het antwoord op de vraag of een dwangschrift rechtsgeldig is betekend en niet de ontvangst van de onderhavige stukken door de belastingschuldige.

Overigens is de keuze voor de voorgestelde nieuwe wijze van betekening van een dwangschrift per post facultatief. In beginsel kan dus bij elk te betekenen dwangschrift de keuze worden gemaakt tussen de twee wijzen van betekenen, tenzij het betekenen per post wettelijk is uitgesloten.

In het voorgestelde artikel 8.48, derde lid, van de Belastingwet BES wordt geregeld in welke gevallen verzending van een dwangschrift met bevel tot betaling per post geen toepassing vindt. Op basis van deze bepaling kan geen gebruik worden gemaakt van betekenen per post wanneer de ontvanger is gebleken dat de aanmaning de belastingschuldige niet heeft bereikt, of ingeval de invordering geschiedt met toepassing van artikel 8.52, tweede lid, onderdeel a of onderdeel b, van de Belastingwet BES (situaties van versnelde invordering, waarbij het dwangschrift nog moet worden betekend). Aangezien met het creëren van de mogelijkheid dwangschriften per post te betekenen is beoogd de invordering efficiënter en effectiever te laten verlopen, zal de Belastingdienst zoveel mogelijk gebruik maken van deze nieuwe wijze van betekenen.

De ontvanger kan altijd terugvallen op de klassieke wijze van betekenen door de belastingdeurwaarder, bijvoorbeeld indien er twijfels bestaan of de desbetreffende belastingschuldige (nog) op het bij de ontvanger bekende adres woont. Daartoe is in het voorgestelde artikel 8.48, derde lid, onderdeel a, van de Belastingwet BES geregeld dat indien de ontvanger is gebleken dat de aanmaning de belastingschuldige niet heeft bereikt, verzending van het dwangschrift per post niet tot de mogelijkheden behoort. In de praktijk zal de belastingdeurwaarder hier onderzoek naar moeten doen. In het voorgestelde artikel 8.48, derde lid, onderdeel b, van de Belastingwet BES wordt voor twee andere situaties betekening per post uitgesloten. In de eerste plaats betreft dit de situatie waarin de invordering geschiedt op grond van artikel 8.52, tweede lid, onderdeel a, van de Belastingwet BES. Dit ziet op de situatie waarin zich een grond voordoet voor toepassing van versnelde invordering en waarbij de aanmaning nog moet worden verstuurd. Ook doet dit zich voor indien de bij de reeds verzonden aanmaning gestelde betalingstermijn wordt doorkruist. In elk geval betreft het een situatie van versnelde invordering waarin het dwangschrift nog moet worden uitgevaardigd (en dus ook nog samen met het bevel tot betaling moet worden betekend). In dat geval kan betekening van het dwangschrift alleen op de klassieke wijze plaatsvinden. Hiervoor zijn twee redenen. Ten eerste is dit een situatie waarbij een persoonlijk contact tussen belastingdeurwaarder en belastingschuldige zo veel mogelijk moet worden bewerkstelligd. Immers, op grond van artikel 8.52, tweede lid, onderdeel a, in samenhang met onderdeel b, van de Belastingwet BES kan terstond tot tenuitvoerlegging van het dwangschrift worden overgegaan. Ten tweede zal de ontvanger in zo’n geval op het dwangschrift aangeven op welke grond hij tot versnelde executie overgaat. Dit vraagt om een aanpak die buiten het massale proces dient plaats te vinden.

De tweede situatie die op grond van het voorgestelde artikel 8.48, derde lid, onderdeel b, van de Belastingwet BES van betekening per post wordt uitgesloten, is die waarin de invordering geschiedt op grond van het voorgestelde artikel 8.52, tweede lid, onderdeel b, van die wet. Dit betreft eveneens een situatie van versnelde invordering. Ook in dat geval zal het dwangschrift alleen op de klassieke wijze kunnen worden betekend.

In het voorgestelde artikel 8.48, vierde lid, van de Belastingwet BES wordt geregeld dat voor de toepassing van het voorgestelde artikel 8.48a van die wet (de tenuitvoerlegging van een dwangschrift) het dwangschrift met bevel tot betaling geacht wordt te zijn betekend twee dagen na de datum van de terpostbezorging. Door deze fictie wordt dus bereikt dat pas vier dagen na verzending verdere invorderingsmaatregelen mogen worden genomen; twee dagen tussen terpostbezorging en fictieve betekening en twee volgende dagen betalingstermijn na de fictieve vervreemding. Op deze wijze wordt de belastingschuldige beter beschermd. Een volgende stap in het dwanginvorderingsproces zal dan niet eerder worden genomen dan na ommekomst van een termijn van vier dagen na datum van terpostbezorging, tenzij de ontvanger nadien blijkt dat er reden is om versnelde invordering toe te passen. Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen dat de fictieve betekeningsdatum alleen geldt voor de specifiek genoemde artikelen. In andere gevallen geldt als datum van betekening de dag van terpostbezorging. Zo is het bijvoorbeeld vanaf de dag van terpostbezorging (de dag van betekening) dat de met het betekenen van het dwangschrift met bevel tot betaling gemoeide kosten door de belastingschuldige verschuldigd zijn.5 Een ander voorbeeld is dat de fictieve betekeningsdatum evenmin geldt voor de versnelde invordering genoemd in artikel 8.52 van de Belastingwet BES. Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 8.60, tweede lid, van de Belastingwet BES. Ook voor de stuiting van de verjaring door middel van het betekenen van een dwangschrift per post geldt dat de betekeningsdatum de dag is van terpostbezorging. De fictie die wordt voorgesteld in artikel 8.48, vierde lid, van de Belastingwet BES geldt namelijk niet voor artikel 8.60 van die wet.

Artikel I, onderdeel I (artikelen 8.48a en 8.48b van de Belastingwet BES)

Betekening dwangschrift

Het voorgestelde artikel 8.48a, eerste lid, van de Belastingwet BES geeft nadere eisen waaraan voldaan moet worden voordat tot tenuitvoerlegging van een per post betekend dwangschrift over kan worden gegaan. Op grond van deze bepaling dient een hernieuwd bevel tot betaling door de belastingdeurwaarder betekend te worden, voordat het per post betekende dwangschrift op grond van de bepalingen van het Wetboek BRv BES ten uitvoer kan worden gelegd. De betekening van het hernieuwd bevel tot betaling vindt plaats overeenkomstig de regels van het Wetboek BRv BES met betrekking tot de betekening van exploten. Dat betekent dat dit gebeurt in persoon aan de belastingschuldige of zijn huisgenoot, dan wel door het bevel in de brievenbus van de belastingschuldige achter te laten. Deze formaliteit is in het leven geroepen om zoveel mogelijk het persoonlijke contact tussen de belastingdeurwaarder en de belastingschuldige te behouden, waarmee de rechtsbescherming van de belastingschuldige gewaarborgd wordt. De belastingschuldige wordt dus nogmaals bij exploot gewaarschuwd dat hij onmiddellijk moet betalen. Aan de betekening van een hernieuwd bevel tot betaling zijn op grond van artikel 2.2, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES USD 40 aan kosten verschuldigd.

In het voorgestelde artikel 8.48a, eerste lid, eerste zin, is gewaarborgd dat indien het dwangschrift op de voet van artikel 8.48, tweede lid, is betekend (lees: betekend door middel van terpostbezorging), de belastingdeurwaarder (in opdracht van de ontvanger) niet in alle gevallen zonder meer tot tenuitvoerlegging van dat dwangschrift kan overgaan. Hij zal daartoe in de gevallen waarin op grond van het Wetboek BRv BES voorafgaande aan de tenuitvoerlegging van het dwangschrift eerst een bevel tot betaling moet worden betekend, belastingschuldige nogmaals bij exploot moeten waarschuwen alsnog onmiddellijk te betalen. De belastingdeurwaarder zal daartoe een hernieuwd bevel tot betaling betekenen. In dat kader wordt voorgesteld om ter zake van het vereiste van de betekening van een hernieuwd bevel aan te sluiten bij die situaties waarin het Wetboek BRv BES ook de betekening van een bevel tot betaling vereist. In het Wetboek BRv BES wordt niet in alle gevallen een bevel tot betaling vereist voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van een executoriale titel. Zo is bijvoorbeeld bij een beslag onder derden (artikel 475 Wetboek BRv BES) of een beslag onder de schuldeiser zelf (artikel 479h van diezelfde wet) geen bevel tot betaling vereist.

De betekening van het hernieuwd bevel tot betaling geschiedt ook overeenkomstig het Wetboek BRv BES. Dat wil zeggen dat de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling op de klassieke wijze dient te gebeuren. Het hernieuwd bevel tot betaling houdt in een bevel om onmiddellijk te betalen. Indien echter de belastingdeurwaarder niemand thuis aantreft en geen afschrift kan achterlaten bij één van de personen genoemd in de artikelen 1, eerste lid, en 2, eerste lid, Wetboek BRv BES (en dus de betekening overeenkomstig artikel 2, eerste lid, Wetboek BRv BES gebeurt), wordt aan het hernieuwd bevel tot betaling een betalingstermijn van twee dagen gekoppeld. De belastingschuldige wordt hiermee opnieuw een termijn van twee dagen gegeven om de belastingschuld te voldoen (de gevallen die in aanmerking komen voor versnelde invordering daargelaten). Pas na het verstrijken van deze twee dagen kan tot tenuitvoerlegging van het ter post bezorgde dwangschrift worden overgegaan. De extra termijn van twee dagen die gekoppeld is aan het hernieuwd bevel tot betaling in de gevallen dat de belastingdeurwaarder niemand thuis aantreft, is bedoeld als extra waarborg voor de belastingschuldige. Indien de belastingdeurwaarder wel een afschrift van het hernieuwd bevel tot betaling kan achterlaten bij één van de personen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wetboek BRv BES, zal hij bevelen om terstond te betalen. Voldoet de belastingschuldige (die dus al een aanslag, mogelijkerwijs een betalingsherinnering, een aanmaning en een dwangschrift met bevel tot betaling heeft ontvangen) niet aan dit bevel, dan kan de belastingdeurwaarder terstond na de betekening van het exploot tot tenuitvoerlegging van het dwangschrift overgaan (uiteraard tenzij de belastingschuldige alsnog betaalt op het hem betekende hernieuwd bevel tot betaling).

Het voorgestelde artikel 8.48a, tweede lid, van de Belastingwet BES ziet op de situatie dat de invordering geschiedt op grond van het voorgestelde artikel 8.52, tweede lid, onderdeel b, van de Belastingwet BES (dat wil zeggen dat er versneld ingevorderd wordt, door de betalingstermijn van twee dagen die eerder is gesteld bij de betekening van het dwangschrift met het bevel tot betaling te doorkruisen en het dwangschrift terstond ten uitvoer te leggen) en waarbij het dwangschrift per post is betekend. In dat geval hoeft in afwijking van het voorgestelde artikel 8.48a, tweede lid, van de Belastingwet BES geen hernieuwd bevel tot betaling te worden betekend. Hiermee wordt bewerkstelligd dat daar waar onder de huidige wetgeving versnelde invordering kan worden toegepast, dat ook kan indien een dwangschrift per post is verzonden. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat het geval van artikel 8.52, tweede lid, onderdeel b, van de Belastingwet BES ziet op situaties waarin reeds een dwangschrift met bevel tot betaling is betekend en waarbij gronden aanwezig zijn om tot versnelde invordering over te gaan. Het moet dan niet uitmaken of die eerdere betekening waarbij het bevel tot betaling werd gedaan op de klassieke wijze is geschied dan wel via terpostbezorging.

Stilhouden motorvoertuig

Een voorwaarde voor het effectief kunnen optreden van de Belastingdienst bij handhavingsacties op basis van voertuigherkenning is de bevoegdheid om een bestuurder te verplichten zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen. Het kabinet vindt het wenselijk om de Belastingdienst de wettelijke bevoegdheid te geven voertuigen staande te houden om belastingaanslagen te innen. Dit wordt geregeld in het voorgestelde artikel 8.48b, eerste lid, van de Belastingwet BES. Het moet gaan om onbetaald gebleven belastingaanslagen waarvoor een dwangschrift is betekend dat op naam is gesteld van de kentekenhouder van het betreffende motorrijtuig en waarop vervolgens geen betaling heeft plaatsgevonden. Daarnaast wordt in het voorgestelde artikel 8.48b, tweede tot en met vijfde lid, van de Belastingwet BES een aantal zaken van technische aard geregeld die erop gericht zijn deze bevoegdheid optimaal te kunnen benutten, namelijk:

  • beslaglegging op alle dagen en uren van de week (tweede lid);

  • het zo nodig betekenen van een hernieuwd bevel tot betaling aan de bestuurder van het voertuig indien de belastingschuldige niet in of op het voertuig wordt aangetroffen (derde lid);

  • aan de eis dat de belastingdeurwaarder moet beschikken over de executoriale titel wordt ook voldaan indien hij deze in digitale vorm heeft (vierde lid);

  • de mogelijkheid tot gerechtelijke bewaring zoals geregeld in het Wetboek BRv BES wordt nader ingevuld door bij ministeriële regeling een bedrag te bepalen wanneer de belastingdeurwaarder van deze mogelijkheid gebruik kan maken (vijfde lid).

Artikel I, onderdeel J (artikel 8.65b van de Belastingwet BES)

Het voorgestelde artikel 8.65b van de Belastingwet BES regelt de hoofdelijke aansprakelijkheid van de dochtermaatschappij die op grond van het voorgestelde artikel 6.8a, eerste lid, van de Belastingwet BES met de moedermaatschappij een fiscale eenheid voor de ABB vormt voor de door de moedermaatschappij verschuldigde ABB. Het betreft ook de daarmede verband houdende bestuurlijke boeten, interest en kosten van vervolging. Deze laatste uitbreiding volgt met zoveel woorden ook uit artikel 8.61 van de Belastingwet BES. Het betreft hier zowel de ABB op transacties binnen de BES eilanden als de ABB bij invoer. In het voorgestelde artikel 8.65b van de Belastingwet BES wordt gesproken over de aansprakelijkheid voor de ABB die is «verschuldigd» door de moedermaatschappij. Dat geeft aan dat het moet gaan om een opeisbare ABB-schuld. Dat betekent dat op het moment van aansprakelijk stellen de ABB-schuld geformaliseerd moet zijn in een naheffingsaanslag en dat de naheffingsaanslag ook opeisbaar moet zijn. De betaaltermijn moet dus zijn verstreken.

De aansprakelijkgestelde participant (de dochtermaatschappij) in de fiscale eenheid is slechts aansprakelijk voor de aanvullende bedragen (bestuurlijke boeten, kosten en interest) als de dochtermaatschappij ter zake daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Daarvan kan eerder sprake zijn dan bij een aantal andere aansprakelijkheidsbepalingen. De verwevenheid van de participanten in de sfeer van de fiscale eenheid voor de ABB leidt er veelal toe dat een zodanige beïnvloeding van het betaalgedrag van de fiscale eenheid mogelijk is, dat ten aanzien van de niet-betaling al betrekkelijk snel sprake is van een verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 8.61 van de Belastingwet BES. De aansprakelijkheid voor de bestuurlijke boete is beperkt tot die periode waarin de fiscale eenheid materieel bestond en waarop de boetes betrekking hebben.

Artikel I, onderdeel K (artikel 8.74 van de Belastingwet BES)

Voorgesteld wordt om in artikel 8.74, eerste lid, onderdeel j, van de Belastingwet BES de verwijzing naar artikel 8.87, derde lid, van de Belastingwet BES te vervangen door een verwijzing naar artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES. Dit houdt verband met het voorgestelde vervallen van artikel 8.87, derde lid, van de Belastingwet BES, omdat de verplichtingen die voortvloeien uit dat artikel gelijk zijn aan de uit artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES voortvloeiende verplichting tot het verstrekken van loongegevens van de werknemer.

Artikel I, onderdeel L (artikel 8.87 van de Belastingwet BES)

De in artikel 8.87, derde lid, van de Belastingwet BES neergelegde verplichting van de administratieplichtige om jaarlijks aan de inspecteur opgave te doen betreffende personen die in het voorafgaande kalenderjaar tot hem in dienstbetrekking hebben gestaan, ziet op het jaarlijks indienen van een verzamelloonstaat met daarin per werknemer de gegevens die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. De verplichting jaarlijks een verzamelloonstaat in te leveren is eveneens opgenomen in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES en nader uitgewerkt in daarop gebaseerde lagere regelgeving. De in artikel 8.87, derde lid, van de Belastingwet BES opgenomen verplichting is overbodig en kan daarom vervallen.

Artikel I, onderdelen M en N (artikelen 8.88 en 8.90 van de Belastingwet BES)

Voorgesteld wordt om in de artikelen 8.88, eerste lid en 8.90, eerste lid, van de Belastingwet BES een verwijzing naar artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES op te nemen. Dit houdt verband met de uit artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES voortvloeiende verplichting tot het verstrekken van loongegevens van de werknemer en met het voorstel tot het laten vervallen van artikel 8.87, derde lid, van de Belastingwet BES. Deze laatstgenoemde bepaling ziet op het jaarlijks indienen van een verzamelloonstaat met daarin per werknemer de gegevens die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. De verplichting jaarlijks een verzamelloonstaat in te leveren is eveneens opgenomen in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES. In het voorgestelde artikel 8.24, eerste lid onderdeel b, van de Belastingwet BES is daarom een verwijzing naar artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES opgenomen in plaats van een verwijzing naar artikel 8.87, derde lid, van de Belastingwet BES.»

Artikel II

Artikel II, onderdeel A (artikel 20 van de Wet inkomstenbelasting BES)

Bij de verdeling van goederen, bijvoorbeeld in geval van de ontbinding van een huwelijk blijven de toerekeningsregels voor het zuiver inkomen op verzoek van één of beide echtgenoten achterwege. Voor de berekening van de verschuldigde belasting mag er echter van worden uitgegaan dat de toerekeningsregels wel van toepassing zijn. De door beide echtgenoten tezamen verschuldigde inkomstenbelasting wordt vervolgens naar rato van ieders zuiver inkomen over beide echtgenoten omgeslagen. Het achterwege laten van de toerekeningsregels raakt dus uitsluitend de verdeling van de verschuldigde inkomstenbelasting over beide echtelieden, niet de hoogte van de gezamenlijk verschuldigde inkomstenbelasting. Niettemin blijkt in de praktijk dat deze toerekeningsregels nadelig kunnen uitpakken voor één van de echtgenoten, meer in het bijzonder de echtgenoot die geen belastingaanslag krijgt opgelegd op basis van artikel 41b, tweede lid, Wet IB BES, waardoor de loonbelasting als eindheffing geldt. Ook zijn er vele knelpunten gesignaleerd ten aanzien van aftrekposten die één van de echtgenoten reeds voor het huwelijk genoot en door de toerekeningsregels aan de andere echtgenoot kunnen toevallen. Om aan deze nadelige effecten een einde te maken wordt voorgesteld om de toerekeningsregels uit artikel 20, vijfde lid, Wet IB BES te laten vervallen.

Artikel II, onderdeel B (artikel 25 van de Wet inkomstenbelasting BES)

Artikel 25, eerste lid, Wet IB BES regelt de koppeling van de belastingvrije som aan het wettelijk minimumloon, zoals is opgenomen in artikel 9 van de Wet minimumlonen BES. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met een factor 2.080 en verminderd met een bedrag van USD 280 (de vaste kostenaftrek van artikel 9, derde lid, Wet IB BES). Bij de voorgaande wijziging is echter niet gespecificeerd dat er drie minimumlonen op de BES eilanden gelden en dat bij de koppeling van de belastingvrije som voor alle inwoners van de BES eilanden wordt aangegrepen bij het hoogste minimumloon.6 De aanpassing die wordt voorgesteld herstelt deze onduidelijkheid door te specificeren dat het gaat om het hoogste van de drie bedragen, genoemd in artikel 9, eerste lid, van de Wet minimumlonen BES.

Artikel III

Artikel III, onderdeel A (artikel 6d van de Wet loonbelasting BES)

In artikel 6d, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES is het normbedrag voor de gebruikelijkloonregeling (normbedrag) opgenomen. Dit normbedrag bedroeg van 2011 tot en met 2.022 USD 14.000, werd in 2023 eenmalig verhoogd tot USD 25.000 en wordt sinds 2024 gesteld op een bedrag dat gelijk is aan tweemaal de belastingvrije som, bedoeld in artikel 24, tweede lid, Wet IB BES. De belastingvrije som is de laatste jaren aanmerkelijk verhoogd. Door de koppeling aan de belastingvrije som is het normbedrag eveneens aanzienlijk gestegen. In 2025 bedraagt het normbedrag USD 42.746 (2 x USD 21.373). Voorgesteld wordt om de koppeling tussen de ontwikkeling van de belastingvrije som en het normbedrag met ingang van 1 januari 2027 los te laten en het normbedrag te stellen op een vast bedrag, dat op grond van het voorgestelde artikel 6d, zesde lid, Wet LB BES jaarlijks wordt geïndexeerd. Daartoe wordt voorgesteld om het normbedrag per 1 januari 2027 voor de laatste keer vast te stellen op een bedrag dat gelijk is aan tweemaal de belastingvrije som van 2026. Dit bedrag wordt aan het begin van het kalenderjaar 2027 geïndexeerd door deze te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wet IB BES, en vervolgens afgerond op een veelvoud van USD 1.000. Door die afronding heeft indexatie niet noodzakelijk tot gevolg dat het normbedrag elk jaar verandert. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging van het betreffende bedrag worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.

Artikel III, onderdeel B (artikel 20 van de Wet loonbelasting BES)

Voorgesteld wordt om bepalingen inzake de eindheffing bij naheffing die thans zijn opgenomen in de aanhef van artikel 20 Wet LB BES en de daartoe behorende onderdelen a en b, onder te brengen in een nieuw onderdeel a met twee subonderdelen. Een inhoudelijke wijziging is hier niet mee beoogd.

Verder wordt voorgesteld om in een nieuw artikel 20, onderdeel b, Wet LB BES een eindheffing te introduceren voor een door een inhoudingsplichtige aan een of meer werknemers ter beschikking gestelde auto die in verband met de aard van het werk doorlopend afwisselend door twee of meer werknemers wordt gebruikt voor het verrichten van werkzaamheden. «Eindheffing» wil zeggen dat niet de individuele werknemer, maar de inhoudingsplichtige de belasting over een loonvoordeel verschuldigd is. Bij toepassing van deze eindheffing wordt het autokostenforfait niet meer toegepast per individuele werknemer aan wie een auto ter beschikking is gesteld, maar wordt het autokostenforfait toegepast per auto, waarbij de verschuldigde belasting op kalenderjaarbasis wordt bepaald op een bedrag dat is afgeleid van de reguliere toepassing van het autokostenforfait.

Wanneer een inhoudingsplichtige aan de werknemer voor het verrichten van werkzaamheden een auto ter beschikking stelt, is het autokostenforfait van toepassing: op jaarbasis wordt 15 percent van de nieuwwaarde van de auto (het loonvoordeel) tot het loon van de werknemer gerekend. Wordt de auto aan meerdere werknemers ter beschikking gesteld, dan wordt het autokostenforfait voor iedere werknemer naar tijdsgelang toegepast voor de duur waarin de auto aan die werknemer ter beschikking is gesteld. Als die werknemer doet blijken dat de auto niet voor privédoeleinden, waaronder woon-werkverkeer, wordt gebruikt, dan hoeft voor deze werknemer ter zake van de terbeschikkingstelling van de auto niets tot het loon te worden gerekend. De vormgeving van het autokostenforfait op de BES eilanden verschilt op enkele punten van die in Nederland. In Nederland is het autokostenforfait niet van toepassing als de werknemer doet blijken dat hij de auto op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. Om op de BES eilanden aan toepassing van het autokostenforfait te ontkomen, moet de werknemer doen blijken dat hij de auto helemaal niet voor privédoeleinden heeft gebruikt. In Nederland wordt woon-werkverkeer aangemerkt als zakelijk, terwijl dat op de BES eilanden als privéverkeer wordt aangemerkt. Daar staat tegenover dat het bijtellingspercentage op de BES eilanden zeven procentpunten lager is dan in Nederland voor auto’s waarvoor geen verlaagd percentage geldt. In Nederland wordt de loonbijtelling afgeleid van de cataloguswaarde, op de BES eilanden van de nieuwwaarde van de auto.

De vormgeving van het autokostenforfait op de BES eilanden zal, in geval een werknemer buiten de openingstijden van het bedrijf van de werkgever beschikbaar moet zijn (en kan worden opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden en daarvoor de hem voor het verrichten van die werkzaamheden ter beschikking gestelde auto mee naar huis moet nemen) ertoe leiden dat deze werknemer het bewijs dat de auto niet voor privédoeleinden wordt gebruikt niet kan leveren. Voor de inhoudingsplichtige kan het lastig en zeer bewerkelijk zijn om bij gebruik van een auto door verschillende werknemers vast te stellen welke werknemers het bewijs moeten leveren dat de desbetreffende auto niet voor privédoeleinden wordt gebruikt waardoor de bijtelling wordt voorkomen. Moet het autokostenforfait worden toegepast, dan is het voor de inhoudingsplichtige eveneens lastig en bewerkelijk om bij een auto die door meer werknemers wordt gebruikt te bepalen of en aan wie op welk moment de auto ter beschikking is gesteld en voor iedere individuele werknemer het tot het loon te rekenen bedrag te bepalen. Het gevolg daarvan kan zijn dat de inhoudingsplichtige achteraf wordt geconfronteerd met naheffingen met boetes. Dergelijke situaties kunnen worden voorkomen door invoering van een eindheffing. Bij toepassing van deze eindheffing wijst de inhoudingsplichtige weliswaar het loonvoordeel aan van iedere werknemer die de auto gebruikt, maar behoeft hij dat loonvoordeel niet op persoonsniveau vast te stellen. In plaats daarvan wordt omwille van de eenvoud de verschuldigde belasting op kalenderjaarbasis gesteld op een percentage van de nieuwwaarde van de auto. Deze eindheffing bespaart de inhoudingsplichtige de moeite van het nemen van (voor de bedrijfsorganisatie zeer belastende) beheersmaatregelen, zoals maatregelen om te voorkomen dat de auto mede voor privédoeleinden wordt gebruikt, dan wel het bijhouden welke auto wanneer aan welke werknemer ter beschikking is gesteld en het toetsen van door verschillende werknemers opgestelde kilometeradministraties. Toepassing van deze eindheffing leidt voor de inhoudingsplichtige tot een aanzienlijke verlaging van de administratieve lasten.

De vormgeving van het autokostenforfait op de BES eilanden rechtvaardigt dat de eindheffing, anders dan in Nederland, niet alleen van toepassing is bij gebruik van een bestelauto, maar ook wanneer voor het verrichten van de werkzaamheden een personenauto wordt gebruikt. Op de BES eilanden is het niet ongebruikelijk dat voor het verrichten van wacht- en piketdiensten en daarmee vergelijkbare diensten, ook personenauto’s ter beschikking worden gesteld.

De eindheffing is facultatief. De inhoudingsplichtige kan ervoor kiezen het loonvoordeel aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel, maar is daartoe niet verplicht. Kiest de inhoudingsplichtige er niet voor het loonvoordeel aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel, dan moet hij het autokostenforfait toepassen voor iedere individuele werknemer aan wie de auto voor het verrichten van werkzaamheden ter beschikking wordt gesteld en die niet heeft doen blijken dat hij de auto niet voor privédoeleinden heeft gebruikt. Deze eindheffing is bedoeld voor de auto die in verband met de aard van het werk doorlopend afwisselend wordt gebruikt door ten minste twee verschillende werknemers, in de praktijk ook wel poolauto of company car genoemd.

De term «doorlopend» houdt verband met de bestemming van de auto en wil zeggen dat de auto bij voortduring bestemd is om afwisselend te worden gebruikt door twee of meer werknemers. De eindheffing is dus niet bedoeld voor de auto die bij voortduring ter beschikking wordt gesteld aan één werknemer en door deze werknemer wordt gebruikt (de persoonsgebonden auto). Als de bestemming van de auto wijzigt, waardoor niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde dat deze doorlopend afwisselend wordt gebruikt door twee of meer verschillende werknemers, kan het loonvoordeel niet langer worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel. In dergelijke gevallen is de eindheffing vanaf het moment dat de bestemming van de auto wijzigt niet meer van toepassing en moet het loonvoordeel weer tot het loon van de individuele werknemer worden gerekend. Dat de auto door twee of meer werknemers wordt gebruikt moet verband houden met de aard van de werkzaamheden. Te denken valt aan het hebben van wacht- of oproepdiensten, waarbij de werknemer gedurende een bepaalde periode beschikbaar moet zijn en kan worden opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden en daarvoor de auto mee naar huis moet nemen. Dat kan bijvoorbeeld spelen bij een auto die bestemd is te worden gebruikt voor onderhouds- en servicediensten en die in de praktijk door meerdere monteurs wordt gebruikt. Steeds een van deze monteurs moet buiten de gebruikelijke werktijd (bijvoorbeeld in het weekend) op afroep beschikbaar zijn en neemt om die reden de auto mee naar huis. De term «afwisselend» wil zeggen dat de auto door twee of meer werknemers wordt gebruikt voor de werkzaamheden waarvoor de auto bedoeld is. Dat afwisselende gebruik zal doorgaans volgtijdelijk zijn, maar er moeten voor het verrichten van de werkzaamheden tegelijkertijd dus meer werknemers zijn dan er auto’s beschikbaar zijn bestemd voor het verrichten van de werkzaamheden. Door de veelheid aan mogelijke verschillende situaties in de praktijk, wordt er vooralsnog voor gekozen geen exacte grens op te nemen voor de lengte van de periode waarin de auto door één werknemer wordt gebruikt. Diezelfde praktijk zal moeten uitwijzen of het op een later moment alsnog nodig is dergelijke grenzen op te nemen. Vooralsnog wordt volstaan met enkele voorbeelden.

Voorbeeld 1

Een bedrijf heeft drie bestelauto’s en zeven servicemonteurs. De bestelauto’s worden gebruikt voor servicediensten. Bij een melding gebruiken de werknemers willekeurig een van de beschikbare bestelauto’s. In deze situatie wordt de auto in verband met de aard van de werkzaamheden doorlopend afwisselend door twee of meer werknemers gebruikt en mag het loonvoordeel worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel.

Voorbeeld 2

Twee werknemers krijgen voor het verrichten van hun werkzaamheden ieder een auto ter beschikking gesteld. Ze besluiten deze auto’s dagelijks te ruilen. In deze situatie houdt het doorlopend afwisselend gebruik geen verband met de aard van het werk. Er is voor beide werknemers sprake van een persoonsgebonden auto. Aanwijzing van het loonvoordeel als eindheffingsbestanddeel is voor deze auto’s niet mogelijk.

Voorbeeld 3

Werknemer A krijgt vanaf 1 juli een auto ter beschikking gesteld. Na drie maanden krijgt werknemer A een andere functie en wordt de auto ter beschikking gesteld aan werknemer B. Werknemer A en werknemer B verrichten beiden dezelfde werkzaamheden. De auto wordt weliswaar gebruikt door twee werknemers, maar de aard van de werkzaamheden brengt niet met zich dat de auto bestemd is om doorlopend afwisselend aan twee of meer werknemers ter beschikking te worden gesteld. Het bewijs van het tegendeel is aan de inhoudingsplichtige die het loonvoordeel wil aanwijzen als eindheffingsbestanddeel.

Omdat sprake is van een facultatieve eindheffing wordt ervan uitgegaan dat de inhoudingsplichtige de belasting die over het autokostenforfait verschuldigd is, in de genoemde situatie voor eigen rekening wenst te nemen. Voorgesteld wordt hiermee bij de tariefstelling rekening te houden en de belasting te bepalen op 7,5 percent van de nieuwwaarde van de auto. Dat is ongeveer gelijk aan het gemiddelde van de gebruteerde tarieven van de eerste en tweede tariefschijf (thans 43,7 percent en 54,8 percent) vermenigvuldigd met het autokostenforfait (15 percent van de nieuwwaarde van de auto). Ook met deze tariefstelling wijkt de voorgestelde eindheffing af van de eindheffing voor bestelauto’s in Nederland. Omdat het voordeel wegens privégebruik van de door de inhoudingsplichtige aangewezen auto periodiek wordt genoten, moet de inhoudingsplichtige de eindheffing periodiek op aangifte aangeven en betalen.

Ingevolge het voorgestelde artikel 20, onderdeel b, Wet LB BES kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanwijzing van het genoemde loonvoordeel. Die regels zullen zien op de wijze waarop het loonvoordeel door de inhoudingsplichtige moet worden aangewezen, de wijze waarop de inhoudingsplichtige de aanwijzing van het loonvoordeel beëindigt en de wijze waarop dit wordt vastgelegd en geadministreerd.

Artikel IV (artikel 2.142 van de Douane- en Accijnswet BES)

Artikel 2.142, derde lid, DABES stelt drie handelingen strafbaar met betrekking tot het uitslaan van goederen vanuit een handels- en dienstenentrepot of het voorhanden hebben van goederen in een handels- en dienstenentrepot. Artikel 2.142, vierde lid, DABES regelt dat de goederen waarvoor in strijd met artikel 2.142, derde lid, van die wet is gehandeld, verbeurd verklaard worden en overeenkomstig artikel 2.133 van die wet in beslag worden genomen. In artikel 2.133 DABES is niets geregeld met betrekking tot inbeslagneming. De verwijzing naar laatstgenoemd artikel is dus onjuist.

Daarnaast leidt de formulering van artikel 2.142, vierde lid, DABES tot onduidelijkheid. De bepaling lijkt te impliceren dat na verbeurdverklaring van de goederen een verplichting ontstaat om de goederen in beslag te nemen. Verbeurdverklaring is een bijkomende straf die wordt opgelegd bij een veroordeling en is daarmee een eindoordeel in een strafrechtelijke procedure.7 Inbeslagneming betekent het onder zich nemen of gaan houden van voorwerpen of vorderingen ten behoeve van de strafvordering.8 Als de verbeurdverklaring van een goed is uitgesproken bij een veroordeling, is het eigendom daarvan overgegaan naar de Staat. Er is dan geen strafvorderlijk belang meer om de goederen in beslag te nemen. Deze onduidelijkheid wordt met de voorgestelde wijziging weggenomen.

Het is voorts niet nodig om in artikel 2.142, vierde lid, DABES te regelen dat inbeslagneming van goederen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring mogelijk is en hiertoe een verwijzing op te nemen naar een ander artikel. Artikel 119, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering BES regelt namelijk dat alle voorwerpen en vorderingen waarvan verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Artikel 2.148 DABES regelt dat de inspecteur en de ambtenaren die belast zijn met de opsporing van de bij hoofdstuk 2 van die wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten, te allen tijde bevoegd zijn tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering BES voor inbeslagneming vatbare voorwerpen en de uitlevering van die voorwerpen kunnen vorderen. Daarom wordt voorgesteld «en overeenkomstig artikel 2.133 van deze wet in beslag genomen» te laten vervallen. Deze voorgestelde wijziging van de DABES heeft geen gevolgen voor de uitvoeringspraktijk. Voorgesteld wordt dat aan deze wijziging terugwerkende kracht wordt verleend tot en met 1 januari 2011, omdat de onjuiste verwijzing per die datum is ontstaan. Vanwege het tijdsverschil wordt voorgesteld dat de wijziging terugwerkt tot en met 1 januari 2011, 00:00 uur (lokale tijd), in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en terugwerkt tot en met 1 januari 2011, 05:00 uur (lokale tijd), in het Europese deel van Nederland.

Artikel V, onderdeel A (artikel 73 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba)

Voorgesteld wordt om in artikel 73, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verwijzing naar artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES op te nemen. Dit gaat om het buiten toepassing blijven van de verplichting tot het verstrekken van loongegevens van de werknemer bij de heffing en invordering van eilandbelastingen. Deze verwijzing wordt aangepast vanwege het voorstel tot het laten vervallen van artikel 8.87, derde lid, van de Belastingwet BES, omdat dit reeds geregeld is in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES. Tot een inhoudelijke wijziging leidt dit niet.

Artikel V, onderdeel B (artikel 80 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba)

Voorgesteld wordt om in artikel 80, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verwijzing naar artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES op te nemen. Dit gaat om de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de toepasselijkheid in bepaalde gevallen van de verplichting tot het verstrekken van loongegevens van de werknemer bij de heffing en invordering van eilandbelastingen. Deze verwijzing wordt aangepast vanwege het voorstel tot het laten vervallen van artikel 8.87, derde lid, van de Belastingwet BES, omdat dit reeds geregeld is in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, Wet LB BES. Tot een inhoudelijke wijziging leidt dit niet.

Artikel VI (inwerkingtreding)

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2027. Voor de wijziging op grond van artikel IV wordt voorgesteld hieraan terugwerkende kracht te verlenen, zoals toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij artikel IV.

De Staatssecretaris van Financiën, E. Eerenberg


X Noot
1

Kamerstukken I 2010/11, 32 500 VI, M.

X Noot
2

Aanwijzing 6.4 Toelaatbaarheid verzamelwetten (kcbr.nl).

X Noot
3

In het vervolg refereren we met de term Nederland aan Europees Nederland, het in Europa gelegen deel van het land Nederland.

X Noot
4

Kamerstukken II 2009–2010, 32 189, nr. 3, p. 5–6

X Noot
5

De uit artikel 2.2, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES voortvloeiende kosten worden dan ook op de dag van terpostbezorging aan de belastingschuldige in rekening gebracht.

X Noot
6

Wet van 18 december 2024 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten die betrekking hebben op de BES-eilanden (Belastingplan BES-eilanden 2025), Stb. 2024, 436, Artikel J.

X Noot
7

Artikel 9, eerste lid, onderdeel b, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht BES.

X Noot
8

Artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES.


X Noot
1

Kamerstukken I 2010/11, 32 500 VI, M.

X Noot
2

Aanwijzing 6.4 Toelaatbaarheid verzamelwetten (kcbr.nl).

X Noot
3

In het vervolg refereren we met de term Nederland aan Europees Nederland, het in Europa gelegen deel van het land Nederland.

X Noot
4

Kamerstukken II 2009–2010, 32 189, nr. 3, p. 5–6

X Noot
5

De uit artikel 2.2, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES voortvloeiende kosten worden dan ook op de dag van terpostbezorging aan de belastingschuldige in rekening gebracht.

X Noot
6

Wet van 18 december 2024 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten die betrekking hebben op de BES-eilanden (Belastingplan BES-eilanden 2025), Stb. 2024, 436, Artikel J.

X Noot
7

Artikel 9, eerste lid, onderdeel b, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht BES.

X Noot
8

Artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES.

Naar boven