Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36936 nr. 5 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36936 nr. 5 |
Vastgesteld 25 juni 2026
Inhoudsopgave
|
I. |
ALGEMEEN |
1 |
|
1. |
Inleiding |
2 |
|
2. |
Implementatiewetgeving |
4 |
|
3. |
Hoofdlijnen van het voorstel |
4 |
|
3.1. |
Aanleiding |
4 |
|
3.2. |
Probleembeschrijving |
5 |
|
3.3. |
De probleemaanpak |
8 |
|
3.4. |
Instrumentkeuze |
10 |
|
3.5. |
Monitoring en evaluatie |
17 |
|
3.6. |
Bijzonderheden in verband met de implementatie of uitvoering van EU-regelgeving |
18 |
|
4. |
Verhouding tot hoger recht |
18 |
|
4.1. |
Richtlijn hernieuwbare energie |
18 |
|
5. |
Gevolgen |
19 |
|
5.1. |
Gevolgen voor producenten en (toekomstige) gebruikers van waterstof |
19 |
|
5.2. |
MKB-toets |
19 |
|
5.3. |
Andere gevolgen |
20 |
|
5.4. |
Regeldruk |
20 |
|
5.5. |
Uitvoeringslasten |
21 |
|
6. |
Uitvoering, toezicht en handhaving |
21 |
|
6.1. |
Uitvoering door NEa |
21 |
|
6.2. |
Toezicht door verificateurs |
21 |
|
7. |
Financiële gevolgen |
21 |
|
8. |
Advisering en consultatie |
22 |
|
8.1. |
Adviescollege toetsing regeldruk |
22 |
|
8.2. |
Handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid |
22 |
|
9. |
Inwerkingtreding |
23 |
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft in het kader van het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel het lid Müller tot wetgevingsrapporteur benoemd. De wetgevingsrapporteur heeft ten behoeve van het verslag een schriftelijke inbreng opgesteld. De commissie heeft besloten de inbreng van de wetgevingsrapporteur over te nemen en in het verslag als inbreng van de commissie op te nemen1. De commissie is de wetgevingsrapporteur erkentelijk voor haar bijdrage aan het verslag.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden zien in de strategische ligging van Nederland aan de Noordzee grote kansen voor de productie en import van hernieuwbare waterstof. Daarmee kan Nederland een belangrijke rol spelen in een schoon, sterk en onafhankelijk Europees energiesysteem.
De leden van de D66-fractie achten hernieuwbare waterstof van groot belang om de industrie te verduurzamen, de CO2-uitstoot terug te dringen en de afhankelijkheid van fossiele energie te verminderen. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de ontwikkeling van de waterstofmarkt nog niet snel genoeg gaat. Vraagcreatie is daarom essentieel om investeringen los te trekken en de markt op gang te brengen. Deze leden zijn dan ook positief over de inzet van dit wetsvoorstel, omdat het kan bijdragen aan emissiereductie, een toekomstbestendige industrie en grotere energieonafhankelijkheid. Zij hebben nog enkele vragen over het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de D66-fractie lezen dat zowel nationale productie van hernieuwbare waterstof als import van waterstofdragers uit verschillende landen essentieel wordt geacht. Hoe borgt de regering dat import van waterstofdragers daadwerkelijk bijdraagt aan diversificatie en energieonafhankelijkheid, en niet leidt tot nieuwe strategische afhankelijkheden?
De leden van de PRO-fractie vragen hoe de regering kijkt naar de jaarverplichting in de context van de herziening van Renewable Energy Directive (RED) later dit jaar. Deze leden zien dit als kans om een deel van de uitdagingen rondom een gelijk speelveld te adresseren. Hoe kijkt de regering tegen een jaarverplichting vanuit Europa die voor alle landen van de Europese Unie (EU) geldt, en zet de regering zich hiervoor in? Ziet de regering kans om aanvullend op/in plaats van de jaarverplichting, vraagcreatie in eindmarkten (bijv. melk voor kunstmest, of auto’s voor chemicaliën en staal) onderdeel te maken van de RED-herziening? Deelt de regering de analyse dat hernieuwbare energie of RFNBO (Renewable Fuels of Non-Biological Origin)-doelen in eindmarkten een belangrijk deel van de zorgen over kosten en concurrentienadeel kunnen wegnemen? Is de regering bereid te kijken naar dergelijke oplossingen in de RED-herziening?
De leden van de PRO-fractie vragen voorts hoe de regering aankijkt tegen de periode na 2035. Wanneer verwacht de regering duidelijkheid te kunnen geven over de doelstellingen en het beleidsinstrumentarium voor de periode na 2035, zodat investeerders en industriële gebruikers tijdig over voldoende investeringszekerheid beschikken?
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor de Wet jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie. Zij onderschrijven het belang van de opschaling van groene waterstof, maar zijn er nog niet geheel van overtuigd dat de voorgestelde jaarverplichting daarvoor het meest effectieve instrument is.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden constateren dat waterstof een rol kan spelen in een betrouwbaar energiesysteem en bij verduurzaming. Zij hebben echter grote zorgen over de betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en de risico’s voor de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie. Zij vragen de regering te onderbouwen waarom invoering van deze jaarverplichting op dit moment noodzakelijk en verantwoord is.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering uiteen te zetten waarom wordt gekozen voor een wettelijke jaarverplichting in een markt die volgens de stukken nog onvoldoende volwassen is. Wat zal de regering doen wanneer dergelijke brandstoffen uit binnenlandse productie onvoldoende beschikbaar blijven?
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen, met name over de gevolgen voor ammoniak producerende bedrijven.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. De leden hebben een aantal vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat het verschil tussen de respectievelijk 4% en 9,9% jaarverplichting enerzijds en de 42% en 60% lidstaatverplichting anderzijds groot is. Kan de regering onderbouwen waarom desondanks onderhavig wetsvoorstel essentieel zou zijn voor het behalen van de lidstaatverplichting en er niet voor een andere mix aan instrumenten is gekozen? Bovendien kiest de regering ervoor om als één van de enige lidstaten een deel van de verplichting bij bedrijven neer te leggen. Waarom maakt de regering deze keuze? Hoe beziet de regering deze keuze in het licht van een gelijk speelveld? Waarom is de Nederlandse situatie zo uniek dat de regering het nodig acht om voor deze maatregel te kiezen?
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat het behalen van de jaarverplichting van 42% in 2030 hoog en niet heel realistisch is. De leden constateren dat onder meer de Europese Rekenkamer ook al de Europese Commissie heeft aangeraden meer realistisch doelen te stellen. Wat is het kabinetsstandpunt in deze? Kan de regering daarbij specifiek ingaan in hoeverre deze aansluit bij de aanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) over de bijmengverplichting in het advies «Groene waterstof: de praktische uitdagingen tussen droom en werkelijkheid». Wat neemt de regering wel over, wat niet en waarom? Kan de regering tevens het Europees krachtenveld schetsen? Zijn er lidstaten die pleiten voor het verlagen van dit doel, of voor andere aanpassingen? Zo ja, welke?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een overzicht van de maatregelen die andere EU-lidstaten implementeren en/of overwegen om te voldoen aan de lidstaatverplichting. Voor welke maatregelen kiest Nederland niet? Waarom niet?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat de gevolgen zijn van de lidstaatverplichting en onderhavig wetsvoorstel in het bijzonder voor de markt van en investeringsbereidheid van industrie in koolstofarme waterstof, inclusief de bedrijven die juist deze waterstof als essentieel zien voor de overgang naar groene waterstof. Wat doet onderhavig wetsvoorstel met de businesscase voor bedrijven die juist investeren in koolstofarme waterstof? Hoe reflecteert de regering hierop?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de gevolgen van bedrijven die nu investeren in gebruik van hernieuwbare waterstof, mocht Europese besluitvorming leiden tot aanpassing van de lidstaatverplichting. Op welke manier garandeert de regering de investeringszekerheid van bedrijven?
De leden van de ChristenUnie-fractie konden geen kabinetsreactie vinden op het PBL-advies «Groene waterstof: de praktische uitdagingen tussen droom en werkelijkheid». De leden vroegen eerder in dit verslag al naar de reactie van het kabinet op één aanbeveling. Is de regering bereid om ook op de overige aanbevelingen te reageren en hoe deze zich verhouden tot de lidstaatverplichting en onderhavig wetsvoorstel?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering kan onderscheiden welke onderdelen van het wetsvoorstel rechtstreeks verplicht zijn op grond van de RED III en welke onderdelen nationale koppen zijn. Deze leden vragen daarbij te bevestigen of de RED III Nederland verplicht tot het opleggen van een nationale jaarverplichting aan individuele bedrijven, of dat ook andere implementatieroutes nog mogelijk zijn.
De leden van de D66-fractie lezen dat het wetsvoorstel beoogt bij te dragen aan het behalen van een deel van de lidstaatverplichting voor RFNBO’s in de industrie en aan het bredere doel van een klimaatneutrale samenleving in 2050. Kan de regering toelichten welke bijdrage dit wetsvoorstel naar verwachting levert aan de klimaatdoelen voor 2030, 2040 en 2050? Kan de regering daarbij aangeven welke CO2-reductie zij als direct gevolg van dit wetsvoorstel verwacht?
De leden van de PRO-fractie onderschrijven het belang van het opschalen van hernieuwbare waterstof en andere RFNBO’s voor het verduurzamen van de industrie. Deze leden merken daarbij op dat normering alleen effectief kan zijn wanneer voldoende productiecapaciteit, infrastructuur en afzetmogelijkheden beschikbaar komen. Kan de regering nader uiteenzetten hoe deze jaarverplichting zich verhoudt tot de bredere nationale waterstofstrategie? Welke aanvullende maatregelen acht de regering noodzakelijk om naast deze verplichting ook de productie, import, infrastructuur en afname van hernieuwbare waterstof op te schalen?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering inzichtelijk te maken welk deel van de Europese lidstaatverplichting daadwerkelijk wordt gerealiseerd met de voorgestelde jaarverplichting. Deze leden constateren dat de RED III-doelen voor RFNBO’s in de industrie fors hoger liggen dan het percentage van de voorgestelde jaarverplichting en vragen welk resterend deel via andere instrumenten moet worden ingevuld, welke instrumenten dat zijn en welke financiële middelen daarvoor beschikbaar zijn.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering uiteen te zetten waarom Nederland vooruitloopt met nationale normering terwijl andere lidstaten terughoudender lijken te zijn. Deze leden vragen om een vergelijking met Duitsland, België, Frankrijk, Italië en Roemenië, waarin per lidstaat wordt aangegeven of een vergelijkbare verplichting aan industriële waterstofgebruikers wordt opgelegd en wat dit betekent voor de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie en het chemisch cluster in het bijzonder. Ook vragen deze leden hoe de cumulatieve gevolgen van klimaatwetgeving voor de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie eruitzien.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat het verwachte effect op de CO2-emmissiereductie is dankzij de jaarverplichting en daarbij in het bijzonder onderhavig wetsvoorstel. Deze leden vragen ook wat het effect op de emissiereductie zou zijn als gekozen zou worden via een andere route, bijvoorbeeld door meer ruimte te bieden voor koolstofarme waterstof als tussenstap naar hernieuwbare waterstof.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering hoeveel CO2-emmissiereductie in de industrie te danken is aan verduurzaming en hoeveel reductie aan het afschalen of stoppen van industriële activiteiten. De leden vragen ook hoe dit voor andere EU-lidstaten is.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de kosten voor hernieuwbare waterstof via elektrolyse in Nederland ongeveer 12 tot 14 euro per kilogram kosten. Echter lezen zij ook dat deze studies in 2023 en 2024 zijn uitgevoerd. Heeft de regering een actueel kostenbeeld van de productie van hernieuwbare waterstof via elektrolyse? Zo ja, in welke mate beïnvloedt de stijging van de kosten voor hernieuwbare waterstof de geschetste businesscase van bedrijven die moeten voldoen aan de jaarverplichting? Zo nee, ziet de regering de noodzaak om een actuele kostenanalyse uit te voeren voor het invoeren van de jaarverplichting?
De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de stijging van de kosten voor hernieuwbare waterstof. Deze leden lezen dat waar aanvankelijk de kosten werden geschat op 8 tot 9 euro per kilogram, dit inmiddels is gestegen naar 12 tot 14 euro per kilogram. De leden van de VVD-fractie zien ook dat de huidige kostprijs hierboven ligt. Op welke manier neemt de regering deze overweging mee in het afstemmen van de voorgestelde doelstelling van de jaarverplichting?
De leden van de VVD-fractie merken op dat industriële producenten de onrendabele top van hernieuwbare waterstof, ook wel de meerkosten, slechts beperkt kunnen doorberekenen aan afnemers. Dit omdat internationale concurrenten niet te maken hebben met dezelfde verplichtingen. Deze leden maken zich zorgen over wat dit betekent voor de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse industrie. Zij zal minder ruimte overhouden om te investeren in bijvoorbeeld verduurzaming. Daarnaast heeft onze industrie het al zwaar vanwege de relatief hoge energieprijzen in Nederland. Op welke manier weegt de regering hierbij enerzijds het belang van vraagcreatie en anderzijds het belang van een eerlijke concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven? Is de regering het met de leden van de VVD-fractie eens dat de huidige kostenstijging van de productie van hernieuwbare waterstof ervoor zorgt dat Nederlandse bedrijven door de jaarverplichting een concurrentienadeel hebben ten opzichte van bedrijven in andere landen? Hoe groot acht de regering het risico op weglek?
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering een actueel beeld heeft van de productiecapaciteit van hernieuwbare waterstof in Nederland. In hoeverre loopt dit in lijn met het nationale doel om het aanbod van hernieuwbare waterstof op te schalen naar het realiseren van 3–4 gigawatt (GW) aan elektrolysecapaciteit in 2035?
De leden van de CDA-fractie constateren dat de memorie van toelichting uitgebreid ingaat op de administratieve lasten en uitvoeringskosten van de voorgestelde jaarverplichting voor hernieuwbare waterstof. Tegelijkertijd ontbreekt een kwantitatieve inschatting van de verwachte baten van deze maatregel. Zo wordt onvoldoende duidelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel additionele binnenlandse productie van hernieuwbare waterstof de verplichting naar verwachting zal opleveren, welke extra import van hernieuwbare waterstof of waterstofdragers wordt verwacht en in welke mate de maatregel bijdraagt aan het behalen van de doelstellingen uit de RED III. Daardoor blijft voor deze leden onduidelijk hoe de geraamde lasten zich verhouden tot de verwachte opbrengsten van het wetsvoorstel. Kan de regering alsnog inzicht geven in de verwachte additionele volumes hernieuwbare waterstof, de bijdrage aan emissiereductie en de bijdrage aan de Europese doelstellingen die specifiek aan deze jaarverplichting zijn toe te rekenen?
De leden van de CDA-fractie zien daarnaast een fundamentele spanning tussen twee beleidsdoelen die ook uit de memorie van toelichting naar voren komt. Enerzijds bestaat de wens om gebruikers van waterstof voldoende flexibiliteit te bieden, zodat zij niet vastlopen wanneer aanbod, infrastructuur of importstromen achterblijven bij de verwachtingen. Anderzijds is er behoefte aan voldoende zekerheid voor producenten en importeurs van hernieuwbare waterstof, zodat zij bereid zijn de noodzakelijke investeringen te doen. De regering erkent in de memorie van toelichting ook dat de ontwikkeling van de markt met aanzienlijke onzekerheden is omgeven. Daar wordt op ingespeeld met de verlaging van de verplichting naar 4% in 2030, de tijdelijke versoepeling van de inboekeisen, de uitgebreide flexibiliteitsmechanismen en de aangekondigde evaluatie voor 2032. Tegen deze achtergrond vragen deze leden waarom is gekozen voor een evaluatiemoment pas vlak voor 2032. Is de regering bereid om eerder een expliciet bijsturingsmoment in te bouwen, waarbij op basis van monitoring van de ontwikkeling van vraag, aanbod, infrastructuur, prijzen en investeringen kan worden beoordeeld of de verplichting nog doeltreffend en uitvoerbaar is? Welke concrete indicatoren zal de regering monitoren en welke omstandigheden kunnen aanleiding geven om de verplichting of de bijbehorende voorwaarden tussentijds aan te passen?
De leden van de CDA-fractie vragen tevens aandacht voor de verhouding tussen de voorgestelde jaarverplichting en de zogenoemde raffinageroute. De memorie van toelichting erkent expliciet dat de inzet van RFNBO’s via de raffinageroute naar verwachting een belangrijke en mogelijk grotere afzetmarkt vormt dan de voorgestelde jaarverplichting. Opvallend is daarbij de passage dat de jaarverplichting slechts een «kleine bodem in vraagzekerheid» creëert naast de bestaande mogelijkheden via de raffinageroute. Dit roept bij deze leden de vraag op hoe de regering de effectiviteit van de jaarverplichting beoordeelt ten opzichte van een scenario waarin de vraag naar RFNBO’s primair wordt gestimuleerd via een verdere uitbreiding van de raffinageroute. Heeft de regering onderzocht in hoeverre dezelfde volumes hernieuwbare waterstof of waterstofdragers via de raffinageroute zouden kunnen worden afgezet? Zo ja, hoe verhouden de maatschappelijke kosten, administratieve lasten, emissiereducties en investeringsprikkels van beide benaderingen zich tot elkaar?
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe omringende landen invulling geven aan de RED III-verplichtingen. Beschikt de regering over informatie over de wijze waarop Duitsland, Frankrijk en België de lidstaatverplichting implementeren? Klopt het dat deze landen voornemens zijn de verplichting voor een belangrijk deel via de raffinageroute in te vullen door de inzet van hernieuwbare waterstof in raffinaderijen volledig toe te rekenen aan brandstofproductie? Indien dat het geval is, waarom kiest Nederland dan voor een aanvullende industriële jaarverplichting in plaats van een vergelijkbare benadering?
Voorts wijzen de leden van de CDA-fractie erop dat in lagere regelgeving sprake lijkt te zijn van een administratieve splitsing van waterstofgebruik in raffinaderijen tussen brandstofproductie en andere toepassingen. Kan de regering toelichten waarom voor deze benadering is gekozen? Hoe verhouden de uitvoeringslasten en administratieve complexiteit van deze systematiek zich tot de aanpak die in de ons omringende landen wordt overwogen? Is de regering van oordeel dat de Nederlandse systematiek eenvoudiger, effectiever of beter handhaafbaar is? Zo ja, waar blijkt dat uit? Is deze aanpak besproken met de betrokken raffinaderijen en heeft de sector aangegeven dat deze werkwijze in de praktijk uitvoerbaar is?
De leden van de CDA-fractie constateren dat juist omdat de memorie van toelichting geen afzonderlijke kwantitatieve onderbouwing bevat van de extra productie, import en emissiereductie die specifiek aan deze jaarverplichting kunnen worden toegeschreven, achten zij een dergelijke vergelijking van belang. Zonder inzicht in de meerwaarde van dit instrument ten opzichte van alternatieve routes blijft immers onduidelijk of de voorgestelde verplichting de meest doelmatige en kosteneffectieve manier is om zowel het gebruik als de productie van groene waterstof te stimuleren. Deze leden dringen er daarom bij de regering op aan om alsnog een vergelijking te maken tussen de verwachte effecten van de jaarverplichting en een scenario waarin de vraag naar RFNBO’s sterker wordt aangejaagd via de raffinageroute. Zij vragen de regering daarbij specifiek en duidelijk in beeld te brengen welk instrument naar verwachting de grootste bijdrage levert aan investeringszekerheid, additionele productiecapaciteit en kosteneffectieve emissiereductie.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering voor inwerkingtreding inzichtelijk kan maken hoeveel RFNBO’s naar verwachting de komende jaren, per jaar, beschikbaar zijn voor de Nederlandse industrie. Deze leden vragen daarbij welk deel binnenlands wordt geproduceerd, welk deel moet worden geïmporteerd, welke infrastructuur daarvoor tijdig gereed moet zijn en welke risico’s hierdoor ontstaan voor leveringszekerheid en strategische autonomie.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering te onderbouwen waarom het wetsvoorstel zo specifiek stuurt op RFNBO’s, terwijl ook bijvoorbeeld koolstofarme waterstof, blauwe waterstof en kernenergie kunnen bijdragen aan CO2-reductie, betaalbaarheid en leveringszekerheid. Deze leden vragen hoe de regering voorkomt dat bedrijven worden gedwongen tot een duurdere route wanneer andere routes kosteneffectiever zijn.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering per relevante sector, waaronder raffinage, chemie, kunstmestproductie en ammoniakproductie, inzichtelijk te maken hoeveel waterstof momenteel wordt gebruikt en welk aandeel realistisch door RFNBO’s kan worden vervangen. Deze leden vragen daarbij welke sectoren het grootste risico lopen op kostentoename, afschaling, productieverplaatsing of CO2-weglek.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de meest actuele verwachtingen over de prijsontwikkeling van hernieuwbare waterstof de komende jaren. Wanneer verwacht de regering dat hernieuwbare waterstof concurrerend is met andere brandstoffen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering hoeveel Petajoule (PJ) van het waterstofgebruik anno 2026 uit respectievelijk hernieuwbare waterstof en koolstofarme waterstof bestaat. De leden vragen ook of de regering kan uiteenzetten wat de verwachting is voor de hoeveelheid PJ in de komende jaren, gebaseerd op investeringsbeslissingen die al door bedrijven zijn genomen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welk aandeel van het hernieuwbaar waterstofgebruik afkomstig zal zijn uit import en wat door productie van eigen bodem. Welke verwachtingen zijn hierover bekend bij de regering? Kan de regering dit ook uitsplitsen naar de verschillende jaren tot 2040? Deze leden vragen tevens, mocht de verwachting zijn dat het aandeel voornamelijk import zal zijn, wat de gevolgen zijn voor de concurrentiepositie van de productiefaciliteiten in eigen land.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in hoeverre hernieuwbare waterstof momenteel onderdeel is van gemaakte of nog te maken maatwerkafspraken met grote uitstoters. Welke redenen liggen ten grondslag om het gebruik van hernieuwbare waterstof al dan niet onderdeel te laten uitmaken van maatwerkafspraken?
De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat bij de berekening van de meerkosten is uitgegaan van een jaarverplichting van 24% in 2030 en dat bij de berekeningen geen rekening is gehouden met de mogelijke impact van de toepassing van de preambule, overweging 63 van de RED III, met betrekking tot de vervanging van waterstof uit stoom-methaanreformatie voor ammoniakproductie. Ook is er nog geen rekening gehouden met de mogelijkheid om RFNBO’s te produceren in Nederland, in bestaande installaties en het effect van de raffinageroute. De leden van de commissie lezen dat in paragraaf 6.2 van de memorie van toelichting ingegaan wordt op de gevolgen voor producenten en (toekomstige) gebruikers van waterstof en dat voor de meerkosten naar paragraaf 3.3.2 wordt verwezen. De leden van de commissie vragen of de regering kan aangeven wat de meerkosten zijn voor producenten en (toekomstige) gebruikers van de waterstof als wordt uitgegaan van een jaarverplichting van 4% en wel rekening wordt gehouden met onder andere de ammoniakuitzondering en de raffinageroute.
De leden van de D66-fractie lezen dat er in Nederland nauwelijks aanbod is van hernieuwbare waterstof en dat de kostprijs aanzienlijk hoger ligt dan die van conventionele waterstof. Deze leden lezen ook dat productiesubsidies alleen niet voldoende zijn om de markt voor hernieuwbare waterstof daadwerkelijk van de grond te krijgen en dat ook stimulering aan de afnamezijde nodig is. Kan de regering toelichten hoe de verhouding tussen normering en subsidiëring is bepaald?
De leden van de D66-fractie lezen dat een gebrek aan vraagstimulerende maatregelen de opschaling van de markt voor hernieuwbare waterstof kan belemmeren. Tegelijkertijd opereren veel bedrijven in internationale markten waarin kosten niet altijd kunnen worden doorberekend. Ook lezen deze leden dat te veel nadruk op verplichtingen aan de vraagzijde risico’s kan opleveren voor de kosteneffectiviteit van de verduurzaming, het concurrentievermogen van de Nederlandse industrie en koolstoflekkage. Hoe weegt de regering dit spanningsveld? Kan de regering toelichten welke waarborgen zijn ingebouwd om te voorkomen dat de jaarverplichting leidt tot productievermindering, uitstel van investeringen of verplaatsing van activiteiten? Kan de regering daarbij aangeven hoe zij ervoor zorgt dat de jaarverplichting bijdraagt aan nieuwe investeringen in hernieuwbare waterstof, verduurzaming van industriële processen en daadwerkelijke CO2-reductie in Nederland?
De leden van de D66-fractie lezen dat verschillende omliggende lidstaten de raffinageroute willen inzetten om zowel het mobiliteitsdoel van artikel 25 van de RED III als het industriedoel van artikel 22 bis van de RED III te behalen. Ook lezen deze leden dat dit volgens de memorie van toelichting kan bijdragen aan het behalen van het lidstaatdoel, langjarige investeringszekerheid kan opleveren en het risico op koolstoflekkage of aantasting van het concurrentievermogen kan beperken. Kan de regering toelichten waarom Nederland er niet voor kiest deze raffinageroute ruimer in te zetten voor het behalen van het industriedoel? Kan de regering daarbij kwantitatief en kwalitatief ingaan op de afweging tussen vraagcreatie en investeringszekerheid enerzijds en mogelijke prijsverhoging voor in Nederland geproduceerde en geconsumeerde brandstoffen anderzijds?
De leden van de VVD-fractie delen de mening dat het creëren van Europese groene eindmarkten belangrijk is. Echter, nog geen enkel ander Europees land heeft de lidstaatverplichting doorgelegd aan het nationale bedrijfsleven. Hoe heeft de regering het beleid van omringende landen meegewogen in de beslissing tot het maken van de jaarverplichting? Is bij de verschillende beleidsopties meegewogen op welke manier omringende landen als België en Duitsland de Europese verordening implementeren?
Tsjechië en Roemenië hebben als enige lidstaten aangegeven voornemens te zijn om een verplichting bij het bedrijfsleven te leggen. Klopt het dat het waterstofgebruik in deze landen één tiende behelst van Nederland? Waarom acht de regering deze situatie vergelijkbaar met die van Nederland?
De leden van de VVD-fractie merken op dat Nederland met de implementatie van dit voorstel relatief voor op andere Europese lidstaten loopt. Waarom kiest de regering ervoor om als een van de eerste lidstaten dit voorstel te implementeren in plaats van af te stemmen op wat andere lidstaten doen? Bovendien heeft de Europese Commissie aangegeven te werken aan een herziening van het waterstofraamwerk, waarbij steun voor aanpassingen groeit. Heeft de regering een indicatie om welke aanpassingen en herziening dit gaat? Waarom wacht Nederland niet met het implementeren van de verordening tot er meer duidelijkheid is over deze herziening?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering de meerkosten schat op 500 miljoen tot 1 miljard euro per jaar. Deze meerkosten zijn gebaseerd op een meerprijs van 8 euro per kilogram waterstof in 2030. Echter constateren deze leden dat de huidige meerprijs van hernieuwbare waterstof al ver boven dit bedrag ligt. Hoe neemt de regering deze, actuele, hogere meerprijs mee in het bepalen van het percentage van de jaarverplichting? Is de regering het met de leden van de VVD-fractie eens dat de meerkosten moeten worden berekend op basis van de actuele meerprijs?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het huidige budget binnen het Klimaatfonds ontoereikend is om de overige 38% van de lidstaatverplichting in 2030 te realiseren. Daarnaast lezen deze leden dat de regering naar verwachting 90% van de meerkosten op zich zal nemen in de periode tot 2030. Hoe weegt de regering de huidige hogere meerkostprijs met het geringe budget dat beschikbaar is? Verwacht de regering zelf te kunnen voldoen aan het de 90% verwachting tot 2030? De leden van de VVD-fractie zijn bang dat eventuele meerkosten toch bij het bedrijfsleven terecht zullen komen.
De leden van de PRO-fractie constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van State erop wijst dat de voorgestelde jaarverplichting van 4% in 2030 oplopend tot 9,9% in 2035 op zichzelf niet voldoende is om de Europese doelstellingen van artikel 22bis van de RED III te realiseren. Kan de regering kwantitatief inzichtelijk maken welk aandeel van de Europese doelstelling naar verwachting wordt gerealiseerd via deze wet en welk aandeel via subsidies, importtenders of andere instrumenten? Welk tekort resteert vervolgens nog richting 2030 en 2035? En hoe reflecteert de regering op de constatering van de Afdeling advisering van de Raad van State dat het onwenselijk is om naast een lagere jaarverplichting de regering ook minder middelen voor vraagcreatie beschikbaar stelt omdat dit de doelen nog verder uit beeld brengt?
Verder vragen de leden van de PRO-fractie de regering uiteen te zetten welke aanvullende maatregelen in beeld komen indien de komende jaren blijkt dat Nederland niet op koers ligt voor de RED III-doelstelling. Welke instrumenten zijn daarbij denkbaar en welke criteria hanteert de regering om tot aanvullende normering of andere maatregelen over te gaan? Is de regering bereid uiterlijk in 2028 een tussentijdse beoordeling uit te voeren van het verwachte doelbereik voor 2030, inclusief een voorstel voor aanvullende maatregelen, zowel middelen als normering, indien uit die beoordeling blijkt dat Nederland niet op koers ligt?
De leden van de commissie vernemen uit de memorie van toelichting dat het gebruik van waterstof van bedrijven nergens centraal geadministreerd staat. De leden constateren ook dat de Nederlandse Emissie autoriteit (NEa) hierover zorgen heeft geuit in de uitvoeringstoets. De leden begrijpen ook dat er een ondergrens is voor de jaarverplichting voor exploitanten van industriële installaties met een waterstofgebruik van minder dan 0,1 kton per kalenderjaar. Deze exploitanten onder de ondergrens worden niet verplicht om hun totale waterstofgebruik te rapporteren en krijgen ook geen jaarlijkse verplichting om een bepaald aantal Hernieuwbare Waterstofeenheden Industrie (HWI’s) op hun rekening te hebben. De leden van de commissie vragen zich af hoe het met het toezicht op deze categorie van bedrijven zit. Heeft de NEa deze groep bedrijven in beeld, ondanks het ontbreken van een centrale administratie? Kan de NEa bij twijfel of een bedrijf inderdaad onder de ondergrens zit, controles uitvoeren? Hoe groot is in dat geval deze toezichtslast voor de NEa?
De leden van de commissie lezen dat in beginsel pas in 2032 duidelijkheid zal zijn over de vraag of Nederland haar lidstaatverplichting, zoals vastgelegd in artikel 22 bis van de RED III, heeft gehaald. De regering rekent in haar koers naar het halen van 42% in 2030 wel op de uitzondering voor de ammoniakproductie. Ook lezen de leden van de commissie dat de regering deze uitzonderingen op het niveau van de jaarverplichting bij een negatieve afweging van de Europese Commissie niet met terugwerkende kracht zal afschaffen, waardoor dit voor marktpartijen geen extra rechtsonzekerheid zal opleveren. Kan de regering aangeven wat de mogelijke gevolgen zijn als de Europese Commissie de uitzondering van 60% van het waterstofverbruik niet verleent?
De leden van de commissie constateren dat de regering geen juridische mogelijkheden ziet voor andere uitzonderingen dan voor de ammoniaksector. De Afdeling advisering van de Raad van State geeft echter in zijn advies aan dat ook voor de uitzondering voor de ammoniaksector geen juridische grondslag bestaat in de RED III. Dit omdat deze uitzondering enkel in de considerans van de richtlijn wordt vermeld. De Afdeling advisering van de Raad van State wijst erop dat de overwegingen van een considerans – net als verklaringen die zijn afgegeven in het kader van het EU-wetgevingsproces – geen bindende rechtskracht hebben. Voor het toepassen van een uitzondering zal derhalve een voldoende grondslag in de artikelen van de RED moeten kunnen worden aangewezen. De leden van de commissie vragen zich daarom af of de regering hierin nog een risico ziet voor rechtsongelijkheid van markpartijen die ook verzocht hebben om een uitzondering maar deze niet hebben gekregen. De leden van de commissie vragen of de beweegredenen van de regering om de ammoniaksector uit te zonderen van de jaarverplichting (zoals beschreven op pagina 29 en 30 van de memorie van toelichting) ook van toepassing kunnen zijn op de andere sectoren.
De leden van de commissie zien dat er een risico is op misbruik van de economische machtspositie op de HWI-markt. De leden van de commissie lezen dat het in artikel 24 van de Mededingingswet neergelegde verbod op het misbruik van een economische machtspositie onvoldoende effectief is. Ook lezen de leden van de commissie dat om het risico op misbruik van een economische machtspositie te voorkomen er een onderscheid is gemaakt tussen HWI-W’s en HWI-WD’s. De leden van de commissie vragen of daarmee het risico op misbruik van de economische machtspositie volledig wordt voorkomen of is de kans alleen verkleind? Ook vragen de leden van de commissie zich af of de Autoriteit Consument & Markt (ACM) ook betrokken is geweest bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel? Zo ja, wat zijn de bevindingen van de ACM over de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van de maatregelen?
De leden van de commissie zien dat er voor een systeem is gekozen waarbij het bewijs van duurzaamheid losgekoppeld wordt van de fysieke levering als tijdelijke versoepeling van de inboekeisen in de periode tussen 2026 en 2033. Ook zien de leden in de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheidstoets (HUF-toets), zoals uitgevoerd door de NEa, dat de NEa aangeeft dat deze versoepeling het systeem fraudegevoeliger en ingewikkelder maakt in de uitvoering. Kan de regering aangeven in welke mate dit het systeem inderdaad fraudegevoeliger maakt, op welke manier de regering dit monitort en op welke manieren er (vroegtijdig) bijgestuurd kan worden als de fraudegevoeligheid en complexiteit te groot blijkt?
De leden van de commissie lezen dat er is gekozen voor een ingroeipad om de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven niet te veel te benadelen. De startfase moet adaptief zijn aan de ontwikkeling van de markt. Ook lezen de leden van de commissie dat de markt voor hernieuwbare waterstof en hernieuwbare waterstofdragers zich nog moeilijk laat voorspellen. Verder is nog onduidelijk welke instrumenten andere EU-lidstaten gaan inzetten om aan hun lidstaatverplichting te gaan voldoen. Tot dusver bekend zijn er geen omringende lidstaten van plan de lidstaatverplichting (gedeeltelijk) door te vertalen naar een jaarverplichting op bedrijfsniveau. De leden van de commissie vragen de regering of dit nog consequenties kan hebben voor de hoogte van de jaarverplichting en het ingroeipad. En wat betekent het voor het gelijke speelveld voor de producenten met concurrenten in buurlanden? Kan de regering aangeven of er ook een kritisch percentage is waaronder een jaarverplichting geen toegevoegde waarde heeft om een markt tot stand te brengen? Is er een risico dat de markt niet tot stand komt en daardoor het aanbod van waterstof achterblijft, en dat de industrie niet aan de jaarverplichting kan voldoen, zo vragen de leden van de commissie. De financiële regelingen die de productie van waterstof moeten bevorderen worden steeds niet uitgeput. In de begrotingsstukken schuiven meerdere jaren op rij de financiële middelen door. Voor een deel zal import in de behoefte kunnen voorzien, maar hoe zeker is de beschikbaarheid?
De leden van de D66-fractie lezen dat de jaarverplichting in 2027 start met een verplichtingspercentage van 4% in 2030, terwijl Nederland in 2030 moet voldoen aan het RED III-doel van 42% RFNBO-gebruik in de industrie. Kan de regering toelichten hoe deze relatief lage doorlegging aan industriële waterstofgebruikers zich verhoudt tot de omvang van de opgave richting 2030? Kan de regering kwantitatief toelichten welk deel van de 42%-opgave naar verwachting via de jaarverplichting wordt gerealiseerd en welk deel via andere instrumenten? Heeft de regering overwogen om met een hoger verplichtingspercentage te starten of het percentage sneller te laten oplopen? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen? Zo nee, op basis van welke aannames over beschikbaarheid, betaalbaarheid, infrastructuur en concurrentiepositie acht de regering dit ingroeipad voldoende om tijdig aan de Europese verplichting te voldoen?
De leden van de D66-fractie lezen dat naar verwachting 36 exploitanten onder de jaarverplichting vallen. Kan de regering toelichten waarom ervoor is gekozen om de verplichting neer te leggen bij industriële waterstofgebruikers, en niet op een andere plek in de keten, bijvoorbeeld dichter bij de eindmarkt? Hoe weegt de regering daarbij het risico dat afnemers uitwijken naar goedkopere grijze producten uit landen zonder vergelijkbare verplichting en meerkosten daardoor moeilijk kunnen worden doorberekend? Kan de regering aangeven hoe wordt voorkomen dat de lasten onevenredig terechtkomen bij een beperkte groep bedrijven met een groot waterstofgebruik?
De leden van de D66-fractie lezen dat 60% van het waterstofgebruik voor ammoniakproductie wordt uitgezonderd van de jaarverplichting, terwijl dit waterstofgebruik wel onderdeel blijft van de Nederlandse RFNBO-grondslag onder artikel 22 bis van de RED III. Kan de regering toelichten welke gevolgen deze uitzondering heeft voor de verdeling van de verplichting over andere industriële waterstofgebruikers? Kan de regering daarbij specifiek ingaan op de vraag hoe wordt voorkomen dat de jaarverplichting daardoor zwaarder gaat drukken op een kleinere groep bedrijven?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering heeft gekozen om HWI-WD’s niet te laten verhandelen. Kan de regering deze toelichting nader toelichten? Heeft het niet toelaten van handel van HWI-WD’s een nadelig effect op de kosten voor het bedrijfsleven?
De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over het gebrek aan duidelijkheid voor het Nederlandse bedrijfsleven als het gaat om de 60% uitzondering voor ammoniakproductie. De regering geeft aan dat in beginsel pas in 2032 duidelijkheid zal zijn of de 60% uitzondering wordt toegestaan door de Europese Commissie. Hoe weegt de regering het belang van deze 60% uitzondering voor de haalbaarheid van het bedrijfsleven om over te gaan op hernieuwbare waterstof? Kan de regering nader toelichten waarom er niet is gekozen voor een volledige uitzondering in lijn met de aangenomen motie Flach c.s. (Kamerstuk 31 239, nr. 417)? In het geval dat de Europese Commissie de 60% uitzondering afwijst, lezen de leden van de VVD-fractie dat dit niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast. Waarop baseert de regering deze constatering? Is het mogelijk dat als gevolg van een afwijzing de jaarverplichting verder omhoog moet om de doelen alsnog te halen? Hoe waarborgt de regering deze onzekerheid voor de sector?
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat de regering geen grond ziet voor een volledige uitzondering van ammoniakproductie op basis van de Europese verordening. Hoe komt de regering dan wel tot de conclusie dat een 60% uitzondering is toegestaan? Is het scenario mogelijk dat Nederland haar lidstaatverplichting behaald terwijl de ammoniakproductie 100% wordt uitgezonderd? Zo ja, waarom is er niet voor dit scenario gekozen? Zo nee, op welke gronden baseert de regering zich hier? Hoe beoordeelt de regering de notitie van Loyens en Loeff waarin wordt gesteld dat een volledige uitzondering voor ammoniakproductie-installaties beter aansluit bij (Unierechtelijke) rechtsbeginselen die van toepassing zijn op de invulling van de beleidsruimte, waaronder in het bijzonder het energie-efficiëntie-eerst-beginsel en het evenredigheidsbeginsel? Tot slot, vanuit de sector wordt aangegeven dat als er geen uitzondering komt voor ammoniakproductie-installaties, dit zal leiden tot meer import in plaats van binnenlandse vraag creëren. Hoe beoordeelt de regering dit risico?
Is de regering het eens met de leden van de VVD-fractie dat het huidige wetsvoorstel geen duidelijk investeringskader biedt voor het Nederlands bedrijfsleven? Deze leden onderstrepen het belang van het doorbreken van het «kip-ei» probleem. Tegelijkertijd zien zij dat in beginsel pas in 2032 duidelijkheid komt over het behalen van de gestelde doelen. Hoe verwacht de regering dat bedrijven op basis van deze onduidelijkheid voor de langere termijn, ook na 2035 en 2040, een investeringsbeslissing durven te nemen?
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat de regering aangeeft dat er geen ruimte is voor lidstaten om het gebruik van waterstof onderdeel van het Porthos-project uit te zonderen van de jaarverplichting. Waarop is deze constatering gebaseerd? Heeft de regering bij de Europese Commissie een formeel verzoek ingediend om te kijken of uitzondering van waterstof onderdeel van het Porthos- of Aramis-project uitgezonderd kan worden van de jaarverplichting? Is de regering het eens met de leden van de VVD-fractie dat zo een mogelijk uitzondering een impuls kan geven aan het Porthos- en Aramis-project? Is de regering bereidt om in Europees verband formeel te pleiten voor een uitzondering?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering heeft gekozen om de RED III-definities zo nauw mogelijk te volgen, waardoor geen ruimte is voor koolstofarme waterstof in dit wetsvoorstel. Kan de regering deze keuze nader toelichten? Waarom heeft de regering wel gekozen voor de 60% uitzondering van ammoniakproductie en niet ook voor een uitzondering voor koolstofarme waterstof als onderdeel van het Porthos- en Aramis-project? Is de regering bereidt dit te heroverwegen gezien het belang van het slagen van het Porthos- en Aramis-project voor het behalen van de Nederlandse klimaatdoelen? Hoe weegt de regering haar eigen constatering hierbij dat hernieuwbare waterstof maar een zeer beperkte CO2-reductie oplevert ten opzichte van CCS? De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de businesscase voor CO2-reductie via een overstap naar koolstofarme waterstof op deze manier verslechtert. Bovendien kan dit bestaande investeringsbeslissingen onder druk zetten. Deelt de regering deze mening? Waarom wordt hier toch voor gekozen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering constateert dat tot circa 2032 het ontbreken van infrastructuur een hinderende factor is voor het transport van waterstof. Op welke manier verwacht de regering dat het ontbreken van de benodigde infrastructuur het voor bedrijven vermoeilijkt te voldoen aan de jaarverplichting? Op welke manier wordt het bedrijfsleven tegemoetgekomen voor het gebrek aan infrastructuur? Is het mogelijk dat het behalen van de jaarverplichting afhankelijk is van de waterstofinfrastructuur? Zo ja, hoe zal de regering omgaan met verdere mogelijke vertraging van het waterstofnetwerk in relatie tot de jaarverplichting?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering geen handel in voor methanol uitgegeven HWI-WD’s mogelijk maakt en dat het afhangt van de hoogte van de prijzen of dit invloed heeft om de beschreven marktmacht. Als blijkt dat er voor methanol geen marktmacht kan ontstaan, is de regering bereidt om de handel in HWI-WD’s uit methanol te heronderzoeken?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de exploitant van een industriële installatie wel HWI-WD’s mag inzetten om aan zijn eigen jaarverplichting te voldoen. Kan de regering nader toelichten wat er gebeurt met een overschot aan de HWI-WD’s? Telt het overschot aan HWI-WD’s wel mee aan het behalen van de Nederlandse doelen in lijn met de Europese verordening? Heeft de regering een scenario uitgezocht waarin industriële installaties op een andere manier worden gecompenseerd of beloond voor de overcapaciteit van HWI-WD’s?
De leden van de PRO-fractie begrijpen de wens om de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie te beschermen. Tegelijkertijd vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat uitzonderingen en flexibiliteitsmechanismen de effectiviteit van het instrument ondermijnen. Kan de regering nader onderbouwen waarom de gekozen uitzonderingen, met name voor ammoniakproductie, noodzakelijk en proportioneel zijn? Welke gevolgen hebben deze uitzonderingen voor het behalen van de nationale en Europese doelstellingen? En hoe wordt het gat dat hiermee ontstaat om de doelen te halen, opgevangen door andere instrumenten die RFNBO-gebruik moeten borgen?
De leden van de CDA-fractie vragen bijzondere aandacht voor de positie van de ammoniakproductie onder de voorgestelde jaarverplichting. Zij constateren dat de Kamer eerder via de motie-Flach c.s. (Kamerstuk 31 239, nr. 417) heeft uitgesproken dat ammoniakproductie volledig zou moeten worden uitgezonderd van de verplichting. Tegelijkertijd signaleren zij dat vanuit de sector en ook door de Afdeling advisering van de Raad van State vraagtekens zijn geplaatst bij de gekozen invulling van een gedeeltelijke uitzondering van 60%. Deze leden vragen de regering waarom zij toch vasthoudt aan een uitzondering van 60%, terwijl wordt gesteld dat de Europese RED III ruimte biedt voor een volledige uitzondering. Welke juridische belemmeringen ziet de regering daarvoor?
De leden van de CDA-fractie vragen de regering duidelijker te onderbouwen waarom het verplicht direct inzetten van RFNBO’s in bestaande ammoniakinstallaties de meest kosteneffectieve route is. Zij vragen de regering bij die onderbouwing tevens te reageren op de uitkomst van recente praktijkproeven, waaruit blijkt dat dit kan leiden tot een lagere energie-efficiëntie, minder productiecapaciteit en een beperkte CO2-reductie. Hoe weegt de regering het risico dat de jaarverplichting leidt tot meer import van RFNBO-conforme ammoniak uit derde landen, terwijl dit niet bijdraagt aan de Nederlandse waterstofproductie, de ontwikkeling van de waterstofinfrastructuur of de strategische autonomie van Europa, zo vragen deze leden. Is de regering bereid de recente technische onderzoeken en praktijkervaringen uit de ammoniaksector, die dateren van na de studies van CE Delft en TNO, alsnog expliciet te betrekken bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet?
De leden van de CDA-fractie benadrukken het belang van technologieneutraal beleid bij de verduurzaming van de waterstofketen. Het doel zou immers niet het stimuleren van één specifieke productieroute moeten zijn, maar het realiseren van zoveel mogelijk kosteneffectieve CO2-reductie en verduurzaming van de industrie. Zij wijzen erop dat alternatieve routes, zoals blauwe waterstof met CO2-afvang en -opslag (CCS) en circulaire waterstof uit vergassing, op korte en middellange termijn aanzienlijke CO2-reducties kunnen realiseren tegen aanzienlijk lagere maatschappelijke kosten per vermeden ton CO2 dan RFNBO-waterstof.
De leden van de CDA-fractie merken op dat het voorliggende wetsvoorstel echter uitsluitend RFNBO’s stimuleert en daarmee mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor andere verduurzamingsroutes. Deze leden vragen daarom hoe wordt voorkomen dat de jaarverplichting leidt tot een minder doelmatige inzet van schaarse middelen voor CO2-reductie. Is onderzocht in hoeverre de verplichting investeringen in blauwe en circulaire waterstof verdringt of ontmoedigt, doordat bedrijven middelen moeten inzetten voor naleving van de RFNBO-verplichting in plaats van voor andere verduurzamingsopties met mogelijk meer klimaatwinst? Daarnaast vragen deze leden in hoeverre het wetsvoorstel bestaande of toekomstige projecten voor blauwe en circulaire waterstof indirect bemoeilijkt. Zij vragen de regering expliciet inzicht te geven in de gevolgen van de jaarverplichting voor de businesscase van dergelijke projecten en daarbij aan te geven in hoeverre investeringen kunnen verschuiven van kosteneffectieve CO2-reductie via blauwe of circulaire waterstof naar duurdere naleving van de RFNBO-verplichting.
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of de regering alternatieven heeft overwogen waarbij ook andere vormen van duurzame of koolstofarme waterstof kunnen bijdragen aan de klimaatdoelen. Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen? Ten slotte vragen deze leden de regering om duidelijker te onderbouwen waarom een beleidsinstrument dat mogelijk de ruimte voor grootschalige CO2-reductie via blauwe en circulaire waterstof beperkt, de voorkeur verdient boven een technologieneutrale benadering waarbij verschillende waterstofroutes worden beoordeeld op hun bijdrage aan emissiereductie en kosteneffectiviteit.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering te onderbouwen waarom essentiële onderdelen van de jaarverplichting, zoals de hoogte van de verplichting, het ingroeipad, uitzonderingen, ondergrenzen en flexibiliteitsmechanismen, niet in de wet zelf worden vastgelegd. Deze leden vragen hoe de parlementaire controle wordt gewaarborgd wanneer deze onderdelen bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling worden uitgewerkt.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de ammoniakvrijstelling een van de meest wezenlijke onderdelen van het wetsvoorstel is, omdat ammoniakproductie een groot deel van het industriële waterstofgebruik raakt en omdat de concurrentiepositie van deze sector kwetsbaar is. Deze leden vragen de regering te onderbouwen waarom is gekozen voor een gedeeltelijke uitzondering van 60% en niet voor een volledige uitzondering voor ammoniakproductie, zoals gevraagd in de motie van het lid Flach c.s. (Kamerstuk 31 239, nr. 417).
De leden van de JA21-fractie constateren dat de juridische houdbaarheid van de ammoniakvrijstelling onzeker lijkt, omdat de stukken erop wijzen dat de RED III geen expliciete formele uitzonderingsgrond voor ammoniakproductie bevat. Deze leden vragen de regering een afzonderlijke juridische appreciatie te geven van de houdbaarheid van de ammoniakvrijstelling, inclusief de vraag op welke bepalingen, overwegingen, verklaringen of interpretaties uit het Europese recht de regering deze uitzondering baseert.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering uiteen te zetten wat de gevolgen zijn indien de Europese Commissie de ammoniakvrijstelling geheel of gedeeltelijk niet accepteert. Deze leden vragen of dit kan leiden tot aanvullende verplichtingen of onzekerheden voor Nederlandse bedrijven.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering aan te geven onder welke objectieve omstandigheden de jaarverplichting wordt verlaagd, bevroren, uitgesteld of opgeschort. Deze leden vragen daarbij specifiek in te gaan op onvoldoende RFNBO-aanbod, disproportionele prijzen voor HWI’s, vertraging van infrastructuur, onvoldoende uitvoeringsgereedheid of aantasting van het Europese gelijke speelveld.
De leden van de SGP-fractie constateren dat in overweging 63 van RED III de mogelijkheid van een volledige uitzondering voor gebruik van waterstof geproduceerd met een installatie die subsidie uit het Europese Innovatiefonds heeft gekregen en die op jaarbasis 70% broeikasgasreductie bereikt. Deze uitzondering is opgenomen in het voorliggende wetsvoorstel. Deelt de regering de mening dat inhoudelijk bezien het al dan niet verkregen hebben van Europese subsidie minder relevant is, maar dat het vooral gaat om het voorop lopen voor tenminste 70% CO2-reductie? Is de regering bereid bij de nationale uitwerking voorbij te zien aan de voorwaarde dat Europese subsidie verkregen moet zijn dan wel dit breed te interpreteren?
De leden van de SGP-fractie lezen dat een juridische grondslag voor een volledige vrijstelling van ammoniakproductie in RED III zou ontbreken. Deze leden hebben hier enkele vragen over. Is de veronderstelling juist dat de richtlijn de jaarverplichting alleen op lidstaatniveau oplegt en dat de invulling van het doorleggen van deze verplichting op bedrijfsniveau strikt genomen aan de lidstaat is en niet door de Europese Commissie voorgeschreven wordt? Deze leden horen daarnaast graag waarom overweging 63 wel een dwingende grondslag zou bieden voor een 60% vrijstelling, maar niet voor een volledige vrijstelling.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering middels een maatwerksafspraak met Yara, een van de twee grote ammoniakproducenten, de keuze voor CO2-reductie via blauwe waterstof heeft ondersteund. Een afnameverplichting voor groene waterstof doorkruist deze keuze. Waarom is in dat licht niet gekozen voor een volledige vrijstelling voor ammoniakproductie?
De leden van de SGP-fractie willen erop wijze dat een afnameverplichting voor groene waterstof voor ammoniakproducenten in de praktijk betekent dat de energie-efficiëntie en het productievermogen van de installaties daalt, dat het wegvallen van warmteproductie gecompenseerd zal moeten worden via een gasgestookte stoomketel en dat de CO2-winst daarom beperkt is, zeker wanneer dit afgezet wordt tegen de gemaakte kosten. Waarom is desondanks gekozen voor deze afnameverplichting?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering in het nader rapport stelt dat, om de lidstaatverplichting met meer zekerheid binnen bereik te brengen additionele budgetten of maatregelen nodig zijn en dat verschillende beleidsopties in beeld zijn die in theorie kunnen bijdragen aan het kunnen behalen van de lidstaatverplichting. Deze leden constateren dat de regering met onderhavig wetsvoorstel normen oplegt aan de industrie, terwijl flankerend beleid nog niet concreet is. Kan de regering concreet maken wat de ideale mix van de verschillende beleidsopties volgens de regering is, uiteenzetten wanneer ze besluitvorming over flankerend beleid verwacht en wanneer deze maatregelen worden geïmplementeerd, om zo te borgen dat de jaarverplichting wordt gehaald? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen tevens of de regering zo concreet mogelijk kan maken hoeveel budgetten ze de komende jaren vrij wil maken, zodat de kans zo groot mogelijk is dat Nederland aan de lidstaatverplichting zal voldoen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in het bijzonder naar het Europees krachtenveld rondom vraagnormering. Hoe groot acht de regering de kans dat op korte termijn ambitieuze vraagnormering van de grond komt, waarbij de belangrijkste halffabricaten en eindproducten worden genormeerd, zodat daadwerkelijk ook de vraag naar groene waterstof van de grond gaat komen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of al eens is onderzocht wat de potentiële effecten van ambitieuze vraagnormering zijn voor het aandeel van hernieuwbaar waterstofgebruik in de industrie. Zijn hier studies over verschenen? Zo nee, ziet de regering noodzaak om dit te laten onderzoeken?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering overweegt om de raffinageroute verder te verruimen. Waarom wel of niet?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de onderbouwing van de 60%-uitzondering. Waarom is er niet gekozen om bijvoorbeeld 50% van de ammoniakproductie-installaties uit te zonderen of 70%? Kan de regering onderbouwen waarom 60% juridisch beter stand zou houden dan andere percentages?
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat volgens de regering een juridische grondslag voor een volledige vrijstelling van ammoniakproductie in RED III ontbreekt. Een Kamermeerderheid had middels de aangenomen motie-Flach (Kamerstuk 31 239, nr. 419) wel gevraagd om deze vrijstelling. Deze leden zien dat andere partijen menen dat die juridische basis er wel zou zijn. Hoe reflecteert de regering op andere analyses die tot een andere conclusie komen? Heeft de regering ook zelf extern juridisch advies gevraagd of het wellicht juridisch toch mogelijk zou zijn om aan het verzoek in de motie-Flach te voldoen? De leden vragen tevens of bekend is hoe andere lidstaten RED III interpreteren op dit punt.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat, mocht blijken dat de 60%-uitzondering niet juridisch standhoudt, Nederland een kortere tijd heeft om alsnog aan de lidstaatverplichting te voldoen. Heeft de regering in kaart gebracht wat hiervoor de consequenties, inclusief financiële consequenties, zijn, zowel voor bedrijven als voor de regering zelf.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom er niet gekozen is om ook een doel voor 2040 op te nemen, zodat de investeringszekerheid voor bedrijven voor op de langere termijn wellicht ook zou toenemen.
De leden van de PRO-fractie vragen op welke momenten de regering zal beoordelen of het ingroeipad nog passend is bij de markt en RED III doelstellingen. Is de regering bereid de Kamer periodiek te informeren over de ontwikkeling van de markt voor RFNBO’s, de beschikbaarheid van waterstof, de prijsontwikkeling en de mate waarin Nederland op koers ligt voor de RED III-doelstellingen?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat in 2030 of 2031 de jaarverplichting zal worden geëvalueerd, waarbij ook onderzocht wordt of de hoogte haalbaar is gegeven de dan van toepassing zijnde marktomstandigheden. Deze leden vragen of de regering dit kan toelichten. Op basis van welke criteria zal worden beoordeeld of de hoogte al dan niet haalbaar is. De leden van de ChristenUnie-fractie ook wat de gevolgen van eventuele aanpassingen van Europese wet- en regelgeving tussen 2027 en 2031 zijn voor de hoogte zoals geregeld in het wetsvoorstel.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering tevens of ook op andere momenten toetsing en herijking van het tijdpad plaatsvindt. Zo ja, wanneer en op basis van welke criteria zou herijking al dan niet plaatsvinden?
De leden van de VVD-fractie lezen dat er mogelijk een minder gelijk speelveld kan ontstaan in de EU. Heeft de regering zicht op hoe omringen landen, zoals Duitsland, België en Frankrijk, voornemens zijn de Europese verordening implementeren? Is de regering in gesprek met omringende landen voor het behoud van het gelijke speelveld? Deelt de regering de zorgen van de VVD-fractie op het gebied van het risico tot weglek als omringende landen geen jaarverplichting invoeren? Hoe waarborgt de regering het risico op weglek in het wetsvoorstel als omringende landen geen jaarverplichting invoeren? Welke effect heeft regelgeving in omringende landen op het ingroeipad van de jaarverplichting?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie heeft aangegeven ook in te zetten op de uitrol van koolstofarm geproduceerde waterstof ten behoeve van de verduurzaming van de sectoren waar elektrificatie niet direct een toepasbare verduurzamingsoptie is. Hoe duidt de regering deze inzet van de Europese Commissie met de nationale beslissing om koolstofarm-geproduceerde waterstof uit het Porthos- en Aramis-project niet uit te zonderen van de jaarverplichting?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Rekenkamer de Europese Commissie heeft aanbevolen haar hernieuwbare waterstofdoelen voor 2030 te herijken en meer realistische doelen te stellen. Hoe weegt de regering deze constatering van de Europese Rekenkamer in het voorgestelde wetsvoorstel? Verwacht de regering dat de Europese Commissie in de nabije toekomst haar hernieuwbare waterstofdoel zal bijstellen? Op welke manier zal dit impact hebben op het huidige wetsvoorstel?
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) aangeeft dat de huidige percentages van 42% in 2030 en 60% in 2035 niet haalbaar zijn. Hoe neemt de regering deze constatering van het PBL mee in het wetsvoorstel? Welk effect kan dit in de toekomst hebben op het Nederlandse bedrijfsleven? Hoe ziet de regering deze constatering van het PBL in relatie tot de investeringsbereidheid van bedrijven die moeten voldoen aan de jaarverplichting?
De leden van de PRO-fractie vragen de regering nader uiteen te zetten op welke wijze de aangepaste ammoniakuitzondering gevolg geeft aan het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State om zo nauw mogelijk aan te sluiten bij de uitzonderingsmogelijkheden uit de RED III. Op welke punten wijkt de nationale regeling nog af van de systematiek van de richtlijn en waarom acht de regering die afwijkingen juridisch houdbaar?
De leden van de PRO-fractie constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van State erop wijst dat de ammoniakuitzondering niet rechtstreeks kan worden herleid tot artikel 22bis RED III en dat de Europese Commissie pas tussen 2030 en 2032 zal beoordelen of deze uitzondering daadwerkelijk mag meetellen voor de lidstaatverplichting. Welk scenario heeft de regering uitgewerkt indien de Commissie deze uitzondering uiteindelijk niet accepteert? Hoe groot is het dan ontstane tekort ten opzichte van de RED III-doelstelling en welke aanvullende maatregelen zouden dan noodzakelijk zijn?
De leden van de PRO-fractie zien verder dat de regering heeft gekozen voor een aanvullende route om uitzondering te verlenen aan categorieën industriële installaties op basis van een algemene maatregel van bestuur. Kan de regering bevestigen dat dit slechts bedoeld is voor installaties onder de drempelwaarde van 0.1 kton per jaar? Welke concrete inhoudelijke criteria stelt de regering voor toepassing van deze bevoegdheid? En klopt het dat deze bevoegdheid niet is voorzien van een voorhangprocedure? Kan de regering onderbouwen waarom dit niet het geval is?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering een volledige kostenanalyse te geven, uitgesplitst per sector. Deze leden vragen daarbij inzicht in de meerkosten per ton vermeden CO2, de mogelijke doorwerking naar consumenten, de gevolgen voor investeringen en het risico op productieverplaatsing.
De leden van de SGP-fractie horen graag of de omliggende landen, Duitsland en België, een met Nederland vergelijkbare jaarverplichting op bedrijfsniveau in gaan voeren. Zijn er andere lidstaten waar de jaarverplichting doorgelegd wordt naar ammoniak producerende bedrijven?
Deze leden horen graag hoe Polen, dat ook een relatief grote ammoniak producerende sector heeft, omgaat met een jaarverplichting voor ammoniak producerende bedrijven.
De leden van de VVD-fractie lezen dat voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) het verkrijgen en doorverkopen van HWI’s die niet voor de eigen verplichting nodig zijn kunnen helpen om de businesscase rond te krijgen. Hoe duidt de regering deze constatering in het licht van de eerdere vaststelling dat het niet zeker is of er een markt zal ontstaan in het verhandelen van HWI-W’s? Mocht er geen markt ontstaan in het handelen van HWI-W’s, ziet de regering dan andere mogelijkheden voor MKB-bedrijven die vallen onder de jaarverplichting? Baseert de regering zich in de haalbaarheid voor MKB-bedrijven op de gestelde 8 tot 9 euro meerprijs per kilogram hernieuwbare waterstof? Zo ja, heeft de regering beeld bij het effect voor MKB-bedrijven als de meerprijs van hernieuwbare waterstof boven dit bedrag zal uitkomen? Hoe ziet de regering dat MKB-bedrijven die vallen onder de jaarverplichting kunnen concurreren met grote industriële bedrijven bij het verkrijgen van groene waterstof als de benodigde infrastructuur nog niet aanwezig is?
Is de regering het met de leden van de VVD-fractie eens dat de jaarverplichting juist de kleine groep MKB’ers treft die zich eerder vrijwillig hebben ingezet om te verduurzamen? Ziet de regering de problemen die het wetsvoorstel kunnen opleveren voor groene MKB’ers in relatie tot hun concurrentiepositie met MKB’ers die niet zijn overgegaan op waterstof?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de productie van hernieuwbare waterstof gepaard gaat met hoog verbruik van elektriciteit. Hoe schat de regering de rol van netcongestie in de mogelijkheid voor het creëren van voldoende hernieuwbare waterstof? Is het scenario mogelijk dat er te weinig elektrolysecapaciteit beschikbaar is om te voldoen aan de jaarverplichting?
De leden van de VVD-fractie vragen op welke manier de regering het importportbeleid van hernieuwbare waterstof stimuleert en of zij hierbij duidelijkheid biedt aan de bedrijven die vallen onder de jaarverplichting. Als de jaarverplichting wordt aangenomen, is het dank zeker dat er voldoende subsidiebudget is voor zowel de Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse (OWE) als de Stimulering Toename Inzet Hernieuwbare Waterstof in de Industrie (STIHWI) zodat de verplichting niet tot weglek leidt? De leden van de VVD-fractie zijn daarnaast benieuwd naar de voortgang op het bied van de overige onderdelen uit het beleidspakket voor waterstof zover deze in relatie staan tot het beschikken tot hernieuwbare waterstof voor bedrijven die vallen onder de jaarverplichting.
De leden van de SGP-fractie constateren dat ammoniak producerende bedrijven zich gedwongen kunnen voelen (groene) ammoniak te importeren. Hoe waardeert de regering dit in het licht van de gewenste strategische autonomie voor een «critical chemical» als ammoniak en het door Europa gewenste behoud van ammoniakproductie?
De leden van de commissie merken op dat het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft geadviseerd om het wetsvoorstel niet in te dienen tenzij met de adviespunten rekening wordt gehouden. Een van de punten die het ATR aanhaalt is de stapeling van regeldruk in het ontwikkelen van het beleidsinstrumentarium om de lidstaat verplichting te behalen. De regering geeft in de memorie van toelichting aan dat de subsidies gericht op de inzet van hernieuwbare waterstof dezelfde doelgroep betreft. En dat deze subsidies gericht op de inzet van hernieuwbare waterstof in de industrie zijn nog in ontwikkeling zijn, waardoor het op dit moment nog niet mogelijk is om dit te laten aansluiten op de jaarverplichting. En dat de stapeling van regeldruk daarom zal worden bezien bij het ontwikkelen van de deze subsidies. De leden van de commissie vragen aan de regering of het mogelijk is op hoofdlijnen al wel hierop inzicht kan worden gegeven. De leden van de commissie vragen op welke wijze de regering ongewenste stapeling van regeldruk wil voorkomen.
De lezen van de VVD-fractie lezen dat bedrijven die niet onder de jaarverplichting vallen wel hun hernieuwbare waterstof zullen inboeken. Waarop baseert de regering deze constatering?
Deze leden lezen dat het gebruik van hernieuwbare waterstof zo een 6,5 keer zo duur is als niet-hernieuwbare waterstof. Voor groene ammoniak geldt dat dit 3 keer zo duur zal worden als gevolg van de jaarverplichting. Kan de regering nader toelichten hoe zij deze meerkosten weegt in het kader van het beschermen van de Nederlandse concurrentiepositie? Op basis van welke gegevens zijn de totale nalevingskosten gebaseerd? Is de regering bereidt om deze kosten te actualiseren naar de huidige omstandigheden?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering de totale regeldruk van de volledige instrumentenmix inzichtelijk kan maken. Deze leden vragen daarbij hoe de opmerkingen van het ATR over stapeling van lasten en minder belastende alternatieven zijn verwerkt.
De leden van de PRO-fractie wijzen op de HUF-toets van de NEa. Daarin wordt onder meer gewezen op het ontbreken van onafhankelijke contra-informatie om de volledigheid van de doelgroep en de juistheid van het opgegeven waterstofverbruik te controleren. Kan de regering nader toelichten hoe de NEa in de praktijk zal vaststellen dat alle verplichtige bedrijven in beeld zijn en dat het opgegeven waterstofverbruik volledig en juist is? Acht de regering aanvullende gegevensuitwisseling of registratie noodzakelijk?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering concreet aan te geven welke voorwaarden de NEa stelt aan uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en fraudebestendigheid van het stelsel. Deze leden vragen welke onderdelen van de onderliggende regelgeving, het HWI-register, het toezicht op certificering en de handhaving nog niet gereed zijn en welke gevolgen dat heeft voor de beoogde inwerkingtreding.
De leden van de PRO-fractie lezen dat de NEa wijst op risico’s voor de uitvoerbaarheid als gevolg van de verschillende uitzonderingen en aftrekposten. Hoe wordt geborgd dat de uitzonderingen in lagere regelgeving voldoende eenduidig worden uitgewerkt, zodat verschillen in interpretatie tussen bedrijven, verificateurs en toezichthouder worden voorkomen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de NEa aangeeft dat er serieuze krapte op de verificatiemarkt bestaat. Hoe gaat de regering om met dit kritiekpunt van de NEa? Deelt de regering de zorg van de NEa over de krapte op de verificatiemarkt? Welke gevolgen zijn er voor bedrijven die vallen onder de jaarverplichting als er geen verificateurs beschikbaar zijn? Welke effecten heeft de krapte op de verificateursmarkt voor de algehele nalevingskosten voor de bedrijven die vallen onder de jaarverplichting?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering te bevestigen hoe wordt omgegaan met bedrijven die aantoonbaar niet kunnen voldoen door onvoldoende aanbod, disproportionele HWI-prijzen, ontbrekende infrastructuur of het uitblijven van tijdige certificering. Deze leden vragen of het wetsvoorstel in dergelijke gevallen voorziet in een vrijstelling, uitstelmogelijkheid of matiging van sancties.
De leden van de VVD-fractie lezen in dat er een grote rol voor verificateurs is weggelegd in het wetsvoorstel. Het ATR geeft in haar advies aan dat zij twijfelt of er genoeg verificateurs beschikbaar zijn om de bedrijven te controleren. Hoe gaat de regering om met dit kritiekpunt? Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat het ATR aangeeft dat met name de administratieve lasten voor het voldoen aan de jaarverplichting voor kleine industriële installaties onevenredig hoog zijn. Hoe gaat de regering om met dit kritiekpunt van het ATR? Zijn er verbeteringen mogelijk voor kleine industriële installaties?
De leden van de commissie zien dat de regering een samenvatting geeft van de HUF-toets zoals deze uitgevoerd is door de NEa. Op een enkele uitzondering na, is het de leden niet duidelijk of en hoe de regering omgegaan is met de zorgen die de NEa heeft ten aanzien van de fraudebestendigheid en uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Zo is er geen contra-informatie beschikbaar van een externe bron om een opgegeven totale waterstofgebruik te verifiëren. Kan de regering aangeven of deze zorgen van de NEa gedeeld worden, en zo ja, op welke wijze hieraan wordt tegemoet gekomen? Ook geeft de regering aan dat de uitzonderingen en de inboekeisen nader uitgewerkt worden bij nadere regelgeving. De leden van de commissie hebben geconstateerd dat (een deel van) deze uitwerking inmiddels in internetconsultatie is gegaan en ook lezen de leden dat bij de totstandkoming is samengewerkt met de NEa. Tegelijk met de internetconsultatie wordt de HUF-toets uitgevoerd door de NEa. Kan de regering aangeven op welke wijze de fraudebestendigheid en uitvoerbaarheid van de jaarverplichting zijn verbeterd in deze lagere regelgeving en wat de (informele) reactie van de NEa is op deze conceptregelgeving?
De leden van de commissie constateren dat de NEa zowel bij dit wetsvoorstel als bij het ook bij de Kamer ingediende wetsvoorstel Wet bijmengverplichting groen gas (Kamerstuk 36 947), heeft aangegeven dat de vormgeving van de wetsvoorstellen leiden tot verzwaring van de uitvoerings- en toezichtslasten bij de NEa. Kan de regering aangeven of de NEa toegerust is op de uitbreiding van taken, ook gezien onder meer de huidige arbeidsmarkt?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering aangeeft aan dat het ingroeipad is afgesteld op de hoeveelheid RFNBO’s die realistisch gezien beschikbaar zullen zijn per jaar. Op welke gegevens baseert de regering zich als het gaat om de realistische hoeveelheid beschikbare RFNBO’s? Worden deze cijfers geactualiseerd na het invoeren van het voorgestelde wetsvoorstel? Mocht blijken dat er minder RFNBO’s beschikbaar zijn dan vooraf voorspeld, welke invloed zal dit hebben op de jaarverplichting?
De leden van de PRO-fractie constateren dat de NEa expliciet aandacht vraagt voor de frauderisico’s die samenhangen met uitzonderingen, aftrekposten en tijdelijke versoepelingen van de inboekregels. Kan de regering nader uiteenzetten welke aanvullende waarborgen worden opgenomen om dubbel tellen, onjuiste classificatie van waterstofstromen en strategisch gebruik van uitzonderingen te voorkomen? Tevens vragen deze leden waarom geen einddatum is opgenomen voor de tijdelijke versoepeling van de inboekregels. Is de regering bereid hiervoor een duidelijke horizonbepaling op te nemen?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering te onderbouwen waarom inwerkingtreding per 1 januari 2027 verantwoord is. Zij vragen welke informatie de Kamer voor die datum nog ontvangt over marktontwikkeling, kosten, juridische houdbaarheid van de ammoniakvrijstelling, uitvoeringsgereedheid van de NEa, regeldruk en het gelijke speelveld met andere lidstaten. Tevens vragen deze leden of de regering kan voldoen aan alle randvoorwaarden die nodig zijn voor inwerkingtreding per 1 januari 2027.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering uiteen te zetten op basis van welke objectieve criteria de Kamer kan beoordelen of de jaarverplichting verantwoord kan ingaan. Deze leden vragen daarbij in ieder geval criteria voor betaalbaarheid, uitvoerbaarheid, beschikbaarheid, infrastructuur, juridische houdbaarheid van de ammoniakvrijstelling en het Europese gelijke speelveld.
De voorzitter van de commissie, Zwinkels
De griffier van de commissie, Nava
De inbreng van de wetgevingsrapporteur is in het verslag te herkennen aan de zinsnede «de leden van de commissie (zijn van mening)» in tegenstelling tot «de leden van de X-fractie (zijn van mening)».
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36936-5.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.