Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36936 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36936 nr. 2 |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten te wijzigen om een jaarverplichting voor het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong voor exploitanten van industriële installaties in de industrie op te nemen ter ondersteuning van het behalen van het doel in de richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De Wet milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 2.2, eerste lid, wordt «titels 9.7 en 9.8» vervangen door «titels 9.7, 9.8 en 9.10».
B
Na titel 9.8 wordt een titel ingevoegd, luidende:
In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
installatie waarin ammoniak wordt geproduceerd;
de Minister van Klimaat en Groene Groei;
energie-inhoud als bedoeld in bijlage III bij de richtlijn hernieuwbare energie of, indien niet opgenomen in die bijlage, berekend volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;
verbruik van energie voor de opwekking van warmte, licht, elektriciteit of mechanische arbeid;
gedelegeerde verordening (EU) 2019/856 van de Commissie van 26 februari 2019 houdende aanvulling van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de werking van het innovatiefonds;
exploitant van een industriële installatie die waterstof gebruikt bestemd voor eindenergieverbruik en niet-energetisch gebruik in de industrie en die als exploitant van een broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 16.5 wordt vermeld in de vergunning, bedoeld in dat artikel voor die industriële installatie, of bij het ontbreken van die vergunning als exploitant wordt vermeld in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet, voor die industriële installatie;
hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong als bedoeld in artikel 2, onderdeel 36, van de richtlijn hernieuwbare energie;
hernieuwbare niet-fossiele bronnen waarmee hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 2, eerste onderdeel, van de richtlijn hernieuwbare energie kan worden opgewekt;
waterstof die is geproduceerd uit hernieuwbare bronnen, niet zijnde biomassa, stortgas, gas van rioolwaterzuiveringsinstallaties en biogas;
hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong, niet zijnde hernieuwbare waterstof;
hernieuwbare waterstofeenheid industrie als bedoeld in artikel 9.10.3.1;
register voor hernieuwbare waterstofeenheden industrie als bedoeld in artikel 9.10.5.1;
organisatorische eenheid die zich bezighoudt met de import van waterstof of met de conversie van geïmporteerde waterstofdragers die wordt omgezet in waterstof, en deze waterstof verhandelt ten behoeve van de inzet in een industrieel proces of deze waterstof zelf inzet in een industrieel proces;
onderneming die hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong overeenkomstig de eisen gesteld krachtens artikel 9.10.4.2 inzet in een industrieel proces en de ingezette hoeveelheid inboekt in het HWI-register;
eigenschap van een rekening in het HWI-register die de inboeking van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong bestemd voor eindenergieverbruik en niet-energetisch gebruik overeenkomstig artikel 9.10.4.1 mogelijk maakt;
vervaardiging van producten op industriële schaal door toepassing van chemische, biologische of andere processen in een industriële installatie;
een vaste technische eenheid waarin een of meer activiteiten en processen plaatsvinden als bedoeld in secties B, C, F en de divisie 63 uit sectie J, bedoeld in artikel 2, onderdeel 18 bis, van de richtlijn hernieuwbare energie, alsmede andere activiteiten en processen die met eerstbedoelde activiteiten en processen rechtstreeks samenhangen en daarmee technisch in verband staan;
eigenschap van een rekening in het HWI-register die een exploitant van een industriële installatie ingevolge artikel 9.10.2.2 heeft om aan zijn jaarverplichting hernieuwbare waterstofeenheden industrie te voldoen;
aantal hernieuwbare waterstofeenheden industrie die de exploitant van een industriële installatie is verschuldigd op grond van artikel 9.10.2.1;
organisatorische eenheid die zich bezighoudt met het verkopen of verhandelen van waterstof ten behoeve van de inzet in een industrieel proces of deze waterstof zelf inzet in een industrieel proces;
een boekhouding die een getrouwe weergave geeft van de in- en uitgaande stromen en voorraad van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong van een onderneming al dan niet op een opslaglocatie gedurende een bepaalde periode, bedoeld in artikel 30 van de richtlijn hernieuwbare energie en uitgevoerd overeenkomstig artikel 19 van verordening (EU) 2022/996, als onderdeel van een door de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong gehanteerd vrijwillig systeem voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong;
niet-energetisch gebruik als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18 ter, van de richtlijn hernieuwbare energie;
onderneming als bedoeld in artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, voor zover ze rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld in artikel 3, met uitzondering van onderdeel f, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
eigenschap van een rekening in het HWI-register die de overboeking van een hernieuwbare waterstofeenheid industrie mogelijk maakt;
organisatorische eenheid die zich bezighoudt met het produceren van waterstof en deze waterstof verkoopt of verhandelt ten behoeve van de inzet in een industrieel proces of deze waterstof zelf inzet in een industrieel proces;
richtlijn (EU) 2024/1788 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas en waterstof, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2023/1791 en tot intrekking van Richtlijn 2009/73/EG;
richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);
geïntegreerde stoom-methaanreforming installatie waarmee waterstof wordt geproduceerd door een chemisch proces waarbij methaan, dat voornamelijk beschikbaar is in aardgas, wordt omgezet met stoom;
uitvoeringsverordening (EU) 2022/996 van de Commissie van 14 juni 2022 betreffende de voorschriften om de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria alsmede de criteria inzake laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik te controleren;
gedelegeerde verordening (EU) 2023/1184 van de Commissie van 10 februari 2023 ter aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad door de bepaling van een gemeenschappelijke Uniemethode die voorziet in gedetailleerde regels voor de productie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong;
gedelegeerde verordening (EU) 2023/1185 van de commissie van 10 februari 2023 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad door de vaststelling van een minimumdrempel voor broeikasgasemissiereducties door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof en door de methode te specificeren voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof;
door de Europese Commissie erkend vrijwillig systeem als bedoeld in artikel 30, vierde lid, van de richtlijn hernieuwbare energie voor het certificeren dat een hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong voldoet aan de broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29 bis van de richtlijn hernieuwbare energie, en aan de eisen gesteld in artikel 27, zesde lid, van de richtlijn hernieuwbare energie;
waterstof die voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik wordt bestemd in de industrie.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de invoer en het gebruik van informatie door inboekers hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong en andere marktdeelnemers in de toeleveringsketen van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de Uniedatabank, bedoeld in artikel 31 bis, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit worden de bij ministeriële regeling vast te stellen gegevens verstrekt door producenten van waterstof over de door hen geproduceerde waterstof, door importeurs van waterstof over de door hen geïmporteerde waterstof of waterstofdragers of door leveranciers van waterstof over de door hen geleverde waterstof of waterstofdragers, voor zover die gegevens voor de uitvoering van deze titel noodzakelijk zijn.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën industriële installaties worden aangewezen waarop bepaalde of alle opgenomen bepalingen in deze titel met betrekking tot die exploitanten van industriële installaties niet van toepassing zijn.
De bepalingen in verordening (EU) 2022/996 en verordening (EU) 2023/1185 zijn van overeenkomstige toepassing op hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die voor eindenergieverbruik en niet-energetisch gebruik in de industrie worden bestemd.
Met hernieuwbare waterstof en hernieuwbare waterstofdragers als bedoeld in deze wet worden gelijkgesteld hernieuwbare waterstof en hernieuwbare waterstofdragers die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
1. De exploitant van een industriële installatie is in enig kalenderjaar het aantal hernieuwbare waterstofeenheden industrie verschuldigd, dat overeenkomt met het bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage van de energie-inhoud van de waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik in het direct aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar.
2. Voor een exploitant van een industriële installatie die gebruik heeft gemaakt van artikel 9.10.2.4, eerste, vierde of zevende lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld aan de wijze van berekening van de energie-inhoud van de waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik voor het aantal verschuldigde hernieuwbare waterstofeenheden industrie, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden voor de toepassing van het eerste lid eisen gesteld aan het aantal hernieuwbare waterstofeenheden industrie.
De exploitant van een industriële installatie heeft een rekening met jaarverplichtingfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie in het HWI-register.
1. De exploitant van een industriële installatie voert voor 1 april van enig kalenderjaar zijn waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik inclusief de waterstof, bedoeld in artikel 9.10.2.4, eerste, vierde en zevende lid, in kilogrammen van het direct aan die datum voorafgaande kalenderjaar op zijn rekening met jaarverplichtingfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden in het HWI-register op.
2. Na de datum, genoemd in het eerste lid, meldt de exploitant van een industriële installatie wijzigingen in de voor enig kalenderjaar op zijn rekening opgevoerde waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik aan het bestuur van de emissieautoriteit.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld aan de wijze van berekening van de energie-inhoud van de waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik, bedoeld in het eerste lid, en kunnen de bij het opvoeren op de rekening te vermelden gegevens worden bepaald.
4. De gegevens, bedoeld in het derde lid, en de onderliggende stukken, worden door de exploitant van een industriële installatie bewaard tot ten minste vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop die gegevens betrekking hebben.
1. De exploitant van een industriële installatie kan voor 1 april van enig kalenderjaar als bedoeld in artikel 9.10.2.3, eerste lid, de volgende waterstof die hij inzet in een industrieel proces in kilogrammen in het direct aan die datum voorafgaande kalenderjaar, en die hij op grond van artikel 9.10.2.3, eerste lid, heeft opgevoerd in het HWI-register, op zijn rekening met jaarverplichtingfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie in het HWI-register opvoeren:
a. waterstof die als tussenproduct voor de productie van conventionele transportbrandstoffen en biobrandstoffen als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onderdeel a, sub i en ii, van de richtlijn hernieuwbare energie wordt gebruikt;
b. waterstof die wordt geproduceerd door het koolstofvrij maken van industrieel restgas en wordt gebruikt ter vervanging van het specifieke gas waaruit zij wordt geproduceerd;
c. waterstof die wordt geproduceerd als bijproduct of die wordt afgeleid van bijproducten in industriële installaties.
2. Indien de exploitant van een industriële installatie de waterstof, bedoeld in het eerste lid, heeft opgevoerd op de rekening met jaarverplichtingfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie in het HWI-register wordt voor de toepassing van artikel 9.10.2.1 deze waterstof niet beschouwd als waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld aan de waterstof en de wijze van berekening van de energie-inhoud en de samenhang van de waterstof, bedoeld in het eerste lid.
4. De exploitant van een industriële installatie kan voor 1 april van enig kalenderjaar als bedoeld in artikel 9.10.2.3, eerste lid, waterstof waarmee ammoniak wordt geproduceerd in een ammoniakproductie-installatie waardoor deze waterstof wordt ingezet in een industrieel proces in het direct aan die datum voorafgaande kalenderjaar op zijn rekening met jaarverplichtingfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie in het HWI-register opvoeren, indien deze ammoniakproductie-installatie uiterlijk op 20 november 2023 in gebruik is genomen en op die datum geïntegreerd was met een smr-installatie.
5. Indien de exploitant van een industriële installatie de waterstof, bedoeld in het vierde lid, heeft opgevoerd op de rekening met jaarverplichtingfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie in het HWI-register, wordt voor de toepassing van artikel 9.10.2.1 deze waterstof voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen percentage niet beschouwd als waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik als bedoeld in artikel 9.10.2.1.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor de toepassing van het vijfde lid voorwaarden en eisen worden gesteld aan de ammoniakproductie-installatie, de smr-installatie en de wijze van berekening van de energie-inhoud van de waterstof, bedoeld in het vierde lid.
7. De exploitant van een industriële installatie waarin ammoniak wordt geproduceerd kan voor 1 april van enig kalenderjaar als bedoeld in artikel 9.10.2.3, eerste lid, waterstof die is geproduceerd in een installatie waarvoor voorafgaand aan 20 november 2023 een besluit door de Europese Commissie met het oog op de toekenning van een subsidie uit hoofde van het Europese Innovatiefonds is bekendgemaakt en die een gemiddelde broeikasgasreductie van 70% op jaarbasis bereikt in het direct aan de datum, genoemd in artikel 9.10.2.3, eerste lid, voorafgaande kalenderjaar op zijn rekening met jaarverplichtingfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie in het HWI-register opvoeren, indien die waterstof is ingezet in dezelfde industriële installatie.
8. Indien de exploitant van een industriële installatie de waterstof, bedoeld in het zevende lid, heeft opgevoerd op de rekening met jaarverplichtingfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie in het HWI-register, wordt voor de toepassing van artikel 9.10.2.1 deze waterstof niet beschouwd als waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik als bedoeld in artikel 9.10.2.1.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor de toepassing van het achtste lid voorwaarden en eisen worden gesteld aan de exploitant van een industriële installatie waarin ammoniak wordt geproduceerd, bedoeld in het zevende lid, de waterstof, bedoeld in het zevende lid, en de wijze van berekening van de energie-inhoud en de gemiddelde broeikasgasreductie van de waterstof, bedoeld in het zevende lid.
10. Bij ministeriële regeling worden de bij het opvoeren op de rekening te vermelden gegevens bepaald.
11. De gegevens, bedoeld in het tiende lid, en de onderliggende stukken, worden door de exploitant van een industriële installatie bewaard tot ten minste vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop die gegevens betrekking hebben.
1. De exploitant van een industriële installatie koppelt in het HWI-register aansluitend aan de opvoering van de waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik als bedoeld in artikel 9.10.2.3, eerste lid, en de waterstof, bedoeld in artikel 9.10.2.4, eerste, vierde en zevende lid, voor 1 juni een verklaring van een verificateur waaruit blijkt dat is voldaan aan de bij of krachtens artikelen 9.10.2.3 en 9.10.2.4 gestelde eisen.
2. De verificateur geeft geen verklaring af indien niet is voldaan aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere eisen worden gesteld aan de wijze van koppeling van de verklaring van de verificateur, aan de verificateur en de verificatie.
4. De verificateur bewaart alle gegevens en documentatie met betrekking tot de verificatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, gedurende ten minste vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de verificatie betrekking heeft.
1. Indien een exploitant van een industriële installatie in enig kalenderjaar zijn waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik als bedoeld in artikel 9.10.2.3, eerste lid, niet voor 1 april van het direct daaropvolgende kalenderjaar heeft opgevoerd op zijn rekening met jaarverplichtingfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie, kan het bestuur van de emissieautoriteit zijn waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik ambtshalve vaststellen.
2. Indien een exploitant van een industriële installatie in enig kalenderjaar zijn waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik als bedoeld in artikel 9.10.2.3, eerste lid, of zijn waterstof als bedoeld in artikel 9.10.2.4, eerste, vierde en zevende lid, niet juist heeft opgevoerd op zijn rekening met jaarverplichtingfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie of niet voor 1 juni een verklaring van een verificateur heeft gekoppeld als bedoeld in artikel 9.10.2.5, eerste lid, kan het bestuur van de emissieautoriteit deze waterstof bestemd voor eindenergieverbruik of niet-energetisch gebruik of deze waterstof tot vijf jaar na dat kalenderjaar ambtshalve vaststellen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.
1. De exploitant van een industriële installatie kan gedurende de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde periode de jaarverplichting hernieuwbare waterstofeenheden industrie in enig kalenderjaar, bedoeld in artikel 9.10.2.1, geheel of gedeeltelijk doorschuiven naar een jaarverplichting hernieuwbare waterstofeenheden industrie in een kalenderjaar volgend op dat kalenderjaar volgens bij algemene maatregel vast te stellen regels.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden over het gedeelte van de jaarverplichting hernieuwbare waterstofeenheden industrie in enig kalenderjaar dat geheel of gedeeltelijk kan worden doorgeschoven, en in welk kalenderjaar dit gedeelte van de jaarverplichting hernieuwbare waterstofeenheden industrie kan worden opgeteld.
1. Op 1 juni van enig kalenderjaar:
a. heeft de exploitant van een industriële installatie ten minste het aantal hernieuwbare waterstofeenheden industrie op zijn rekening dat overeenkomt met de voor die exploitant van een industriële installatie voor het direct aan die datum voorafgaande kalenderjaar geldende jaarverplichting hernieuwbare waterstofeenheden industrie; en
b. schrijft het bestuur van de emissieautoriteit het aantal per soort hernieuwbare waterstofeenheden industrie dat overeenkomt met de voor die exploitant van een industriële installatie voor het direct aan die datum voorafgaande kalenderjaar geldende jaarverplichting hernieuwbare waterstofeenheden industrie af van de rekening van de exploitant van een industriële installatie.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de afschrijving van het aantal per soort hernieuwbare waterstofeenheden industrie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
3. Indien toepassing van artikel 9.10.2.6, eerste of tweede lid, leidt tot een verhoging van de jaarverplichting hernieuwbare waterstofeenheden industrie voor het betrokken kalenderjaar, schrijft het bestuur van de emissieautoriteit, met inachtneming van het tweede lid, het aantal per soort hernieuwbare waterstofeenheden industrie dat overeenkomt met die verhoging af van de rekening van de exploitant van een industriële installatie.
4. Indien toepassing van artikel 9.10.2.6, eerste of tweede lid, leidt tot een verlaging van de jaarverplichting hernieuwbare waterstofeenheden industrie voor het betrokken kalenderjaar, schrijft het bestuur van de emissieautoriteit, met inachtneming van het tweede lid, het aantal per soort hernieuwbare waterstofeenheden industrie dat overeenkomt met die verlaging bij op de rekening van de exploitant van een industriële installatie. Het bestuur van de emissieautoriteit houdt hierbij rekening met artikel 9.10.5.5.
5. Indien het aantal per soort hernieuwbare waterstofeenheden industrie op de rekening van de exploitant van een industriële installatie als gevolg van de toepassing van het eerste of derde lid leidt tot een negatief saldo aan hernieuwbare waterstofeenheden industrie, vult de exploitant van een industriële installatie het tekort binnen twaalf kalendermaanden aan.
1. Het HWI-register heeft de volgende soorten hernieuwbare waterstofeenheden industrie:
a. een hernieuwbare waterstofeenheid industrie waterstof;
b. een hernieuwbare waterstofeenheid industrie waterstofdrager.
2. Een hernieuwbare waterstofeenheid industrie vertegenwoordigt een bijdrage aan de jaarverplichting hernieuwbare waterstofeenheden industrie van één gigajoule hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong.
3. Een hernieuwbare waterstofeenheid industrie kan uitsluitend in het HWI-register, bedoeld in artikel 9.10.5.1, gehouden worden.
1. Een hernieuwbare waterstofeenheid industrie waterstof is vatbaar voor overdracht indien de overdragende partij en de ontvangende partij ieder op hun naam een rekening hebben in het HWI-register.
2. Een hernieuwbare waterstofeenheid industrie waterstofdrager is uitsluitend vatbaar voor overdracht aan de Minister indien de overdragende partij en de Minister ieder op hun naam een rekening hebben in het HWI-register.
1. Overdracht van een of meer hernieuwbare waterstofeenheden industrie mag niet leiden tot een negatief saldo aan hernieuwbare waterstofeenheden industrie waterstof of hernieuwbare waterstofeenheden waterstofdrager op de rekening.
2. Overdracht van een of meer hernieuwbare waterstofeenheden industrie is niet toegestaan bij een negatief saldo aan hernieuwbare waterstofeenheden industrie waterstof of hernieuwbare waterstofeenheden waterstofdrager op de rekening.
1. De voor overdracht van een hernieuwbare waterstofeenheid industrie vereiste levering geschiedt door:
a. afschrijving van de hernieuwbare waterstofeenheid industrie van de rekening die in het HWI-register op naam staat van de partij die de hernieuwbare waterstofeenheid industrie overdraagt; en
b. bijschrijving op de rekening die in het HWI-register op naam staat van de partij die de hernieuwbare waterstofeenheid industrie verkrijgt.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op elke overgang anders dan overdracht.
3. Elke overgang anders dan overdracht werkt tegenover derden eerst nadat de overgang in het HWI-register is geregistreerd.
1. Nietigheid of vernietiging van de overeenkomst die tot de overdracht heeft geleid, of onbevoegdheid van degene die overdraagt, heeft, nadat de levering, bedoeld in artikel 9.10.3.4, eerste lid, is voltooid, geen gevolgen voor de geldigheid van de overdracht.
2. Elk voorbehoud met betrekking tot de overdracht is uitgewerkt op het moment dat de overdracht tot stand is gekomen.
1. In afwijking van artikel 228 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek kan op een hernieuwbare waterstofeenheid industrie geen recht van pand worden gevestigd.
2. Op een hernieuwbare waterstofeenheid industrie kan geen recht van vruchtgebruik worden gevestigd.
3. Een hernieuwbare waterstofeenheid industrie is niet vatbaar voor beslag.
Indien het saldo van het aantal per soort hernieuwbare waterstofeenheden industrie op een rekening in het HWI-register negatief is, worden de bijgeschreven hernieuwbare waterstofeenheden industrie per soort volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels afgeschreven.
1. Een inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong kan tot 1 april van enig kalenderjaar in het HWI-register de direct aan die datum voorafgaande kalenderjaar ingezette:
a. hernieuwbare waterstof in gigajoules inboeken die door hem in een industrieel proces in Nederland is ingezet en die voldoet aan hetgeen bij of krachtens artikel 9.10.4.2 is bepaald;
b. hernieuwbare waterstofdragers in gigajoules inboeken die door hem in een industrieel proces in Nederland zijn ingezet en die voldoen aan hetgeen bij of krachtens artikel 9.10.4.3 is bepaald.
2. De inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong koppelt aan een inboeking voor 1 juni een verklaring van een verificateur als bedoeld in artikel 9.10.4.9, eerste lid.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, bedoeld in het eerste lid.
De in te boeken hernieuwbare waterstof:
a. voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29 bis van de richtlijn hernieuwbare energie;
b. wordt geproduceerd via inzet van elektriciteit die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 27, zesde lid, eerste tot en met derde alinea, van de richtlijn hernieuwbare energie;
c. kan in een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode en te stellen voorwaarden zonder bewijs van duurzaamheid als bedoeld in artikel 2, onderdeel 23, van de verordening (EU) 2022/996 worden ingeboekt indien de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong geen toegang heeft tot het Nederlandse landelijk waterstofnet, bedoeld in artikel 2, onderdeel 21, van de gasrichtlijn;
d. voldoet aan de overige eisen, gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
De in te boeken hernieuwbare waterstofdrager:
a. voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29 bis van de richtlijn hernieuwbare energie;
b. wordt geproduceerd via inzet van elektriciteit die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 27, zesde lid, eerste tot en met derde alinea, van de richtlijn hernieuwbare energie;
c. voldoet aan de overige eisen, gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
1. Bij ministeriële regeling:
a. worden regels gesteld over de bepaling van de ingeboekte hoeveelheid hernieuwbare waterstof en hernieuwbare waterstofdragers;
b. wordt bepaald op welke wijze de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong aantoont dat is voldaan aan artikelen 9.10.4.2 en 9.10.4.3;
c. worden de bij het inboeken te vermelden gegevens bepaald.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden door de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong bewaard tot ten minste vijf jaar na het kalenderjaar waarin de inboeking plaatsvond.
1. Het bestuur van de emissieautoriteit schrijft voor één gigajoule hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die is ingeboekt:
a. één hernieuwbare waterstofeenheid industrie waterstof bij op de rekening van de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong indien de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong uit hernieuwbare waterstof bestaat;
b. één hernieuwbare brandstofeenheid industrie waterstofdrager bij op de rekening van de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong indien de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong uit hernieuwbare waterstofdragers bestaat.
2. De hoeveelheid hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong wordt per soort hernieuwbare waterstofeenheid industrie naar beneden afgerond op één gigajoule.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de rekenmethode voor het bepalen van de hoeveelheid hernieuwbare waterstofeenheden industrie.
1. Het bestuur van de emissieautoriteit maakt ieder jaar op bij ministeriële regeling te bepalen momenten een overzicht van het aantal per soort beschikbare hernieuwbare waterstofeenheden industrie openbaar.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het openbaar maken, bedoeld in het eerste lid.
Voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die tussen 1 januari en 1 juni van enig kalenderjaar zijn ingezet en ingeboekt in het HWI-register, schrijft het bestuur van de emissieautoriteit na 1 juni van dat kalenderjaar de hernieuwbare waterstofeenheden industrie bij op de rekening van de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong.
1. Het bestuur van de emissieautoriteit kan het bijschrijven van hernieuwbare waterstofeenheden industrie opschorten of weigeren indien het misbruik of fraude vermoedt dan wel andere redenen heeft om aan te nemen dat niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde eisen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het opschorten of weigeren, bedoeld in het eerste lid.
1. Uit de verklaring van een verificateur als bedoeld in artikel 9.10.4.1, tweede lid, blijkt dat, voor zover van toepassing, is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 9.10.4.1 tot en met 9.10.4.5, eerste lid, gestelde voorwaarden.
2. De verificateur geeft geen verklaring af indien niet is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.
3. De verificateur bewaart alle gegevens en documentatie met betrekking tot de verificatie gedurende ten minste vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de verificatie betrekking heeft.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere eisen worden gesteld aan de verificateur en de verificatie.
1. Indien naar het oordeel van het bestuur van de emissieautoriteit niet is voldaan aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde eisen voor het inboeken in het HWI-register van een hoeveelheid hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong of de verificatie, bedoeld in artikel 9.10.4.9, kan het bestuur die hoeveelheid, tot vijf jaar na het kalenderjaar van inboeken ambtshalve vaststellen.
2. Indien uit de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, volgt dat de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong te veel hernieuwbare waterstofeenheden industrie heeft ontvangen voor de geleverde hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, wordt het aantal per soort hernieuwbare waterstofeenheden industrie die de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong te veel heeft ontvangen, afgeschreven van de rekening van die inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong.
3. Indien uit de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, volgt dat de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong te weinig hernieuwbare waterstofeenheden industrie heeft ontvangen voor de geleverde hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, wordt het aantal per soort hernieuwbare waterstofeenheden industrie dat die inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong te weinig heeft ontvangen, bijgeschreven op de rekening van die inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong. Het bestuur van de emissieautoriteit houdt hierbij rekening met artikel 9.10.5.5.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste, tweede en derde lid.
5. Indien het aantal per soort hernieuwbare brandstofeenheden industrie op de rekening van de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong als gevolg van de toepassing van tweede lid leidt tot een negatief saldo aan hernieuwbare brandstofeenheden industrie, vult hij het tekort aan binnen twaalf kalendermaanden.
1. Er is een elektronisch HWI-register.
2. Het HWI-register wordt beheerd door de emissieautoriteit.
3. Het HWI-register bestaat uit de rekeningen, bedoeld in artikel 9.10.5.3.
1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de werking, organisatie, beschikbaarheid en beveiliging van het HWI-register.
2. Het bestuur van de emissieautoriteit kan voorwaarden voor het gebruik van het HWI-register vaststellen.
1. Het bestuur van de emissieautoriteit opent op verzoek van de exploitant van een industriële installatie op diens naam een rekening met jaarverplichtingfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie en overboekfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie.
2. Het bestuur van de emissieautoriteit opent op verzoek van een inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong op diens naam een rekening met inboekfaciliteit hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong en overboekfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie.
3. Het bestuur van de emissieautoriteit opent op verzoek van de Minister in zijn naam een rekening met overboekfaciliteit hernieuwbare waterstofeenheden industrie.
4. Het bestuur van de emissieautoriteit opent op naam van een exploitant van een industriële installatie als bedoeld in het eerste lid, een inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong als bedoeld in het tweede lid, of de Minister niet meer dan één rekening met bijbehorende faciliteiten.
5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het openen, bijhouden en beheer van de rekening.
1. Het bestuur van de emissieautoriteit kan bij een vermoeden van fraude of misbruik of dat niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze titel gestelde eisen voor het hebben van een rekening in het HWI-register of voor het gebruik van die rekening:
a. weigeren een rekening te openen;
b. een rekening of een faciliteit van die rekening blokkeren;
c. een rekening opheffen.
2. Het bestuur van de emissieautoriteit kan op verzoek van de rekeninghouder een rekening opheffen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toepassing van het eerste lid en kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het tweede lid.
4. De hernieuwbare waterstofeenheden industrie op een opgeheven rekening vervallen van rechtswege.
1. Van het aantal per soort hernieuwbare waterstofeenheden industrie op 1 juni van enig kalenderjaar op de rekening van een exploitant van een industriële installatie, nadat het bestuur van de emissieautoriteit toepassing heeft gegeven aan artikel 9.10.2.8, eerste lid, onderdeel b, of van een inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, wordt een gedeelte gespaard ten behoeve van een daaropvolgend kalenderjaar.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het gedeelte, bedoeld in het eerste lid, de volgorde waarin de soort hernieuwbare waterstofeenheden industrie gespaard worden en de wijze waarop. Voor de exploitant van een industriële installatie en de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong kunnen verschillende regels worden vastgesteld omtrent het gedeelte, bedoeld in het eerste lid.
3. In afwijking van het eerste lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over het gedeelte dat gespaard wordt ten behoeve van enig ander kalenderjaar dan het direct daaropvolgende kalenderjaar.
4. De hernieuwbare waterstofeenheden industrie die niet worden gespaard, vervallen van rechtswege.
1. De exploitant van een industriële installatie en de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong voeren bij elke overboeking van hernieuwbare waterstofeenheden industrie waterstof in het HWI-register de door hem verkregen gemiddelde prijs op van de door hem overgedragen hernieuwbare waterstofeenheden industrie waterstof.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het opvoeren en het gebruik van de in het eerste lid bedoelde verkregen gemiddelde prijs.
3. De exploitant van een industriële installatie en de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong koppelen voor 1 juni van enig kalenderjaar aan de overboeking, bedoeld in het eerste lid, een verklaring van een verificateur.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere eisen worden gesteld aan de wijze van koppeling van de verklaring van de verificateur, aan de verificateur en de verificatie.
5. De verificateur bewaart alle gegevens en documentatie met betrekking tot de verificatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, gedurende ten minste vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de verificatie betrekking heeft.
1. Het bestuur van de emissieautoriteit maakt ten minste ieder kalenderjaar op een bij ministeriële regeling te bepalen moment een overzicht openbaar van de gemiddelde prijs van een hernieuwbare waterstofeenheid industrie waterstof.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het openbaar maken, bedoeld in het eerste lid.
1. De betrokken marktdeelnemers in de toeleveringsketen van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong bepalen en controleren en voeren een goede boekhouding over:
a. de aard en hoeveelheid van de gebruikte energie uit hernieuwbare bronnen, niet zijnde biomassa, stortgas, gas van rioolwaterzuiveringsinstallaties en biogas, voor de vervaardiging van de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong;
b. de hoeveelheden geproduceerde volledig hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong en brandstof van niet-biologische oorsprong die niet volledig hernieuwbaar is;
c. de gegevens waarmee aangetoond wordt dat de broeikasgasemissiereductie van de hernieuwbare brandstof van niet-biologische oorsprong ten minste 70% bedraagt; en
d. de in- en uitgaande stromen en voorraad van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong gedurende een bepaalde periode, inclusief gegevens over de bijbehorende leveranciers en afnemers.
2. Bij het aantonen dat wordt voldaan aan het eerste lid, onderdeel c, is voor de betrokken marktdeelnemers in de toeleveringsketen van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong verordening (EU) 2023/1185 van overeenkomstige toepassing.
3. Bij het aantonen dat wordt voldaan aan het eerste lid, onderdelen a en b, is voor de producent van waterstof verordening (EU) 2023/1184 van toepassing.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het eerste, tweede en derde lid.
1. De betrokken marktdeelnemer in de toeleveringsketen van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, alsmede de inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, is gecertificeerd volgens een vrijwillig systeem voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong en voert een massabalans van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, met uitzondering van een inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong die geen hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong produceert of inkoopt en gebruik maakt van artikel 9.10.4.2, onderdeel c.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de massabalans van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong.
1. Het bestuur van de emissieautoriteit houdt toezicht op een certificeringsorgaan dat namens het vrijwillig systeem voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in het kader van de naleving van de vereisten van hernieuwbare bronnen en het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29 bis van de richtlijn hernieuwbare energie, voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong onafhankelijke audits uitvoert.
2. Het bestuur van de emissieautoriteit brengt bij vastgestelde non-conformiteit met de vereisten van hernieuwbare bronnen het broeikasgascriterium onverwijld het vrijwillig systeem voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong hiervan op de hoogte.
In het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van de artikelen 9.10.2.1, eerste lid, 9.10.2.3, eerste lid, 9.10.2.4, eerste, vierde en zevende lid, 9.10.2.8, eerste lid, 9.10.4.1, eerste lid, 9.10.5.5, eerste lid, en 9.10.5.6, derde lid, wordt in die artikelen met enig kalenderjaar het kalenderjaar bedoeld volgend op het kalenderjaar na inwerkingtreding van die artikelen en wordt in die artikelen met het voorafgaande kalenderjaar het kalenderjaar bedoeld waarin die artikelen in werking zijn getreden.
C
In artikel 18.2f, tweede lid, wordt «titels 9.7 en 9.8» vervangen door «titels 9.7, 9.8 en 9.10».
D
Na artikel 18.6b [waarvan de nummering in letters aansluit op het laatste artikel van de artikelen die beginnen met 18.6] wordt een artikel ingevoegd, luidende:
In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9.10.1.2, 9.10.1.3, 9.10.2.2, 9.10.2.3, 9.10.2.5, eerste, tweede en derde lid, 9.10.2.8, vijfde lid, 9.10.4.9, eerste lid, 9.10.4.10, vijfde lid, 9.10.5.6, 9.10.6.1 en 9.10.6.2 kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen.
E
Na artikel 18.16t [waarvan de nummering in letters aansluit op het laatste artikel van de artikelen die beginnen met 18.16] wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9.10.1.2, 9.10.2.2, 9.10.2.3, 9.10.2.5, 9.10.2.8, eerste lid, onderdeel a, en vijfde lid, 9.10.4.1 tot en met 9.10.4.4, 9.10.4.9, eerste lid, 9.10.4.10, vijfde lid, 9.10.6.1 en 9.10.6.2, kan het bestuur van de emissieautoriteit de overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
2. De op grond van de artikelen, genoemd in het eerste lid op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.
3. Artikel 18.16e, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Het bestuur van de emissieautoriteit kan, indien een inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong drie of meer overtredingen van de artikelen 9.10.4.1 tot en met 9.10.4.4, 9.10.4.9, eerste lid, 9.10.4.10, vijfde lid, 9.10.6.1 en 9.10.6.2, heeft begaan, bepalen dat die inboeker hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong gedurende een door het bestuur te bepalen termijn geen hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong kan inboeken op grond van artikel 9.10.4.1.
De Wet op de economische delicten wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten wordt in de zinsnede met betrekking tot de Wet milieubeheer na «9.8.2.5,» ingevoegd «9.10.1.2, 9.10.2.2, 9.10.2.3, 9.10.2.5, 9.10.2.8, eerste lid, onderdeel a, en vijfde lid, 9.10.4.1, 9.10.4.2, 9.10.4.3, 9.10.4.4, 9.10.4.9, eerste lid, 9.10.4.10, vijfde lid, 9.10.6.1, 9.10.6.2,».
Onze Minister van Klimaat en Groene Groei zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36936-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.