36 923 Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000

Nr. 5 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 20 mei 2026

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In het opschrift wordt «€ 60.000» vervangen door «€ 57.950».

B

In de considerans wordt «€ 60.000» vervangen door «€ 57.950».

C

In artikel I, onderdeel B, wordt in het voorgestelde artikel 2a «€ 60.000» vervangen door «€ 57.950».

TOELICHTING

Algemeen

Het kabinet heeft bij de Voorjaarsnota 2025 en naar aanleiding van de voorjaarsbesluitvorming 2026 besloten om tegenvallers op de SZW-begroting vanuit het kindgebonden budget te dekken. Met deze nota van wijziging wordt het kindgebonden budget gerichter gemaakt en het tweede afbouwpunt verder verlaagd van € 60.000 naar € 57.950 (prijspeil 2024). Vanaf dit nieuwe afbouwpunt wordt het afbouwpercentage in twee stappen verhoogd met 4,30 procentpunt naar 12,35% in 2027 en naar 12,80% in 2028. Deze snellere afbouw geldt voor paren en ook voor alleenstaande ouders. Een hoger afbouwpercentage voor het toetsingsinkomen vanaf € 57.950 (prijspeil 2024) zorgt ervoor dat gezinnen met hogere inkomens vanaf 1 januari 2027 een lager bedrag aan kindgebonden budget ontvangen of het recht op kindgebonden budget verliezen.

In onderstaande grafieken wordt geïllustreerd wat de introductie van een tweede afbouwpunt in combinatie met een hoger afbouwpercentage structureel betekent voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 57.950 (prijspeil 2024). Hierbij is het effect op de afbouw van het kindgebonden budget geschetst voor zowel een alleenstaande ouder met twee kinderen (grafiek 1) als een echtpaar met twee kinderen (grafiek 2). De effecten voor alleenstaanden en paren met één kind worden in de grafieken drie en vier geïllustreerd. Voor alle huishoudens met hogere inkomens zal het recht op kindgebonden budget voortaan eerder volledig zijn afgebouwd.

De grafieken tonen de situatie in lopende prijzen, dat wil zeggen de situatie in 2030. De afbouwgrens in 2030 is geijkt op € 57.950 en geïndexeerd met de voorspelde cumulatieve tabelcorrectiefactor (tcf) voor de periode 2025 t/m 2030. Vandaar dat het tweede afbouwpunt in de grafieken bij een hoger inkomen ligt dan € 57.950.

Grafiek 1: Wet op het kindgebonden budget (WKB) voor alleenstaande ouder met twee kinderen in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant) bij een toetsingsinkomen vanaf € 57.950 (ter illustratie in lopende prijzen)

Grafiek 1: Wet op het kindgebonden budget (WKB) voor alleenstaande ouder met twee kinderen in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant) bij een toetsingsinkomen vanaf € 57.950 (ter illustratie in lopende prijzen)

Grafiek 2: WKB voor paar met twee kinderen in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant) bij een inkomen vanaf € 57.950 (ter illustratie in lopende prijzen)

Grafiek 2: WKB voor paar met twee kinderen in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant) bij een inkomen vanaf € 57.950 (ter illustratie in lopende prijzen)

Grafiek 3: WKB voor alleenstaande ouder met één kind in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant) bij een inkomen vanaf € 57.950 (ter illustratie in lopende prijzen)

Grafiek 3: WKB voor alleenstaande ouder met één kind in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant) bij een inkomen vanaf € 57.950 (ter illustratie in lopende prijzen)

Grafiek 4: WKB voor paar met één kind in 2030 zonder (basispad)en met tweede afbouwpunt (variant) bij een inkomen vanaf € 57.950 (ter illustratie in lopende prijzen)

Grafiek 4: WKB voor paar met één kind in 2030 zonder (basispad)en met tweede afbouwpunt (variant) bij een inkomen vanaf € 57.950 (ter illustratie in lopende prijzen)

Budgettaire gevolgen

De verlaging van het tweede knikpunt van € 60.000 naar € 57.950 (prijspeil 2024) volgt op de introductie van een tweede afbouwpunt op € 60.000 per 2027 in het oorspronkelijke wetsvoorstel. Het oorspronkelijke wetsvoorstel leidt tot een structurele opbrengst van circa € 304 miljoen op jaarbasis. Ten opzichte van de memorie van toelichting bij het ingediende wetsvoorstel zijn de budgettaire effecten in onderstaande tabel weergegeven in prijzen 2025. Daardoor wijken de bedragen af van de in de memorie van toelichting opgenomen bedragen in constante prijzen 2024. Deze opbrengst is via de 1e suppletoire begroting 2025 verwerkt in de SZW-begroting 2026.

De verlaging van het tweede knikpunt met € 2.050 (prijspeil 2024) zorgt nu voor een additionele structurele opbrengst van circa € 30 miljoen op jaarbasis. De totale structurele opbrengst van het tweede knikpunt in de WKB komt daarmee uit op circa € 333 miljoen (prijspeil 2025). De budgettaire samenloop tussen beide maatregelen is in onderstaande tabel X inzichtelijk gemaakt.

Tabel 1: Totale budgettaire effecten introductie tweede knikpunt in WKB (bedragen in prijzen «25)

(bedragen in € miljoenen)

2026

2027

2028

2029

2030

2031

struc

Oorspronkelijke wetsvoorstel – introductie tweede knikpunt op 60.000 euro

– 25

– 308

– 294

– 300

– 304

– 304

– 304

NvW – extra knikpunt verlagen van 60.000 euro naar 57.950 euro

– 3

– 31

– 30

– 30

– 30

– 30

– 30

Totaal

– 28

– 339

– 325

– 330

– 334

– 333

– 333

Inkomenseffecten

De inkomenseffecten van de maatregel van het gewijzigde wetsvoorstel zijn zichtbaar in tabel 2, waarin enkel ontvangers van het kindgebonden budget zijn meegenomen.

Tabel 2: Inkomenseffecten voor WKB-ontvangers
 

Inkomenseffect

Aantal huishoudens met effect

Totaal aantal huishoudens

Alle huishoudens

– 0,8%

480.0001

8.220.000

Inkomensgroep

   

1e (<=106% WML)

0

1.640.000

2e (106–172% WML)

0

1.640.000

3e (172–257% WML)

– 0,3%

100.000

1.640.000

4e (257–382% WML)

– 1,0%

280.000

1.640.000

5e (>382% WML)

– 1,1%

100.000

1.640.000

Inkomensbron

   

Werkenden

– 0,8%

470.000

5.300.000

Uitkeringsgerechtigden

– 0,5%

10.000

620.000

Gepensioneerden

0

2.210.000

Huishoudtype

   

Tweeverdieners

– 0,8%

420.000

3.960.000

Alleenstaanden

– 0,8%

40.000

3.930.000

Alleenverdieners

– 0,7%

20.000

330.000

Kinderen

   

Huishoudens met kinderen

– 0,8%

480.000

1.780.000

Huishoudens zonder kinderen

0

4.260.000

Bron: Berekening SZW op basis van CEP 2026-raming

X Noot
1

Deze doorrekening van de inkomenseffecten is gemaakt met het microsimulatiemodel Mimosi. Op basis van dit model heeft de maatregel effect op 480.000 huishoudens tegenover 456.000 huishoudens in de budgettaire raming van het Ministerie van SZW. In de budgettaire raming worden de resultaten uit Mimosi namelijk aanvullend geijkt op basis van realisatiedata, daarom wordt bij de budgettaire raming uitgegaan van een lager aantal huishoudens.

Tabel 3 toont het geïsoleerde effecten van de onderhavige maatregelen in het kindgebonden budget voor de (kinder-)armoedecijfers.

Tabel 3. Geïsoleerde effect WKB-maatregelen uit deze wetswijziging op personen en kinderen in armoede
 

Effect personen in armoede (%-punt)

Effect kinderen in armoede (%-punt)

Maatregelen WKB uit deze wetswijziging

0,0%

0,0%

ARTIKELSGEWIJS

Onderdelen A en B

Met deze onderdelen worden het opschrift en de considerans van het wetsvoorstel aangepast aan het nieuwe tweede afbouwpunt. In het wetsvoorstel wordt in het opschrift uitdrukkelijk verwezen naar het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000. Ook in de considerans wordt expliciet verwezen naar een toetsingsinkomen van € 60.000. Nu het tweede afbouwpunt wordt verlaagd naar € 57.950, worden ook het opschrift en de considerans daarmee in overeenstemming gebracht.

Onderdeel C

Met dit onderdeel wordt in artikel I, onderdeel B, het tweede afbouwpunt in artikel 2a van de Wet op het kindgebonden budget verlaagd van € 60.000 naar € 57.950, beide op basis van het prijspeil van 1 januari 2024. Het extra afbouwpercentage blijft ongewijzigd. De wijziging heeft tot gevolg dat de extra afbouw vanaf een lager toetsingsinkomen aanvangt dan in het ingediende wetsvoorstel was voorzien.

Het bedrag van € 57.950 wordt, evenals het oorspronkelijk voorgestelde bedrag van € 60.000, vóór de inwerkingtreding per 1 januari 2027 geïndexeerd overeenkomstig artikel II, tweede onderdeel, van het wetsvoorstel. Vanaf dat moment vervalt de zinsnede «op basis van het prijspeil van 1 januari 2024» en treedt het geïndexeerde bedrag in de plaats van het in artikel 2a genoemde bedrag. Artikel II hoeft daartoe niet te worden gewijzigd, omdat dat artikel voorziet in indexatie van het bedrag genoemd in artikel I, onderdeel B.

De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen

Naar boven