Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36920 nr. 5 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36920 nr. 5 |
Vastgesteld 13 mei 2026
De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Jansen
De adjunct-griffier van de commissie, Van der Steur
INLEIDING
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel inzake de implementatie van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk. Deze leden steunen maatregelen die bijdragen aan het verminderen van administratieve lasten voor ondernemers en het verbeteren van de werking van de interne markt. Zij hebben enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet implementatie btw in het digitale tijdperk. Deze leden staan positief tegenover dit wetsvoorstel, omdat het kan bijdragen aan minder administratieve lasten en eenvoudiger grensoverschrijdend ondernemen voor ondernemers. Wel hechten de leden groot belang aan een uitvoerbare en tijdige implementatie met voldoende aandacht voor de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst. Zij hebben nog meerdere vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben het wetsvoorstel met interesse gelezen. Zij hebben enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat btw-verplichtingen binnen de EU voor ondernemers eenvoudiger worden gemaakt en administratieve lasten worden verlicht. Zij zijn dan ook voorstander van de verdere uitbreidingen aan het systeem zoals voorgesteld in deze wet.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen in aanvulling op de opmerkingen van de Raad van State waarom gekozen is enkele onderhoudswijzigingen in het voorliggende wetsvoorstel op te nemen, zijnde een implementatiewet, in plaats van in de Fiscale Verzamelwet 2027. Voorts vragen deze leden wanneer de regering verwacht voorstellen in te dienen voor de implementatie van de overige onderdelen van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk.
Deze leden vragen de regering om een overzicht te maken van wat na implementatie van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk wel en niet onder de reikwijdte van de Unieregeling valt. Voorts vragen zij waarom voor de specifieke genoemde uitbreiding gekozen is, waarom de Unieregeling in eerste instantie niet gebruikt kon worden voor specifieke leveringen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat ter vermindering van administratieve lasten wordt voorgesteld de reikwijdte van de unieregeling uit te breiden, zodat de meeste grensoverschrijdende goederenleveringen en dienstverrichtingen aan consumenten onder de regeling vallen. Deze leden vragen welke grensoverschrijdende leveringen en diensten expliciet níet onder deze uitgebreide Unieregeling zullen vallen. Kan de regering hiervan een overzicht geven, inclusief de motivering waarom deze uitzonderingen blijven bestaan?
Daarnaast vragen deze leden of de regering nog verdere mogelijkheden ziet om de reikwijdte van de Unieregeling in de toekomst verder te verruimen, teneinde administratieve lasten voor ondernemers verder te beperken. Welke belemmeringen – bijvoorbeeld van juridische, uitvoerings- of Europeesrechtelijke aard – staan eventuele verdere uitbreiding momenteel nog in de weg?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de nieuwe overbrengingsregeling wordt ingevoerd om administratieve lasten te verminderen, terwijl lidstaten «tegelijkertijd in staat worden gesteld de goederenstromen effectief te blijven volgen». Daarbij vervalt de belastingheffing bij intracommunautaire verwerving en wordt deze vrijgesteld. Hoe wordt in de praktijk geborgd dat belastingautoriteiten voldoende zicht houden op goederenstromen bij toepassing van de overbrengingsregeling en acht de regering het risico op btw-fraude hiermee afdoende ondervangen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de nieuwe overbrengingsregeling lidstaten in staat stelt goederenstromen effectief te blijven volgen als intracommunautaire verwerving voortaan vrijgesteld is.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de bestaande, thans optionele, grensoverschrijdende verleggingsregeling verplicht wordt gesteld, waardoor ondernemers zich in meer gevallen niet hoeven te registreren in andere lidstaten. Tegelijkertijd wordt gesteld dat ondernemers hierdoor wel verplicht worden een opgaaf intracommunautaire prestaties (ICP) in te dienen. Hoe verhoudt de verplichtstelling van extra ICP-verplichtingen zich tot het doel van lastenverlichting, en verwacht de regering dat dit voor met name mkb-ondernemers per saldo daadwerkelijk eenvoudiger wordt?
De voorgestelde wetswijziging introduceert een aanvullende verleggingsregeling naast artikel 12, tweede, derde en vijfde lid, Wet OB 1968. Deze nieuwe regeling geldt indien de leverancier of dienstverlener niet in Nederland is gevestigd, hier geen vaste inrichting en geen btw-identificatienummer heeft, terwijl de afnemer juist wel een Nederlands btw-identificatienummer heeft en het geen intracommunautaire levering of reeds onder artikel 12, tweede lid, vallende dienst betreft. De leden van de VVD-fractie delen het standpunt van de NOB dat deze systematiek complex en verwarrend is nu er sprake is van overlappende regelingen en ondernemers mede de Btw-richtlijn moeten raadplegen om hun verplichtingen vast te stellen. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en eenvoud meent de NOB dat het de voorkeur heeft nieuwe regeling op te nemen en samen te voegen met artikel 12, derde lid, Wet OB 1968 en in artikel 37a rechtstreeks naar deze bepaling te wijzen. In een nieuw vierde lid kan dan aangegeven worden dat de verleggingsregeling ook geldt indien de afnemer een btw-ondernemer is die niet voor de btw is geregistreerd in Nederland, maar daar wel is gevestigd, of als het gaat om een lichaam in de zin van de AWR zonder btw-registratie. Deelt de regering de mening dat deze splitsing de wetgeving overzichtelijker en eenvoudiger toepasbaar zou maken?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet stelt dat het doel «het verminderen van de administratieve lasten die voortvloeien uit btw-registraties in meerdere lidstaten» is en dat de lastenverlichting voor ondernemers wordt geraamd op € 81 miljoen. Tegelijkertijd worden nieuwe verplichtingen geïntroduceerd zoals aanvullende btw-meldingen en administratieve eisen binnen de éénloket- en overbrengingsregeling. Kan de regering nader onderbouwen hoe deze lastenverlichting van € 81 miljoen is berekend en in hoeverre daarin rekening is gehouden met de extra administratieve verplichtingen die ondernemers krijgen bij de uitbreiding van de éénloketregelingen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de éénloketregelingen optioneel blijven en dat ondernemers zelf een afweging kunnen maken of toepassing voor hen gunstig is. Tegelijkertijd leidt het wetsvoorstel ertoe dat bepaalde regelingen, zoals de verleggingsregeling, verplicht worden gesteld. In welke concrete situaties verwacht de regering dat ondernemers er juist níet voor zullen kiezen om de Unieregeling toe te passen, en acht de regering het risico aanwezig dat ondernemers door de complexiteit van de keuzes alsnog hogere nalevingskosten krijgen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat vooral ondernemers in sectoren zoals energievoorziening en de bouw baat zullen hebben bij de uitbreiding van de Unieregeling. Tegelijkertijd wordt de samenloop met regelingen voor kleinere ondernemers, zoals de drempel van € 10.000 en de kleineondernemersregeling, aangescherpt. Kan de regering nader toelichten wat de gevolgen van dit wetsvoorstel zijn voor kleine ondernemers en zzp’ers die grensoverschrijdend actief zijn en in hoeverre zij voldoende worden ondersteund bij het maken van de juiste fiscale keuzes? Is of wordt overwogen de drempel van € 10.000 te verhogen? Hoe verhoudt deze drempel zich met drempels die in andere lidstaten worden gehanteerd?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de maatregelen bijdragen aan een gelijkwaardiger concurrentiepositie tussen binnenlandse ondernemers en ondernemers uit andere lidstaten. Tegelijkertijd biedt de richtlijn weinig beleidsruimte voor nationale keuzes. Hoe beoordeelt de regering de effecten van dit wetsvoorstel op de concurrentiepositie van Nederlandse ondernemers ten opzichte van ondernemers uit andere lidstaten?
De leden van de D66-fractie hebben enkele vragen over de uitvoerbaarheid van het voorstel. Zij lezen dat de implementatie deels afhankelijk is van het nieuwe OB-pakket van de Belastingdienst en dat de uitvoeringstoets in 2027 wordt herijkt. Kan de regering nader toelichten welke risico’s er op dit moment in beeld zijn voor tijdige implementatie? Is de regering ervan overtuigd dat tijdige implementatie gaat lukken?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Belastingdienst de maatregelen uitvoerbaar acht, maar dat de implementatie is opgesplitst in twee delen en deels afhankelijk is van het nieuwe OB-pakket/GenTax. Tevens wordt gesproken over een mogelijke «terugvalmogelijkheid» indien de planning onder druk komt te staan. Welke risico’s ziet de regering concreet voor de tijdige implementatie van dit wetsvoorstel bij de Belastingdienst en wat houdt de genoemde terugvalmogelijkheid precies in voor ondernemers en hun aangifteverplichtingen? Treedt er verdringing op in het IV-portfolio als van deze terugvalmogelijkheid gebruik moet worden gemaakt?
Ten aanzien van de uitvoeringstoets hebben de leden van de CDA-fractie enkele vragen. Deze leden merken op dat de implementatie van de regeling voor btw e-commerce enkele jaren geleden al grote problemen in de uitvoering opleverde omdat het niet kon worden geïmplementeerd in de ICT-systemen van de Belastingdienst. Om de implementatiedeadline te halen, werd daarom een handmatig noodspoor ingesteld waar veel extra fte en kosten mee gepaard gingen. Deze leden zien nu in deze uitvoeringstoets weer eenzelfde risico. Het eerste deel wordt uitgevoerd onder het destijds ingestelde noodspoor, terwijl het tweede deel in een systeem moet worden verwerkt dat er nog niet is en waar de Belastingdienst dus ook nog geen ervaring mee heeft. Zij vragen of het kabinet uiteen kan zetten wat de gevolgen voor de uitvoering zijn als blijkt dat planning per 2027 in het OB-Pakket/GenTax niet mogelijk is en hoe een fall-back scenario er dan uit zou kunnen zien. Ook vragen zij wat daarvan mogelijke personele en budgettaire implicaties zouden zijn.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36920-5.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.