Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36918 nr. 6 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36918 nr. 6 |
Aan de Leden
Den Haag, 21 mei 2026
De tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (hierna: de tijdelijke commissie) heeft tijdens haar procedurevergadering van 2 april 2026 besloten, gelet op het dictum en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, een adviestraject te starten voor het wetsvoorstel Wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding in verband met de permanentmaking van die wet en enkele andere wijzigingen (36 918). De vaste commissie voor commissie voor Justitie en Veiligheid is hierover geïnformeerd met een brief van 2 april 2026 (2026Z06971).
Inhoud wetsvoorstel
De Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) regelt dat de Minister van Justitie en Veiligheid preventieve vrijheidsbeperkende maatregelen kan opleggen aan personen die op basis van hun gedragingen in verband kunnen worden gebracht met terrorisme. De Minister heeft daarbij de keuze uit een meldplicht, een gebiedsverbod, een contactverbod en een uitreisverbod. De huidige tijdelijke wet komt in 2027 te vervallen. Om dit te voorkomen, stelt de regering in het onderhavige wetsvoorstel voor om de Twbmt permanent te maken. De Twbmt stamt uit 20171 en is in 2022 – na het uitvoeren van een evaluatie2 – al eens verlengd tot 2027.3 Ook voorafgaand aan het huidige wetsvoorstel is een evaluatie uitgevoerd.4
De huidige Twbmt bevat – naast de hierboven opgesomde maatregelen – ook de mogelijkheid om een aanvraag voor een subsidie, vergunning, ontheffing of erkenning af te wijzen of in te trekken. Omdat deze bevoegdheid in de praktijk niet is ingezet en organisaties uit het veiligheidsdomein geen meerwaarde zien in deze bevoegdheid, kiest de regering ervoor om deze bevoegdheid in het huidige wetsvoorstel te laten vervallen.
De verhouding van de Twbmt tot grondrechten
De tijdelijke commissie signaleert dat de maatregelen uit de Twbmt raken aan verschillende grondrechten die zijn opgenomen in de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Zo volgt uit het recht op leven dat er positieve verplichtingen op overheden rusten om mensen te beschermen tegen levensbedreigende situaties zoals terrorisme.5 Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) onderstreept dat het van belang is dat overheden in een positie verkeren waarin zij effectief kunnen optreden tegen terrorisme.6 Daarbij geldt dat grondrechten één geheel vormen en dat de verschillende grondrechten onderling afhankelijk en met elkaar verweven zijn.7 Dat betekent dat wetgeving voor het voorkomen en bestrijden van terrorisme – en de toepassing daarvan in de praktijk – in overeenstemming moet zijn met (andere) grondrechten.
In dit geval geldt dat de meldplicht, het gebiedsverbod en het uitreisverbod raken aan het recht op bewegingsvrijheid8 en het vrij verkeer van personen.9 Hieruit volgt onder meer dat iedereen het recht heeft om zich vrij te verplaatsen of ergens te verblijven, zonder inmenging van de overheid. Voor het contactverbod geldt dat dit raakt aan het recht op eerbiediging van het privé, familie- en gezinsleven.10 Dit recht omvat onder meer de vrijheid tot het leggen en onderhouden van contacten met anderen, zowel in de privé als in de werksfeer. Tot slot kunnen de meldplicht, het gebiedsverbod en het contactverbod ook raken aan de vrijheid van godsdienst11 en de vrijheid van vergadering en vereniging.12 Deze rechten omvatten onder meer de vrijheid om verenigingen, gebedshuizen of geestelijk leiders te bezoeken.
De tijdelijke commissie merkt op dat de bovengenoemde rechten niet absoluut zijn en onder voorwaarden kunnen worden ingeperkt. In dat geval moet een inperking gebaseerd zijn op een duidelijke wettelijke basis, die toegankelijk en voorzienbaar is. Ook moet de inperking plaatsvinden met het oog op een legitiem doel, zoals de bescherming van de nationale of openbare veiligheid. Tevens moet de inperking noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Hieruit volgt onder meer dat er een fair balance moet bestaan tussen het algemene belang dat met de maatregel wordt beschermd en de individuele belangen die daarbij in het geding zijn. Concreet betekent dit dat de noodzaak en proportionaliteit van een maatregel overtuigend moeten worden gemotiveerd. Tot slot dienen er waarborgen tegen willekeur te zijn en hebben betrokkenen recht op effectieve rechtsbescherming, wanneer er een maatregel wordt opgelegd. In dit kader benadrukt de tijdelijke commissie dat de (nationale) wetgever een belangrijke rol heeft om ervoor te zorgen dat wetgeving die het opleggen van dergelijke maatregelen mogelijk maakt, voldoet aan deze voorwaarden.
De motivering van de noodzaak van permanente maatregelen
Ten aanzien van het onderhavige wetsvoorstel merkt de Raad van State op dat de noodzaak van permanente Twbmt-maatregelen niet overtuigend kan worden gemotiveerd. De Raad van State verwijst kortheidshalve naar de twee eerder uitgebrachte adviezen over dit onderwerp – over de invoering van de Twbmt in 2017 en over de verlenging van de Twbmt in 2022 – waarin wordt geadviseerd om van het wetsvoorstel af te zien wanneer de noodzaak ervan niet dragend kan worden gemotiveerd. In deze eerdere adviezen wees de Raad van State erop dat de noodzaak van de Twbmt-maatregelen zou zijn gelegen in de bescherming van de nationale veiligheid tegen gevaar dat met strafrechtelijke maatregelen (nog) niet kan worden weggenomen.13 Voor de toepassing van het strafrecht is een verdenking van (voorbereidingshandelingen voor) strafbare feiten nodig.14 In dit verband merkte de Raad van State op dat het lastig is om situaties voor te stellen waarin er nog géén sprake is van een dergelijke strafrechtelijke verdenking, maar waarin wel wordt voldaan aan de voorwaarden op basis waarvan de Twbmt-maatregelen kunnen worden opgelegd.15 In het advies over het onderhavige wetsvoorstel geeft de Raad van State aan geen aanleiding te zien of af te wijken van de eerdere adviezen. In dit kader wijst de Raad van State ook op het meest recente evaluatierapport uit 2024 over de Twbmt.
In dit evaluatierapport wordt geconcludeerd dat de noodzaak van de Twbmt niet overtuigend kan worden onderbouwd. Zo wordt erop gewezen dat de Twbmt-maatregelen in de praktijk zeer beperkt zijn toegepast.16 Wanneer de Twbmt werd toegepast, gebeurde dit bovendien vaak in aanvulling op een strafrechtelijk traject.17 Op basis hiervan wordt gesteld dat de Twbmt kennelijk niet in een werkelijke behoefte voorziet, omdat in de praktijk veelal de voorkeur wordt gegeven aan andere straf- of bestuursrechtelijke maatregelen die geschikter en/of eenvoudiger worden gevonden.18 Ook wordt erop gewezen dat het strafrecht sinds 1 januari 2023 nieuwe mogelijkheden kent om gedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen aan personen die zijn veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf of de voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.19 In het evaluatierapport wordt daarom de vraag opgeroepen of de «vangnetfunctie» van de Twbmt – voor situaties waarin het strafrecht geen oplossing biedt – niet heel klein is geworden.20
In reactie op het advies van de Raad van State en het evaluatierapport, geeft de regering aan tot een andere conclusie te komen over de noodzaak van de Twbmt. Hoewel de regering begrip heeft voor de punten die in de evaluatie naar voren worden gebracht, is de relevantie van de Twbmt volgens de regering gelegen in die gevallen waarin het niet mogelijk is om andere maatregelen te nemen, bijvoorbeeld op basis van het strafrecht.21 De regering wijst er in dit verband op dat de beperkte inzet van de Twbmt-maatregelen geen goede graadmeter is voor het beoordelen van de noodzaak. Het gaat erom dat deze bevoegdheden kunnen worden ingezet wanneer dat noodzakelijk is. De regering onderstreept daarbij dat de gevolgen groot kunnen zijn wanneer er géén passende maatregelen worden genomen tegen mogelijke terroristische activiteiten. Ook kan de beperkte inzet van Twbmt-maatregelen volgens de regering voortkomen uit de relatieve onbekendheid van de huidige tijdelijke wet. De regering wil daarom inzetten op meer voorlichting over de mogelijkheden die de Twbmt biedt, zoals ook is verzocht door de Kamer.22
De regering wijst bovendien op een aantal recente ontwikkelingen die de noodzaak van de Twbmt-maatregelen ondersteunen. Zo is het dreigingsniveau in Nederland sinds 2023 verhoogd tot substantieel. Het gaat dan zowel om dreiging vanuit jihadistische groepen als dreiging vanuit rechts-extremistische hoek. Ook komt er de komende periode een relatief groot aantal terrorismeveroordeelden vrij uit detentie, met een hoger dreigingsprofiel dan veroordeelden die eerder zijn vrijgekomen.23 Het gaat dan bijvoorbeeld om Nederlanders die zijn uitgereisd naar Syrië en Irak om zich daar aan te sluiten bij IS.24 Daarbij constateert de tijdelijke commissie dat de AIVD in verschillende jaarverslagen aangeeft dat de belangrijkste terroristische dreiging voor Nederland voortkomt uit het jihadisme.25 Daarnaast leiden de recente geopolitieke ontwikkelingen en conflicten tot nieuwe en verhoogde risico’s in Nederland en Europa. Dit volgt onder meer uit het recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. Vanwege de aanhoudende substantiële dreiging die bovendien snel kan veranderen door internationale ontwikkelingen, is het volgens de regering van essentieel belang dat de overheid over een duurzaam en breed wettelijk instrumentarium beschikt om terroristische dreigingen het hoofd te bieden, waaronder de Twbmt-maatregelen.26
De tijdelijke commissie merkt op dat er al geruime tijd een (politiek) debat plaatsvindt over de noodzaak van de Twbmt.27 Enerzijds wordt beargumenteerd dat het om ingrijpende bevoegdheden gaat die raken aan verschillende grondrechten, terwijl er in de praktijk weinig behoefte lijkt te bestaan aan deze bevoegdheden. Gesteld wordt dat dit vragen oproept over de noodzaak van de Twbmt. Anderzijds wordt beargumenteerd dat het van belang is dat de overheid over een breed en effectief instrumentarium beschikt om doeltreffend te kunnen optreden tegen bedreigingen voor de nationale veiligheid. Gesteld wordt dat het feit dat deze bevoegdheden in de praktijk slechts beperkt worden ingezet, niet betekent dat ze niet noodzakelijk zijn.
Een centraal punt in het debat, is de vraag in hoeverre de Twbmt-maatregelen een vangnetfunctie vervullen. Het gaat dan om situaties waarin het strafrecht en (andere) bestuursrechtelijke maatregelen géén oplossing bieden of juridisch (nog) niet kunnen worden ingezet, maar de Twbmt-maatregelen wél. In de onderbouwing van het wetsvoorstel wordt hieraan in algemene zin aandacht besteed. Ook in de evaluatie wordt hieraan aandacht besteed en wordt opgemerkt dat de Twbmt in de praktijk meestal naast strafrechtelijke bevoegdheden wordt ingezet. Om te beoordelen in hoeverre de Twbmt daadwerkelijk een (juridische) vangnetfunctie vervult, zou het van toegevoegde waarde zijn om hierover meer informatie te ontvangen, bijvoorbeeld in de vorm van concrete voorbeelden waarin het strafrecht of bestuursrecht volgens de regering geen passend instrument biedt. Deze informatie kan worden gebruikt bij het maken van de politieke afweging of het permanent maken van de Twbmt noodzakelijk wordt geacht.
Met het oog op de onderbouwing van de noodzaak van het permanent maken van de bevoegdheden uit de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, adviseert de tijdelijke commissie de leden om de regering te vragen om – bijvoorbeeld aan de hand van voorbeelden – de vangnetfunctie van deze bevoegdheden te verduidelijken. Het gaat dan om gevallen waarin het strafrecht of bestuursrecht geen passend instrument bieden, maar de bevoegdheden uit deze wet wel.
De tijdelijke commissie merkt daarnaast op dat – bij het onderbouwen van de noodzaak van een wetsvoorstel dat raakt aan grondrechten – ook de subsidiariteitsvraag een rol speelt. Het gaat er dan om of er minder ingrijpende alternatieven zijn om het beoogde doel te bereiken. In dit licht constateert de tijdelijke commissie dat de regering in de onderbouwing van de noodzaak van permanente Twbmt-bevoegdheden wijst op een aantal recente dreigingen. Concreet gaat het om het vrijkomen van terrorismeveroordeelden met een hoog risicoprofiel en de doorwerking van snel veranderende actuele internationale ontwikkelingen in Nederland. De tijdelijke commissie merkt in dit verband op dat het voor de beantwoording van de subsidiariteitsvraag van toegevoegde waarde is om meer inzicht te krijgen in de vraag in hoeverre deze recente dreigingen volgens de regering vragen om permanente maatregelen. Wanneer niet vaststaat dat het blijvende dreigingen betreft, zou er – in het licht van de subsidiariteitsvraag – wellicht kunnen worden volstaan met (opnieuw) een tijdelijke verlenging van de Twbmt.
Gezien de recente ontwikkelingen die de regering noemt ter onderbouwing van de noodzaak van het permanent maken van de tijdelijke bevoegdheden, adviseert de tijdelijke commissie de leden daarnaast om de regering te vragen welke minder ingrijpende alternatieve opties zijn overwogen, zoals wederom een tijdelijke verlenging.
De motivering van maatregelen in individuele gevallen
Uit het grondrechtelijk kader volgt niet alleen dat de noodzaak van het wetsvoorstel zorgvuldig moet worden onderbouwd, maar dat ook moet worden voorzien in waarborgen om ervoor te zorgen dat de concrete inzet van de voorgestelde bevoegdheden in individuele gevallen noodzakelijk en proportioneel is. De tijdelijke commissie wijst erop dat de motiveringsplicht in dit kader een belangrijke rol speelt. Hieruit volgt dat in een besluit tot oplegging van een Twbmt-maatregel steeds moet worden meegewogen of er sprake is van inmenging in een grondrecht. Wanneer dit het geval is, moet overtuigend worden gemotiveerd waarom deze inmenging noodzakelijk is en in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het (maatschappelijke) belang dat met deze inmenging wordt gediend.28 De tijdelijke commissie merkt op dat er in de evaluatie – mede op verzoek van de Kamer – specifiek aandacht is besteed aan de noodzaak, effecten, proportionaliteit en de voorwaarden waaronder de Twbmt-maatregelen zijn opgelegd.29
In het evaluatierapport wordt geconcludeerd dat er in de praktijk weinig aandacht is voor de mogelijke inbreuk die Twbmt-maatregelen maken op grondrechten.30 Zo wordt opgemerkt dat in geen van de onderzochte Twbmt-besluiten expliciet een overweging is gewijd aan grondrechten.31 Ook wordt de noodzaak van de opgelegde maatregelen niet in alle gevallen overtuigend onderbouwd en wordt er volgens de onderzoekers weinig aandacht besteed aan de evenredigheid.32 Hierbij gaat het erom dat wordt onderbouwd waarom het opleggen van een maatregel – en de inmenging in de grondrechten van de betrokkenen om wie het gaat – in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel van die maatregel. Tevens wordt erop gewezen dat een rechter in meerdere gevallen heeft geoordeeld dat er onvoldoende onderbouwing was voor het opleggen van een maatregel.33
In reactie op het evaluatierapport onderschrijft de regering het belang van een zorgvuldige motivering wanneer er in de praktijk een Twbmt-maatregel wordt opgelegd. De regering benadrukt hierbij dat goed moet worden gemotiveerd waarom een opgelegde maatregel evenredig is, aangezien in de meeste gevallen sprake is van een beperking van een grondrecht. De conclusie dat hieraan in de motivering van besluiten te weinig aandacht wordt besteed, neemt de regering dan ook serieus.34 Ook in de memorie van toelichting staat de regering hierbij stil. In dit kader benadrukt de regering dat naarmate een inmenging in een grondrecht groter is, er zwaardere eisen worden gesteld aan de motivering van een maatregel.35 Zo wijst de regering op Europese jurisprudentie, waarin het belang van een zorgvuldige motivering in individuele gevallen wordt onderstreept.36 Ook benadrukt de regering dat – wanneer er maatregelen worden getroffen vanuit de positieve verplichting die op overheden rust om burgers te beschermen tegen een reële (terroristische) dreiging – de proportionaliteit van die maatregel in het individuele geval zorgvuldig moet worden onderbouwd.37
De tijdelijke commissie merkt op dat de regering in algemene zin het belang van een zorgvuldige motivering benadrukt. Uit de evaluatie van de Twbmt blijkt echter dat dit in dit praktijk niet altijd gebeurt. Hoewel de regering in reactie op het evaluatierapport aangeeft deze conclusie serieus te nemen en helder uiteenzet waarom een dergelijke motivering vanuit grondrechtelijk perspectief van belang is, blijkt uit de beschikbare stukken nog niet welke acties de regering hieraan verbindt. De tijdelijke commissie wijst er in dit verband op dat een zorgvuldige motivering een belangrijke waarborg is die ervoor zorgt dat het voor betrokkenen inzichtelijk is waarom en op welke gronden de overheid tot een besluit is gekomen. Ook geldt dat, wanneer een opgelegde maatregel niet goed wordt gemotiveerd, dit ertoe kan leiden dat een besluit een rechterlijke toets niet doorstaat.
Omdat uit de evaluatie van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding blijkt dat er in de motivering van opgelegde maatregelen niet altijd voldoende aandacht wordt besteed aan grondrechten, adviseert de tijdelijke commissie de leden om de regering te vragen in hoeverre het wetsvoorstel waarborgt dat besluiten tot het opleggen van een maatregel in de praktijk zorgvuldig worden gemotiveerd.
De hiervoor genoemde punten kunnen betrokken worden bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel.
De voorzittervan de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Bushoff
De griffier van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Kling
B. van Gestel e.a., Evaluatie Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, WODC (2020).
Evaluatie van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding «Nood zoekt wet» (2024), Kamerstukken II, 2023/24, 29 754, nr. 730 en bijlage 1157274. Hierna: Evaluatierapport «Nood zoekt wet».
Zoals volgt uit artikel 2 EVRM en onder meer uiteengezet in EHRM 18 september 2017 (Tagayeva and Others v. Russia). Het gaat dan om specifieke omstandigheden waarin (i) autoriteiten wisten of behoorden te weten (ii) van een reëel levensbedreigend gevaar (iii) voor een individualiseerbare persoon of groep personen en (iv) de staat heeft nagelaten om redelijke maatregelen te treffen teneinde dat gevaar te neutraliseren. Deze positieve verplichtingen strekken niet zover dat hierdoor een onmogelijke of onevenredige taak rust op lidstaten.
Zoals opgenomen in artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM en artikel 2, vierde lid van de Grondwet.
Zoals opgenomen in artikel 21 van het Verdrag Betreffende de Werking van de Europese Unie en artikel 45, eerste lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Opmerking verdient bovendien dat de inzet van het strafrecht gepaard gaat met specifieke waarborgen ter bescherming van de rechten van verdachten, zoals de onschuldpresumptie, het zwijgrecht en het recht om niet te hoeven meewerken aan de eigen veroordeling. Zie in dit kader onder meer: College voor de Rechten van de Mens, Inbreng verslag wijziging van de tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding d.d. 21 april 2026.
Concreet zijn er in de periode van 2017 tot en met juni 2024 dertien maatregelen opgelegd aan negen personen. Aan vier personen werden meerdere maatregelen opgelegd. De meldplicht is het meest opgelegd; namelijk aan acht van de negen personen. Verder is aan twee personen een gebiedsverbod opgelegd en aan twee personen een uitreisverbod. Het contactverbod is aan één persoon opgelegd. WODC, p. 9.
Dit was het geval bij acht van de negen personen aan wie een Twbmt-maatregel is opgelegd. Evaluatierapport «Nood zoekt wet», p. 109.
Kamerstukken II 2023/24, 29 754, nr. 730 (Beleidsreactie regering Evaluatierapport «Nood zoekt wet»), p. 3 en Kamerstukken II, 2025/26, 36 918 nr. 3, par. 4.2.1.
Op basis van publieke (afgeronde) cijfers van de AIVD bedraagt het aantal onderkende Nederlandse uitreizigers 300 (stand per 31 januari 2025). Hiervan zijn 90 personen teruggekeerd naar Nederland en 15 personen teruggekeerd naar een ander land. Kamerstukken II, 2024/25, 29 754, nr. 745.
Zie in dit kader bijvoorbeeld het AIVD Jaarverslag 2025, par. 2.2.1 en het AIVD Jaarverslag 2023, par. 1.1.
Zo is het vergelijkbare wetsvoorstel Bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid in 2011 ingetrokken, omdat de desbetreffende bevoegdheden indertijd niet noodzakelijk werden geacht. Kamerstukken 112010/11,29 754, nr. 199.
Kamerstukken II 2023/24, 29 754, nr. 730 (Beleidsreactie regering Evaluatierapport «Nood zoekt wet»), p. 1, Kamerstukken II, 2021/2022, 35 917 nr. 11 (Motie-Koekoek) en Kamerstukken II, 2021/2022, 35 917 nr. 15 (Motie-Bikker en Kuik).
Evaluatierapport «Nood zoekt wet», p. 144. De onderzoekers hebben in het kader van de evaluatie toegang gekregen tot de beschikkingen waarin het opleggen van Twbmt-maatregelen wordt gemotiveerd.
Kamerstukken II 2023/24, 29 754, nr. 730 (Beleidsreactie regering Evaluatierapport «Nood zoekt wet»), p. 5.
B. van Gestel e.a., Evaluatie Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, WODC (2020).
Evaluatie van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding «Nood zoekt wet» (2024), Kamerstukken II, 2023/24, 29 754, nr. 730 en bijlage 1157274. Hierna: Evaluatierapport «Nood zoekt wet».
Zoals volgt uit artikel 2 EVRM en onder meer uiteengezet in EHRM 18 september 2017 (Tagayeva and Others v. Russia). Het gaat dan om specifieke omstandigheden waarin (i) autoriteiten wisten of behoorden te weten (ii) van een reëel levensbedreigend gevaar (iii) voor een individualiseerbare persoon of groep personen en (iv) de staat heeft nagelaten om redelijke maatregelen te treffen teneinde dat gevaar te neutraliseren. Deze positieve verplichtingen strekken niet zover dat hierdoor een onmogelijke of onevenredige taak rust op lidstaten.
Zoals opgenomen in artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM en artikel 2, vierde lid van de Grondwet.
Zoals opgenomen in artikel 21 van het Verdrag Betreffende de Werking van de Europese Unie en artikel 45, eerste lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Opmerking verdient bovendien dat de inzet van het strafrecht gepaard gaat met specifieke waarborgen ter bescherming van de rechten van verdachten, zoals de onschuldpresumptie, het zwijgrecht en het recht om niet te hoeven meewerken aan de eigen veroordeling. Zie in dit kader onder meer: College voor de Rechten van de Mens, Inbreng verslag wijziging van de tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding d.d. 21 april 2026.
Concreet zijn er in de periode van 2017 tot en met juni 2024 dertien maatregelen opgelegd aan negen personen. Aan vier personen werden meerdere maatregelen opgelegd. De meldplicht is het meest opgelegd; namelijk aan acht van de negen personen. Verder is aan twee personen een gebiedsverbod opgelegd en aan twee personen een uitreisverbod. Het contactverbod is aan één persoon opgelegd. WODC, p. 9.
Dit was het geval bij acht van de negen personen aan wie een Twbmt-maatregel is opgelegd. Evaluatierapport «Nood zoekt wet», p. 109.
Kamerstukken II 2023/24, 29 754, nr. 730 (Beleidsreactie regering Evaluatierapport «Nood zoekt wet»), p. 3 en Kamerstukken II, 2025/26, 36 918 nr. 3, par. 4.2.1.
Op basis van publieke (afgeronde) cijfers van de AIVD bedraagt het aantal onderkende Nederlandse uitreizigers 300 (stand per 31 januari 2025). Hiervan zijn 90 personen teruggekeerd naar Nederland en 15 personen teruggekeerd naar een ander land. Kamerstukken II, 2024/25, 29 754, nr. 745.
Zie in dit kader bijvoorbeeld het AIVD Jaarverslag 2025, par. 2.2.1 en het AIVD Jaarverslag 2023, par. 1.1.
Zo is het vergelijkbare wetsvoorstel Bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid in 2011 ingetrokken, omdat de desbetreffende bevoegdheden indertijd niet noodzakelijk werden geacht. Kamerstukken 112010/11,29 754, nr. 199.
Kamerstukken II 2023/24, 29 754, nr. 730 (Beleidsreactie regering Evaluatierapport «Nood zoekt wet»), p. 1, Kamerstukken II, 2021/2022, 35 917 nr. 11 (Motie-Koekoek) en Kamerstukken II, 2021/2022, 35 917 nr. 15 (Motie-Bikker en Kuik).
Evaluatierapport «Nood zoekt wet», p. 144. De onderzoekers hebben in het kader van de evaluatie toegang gekregen tot de beschikkingen waarin het opleggen van Twbmt-maatregelen wordt gemotiveerd.
Kamerstukken II 2023/24, 29 754, nr. 730 (Beleidsreactie regering Evaluatierapport «Nood zoekt wet»), p. 5.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36918-6.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.