Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 juni 2026
Op 2 juni jl. heeft u bijgaand stenogram van de regeling van werkzaamheden van uw
Kamer naar de Eerste Kamer doorgeleid. Naar aanleiding van het stenogram geef ik uw
Kamer graag het volgende in overweging.
Allereerst het feit dat hoe eerder de suppletoire begrotingen bij de Eerste Kamer
worden ingediend, hoe meer ruimte de Eerste Kamer heeft om deze vóór het zomerreces
af te kunnen doen. Daarmee neemt vervolgens de kans af dat een bewindspersoon een
beroep doet op artikel 2.27, Comptabiliteitswet; het artikel waarmee een bewindspersoon
uitgaven voor nieuw beleid kan doen die geen uitstel kunnen velen uit suppletoire
begrotingen die nog niet zijn goedgekeurd door beide Kamers. In dat geval is namelijk
niet uit te sluiten dat de Kamer(s) tijdens het zomerreces binnen enkele dagen («onverwijld»)
een uitspraak moeten doen over de vraag of de Kamer zich «deugdelijk geïnformeerd
weet». Zoals u bekend, deed die situatie zich afgelopen jaar voor bij de Tweede Kamer.
Daarnaast zijn er staatsrechtelijk noch vanuit de Comptabiliteitswet bepalingen die
stemming in de Tweede Kamer over een suppletoire begroting verhinderen als de onderliggende
begroting nog niet door de Eerste Kamer is aanvaard. Hoewel dit punt tijdens de regeling
werd ingebracht door één van de woordvoerders, had dit stemming over de suppletoire
begrotingen niet in de weg hoeven staan.
In praktische zin zou een vervroeging van de stemming in de Tweede Kamer van dinsdag
23 juni naar bijvoorbeeld donderdag 18 juni of dinsdag 16 juni, de Eerste Kamer al
een extra vergaderweek opleveren voor de behandeling van de suppletoire begrotingen.
Een verdere vervroeging naar donderdag 11 juni zou de Eerste Kamer nóg een extra vergaderweek
geven.
Ik ben mij er uiteraard bewust van dat uw Kamer over haar eigen agenda gaat, maar
het leek mij goed om in reactie op het stenogram het bovenstaande bij u onder de aandacht
te brengen.
Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, M.L. Vos