36 910 (R2218) Regeling van grondslagen voor zelfstandige algemene maatregelen van rijksbestuur die hun gelding dienen te behouden (Rijkswet delegatiegrondslagen artikel 38, tweede lid, Statuut voor het Koninkrijk)

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 27 augustus 2026

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de opmerkingen en vragen in het verslag. Het verheugt mij dat de leden van de fracties van de VVD, GroenLinks-PvdA, het CDA en de ChristenUnie met belangstelling kennis hebben genomen van het voorstel. Deze nota naar aanleiding van het verslag wordt uitgebracht mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Defensie en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre Curaçao, Aruba en Sint Maarten betrokken zijn geweest bij het onderhavige voorstel van rijkswet en wat hun reactie was. Ook de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe deze landen aankijken tegen het voorstel. Ook vragen zij of er overeenstemming is tussen de landen ten aanzien van in het voorstel genoemde consensus-algemene maatregelen van rijksbestuur.

Het onderhavige voorstel van rijkswet is in nauw overleg met de regeringen van Curaçao, Aruba en Sint Maarten tot stand gekomen. De in artikel 38, tweede lid, van het Statuut vereiste consensus over het in procedure brengen van het voorstel is uiteindelijk – zoals te doen gebruikelijk – vastgesteld in de rijksministerraad. Bij de totstandkoming van het voorstel van rijkswet is ten aanzien van alle in het voorstel genoemde consensus-algemene maatregelen van rijksbestuur overwogen dat het onwenselijk zou zijn als zij hun gelding verliezen. Overigens zijn de artikelen 1 en 2 van het voorstel van rijkswet geformuleerd als kan-bepaling. Dit betekent dat het voorstel er niet aan in de weg staat om één of meer van de genoemde consensus-algemene maatregelen van rijksbestuur te laten vervallen, als de landen daartoe gezamenlijk zouden besluiten.

2. Hoofdlijnen van het voorstel

Wijziging en beëindiging

De leden van de VVD-fractie vragen om een nadere verduidelijking van de passage onder het kopje «Wijziging en beëindiging». Meer in het bijzonder vragen zij of die los moet worden gezien van de daaraan voorafgaande passage over het Schepenbesluit 2004.

Beide passages moeten inderdaad los van elkaar worden gezien. De passage over de «Wijziging en beëindiging» strekt er toe te verduidelijken waarom in het voorstel van rijkswet niet is voorzien in een bepaling over de wijziging en beëindiging van deze consensusrijkswet als zodanig.

Beëindiging van deze consensusrijkswet zou namelijk tot gevolg hebben dat alle consensus-algemene maatregelen van rijksbestuur waarvoor dit wetsvoorstel een grondslag creëert automatisch vervallen.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van der Burg

Naar boven