36 905 Regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure en Richtlijn (EU) 2023/1544 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures (Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Dit wetsvoorstel strekt tot uitvoering van het wetgevingspakket van de EU inzake elektronisch bewijsmateriaal («e-evidence package»). Met dit pakket hebben strafvorderlijke autoriteiten in de EU-lidstaten onder voorwaarden de bevoegdheid rechtstreeks bevelen tot bewaring en verstrekking van elektronisch bewijsmateriaal aan bepaalde dienstaanbieders te geven, ongeacht de locatie waar dit elektronisch bewijsmateriaal is opgeslagen.

In onze gedigitaliseerde maatschappij speelt elektronisch bewijsmateriaal een belangrijke rol in strafzaken. Omdat elektronisch bewijsmateriaal vaak buiten het grondgebied van Nederland is opgeslagen, is het wetgevingspakket van de EU inzake elektronisch bewijsmateriaal een waardevolle aanvulling op de bestaande EU-instrumenten voor de justitiële samenwerking in strafzaken. Met dit pakket kan elektronisch bewijsmateriaal snel en doeltreffend worden verkregen en veiliggesteld.

Het wetgevingspakket van de EU inzake elektronisch bewijsmateriaal bestaat uit:

  • Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure; en

  • Richtlijn (EU) 2023/1544 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures.

2. Hoofdlijnen van het elektronisch bewijsmateriaalpakket

Met Verordening 2023/1543 worden het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel geïntroduceerd. Het Europees verstrekkingsbevel betreft een beslissing van een bevoegde autoriteit waarbij de verstrekking wordt bevolen van elektronisch bewijsmateriaal (artikel 3, onderdeel 1, van Verordening 2023/1543). Het Europees bewaringsbevel betreft een beslissing van een bevoegde autoriteit waarbij de bewaring wordt bevolen van elektronisch bewijsmateriaal met het oog op een aansluitend verstrekkingsbevel (artikel 3, onderdeel 2, van Verordening 2023/1543).

Het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel worden gericht aan de aangewezen vestiging of aangestelde wettelijke vertegenwoordiger van een dienstaanbieder. Uit hoofde van Richtlijn 2023/1544 bestaat de verplichting tot het aanwijzen van een vestiging of de aanstelling van een wettelijke vertegenwoordiger voor de dienstaanbieder die diensten aanbiedt in de EU (artikel 3 van Richtlijn 2023/1544). Als een zodanige dienstaanbieder kwalificeren elektronische communicatiediensten, diensten in verband met internetdomeinnamen en IP-nummering, en andere diensten van de informatiemaatschappij die hun gebruikers in staat stellen met elkaar te communiceren of het mogelijk maken gegevens op te slaan of anderszins te verwerken. Een uitzondering bestaat voor financiële diensten (artikel 2, onderdeel 1, van Richtlijn 2023/1544).

Het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel hebben betrekking op elektronisch bewijsmateriaal. Volgens artikel 3, onderdeel 8, van Verordening 2023/1543 wordt hieronder verstaan: «abonneegegevens, verkeersgegevens of inhoudelijke gegevens die door of namens een dienstaanbieder in elektronische vorm zijn opgeslagen op het tijdstip van ontvangst [van het bevel]». Het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel kunnen door bevoegde Nederlandse autoriteiten niet worden uitgevaardigd indien de aangewezen vestiging in Nederland is gevestigd of de wettelijke vertegenwoordiger in Nederland verblijft (artikel 3, onderdelen 1 en 2, van Verordening 2023/1543). In dat geval dient toepassing te worden gegeven aan de bevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal.

De voorwaarden voor de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel en Europees bewaringsbevel zijn neergelegd in artikelen 5 en 6 van Verordening 2023/1543. Een van die voorwaarden houdt in dat een bevel slechts kan worden uitgevaardigd indien een soortgelijk bevel zou kunnen zijn uitgevaardigd in een soortgelijk nationaal geval (artikelen 5, tweede lid, en 6, derde lid, van Verordening 2023/1544). Als gevolg hiervan moet de uitvaardigende autoriteit telkens ook (overwegend overlappende) voorwaarden uit het Wetboek van Strafvordering in acht nemen met betrekking tot het bevel tot verstrekking van gegevens of het bevel tot bewaring van gegevens.

Ten aanzien van elektronisch bewijsmateriaal maakt Verordening 2023/1543 een onderscheid tussen verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens enerzijds, en abonneegegevens en gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker anderzijds (artikel 5, eerste en tweede lid, van Verordening 2023/1543). De toegang tot de eerstgenoemde categorieën gegevens (verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens) levert een grotere beperking op van de grondrechten van de betrokkene dan de toegang tot de laatstgenoemde categorieën gegevens (abonneegegevens en identificerende gegevens). Aan dit onderscheid verbindt Verordening 2023/1543 drie gevolgtrekkingen. Ten eerste kan een Europees verstrekkingsbevel met het oog op het verkrijgen van de eerstgenoemde categorie gegevens uitsluitend worden uitgevaardigd voor strafbare feiten waarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf staat met een maximum van ten minste drie jaar of voor strafbare feiten die zijn genoemd in artikel 5, vierde lid, onderdelen b en c, van Verordening 2023/1543. Ten tweede geldt dat een Europees verstrekkingsbevel met het oog op de verkrijging van de eerstgenoemde categorieën gegevens uitsluitend kan worden uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit of door een officier van justitie na daartoe te zijn gemachtigd door een rechterlijke autoriteit. Ten derde is aan de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel met het oog op de verkrijging van de eerstgenoemde categorieën gegevens de verplichting tot kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit verbonden (artikel 8 van Verordening 2023/1543). Een Europees verstrekkingsbevel met het oog op de verkrijging van de laatstgenoemde categorieën gegevens en een Europees bewaringsbevel kunnen daarentegen worden uitgevaardigd voor alle strafbare feiten, zonder machtiging van een rechterlijke autoriteit, en zonder verplichting tot kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit.

De tenuitvoerleggingsautoriteit is de autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat die volgens het nationaal recht bevoegd is om een kennisgeving te ontvangen (artikel 3, onderdeel 17, van Verordening 2023/1543). De tenuitvoerleggingsautoriteit beoordeelt de kennisgeving binnen tien dagen (of 96 uur in noodgevallen) en voert zo nodig een weigeringsgrond aan (artikel 12 van Verordening 2023/1543). De weigeringsgronden houden verband met (i) voorrechten, immuniteiten of beperkte strafrechtelijke aansprakelijkheid voor mediadiensten; (ii) gegronde redenen voor een kennelijke schending van een grondrecht; (iii) strijd met het ne-bis-in-idembeginsel; of (iv) een feit dat niet strafbaar is in de tenuitvoerleggingsstaat, tenzij vermeld in bijlage IV van Verordening 2023/1543 en op het feit een vrijheidsstraf staat met een maximum van ten minste drie jaar. De kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit laat onverlet dat het Europees verstrekkingsbevel rechtstreeks aan de dienstaanbieder wordt gericht en de gegevens rechtstreeks aan de uitvaardigende autoriteit worden verstrekt.

Indien een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit is gedaan, verstrekt de geadresseerde van het Europees verstrekkingsbevel de gegevens aan het eind van de periode van tien dagen als geen weigeringsgrond is aangevoerd door de tenuitvoerleggingsautoriteit, of zo snel mogelijk na een bevestiging van de tenuitvoerleggingsautoriteit dat geen weigeringsgrond wordt aangevoerd (artikel 10, tweede lid, van Verordening 2023/1543). Indien geen kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit is gedaan, verstrekt de geadresseerde van het Europees verstrekkingsbevel de gegevens uiterlijk binnen een periode van tien dagen (artikel 10, derde lid, van Verordening 2023/1543). De geadresseerde kan geen weigeringsgronden aanvoeren. Wel kan de geadresseerde feitelijke onmogelijkheden tot naleving van het bevel of in het geding zijnde voorrechten, immuniteiten of beperkte strafrechtelijke aansprakelijkheid voor mediadiensten onder de aandacht brengen. De uitvaardigende autoriteit neemt vervolgens een beslissing tot intrekking, aanpassing of instandhouding van het bevel (artikel 10, vijfde tot en met het achtste lid, van Verordening 2023/1543).

Als een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel niet (binnen de termijn) wordt nageleefd, kan de uitvaardigende autoriteit aan de tenuitvoerleggingsautoriteit verzoeken het desbetreffende bevel ten uitvoer te leggen (artikel 16, eerste lid, van Verordening 2023/1543). Hiervoor is tevens vereist dat door de geadresseerde geen aanvaardbare reden is opgegeven voor de niet-naleving van het bevel en door de tenuitvoerleggingsautoriteit geen weigeringsgrond is aangevoerd naar aanleiding van de kennisgeving. Bij een aanvaardbare reden moet worden gedacht aan een onvolledig bevel of de situatie dat de gevraagde gegevens door of namens de dienstaanbieder niet zijn opgeslagen op het tijdstip van ontvangst van het bevel.

Binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek van de uitvaardigende autoriteit gaat de tenuitvoerleggingsautoriteit over tot de erkenning van het bevel, tenzij een van de weigeringsgronden in het kader van de tenuitvoerleggingsprocedure van toepassing is (artikel 16, tweede tot en met vierde lid, van Verordening 2023/1543). Hierbij moet worden opgemerkt dat de weigeringsgronden naar aanleiding van de kennisgeving verschillen van de weigeringsgronden in het kader van de tenuitvoerleggingsprocedure. De tenuitvoerleggingsautoriteit beveelt de geadresseerde zijn verplichtingen na te komen, daarbij wijst de tenuitvoerleggingsautoriteit op de mogelijkheid om bezwaar te maken, de toepasselijke sanctie in geval van niet-naleving, en de termijn voor de naleving van het bevel of het maken van bezwaar (artikel 16, derde lid, van Verordening 2023/1543). Indien de geadresseerde bezwaar heeft gemaakt, beslist de tenuitvoerleggingsautoriteit of het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel wel of niet ten uitvoer wordt gelegd (artikel 16, zesde lid, van Verordening 2023/1543).

In het kader van de tenuitvoerleggingsprocedure betreffen de weigeringsgronden die kunnen worden ingeroepen door de tenuitvoerleggingsautoriteit en de bezwaargronden waarop een beroep kan worden gedaan door de geadresseerde: (i) het bevel is niet uitgevaardigd of bekrachtigd door een uitvaardigende autoriteit in de zin van Verordening 2023/1543; (ii) het bevel is niet uitgevaardigd voor een strafbaar feit als omschreven in deze verordening; (iii) de naleving is niet mogelijk vanwege feitelijke onmogelijkheid, een niet aan geadresseerde toerekenbare omstandigheid, of kennelijke fouten in het bevel; (iv) de geadresseerde is geen dienstaanbieder in de zin van deze verordening; of (v) de gevraagde gegevens worden beschermd door in de tenuitvoerleggingsstaat verleende voorrechten, immuniteiten of beperkte aansprakelijkheid voor mediadiensten. Verder geldt als weigeringsgrond een gegronde reden voor een kennelijke schending van een grondrecht. Deze grond betreft geen bezwaargrond voor de dienstaanbieder (artikelen 16, derde lid, onderdeel a, vierde en vijfde lid, van Verordening 2023/1543).

Indien de geadresseerde na het volgen van de tenuitvoerleggingsprocedure niet voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel, kan de tenuitvoerleggingsautoriteit een geldboete opleggen. De geldboete bedraagt maximaal twee procent van de totale mondiale jaaromzet van de dienstaanbieder in het voorgaande boekjaar (artikelen 16, tiende lid, en 15 van Verordening 2023/1543).

Ten slotte wordt in verband met Verordening 2023/1543 gewezen op de toetsingsprocedure in geval van tegenstrijdige verplichtingen (artikel 17 van Verordening 2023/1543). Deze procedure is aan de orde indien de geadresseerde meent dat een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel in strijd is met het toepasselijk recht van een derde land. De uitvaardigende autoriteit toetst het desbetreffende bevel aan de hand van het gemotiveerde bezwaar van de dienstaanbieder en de inbreng van de tenuitvoerleggingsstaat. Indien de uitvaardigende autoriteit voornemens is om het Europees verstrekkingsbevel in stand te houden, verzoekt de uitvaardigende autoriteit de bevoegde rechtbank van de uitvaardigende staat om een toetsing.

De reikwijdte van Richtlijn 2023/1543 is niet beperkt tot het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel. Ook de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal op grond van het Europees onderzoeksbevel en de EU-rechtshulpovereenkomst vallen onder de reikwijdte van deze richtlijn. Dat geldt ook voor de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal op grond van de bevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering voor zover de aangewezen vestiging in Nederland is gevestigd of de wettelijke vertegenwoordiger in Nederland verblijft (artikel 1, tweede lid, van Richtlijn 2023/1544). Hiermee worden ook beslissingen en bevelen met het oog op de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal op grond van deze instrumenten in beginsel gericht aan de aangewezen vestigingen en de aangestelde wettelijke vertegenwoordigers (artikel 3, derde lid, van Richtlijn 2023/1544).

3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

In de voorgestelde uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal zijn de bepalingen van Richtlijn 2023/1544 omgezet. Deze bepalingen gaan over de aanwijzing van vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken. Daarnaast voorziet de voorgestelde uitvoeringswet in de invoeging van een nieuwe titel in het Wetboek van Strafvordering over het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel. In deze Titel 11 van het Vijfde Boek van het Wetboek van Strafvordering zijn enkele onderwerpen geregeld die Verordening 2023/1543 ter nadere regeling heeft overgelaten aan de nationale wetgever.

Met betrekking tot de omzetting van de bepalingen van Richtlijn 2024/1544 bestaat de voorgestelde uitvoeringswet op hoofdlijnen uit drie onderwerpen: de aanwijzing of aanstelling van een geadresseerde (artikelen 2 en 3 van de voorgestelde uitvoeringswet), de kennisgeving van die aanwijzing of aanstelling aan de centrale autoriteit (artikelen 4 en 5 van de voorgestelde uitvoeringswet), en het toezicht op de naleving op de verplichtingen voor dienstaanbieders uit hoofde van deze richtlijn (artikelen 6 tot en met 8 van de voorgestelde uitvoeringswet). Deze onderwerpen worden hierna toegelicht.

De reikwijdte van de voorgestelde uitvoeringswet komt aan de orde in artikel 3, eerste lid, van de voorgestelde uitvoeringswet. Deze reikwijdte is beperkt tot dienstaanbieders die in Nederland zijn gevestigd (artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de voorgestelde uitvoeringswet) en dienstaanbieders die in Nederland hun diensten aanbieden (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de voorgestelde uitvoeringswet). Te dien aanzien regelt het wetsvoorstel dat een in de EU gevestigde dienstaanbieder een of meer vestigingen aanwijst indien hij in Nederland is gevestigd, en een niet in de EU gevestigde dienstaanbieder een of meer wettelijke vertegenwoordigers aanstelt indien hij diensten aanbiedt in Nederland. Een afwijkende regel geldt voor een dienstaanbieder die is gevestigd in een EU-lidstaat die niet deelneemt aan de instrumenten die vallen onder de reikwijdte van deze richtlijn. Ook zij dienen een wettelijke vertegenwoordiger aan te stellen (artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de voorgestelde uitvoeringswet). Dit geldt bijvoorbeeld voor Denemarken dat niet deelneemt aan Verordening 2023/1543. De aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger betreffen de geadresseerden voor de ontvangst, naleving en tenuitvoerlegging van beslissingen en bevelen die vallen onder de reikwijdte van de voorgestelde uitvoeringswet.

In artikel 3, tweede en derde lid, van de voorgestelde uitvoeringswet worden nadere regels gesteld over de aanwijzing of aanstelling van een geadresseerde. De geadresseerden worden aangewezen of aangesteld in een EU-lidstaat waar de dienstaanbieder zijn diensten aanbiedt en kan worden onderworpen aan tenuitvoerleggingsprocedures (artikel 3, tweede lid, van de voorgestelde uitvoeringswet). De tenuitvoerleggingsprocedures zijn niet gedefinieerd in Richtlijn 2023/1544. Een voorbeeld van een tenuitvoerleggingsprocedure betreft artikel 16 van Verordening 2023/1543. Deze procedure is aan de orde indien een dienstaanbieder een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel niet naleeft. De dienstaanbieder moet zijn aangewezen vestigingen en wettelijke vertegenwoordigers de nodige bevoegdheden en middelen ter beschikking stellen ter naleving van beslissingen en bevelen die vallen binnen de reikwijdte van deze richtlijn (artikel 3, derde lid, van de voorgestelde uitvoeringswet).

Artikel 4 van de voorgestelde uitvoeringswet geeft regels over de kennisgeving van de aanwijzing of aanstelling van de geadresseerde. De dienstaanbieder stelt de centrale autoriteit van de lidstaat waar de aangewezen vestiging is gevestigd of de wettelijke vertegenwoordiger verblijft schriftelijk in kennis van de contactgegevens van de aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger en van alle wijzigingen daarvan indien hij is gevestigd of zijn diensten aanbiedt in Nederland (artikel 4, tweede lid, van de voorgestelde uitvoeringswet). De kennisgeving vermeldt een of meer talen waarin met de aangewezen vestiging of aangestelde wettelijke vertegenwoordiger kan worden gecommuniceerd. De vermelde talen betreffen een officiële taal van de EU en ten minste een officiële taal van de lidstaat van de EU waar de aangewezen vestiging is gevestigd of de wettelijke vertegenwoordiger verblijft (artikel 4, derde lid, van de voorgestelde uitvoeringswet). Indien de dienstaanbieder meer vestigingen aanstelt of wettelijke vertegenwoordigers aanwijst, vermeldt de kennisgeving tevens het precieze territoriale toepassingsgebied van de aanwijzing of aanstelling (artikel 4, vierde lid, van de voorgestelde uitvoeringswet). In Nederland wordt voorgesteld de Autoriteit Consument en Markt aan te wijzen als de centrale autoriteit in de zin van Richtlijn 2023/1544 (artikel 4, eerste lid, van de voorgestelde uitvoeringswet). De Autoriteit Consument en Markt is tevens belast met het toezicht op de naleving van de voorgestelde uitvoeringsregeling. Dit wordt toegelicht in paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting.

De informatie in de kennisgeving wordt, op de voet van artikel 5 van de voorgestelde uitvoeringswet, openbaar gemaakt op een specifieke webpagina van het Europees justitieel netwerk voor strafzaken. Ook kan deze informatie verdere worden verspreid ten behoeve van de bevoegde autoriteiten.

Verordening 2023/1543 laat enkele onderwerpen ter nadere regeling over aan de nationale wetgever. Deze onderwerpen houden verband met de aanwijzing van de uitvaardigende autoriteit (artikelen 5.11.2 en 5.11.3 van het Wetboek van Strafvordering), de functie van de tenuitvoerleggingsautoriteit (artikel 5.11.4 van het Wetboek van Strafvordering), de aanwijzing van de bevoegde rechtbank in de toetsingsprocedure (artikel 5.11.5 van het Wetboek van Strafvordering), de kennisgeving aan de betrokkene alsmede het rechtsmiddel tegen de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel (artikel 5.11.6 van het Wetboek van Strafvordering), de sanctionering van overtreding van deze verordening (artikel 10 van de voorgestelde uitvoeringswet), en de vergoeding van de kosten voor de naleving van een beslissing of bevel. Deze onderwerpen worden hierna toegelicht (de voorgestelde wijziging van artikel 531, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).

In Nederland kunnen het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel worden uitgevaardigd door de officier van justitie en de rechter-commissaris. Zij kunnen dus beide als uitvaardigende autoriteit optreden. Indien het Europees verstrekkingsbevel betrekking heeft op verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker, of inhoudelijke gegevens, kan de officier van justitie het bevel alleen geven na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris (artikelen 5.11.2 en 5.11.3 van het Wetboek van Strafvordering).

Daarnaast functioneert de officier van justitie voor Nederland als tenuitvoerleggingsautoriteit. Daartoe regelt de voorgestelde uitvoeringswet dat de officier van justitie degene is die de kennisgeving, bedoeld in artikel 8 van Verordening 2023/1543, en het verzoek tot tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 16 van Verordening 2023/1543, in ontvangst neemt. Ingeval een kennisgeving is gedaan, beslist de officier van justitie over het aanvoeren van een weigeringsgrond (artikel 5.11.4, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering). Ingeval een verzoek tot tenuitvoerlegging is gedaan, beslist de officier van justitie over de erkenning van het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel. Indien hij beslist tot de erkenning, beveelt hij de geadresseerde zijn verplichtingen uit hoofde van het Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel na te komen (artikel 5.11.4, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering). Tegen de erkenning van het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel kan de geadresseerde binnen twee weken na daarover in kennis te zijn gesteld bezwaar instellen bij de officier van justitie (artikel 5.11.4, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering). Ingeval bezwaar is ingesteld, beslist de officier van justitie over de tenuitvoerlegging van het Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel. Indien hij beslist tot de tenuitvoerlegging, handhaaft hij het bevel, bedoeld in het derde lid (artikel 5.11.4, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering).

Artikel 15, eerste lid, van Verordening 2023/1543 draagt lidstaten op ervoor te zorgen dat, bij niet-naleving van zijn verplichtingen uit hoofde van een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel, een geldboete kan worden opgelegd aan de dienstaanbieder die maximaal twee procent bedraagt van zijn totale mondiale jaaromzet in het voorgaande boekjaar. Bij niet-naleving van soortgelijke bevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering staat strafrechtelijke vervolging open ter zake artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. In artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht is het opzettelijk niet-voldoen aan een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel strafbaar gesteld als misdrijf. De niet-naleving van een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel – waaronder begrepen de niet-achtneming van de geheimhouding daarvan overeenkomstig artikel 13, vierde lid, van Verordening 2023/1543 waarvan in het Europees verstrekkingsbevel en Europees bewaringsbevel telkens melding wordt gemaakt – valt binnen de reikwijdte van de strafbaarstelling van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenwel geeft deze strafbaarstelling geen ruimte voor een geldboete die maximaal twee procent bedraagt van de totale mondiale jaaromzet van de dienstaanbieder. Tegen deze achtergrond bepaalt artikel 10 van de voorgestelde uitvoeringswet dat aan de dienstaanbieder, in afwijking van artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering, een geldboete kan worden opgelegd voor het bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, van Verordening 2023/1543.

De afwijking van de boetecategorieën van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt voorgesteld omdat deze boetecategorieën geen ruimte geven voor een geldboete die maximaal twee procent van de totale mondiale jaaromzet van de dienstaanbieder bedraagt. Via artikel 23, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht kan – indien het niet voldoen aan het bevel zou worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie – worden voorzien in een geldboete van ten hoogste tien procent van de jaaromzet van de rechtspersoon in het boekjaar voorafgaand aan de uitspraak of strafbeschikking, maar een dergelijk maximum zou het voorgeschreven maximum in artikel 15, eerste lid, van Verordening 2023/1543 te boven gaan. Nu Verordening 2023/1543 op dit punt niet spreekt over een maximaal bedrag dat «niet lager is» dan een bepaalde bedrag of percentage (een minimale maximumstraf), maar enkel over een geldelijke sanctie van «maximaal 2%», moet ervan worden uitgegaan dat er – anders dan bij verschillende andere instrumenten – in het nationale recht geen hogere maximale geldboetes op dit feit mogen worden gesteld.

Artikel 5.11.5 van het Wetboek van Strafvordering wijst de rechtbank aan als bevoegd gerecht om overeenkomstig artikel 17 van Verordening 2023/1543 te beslissen in de toetsingsprocedure. De rechtbank die is bevoegd tot berechtiging van het strafbare feit waarop de strafvervolging betrekking heeft, is ook bevoegd om te beslissen in de tenuitvoerleggingsprocedure (artikelen 2 tot en met 6 van het Wetboek van Strafvordering). Omdat in artikel 17 van Verordening 2023/1543 geen beslissing op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, wordt de toetsingsprocedure behandeld door de raadkamer van de desbetreffende rechtbank (artikel 21 tot en met 25 van het Wetboek van Strafvordering). Het wetsvoorstel bepaalt de beslistermijn op zo spoedig mogelijk. Een vaste beslistermijn is niet te geven door de wetgever omdat de rechtbank aan de bevoegde autoriteit in het derde land kan verzoeken om informatie en voor de termijn waarbinnen zij een beslissing kan nemen afhankelijk is van de termijn waarin die informatie aan haar wordt verstrekt. Tegen de achtergrond van artikel 17, zevende lid, van Verordening 2023/1543 kan daartoe een rechtshulpverzoek worden ingediend op de voet van artikel 5.1.2 van het Wetboek van Strafvordering. De overige regels van de toetsingsprocedure volgen uit artikel 17 van Verordening 2023/1543.

Artikel 13, tweede lid, van Verordening 2023/1543 schrijft voor dat de kennisgeving aan de betrokkene over de verstrekking van gegevens op basis van het Europees verstrekkingsbevel overeenkomstig het nationaal recht van de uitvaardigende lidstaat kan worden uitgesteld. In dit verband regelt artikel 5.11.6, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dat deze kennisgeving kan worden uitgesteld als het belang van het onderzoek dit dringend vereist. Artikel 18 van Verordening 2023/1543 vereist dat overeenkomstig het nationaal recht een rechtsmiddel openstaat tegen de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel of Europees aanhoudingsbevel. Daartoe zijn artikelen 552a en 552d van het Wetboek van Strafvordering, waarin de beklagregeling is neergelegd, van overeenkomstige toepassing. Dit wordt geregeld door artikel 5.11.6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Op het beklag wordt beslist door de raadkamer van de rechtbank. Tegen die beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

De dienstaanbieder kan volgens artikel 14, eerste lid, van Verordening 2023/1543 aanspraak maken op vergoeding van zijn kosten door de uitvaardigende staat, indien het nationaal recht van de uitvaardigende staat in die mogelijkheid voorziet voor binnenlandse bevelen in soortgelijke omstandigheden. Artikel 531, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voorziet in een dergelijke aanspraak. In dit licht regelt artikel 9, onderdeel b, van de voorgestelde uitvoeringswet dat ook de kosten van het nakomen van een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel worden vergoed uit ’s Rijkskas.

4. Uitvoering

De bevoegde autoriteiten bereiden zich voor op de uitvoering van het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel. Daartoe hebben zij nieuwe werkprocessen ontwikkeld. De uitvoeringsgevolgen hebben met name betrekking op het openbaar ministerie. Het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel zullen veelal worden uitgevaardigd door de officier van justitie. Daarnaast zal de officier van justitie functioneren als de tenuitvoerleggingsautoriteit. De uitvoeringsgevolgen hebben ook betrekking op de Rechtspraak. Voor de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel met het oog op de vergaring van verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker, en inhoudelijke gegevens behoeft de officier van justitie de machtiging van de rechter-commissaris. Daarbij kan ook de rechter-commissaris het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel uitvaardigen indien hij onderzoek verricht op grond van de artikelen 181 tot en met 183 van het Wetboek van Strafvordering. Ten slotte heeft de rechter een rol om te beslissen in de toetsingsprocedure in geval van tegenstrijdige verplichtingen voor een dienstaanbieder. Bij de ontwikkeling van de nieuwe werkprocessen is telkens aansluiting gezocht bij de reeds bestaande werkprocessen op het gebied van de justitiële samenwerking in strafzaken.

Bij de uitvoering van het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel wordt gebruikgemaakt van e-Codex. e-Codex betreft een geautomatiseerd systeem voor de grensoverschrijdende gegevensuitwisseling op het gebied van justitiële samenwerking in civiele en strafzaken. e-Codex wordt beheerst door Verordening 2022/850. Iedere lidstaat heeft een e-Codex-toegangspunt. In Nederland wordt dat toegangspunt beheerd door de Justitiële informatiedienst. Ten behoeve van de implementatie van het wetgevingspakket van de EU inzake elektronisch bewijsmateriaalpakket wordt voorzien in een aansluiting op e-Codex voor de bevoegde autoriteiten en de dienstaanbieders die in Nederland een geadresseerde hebben aangewezen of aangesteld. Bij het van toepassing worden van Verordening 2023/1543 op 18 augustus 2026 dient te zijn voorzien in de benodigde aansluitingen. Door het Ministerie van Justitie en Veiligheid is voorzien in een voorlichting aan de desbetreffende dienstaanbieders.

Verder heeft het elektronisch bewijsmateriaalpakket van de EU gevolgen voor de Autoriteit Consument en Markt. De Autoriteit Consument en Markt wordt aangewezen als toezichthouder op de naleving van Richtlijn 2023/1544 alsmede tot centrale autoriteit in de zin van die richtlijn. Over de kennisgeving van de contactgegevens van de aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger aan de centrale autoriteit zij het volgende toegelicht. Volgens Richtlijn 2023/1544 wordt deze kennisgeving gedaan aan de centrale autoriteit van de lidstaat van de EU waar de aangewezen vestiging is gevestigd of de wettelijke vertegenwoordiger verblijft. De uitkomst van overleg tussen de Europese Commissie en de lidstaten in het kader van de implementatie van Richtlijn 2023/1544 is evenwel dat de kennisgeving wordt gericht aan een centraal punt van de Europese Commissie. Nadat de kennisgeving door de centrale autoriteit van de desbetreffende lidstaat is gecontroleerd, wordt de kennisgeving bij het centraal punt geregistreerd. Na registratie zal de centrale autoriteit van de desbetreffende lidstaat toegang hebben tot de registraties met betrekking tot de eigen lidstaat. Bijgevolg moet Richtlijn 2023/1544, en artikel 4 van dit wetsvoorstel, zo worden gelezen dat de kennisgeving geschiedt door tussenkomst van het centraal punt van de Europese Commissie en aldus aan dat centraal punt moet worden gericht.

5. Toezicht en handhaving

Het toezicht op de naleving van de beoogde Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal wordt opgedragen aan de Autoriteit Consument en Markt. Ter handhaving van artikelen 2, eerste en tweede lid, 3 en 4, tweede tot en met het vierde lid, van de voorgestelde uitvoeringswet over de aanwijzing of aanstelling van een of meer geadresseerden en over de kennisgeving daarvan, kan de Autoriteit Consument en Markt een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen. Met de hoogte van het bedrag van de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete is aangesloten bij het boeteregime van de Autoriteit Consument en Markt. Daartoe schrijft de voorgestelde uitvoeringswet voor dat een last onder dwangsom of bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, tien procent van de jaaromzet van de dienstaanbieder in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd. In lijn met artikel 3, vijfde lid, van Richtlijn 2023/1544 is bepaald dat de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete gezamenlijk of hoofdelijk kunnen worden opgelegd aan de aangewezen vestiging, wettelijke vertegenwoordiger of dienstaanbieder. Aldus wordt een hoger boetemaximum voorgesteld voor de niet-naleving van de verplichting tot de aanwijzing of aanstelling van een geadresseerde en over de kennisgeving daarvan, dan op de voet van artikel 15, eerste lid, van Verordening 2023/1543 kan worden opgelegd voor de niet-naleving van een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel. Door de niet-naleving van de verplichting tot de aanwijzing of aanstelling van een geadresseerde en de kennisgeving daarvan kan door de dienstaanbieder in kwestie categorisch niet worden voldaan aan een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel. Immers alsdan ontbreekt de dienstaanbieder als geadresseerde voor de ontvangst, naleving en tenuitvoerlegging van een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel. Dit rechtvaardigt een hoger boetemaximum dan het niet voldoen aan een afzonderlijk bevel.

In beginsel zal de Autoriteit Consument en Markt haar toezichtstaak signaalgedreven uitvoeren. Indien zij signalen ontvangt dat een dienstaanbieder zijn verplichtingen uit hoofde van de voorgestelde uitvoeringswet niet-naleeft, kan dat voor de Autoriteit Consument en Markt aanleiding zijn haar toezichthoudende bevoegdheden uit te oefenen ten aanzien van de desbetreffende dienstaanbieder. Dergelijke signalen kunnen met name komen van bevoegde autoriteiten, zowel uit Nederland als uit andere lidstaten. De toezichtstaak van de Autoriteit Consument en Markt is beperkt tot de verplichtingen van dienstaanbieders uit hoofde van de voorgestelde uitvoeringswet over de aanwijzing of aanstelling van een geadresseerde en over de kennisgeving daarvan. Zij zal geen toezicht houden op de naleving van een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel. De sanctionering van het niet-naleven van die bevelen wordt beheerst door Verordening 2023/1543 en uitgevoerd door de officier van justitie.

Artikel 16, tiende lid, van Verordening 2023/1543 schrijft voor dat de tenuitvoerleggingsautoriteit een geldboete kan opleggen indien de geadresseerde niet voldoet aan zijn of haar verplichtingen uit hoofde van een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel. De officier van justitie vervult de rol van tenuitvoerleggingsautoriteit, zo kwam aan de orde in de vorige paragraaf. Artikel 15, eerste lid, van Verordening 2023/1543 schrijft voor dat de geldboete maximaal twee procent van de totale mondiale jaaromzet van de dienstaanbieder in het voorgaande boekjaar bedraagt.

6. Financiële gevolgen

De financiële gevolgen van de implementatie van het elektronisch bewijsmateriaalpakket zijn uitgewerkt in een programma onder opdrachtgeverschap van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Ter voorbereiding op dit programma is op basis van de impactanalyse zoals de Europese Commissie die heeft gepubliceerd op 17 april 2018 een financiële claim opgesteld en ingediend. Deze claim is in 2023 is gehonoreerd. In de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid is een meerjarige reeks voorzien om financiële gevolgen van de implementatie van het elektronisch bewijsmateriaalpakket te dekken. De gereserveerde bedragen zijn bestemd voor het programma voor de implementatie van het elektronisch bewijsmateriaalpakket en het programma voor de implementatie van nieuwe EU-regelingen over de digitalisering van de justitiële samenwerking. De gereserveerde bedragen worden jaarlijks tussen beide programma’s verdeeld.

2024

2025

2026

2027

2028

2029

€ 4.806.000

€ 7.897.000

€ 9.493.000

€ 9.515.000

€ 9.777.000

€ 10.740.000

In het voorjaar van 2024 is een in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid nadere impactanalyse uitgevoerd waarvan de uitkomsten passen bij dit financieel kader. Die impactanalyse is begeleid door een stuurgroep waarin ook wordt deelgenomen door vertegenwoordigers van onder meer het openbaar ministerie, de politie en de Justitiële informatiedienst. Deze stuurgroep begeleidt momenteel de implementatie van het elektronisch bewijsmateriaalpakket. Op basis van dit financieel kader wordt in programmavorm toegewerkt naar de inwerkingtreding van het elektronisch bewijsmateriaalpakket op 18 augustus 2026. Naarmate die datum dichterbij komt en de binnen het programma in te voeren werkprocessen concreter worden, zal het inzicht in de kosten scherper worden. Vanaf de inwerkingtredingsdatum is het van belang om doorlopend de volumes van het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel te meten zodat zicht komt op de daadwerkelijke kosten en de financiering zo nodig kan worden bijgestuurd. Overeenkomstig de aanbevelingen bij de impactanalyse van 2024 zal op enkele momenten nader onderzoek naar de impact en financiële gevolgen daarvan worden gedaan.

Naderhand is de beslissing genomen tot aanwijzing van de Autoriteit Consument en Markt als toezichthouder op de naleving van Richtlijn 2023/1544 alsmede tot aanwijzing als centrale autoriteit in de zin van die richtlijn. Hiervoor heeft de Autoriteit Consument en Markt een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets opgesteld. Deze toets is op 25 juli 2025 aangeboden. De hierbij in kaart gebrachte benodigde financiële middelen passen bij de hierboven geschetste claim en het beschikbare financieel kader.

7. Reacties van het openbaar ministerie, de Raad voor de rechtspraak, de politie en de Autoriteit Consument en Markt

Over het concept van deze voorgestelde uitvoeringswet is – gelet op Aanwijzing 9.16, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving – geen formeel advies gevraagd, maar zijn het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie (het openbaar ministerie), de Raad voor de rechtspraak, de politie alsmede de Autoriteit Consument en Markt wel in de gelegenheid gesteld om commentaar te leveren op het wetsvoorstel. Dit commentaar wordt in deze paragraaf beschreven en besproken.

Het openbaar ministerie geeft aan dat Verordening 2023/1543 een goedgevulde gereedschapskist biedt die een grote bijdrage kan leveren aan het verkrijgen van gegevens waarover buitenlandse dienstaanbieders beschikken ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten. De toegevoegde waarde van Verordening 2023/1543 bestaat volgens het openbaar ministerie uit de mogelijkheid om rechtstreeks bevelen te geven aan dienstaanbieders in andere lidstaten, zonder daartoe telkens een Europees onderzoeksbevel te hoeven sturen. De omstandigheid dat de dienstaanbieder is een andere lidstaat is gevestigd, dient volgens het openbaar ministerie niet in de weg te staan aan de effectieve verkrijging van elektronisch bewijsmateriaal door de bevoegde autoriteiten.

In de reacties van het openbaar ministerie en de politie komt de taakverdeling tussen de officier van justitie en de opsporingsambtenaar aan de orde. Het openbaar ministerie merkt op te veronderstellen dat de bevoegdheid van de officier van justitie tot de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel ruimte laat voor de voorbereiding van zo’n bevel door de opsporingsambtenaar, zoals in de praktijk gebeurt bij de uitoefening van de bevoegdheden van de officier van justitie uit hoofde van het Wetboek van Strafvordering. De politie vraagt welke taak voor haar is weggelegd bij de uitoefening van het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel. In reactie hierop wordt opgemerkt dat met de toebedeling van een bevoegdheid aan de officier van justitie wordt beoogd dat de officier van justitie de beslissing neemt en de verantwoordelijkheid draagt over de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid. Zulks vereist niet dat de officier van justitie eigenhandig een bevel opstelt. De veronderstelling van het openbaar ministerie over de taakverdeling tussen de officier van justitie en de opsporingsambtenaar wordt aldus gedeeld.

In het verlengde hiervan ligt de vraag van het openbaar ministerie naar de mogelijkheid en wenselijkheid om ook de opsporingsambtenaar aan te wijzen als een bevoegde autoriteit voor het uitvaardigen van een Europees verstrekkingsbevel voor zover de inhoud overeenkomt met de bevoegdheden van artikel 126na van het Wetboek van Strafvordering over de verstrekking van gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst en artikel 126nc van het Wetboek van Strafvordering over de verstrekking van identificerende gegevens. Deze vraag van het openbaar ministerie is gesteld tegen de achtergrond van noodsituaties en urgente persoonsvermissingen. Ook de politie vraagt aandacht voor het aanwijzen van de opsporingsambtenaar als een bevoegde autoriteit. Volgens de politie zou de opsporingsambtenaar het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel moeten kunnen uitvaardigen in noodsituaties.

Het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel zijn instrumenten in het kader van de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Deze samenwerking betreft het domein van de officier van justitie. Daarbij moet worden bedacht dat de uitoefening van het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel een meeromvattende beslissing vergt dan de uitoefening van bevoegdheden over de verstrekking en bewaring van gegevens uit het Wetboek van Strafvordering. Zo moet deze beslissing worden genomen indachtig de bezwaargronden die de dienstaanbieder kan inroepen op de voet van artikel 16 van Verordening 2023/1543 of de tegenstrijdige verplichtingen met betrekking tot het recht van een derde land die kunnen gelden voor de dienstaanbieder zoals omschreven in artikel 17 van die verordening. Tegen deze achtergrond kunnen het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel niet zozeer worden vergeleken met de bevoegdheden over de verstrekking en bewaring van gegevens uit het Wetboek van Strafvordering, maar veeleer met het Europees onderzoeksbevel waarvan de uitoefening eveneens is voorbehouden aan de officier van justitie en de rechter.

Omwille van de volledigheid wordt nog opgemerkt dat artikel 2, tweede lid, van Verordening 2023/1543 de reikwijdte van die verordening beperkt tot strafzaken. In geval van een urgente persoonsvermissing – zonder dat tevens sprake is van een verdenking van een strafbaar feit – kan daarom geen Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel worden uitgevaardigd.

Vervolgens werpt het openbaar ministerie de vraag op waarom het voorgestelde artikel 5.11.2, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet ook verwijst naar de bevoegdheden van artikelen 126ne, 126ue en 126zm van het Wetboek van Strafvordering over toekomstige gegevens en artikelen 126nh, 126uh en 126zp van het Wetboek van Strafvordering over het ontsleutelingsbevel. De reden hiervoor is gelegen in de reikwijdte van Verordening 2023/1543. Deze reikwijdte is afgebakend tot elektronisch bewijsmateriaal. Volgens artikel 3, achtste lid, van die verordening worden hieronder slechts gegevens verstaan die op het tijdstip van ontvangst van het Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel worden verwerkt door de dienstaanbieder. Bijgevolg zijn toekomstige gegevens uitgesloten. Zo wordt bevestigd door overweging 19 van die verordening. Ook het ontsleutelingsbevel valt buiten de reikwijdte van die verordening, dat blijkt uit overweging 20 van die verordening.

Ook heeft het openbaar ministerie aandacht gevraagd voor het voorgestelde artikel 5.11.4 van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van deze bepaling neemt de officier van justitie de kennisgeving, bedoeld in artikel 8 van Verordening 2023/1543, en het verzoek tot tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 16 van Verordening 2023/1543, in ontvangst. Ingeval een kennisgeving is gedaan, beslist de officier van justitie over het aanvoeren van een weigeringsgrond. Ingeval een verzoek tot tenuitvoerlegging is gedaan, beslist de officier van justitie over de erkenning van het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel. In het concept van de voorgestelde uitvoeringswet was de ontvangst van de kennisgeving en het verzoek tot tenuitvoerlegging samengesmeed opgenomen. Naar aanleiding van de reactie van het openbaar ministerie, waarin de onduidelijkheid van het concept van deze bepaling aan de orde is gesteld, zijn beide procedures afzonderlijk genoemd. Uit artikel 5.11.4 van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat de officier van justitie is aangewezen als de tenuitvoerleggingsautoriteit in de zin van Verordening 2023/1543. Op soortgelijke wijze wordt de officier van justitie als tenuitvoerleggings- of uitvoerende autoriteit aangewezen in andere Titels van het Vijfde Boek van het Wetboek van Strafvordering.

Ten slotte verzoekt het openbaar ministerie om in de memorie van toelichting aandacht te besteden aan het karakter van het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel. Het openbaar ministerie schrijft te begrijpen dat de regering niet gaat over de uitleg van het EU-recht, maar verzoekt desondanks een reflectie op de toepassing van Verordening 2023/1543 in het Nederlandse strafproces. Het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel zijn, zoals hiervoor al aan de orde kwam, instrumenten in het kader van de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Eerdere instrumenten in dit verband zijn onder meer het Europees onderzoeksbevel, het Europees bevriezingsbevel en het Europees confiscatiebevel. Anders aan het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel is de mate van tussenkomst van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de geadresseerde is gevestigd of verblijft. Het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel worden rechtstreeks gericht aan de dienstaanbieder in een andere lidstaat. Alleen als het Europees verstrekkingsbevel betrekking heeft op verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens wordt een kennisgeving gedaan aan de bevoegde autoriteiten in de andere lidstaat. In dat geval kan een weigeringsgrond worden aangevoerd. In alle andere gevallen komen de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat slechts in beeld bij de tenuitvoerleggingsprocedure als het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel niet wordt nageleefd.

In verband met de kennisgeving en het verzoek tot tenuitvoerlegging vraagt het openbaar ministerie naar de intensiteit waarmee de officier van justitie een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel moet beoordelen. De justitiële samenwerking in strafzaken berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, zo benadrukt overweging 1 van Verordening 2023/1543. Volgens het Hof van Justitie van de EU impliceert dit beginsel wederzijds vertrouwen en het weerlegbaar vermoeden dat de bevoegde autoriteit uit een andere lidstaat het EU-recht en in het bijzonder de grondrechten van de betrokkene eerbiedigt (zie in de context van het Europees aanhoudingsbevel bijvoorbeeld HvJ EU 22 februari 2022, gevoegde zaken C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (openbaar ministerie), punt 40; en in de context van het Europees onderzoeksbevel bijvoorbeeld HvJ EU 30 april 2024, zaak C-670/22, ECLI:EU:C:2024:372 (Staatsanwaltschaft Berlin), punt 99). Van de officier van justitie wordt slechts in uitzonderlijke situaties gevraagd om tot een ander oordeel te komen. Met het oog hierop geven artikelen 12, eerste lid, onderdeel b, en 16, vierde lid, onderdeel g, en vijfde lid, onderdeel f, van Verordening 2023/1543 als weigeringsgrond het bestaan van specifiek en objectief bewijsmateriaal op basis waarvan gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitoefening van het bevel een kennelijke schending van een relevant grondrecht inhoudt. Volgens overweging 64 van Verordening 2023/1543 is hiervan in het bijzonder sprake als uit een op de voet van artikel 7, eerste lid, van het VEU aangenomen voorstel blijkt dat een duidelijk risico bestaat dat het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht ernstig wordt geschonden.

Een andere weigeringsgrond waarvoor aandacht is gevraagd in de rectie van het openbaar ministerie betreft de situatie dat de gevraagde gegevens worden beschermd door het verschoningsrecht. Artikelen 12, eerste lid, onderdeel a, en 16, vierde lid, onderdeel f, en vijfde lid, onderdeel e, van Verordening 2023/1543 geven als weigeringsgrond de situatie dat de gevraagde gegevens worden beschermd door uit hoofde van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verleende voorrechten of immuniteiten die de uitvoering of tenuitvoerlegging van het bevel verhinderen. Inhoudelijk komt deze weigeringsgrond overeen met de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van Richtlijn 2014/41 over het Europees onderzoeksbevel. Het EU-recht omschrijft niet de reikwijdte van het verschoningsrecht, maar verwijst naar de reikwijdte van het verschoningsrecht zoals omschreven in het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, zo wordt bevestigd door overweging 47 van Verordening 2023/1543.

Met het oog op de eerbiediging van het verschoningsrecht is een belangrijke rol weggelegd voor de geadresseerde. Indien de geadresseerde van oordeel is dat het Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel onverenigbaar is met het verschoningsrecht, moet de geadresseerde de uitvaardigende autoriteit en de tenuitvoerleggingsautoriteit daarvan in kennis stellen, aldus artikelen 10, vijfde lid, en 11, vierde lid, van Verordening 2023/1543. Als ook de uitvaardigende autoriteit tot dat oordeel komt, mag volgens artikel 5, tiende lid, van Verordening 2023/1543 geen Europees verstrekkingsbevel worden uitgevaardigd. De uitvaardigende autoriteit kan, alvorens tot een oordeel te komen, om uitleg vragen aan de tenuitvoerleggingsstaat. Indien de geadresseerde zich niet kan verenigen met het oordeel van de uitvaardigende autoriteit kan hij bezwaar maken op de voet van artikel 16, derde lid, onderdeel a, van Verordening 2023/1543. Indien de tenuitvoerleggingsautoriteit in weerwil van het oordeel van de uitvaardigende autoriteit meent dat de gevraagde gegevens worden beschermd door het verschoningsrecht, kan zij de in de vorige alinea genoemde weigeringsgrond aanvoeren.

Aldus kent Verordening 2023/1543 verschillende mechanismen ter eerbiediging van het verschoningsrecht. Naar het de regering voorkomt vraagt Verordening 2023/1543 geen actief onderzoek door de officier van justitie naar de eerbiediging van het verschoningsrecht indien hij optreedt als tenuitvoerleggingsautoriteit. De uitvaardigende autoriteit dient de reikwijdte van het Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel zodanig te beperken dat de gevraagde gegevens niet worden beschermd door het verschoningsrecht. Als het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel toch onverenigbaar is met het verschoningsrecht, wordt de dienstaanbieder geacht de uitvaardigende autoriteit en de tenuitvoerleggingsautoriteit daarvan in kennis te stellen. De omvang van de beoordeling door de officier van justitie is vervolgens beperkt tot het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel en, indien gedaan, de in kennis stelling van de dienstaanbieder. Indien daaruit geen voldoende concrete aanleiding volgt voor een redelijk vermoeden dat de gevraagde gegevens worden beschermd door het verschoningsrecht, kan van de officier van justitie geen ander oordeel worden verwacht.

Ook in de rectie van de Raad voor de rechtspraak komt het verschoningsrecht aan de orde. De Raad wijst specifiek op artikel 5, negende lid, van Verordening 2023/1543 en vraagt of in dat verband een rol is weggelegd voor de rechter-commissaris. Dit artikel geeft een bijzondere regeling voor gegevens die worden verwerkt in het kader van een infrastructuur van een dienstaanbieder ten behoeve van beroepsbeoefenaars voor wie het verschoningsrecht geldt. In zo’n geval mag een Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van verkeersgegevens of inhoudelijke gegevens alleen worden uitgevaardigd indien (a) de verschoningsgerechtigde in de uitvaardigende staat verblijft, (b) contact opnemen met de verschoningsgerechtigde beroepsbeoefenaar schadelijk kan zijn voor het onderzoek, of (c) het beroepsgeheim overeenkomstig het toepasselijke recht is opgeheven. De uitvaardiging van ieder Europees verstrekkingsbevel voor het verkrijgen van verkeersgegevens of inhoudelijke gegevens vereist op de voet van het voorgestelde artikel 5.11.2 van het Wetboek van Strafvordering de betrokkenheid van de rechter-commissaris. In voorkomende gevallen moet de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel ook worden getoetst aan de voorwaarden van artikel 5, negende lid, van Verordening 2023/1543.

Verder vraagt de Raad voor de rechtspraak aandacht voor de toetsingsprocedure. Het voorgestelde artikel 5.11.5 van het Wetboek van Strafvordering regelt dat de rechtbank bevoegd is om overeenkomstig artikel 17, derde lid, van Verordening 2023/1543 te beslissen in de toetsingsprocedure. De Raad adviseert in de wettekst tot uitdrukking te brengen dat het hier gaat om de raadkamer van de rechtbank. Ook merkt de Raad op dat het de duidelijkheid en overzichtelijkheid ten goede zou komen als de relevante voorschriften worden overgenomen in de wet. In reactie hierop wordt het volgende opgemerkt. Uit artikel 21, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt dat de behandeling door de raadkamer geschiedt wanneer geen beslissing door het rechterlijk college op de terechtzitting is voorgeschreven. Daarvoor is geen afzonderlijke bepaling in de voorgestelde uitvoeringswet nodig. In het Wetboek van Strafvordering is de raadkamerprocedure algemeen geregeld. Alleen bij een afwijking daarvan is een nadere regeling van de raadkamerprocedure aan de orde. Het pleidooi van de Raad tot het overnemen van de relevante voorschriften over de toetsingsprocedure in Wetboek van Strafvordering verhoudt zich moeilijk tot het karakter van het EU-verordening. Een verordening is immers rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Het overnemen van bepalingen uit een verordening in het nationaal recht is in beginsel niet toegestaan.

Verder heeft de Raad voor de rechtspraak enkele vragen gesteld over artikel 10 van de voorgestelde uitvoeringswet. Dit artikel schrijft voor dat een dienstaanbieder in afwijking van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht kan worden gestraft met een geldboete van ten hoogste het bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, van Verordening 2023/1543. De Raad vraagt of de strafbaarstelling van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht aan de orde is bij niet-voldoen aan een bevel van een bevoegde autoriteit uit een andere lidstaat, of bij niet-voldoen aan een bevel van een bevoegde autoriteit uit Nederland. In antwoord op deze vraag kan het volgende worden opgemerkt. Onder «wettelijk voorschrift» in de zin van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan een in de Nederlandse rechtsorde afdwingbaar voorschrift. Daaronder kan ook een rechtstreeks werkende bepaling van Unierecht worden begrepen (vgl. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR2012:BW3332). Op grond van artikel 185a Sr strekt de strafbaarstelling zich bovendien mede uit over gevallen waarin «personen in de openbare dienst van een vreemde staat [...] die in Nederland op een door het volkenrecht toegestane wijze hun bediening uitoefenen». Dit betekent dat artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht zich in principe ook kan uitstrekken over gevallen waarin krachtens Verordening 2023/1543 door een bevoegde buitenlandse autoriteit een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel is uitgevaardigd. In dit verband is evenwel relevant dat uit artikel 16, tiende lid, van Verordening 2023/1543 volgt dat een geldboete pas aan de orde is nadat de tenuitvoerleggingautoriteit de uitvoerbaarheid van het bevel heeft bevestigd. Naar Nederlands recht krijgt dit vorm doordat de officier van justitie in dat geval nakoming van het Europees bevel beveelt (voorgesteld artikel 5.11.4 van het Wetboek van Strafvordering). Voldoet de dienstaanbieder vervolgens niet aan dat bevel, dan kan een vervolging op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht worden ingesteld, waarbij een boete van maximaal twee procent van de jaaromzet kan worden opgelegd.

Op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt is bij de bepaling van de hoogte van de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete aangesloten bij het bestaande boetestelsel van de Autoriteit Consument en Markt. Daartoe regelen artikel 7 en 8 van de voorgestelde uitvoeringswet dat een last onder dwangsom respectievelijk een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, tien procent van de jaaromzet van de onderneming. Deze sancties worden doeltreffend, evenredig en afschrikkend geacht in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2023/1544.

Verder bepaalt artikel 6, tweede lid, van de voorgestelde uitvoeringswet op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt dat zij bij de uitoefening van het toezicht niet beschikt over de bevoegdheden, genoemd in artikel 5:19 en Afdeling 5.3.1 van de Algemene wet bestuursrecht. De uitoefening van deze bevoegdheden wordt niet nodig geacht bij het toezicht op de naleving van de voorgestelde uitvoeringswet. Deze bevoegdheden betreffen het onderzoek van vervoermiddelen en de last onder bestuursdwang.

8. Overgangsrecht en inwerkingtreding

Door artikel 3, zesde lid, van Richtlijn 2023/1544 wordt in overgangsrecht voorzien voor de aanwijzing of aanstelling een geadresseerde. Dienstaanbieders die op 18 februari 2026 diensten aanbieden in de Europese Unie, wijzen of stellen overeenkomstig artikel 3 een geadresseerde aan uiterlijk op 18 augustus 2026. Dienstaanbieders die na 18 februari 2026 beginnen met het aanbieden van diensten in de Europese Unie, wijzen of stellen overeenkomstig artikel 3 een geadresseerde aan binnen zes maanden na de datum waarop zij beginnen met het aanbieden van die diensten. Zo is omgezet in artikel 10 van de voorgestelde uitvoeringswet.

De voorgestelde uitvoeringswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2023/1544 draagt de lidstaten op om uiterlijk 18 februari 2026 te voorzien in uitvoeringswetgeving. Die datum zal niet worden gehaald. Van de zijde van de regering wordt gestreefd de voorgestelde uitvoeringswet zo snel mogelijk in werking te laten treden. Verordening 2023/1543 is van toepassing met ingang van 18 augustus 2026, aldus artikel 34, tweede lid, van die verordening.

Met betrekking tot artikel 10 van de voorgestelde uitvoeringswet over de afwijking op de strafbaarstelling van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht geldt dat het overgangsrecht wordt beheerst door het legaliteitsbeginsel van artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelsgewijs

Artikel 1 (begripsbepaling)

Artikel 1 van de voorgestelde uitvoeringswet voorziet in de begripsbepaling. In de bepaling van de enkele begrippen wordt verwezen naar de betekenis die daaraan is gegeven in Verordening 2023/1543. De definities in Verordening 2023/1543 komen inhoudelijk overeen met de definities in Richtlijn 2023/1544.

Artikel 2 (reikwijdte)

Volgens artikel 1, tweede lid, van Richtlijn 2023/1544 is deze van toepassing op beslissingen en bevelen met het oog op de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal op basis van (a) Verordening 2023/1543 over het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel, (b) Richtlijn 2014/41 over het Europees onderzoeksbevel, (c) de overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de EU, en (d) het nationaal recht van de lidstaat. Deze instrumenten zijn genoemd in artikel 2, eerste lid van de voorgestelde uitvoeringswet. De reikwijdte van de voorgestelde uitvoeringswet volgt hiermee de reikwijdte van Richtlijn 2023/1544.

Omwille van de volledigheid wordt bij artikel 2, eerste lid, van de voorgestelde uitvoeringswet het volgende toegelicht. Richtlijn 2014/41 over het Europees onderzoeksbevel is omgezet in Boek 5, Titel 4, van het Wetboek van Strafvordering. Om die reden wordt daarnaar verwezen in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de voorgestelde uitvoeringswet. Verder geldt dat beslissingen en bevelen met het oog op de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal op basis van het nationaal recht van de lidstaat slechts kunnen worden gericht tot dienstaanbieders die op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat zijn gevestigd. Zo komt ook tot uitdrukking in artikel 1, tweede lid, laatste zin, en derde lid, van Richtlijn 2023/1544. Om deze reden vermeldt artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de voorgestelde uitvoeringswet dat slechts beslissingen en bevelen met het oog op de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal op grond van artikelen 126n, 126na, eerste lid, 126nc, 126nd, 126nf, 126ng, 126ni, 126u, 126ua, eerste lid, 126uc, 126ud, 126uf, 126ug, 126ui, 126zh, 126zi, eerste lid, 126zk, 126zl, 126zn, 126zo, 126zja van het Wetboek van Strafvordering onder de reikwijdte van de voorgestelde uitvoeringswet vallen voor zover de aangewezen vestiging in Nederland is gevestigd of de wettelijke vertegenwoordiger in Nederland verblijft. In de genoemde artikelen van het Wetboek van Strafvordering zijn de bevoegdheden neergelegd waarmee elektronisch bewijsmateriaal kan worden vergaard.

Artikel 2, tweede lid, van de voorgestelde uitvoeringswet regelt dat deze wet niet van toepassing is op de dienstaanbieder die in Nederland is gevestigd en uitsluitend diensten aanbiedt in Nederland. Op de voet van artikel 1, vijfde lid, van Richtlijn 2023/1544 zijn deze dienstaanbieders uitgezonderd van de reikwijdte van deze richtlijn. Dit laat onverlet dat bevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal kunnen worden uitgeoefend in verhouding tot dergelijke dienstaanbieders.

Artikel 2, derde lid, van de voorgestelde uitvoeringswet regelt dat de beslissingen en bevelen, bedoeld in het eerste lid, worden gericht aan de overeenkomstig de uitvoeringswet aangewezen geadresseerde, doorgaans een vestiging of aangestelde wettelijke vertegenwoordiger. Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 3, derde lid, van Richtlijn 2023/1544.

Artikel 3 (aanwijzing of aanstelling geadresseerde)

In artikel 3, eerste lid, van de voorgestelde uitvoeringswet is de algemene verplichting neergelegd voor de dienstaanbieder die diensten aanbiedt in de EU om een of meer geadresseerden aan te wijzen of aan te stellen voor de ontvangst, naleving en tenuitvoerlegging van beslissingen en bevelen die vallen onder de reikwijdte van artikel 2, eerste lid, van de voorgestelde uitvoeringswet. In dit artikellid is artikel 3, eerste lid, aanhef, van Richtlijn 2023/1544 omgezet. Hierbij dient overigens te worden opgemerkt dat de richtlijn niet duidelijk maakt hoe een dienstaanbieder die een natuurlijke persoon is, een geadresseerde aanwijst. Gelet op het doel en de systematiek van de richtlijn begrijpt de regering het zo dat indien de dienstaanbieder een natuurlijke persoon is, de dienstaanbieder zelf de geadresseerde moet zijn van een Europees verstrekkingsbevel en een Europees bewaringsbevel. Overigens zijn de regering voor de situatie in Nederland geen dienstaanbieders bekend die geen rechtspersoon zijn.

Artikel 3, tweede lid, van de voorgestelde uitvoeringswet schrijft voor dat de geadresseerden worden aangewezen of aangesteld in een EU-lidstaat waar de dienstaanbieder zijn diensten aanbiedt en kan worden onderworpen aan tenuitvoerleggingsprocedures. In dit artikellid is artikel 3, tweede lid, van Richtlijn 2023/1544 omgezet.

Artikel 3, derde lid, van de voorgestelde uitvoeringswet schrijft voor dat de dienstaanbieder zijn aangewezen vestiging en aangestelde wettelijke vertegenwoordiger de nodige bevoegdheden en middelen ter beschikking stelt ter naleving van de beslissingen en bevelen die vallen binnen de reikwijdte van artikel 2, eerste lid, van de voorgestelde uitvoeringswet. In dit artikellid is artikel 3, vierde lid, van Richtlijn 2023/1544 omgezet. Hierbij wordt toegelicht dat artikel 3, vierde lid, van Richtlijn 2023/1544 schrijft over de ter beschikking stelling van de nodige bevoegdheden en middelen «om te voldoen aan beslissingen en bevelen» en «om die beslissingen en bevelen van een lidstaat te kunnen naleven». De termen «voldoen» en «naleven» uit Richtlijn 2023/1544 worden in de uitvoeringswet gevangen door de term «naleving» omdat in onze taal aan beide termen dezelfde betekenis wordt gegeven.

Artikel 4 (kennisgeving)

In artikel 4, eerste lid, van de voorgestelde uitvoeringswet is de Autoriteit Consument en Markt aangewezen als centrale autoriteit in de zin van Richtlijn 2023/1544. Deze centrale autoriteit draagt zorg voor een consistente en evenredige toepassing van die richtlijn.

Artikel 4, tweede lid, van de voorgestelde uitvoeringswet schrijft voor dat de dienstaanbieder, indien hij is gevestigd of zijn diensten aanbiedt in Nederland, de centrale autoriteit van de lidstaat waar de aangewezen vestiging is gevestigd of de wettelijke vertegenwoordiger verblijft schriftelijk in kennis stelt van de contactgegevens van de aangewezen vestiging of wettelijke vertegenwoordiger en van alle wijziging daarvan. Dit artikellid dient ter omzetting van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2023/1544.

Artikel 4, derde lid, van de voorgestelde uitvoeringswet regelt dat in de kennisgeving een of meer talen worden vermeld waarin met de aangewezen vestiging of de aangestelde wettelijke vertegenwoordiger kan worden gecommuniceerd. De vermelde talen betreffen (a) een officiële taal van de EU en (b) ten minste een officiële taal van de EU-lidstaat waar de aangewezen vestiging is gevestigd of de wettelijke vertegenwoordiger verblijft. In dit artikellid is artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2023/1544 omgezet. Met een officiële taal van de EU wordt volgens artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2023/1544 gedoeld op een taal als bedoeld in Verordening nr. 1 van de Raad tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (Pb 17 van 6 oktober 1958, pagina 385).

Artikel 4, vierde lid, van de voorgestelde uitvoeringswet vermeldt dat, indien de dienstaanbieder meer vestigingen aanwijst of wettelijke vertegenwoordigers aanstelt, de kennisgeving het precieze territoriale toepassingsgebied van de aanwijzing of aanstelling vermeldt. Daarbij geldt dat ten aanzien van iedere aangewezen vestiging of aangestelde wettelijke vertegenwoordiger wordt vermeld in welke talen kan worden gecommuniceerd. Dit artikellid dient ter omzetting van artikel 4, derde lid, van Richtlijn 2023/1544.

Artikel 5 (openbaarmaking kennisgeving)

Artikel 5 van de voorgestelde uitvoeringswet schrijft voor dat de informatie uit de ontvangen kennisgeving openbaar wordt gemaakt overeenkomstig artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 2023/1544. De kennisgeving wordt openbaar gemaakt op een specifieke webpagina van het Europees justitieel netwerk voor strafzaken. De kennisgeving kan verder worden verspreid om de toegang van de bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken.

Artikel 6 (toezicht op de naleving)

De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van artikelen 2, eerste en tweede lid, 3 en 4, tweede tot en met het vierde lid, van de voorgestelde uitvoeringswet. Deze artikelen handelen over de aanwijzing of aanstelling van een geadresseerde en over de kennisgeving. Ten behoeve van het toezicht op de naleving kan de Autoriteit Consument en Markt de bevoegdheden uit Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht uitoefenen. Hiervan zijn de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 en Afdeling 5.3.1 van de Algemene wet bestuursrecht, uitgezonderd. De uitoefening van deze bevoegdheden wordt niet nodig geacht bij het toezicht op de naleving van de voorgestelde uitvoeringswet. Deze bevoegdheden betreffen het onderzoeken en bemonsteren van zaken, het onderzoek van vervoermiddelen en de last onder bestuursdwang.

Artikel 7 (last onder dwangsom)

Artikel 7, eerste lid, van de voorgestelde uitvoeringswet schrijft voor dat de Autoriteit Consument en Markt een last onder dwangsom kan opleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht of, indien dat meer is, tien procent van de jaaromzet van de dienstaanbieder in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd. Artikel 7, tweede lid, van de voorgestelde uitvoeringswet regelt dat de last onder dwangsom gezamenlijk of hoofdelijk kan worden opgelegd aan de aangewezen vestiging, de wettelijke vertegenwoordiger of de dienstaanbieder. In dit artikellid is artikel 3, vijfde lid, van Richtlijn 2023/1544 omgezet.

Artikel 8 (bestuurlijke boete)

Artikel 8, eerste lid, van de voorgestelde uitvoeringswet schrijft voor dat de Autoriteit Consument en Markt een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht of, indien dat meer is, tien procent van de jaaromzet van de dienstaanbieder in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd. Ook dit artikellid dient ter omzetting van artikel 5 van Richtlijn 2023/1544. Artikel 7, tweede lid, van de voorgestelde uitvoeringswet regelt dat de bestuurlijke boete gezamenlijk of hoofdelijk kan worden opgelegd aan de aangewezen vestiging, de wettelijke vertegenwoordiger of de dienstaanbieder. Ook in dit artikellid is artikel 3, vijfde lid, van Richtlijn 2023/1544 omgezet.

Artikel 9 (wijziging Wetboek van Strafvordering)

A

Artikel 9, eerste lid, van de voorgestelde uitvoeringswet voorziet in de invoeging van een nieuwe titel in het Wetboek van Strafvordering ter implementatie van Verordening 2023/1543. In deze Titel 11 van het Vijfde Boek van het Wetboek van Strafvordering zijn enkele onderwerpen geregeld die Verordening 2023/1543 ter nadere regeling heeft overgelaten aan de nationale wetgever. Op dit moment bestaat het Vijfde Boek uit acht titels. In Titel 9 zullen bepalingen worden opgenomen ter implementatie van Richtlijn 2024/1260 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen, en in Titel 10 ter implementatie van Verordening 2024/3011 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de overdracht van strafvervolging.

Artikel 5.11.1 (begripsbepaling)

Artikel 5.11.1 van het Wetboek van Strafvordering voorziet in de begripsbepaling. In de bepaling van de genoemde begrippen wordt telkens verwezen naar de betekenis die daaraan is gegeven in Verordening 2023/1543. De reikwijdte van deze begripsbepaling is beperkt tot Titel 11 van het Vijfde Boek van het Wetboek van Strafvordering. Bijgevolg komt aan de term verkeersgegevens in de zin van deze titel niet noodzakelijkerwijs dezelfde betekenis toe als daaraan bij en krachtens artikelen 126n, 126u en 126zh van het Wetboek van Strafvordering is gegeven.

Artikel 5.11.2 (Europees verstrekkingsbevel)

Artikel 5.11.2, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wijst de officier van justitie en de rechter-commissaris aan als de bevoegde autoriteit voor het Europees verstrekkingsbevel. Indien het bevel betrekking heeft op verkeersgegevens, met uitzondering van gegevens die uitsluitend worden opgevraagd met het oog op de identificatie van de gebruiker, of inhoudelijke gegevens, kan de officier van justitie het bevel op de voet van het tweede lid alleen geven na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris. De functie van artikel 5.11.2 van het Wetboek van Strafvordering betreft slechts de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten voor het Europees verstrekkingsbevel. De toepassingsvoorwaarden van het Europees verstrekkingsbevel moeten worden gevonden in artikel 5 van Verordening 2023/1543.

Artikel 5.11.3 (Europees bewaringsbevel)

Artikel 5.11.3, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wijst de officier van justitie en de rechter-commissaris aan als de bevoegde autoriteit voor het Europees bewaringsbevel. Ook in dit verband geldt dat het Wetboek van Strafvordering slechts voorziet in de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten. De toepassingsvoorwaarden van het Europees bewaringsbevel zijn neergelegd in artikel 6 van Verordening 2023/1543.

Artikel 5.11.4 (tenuitvoerleggingsautoriteit)

Op grond van artikel 5.11.4 treedt de officier van justitie op als de tenuitvoerleggingsautoriteit, bedoeld in artikel 3, onderdeel 17, van Verordening 2023/1543. Daartoe regelt dit artikel dat de officier van justitie de kennisgeving, bedoeld in artikel 8 van die verordening, en het verzoek tot tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 16 van die verordening, in ontvangst neemt. Ingeval een kennisgeving is gedaan, beslist de officier van justitie over het aanvoeren van een weigeringsgrond. Indien hij beslist tot de erkenning, beveelt hij de geadresseerde zijn verplichtingen uit hoofde van het Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel na te komen. Tegen de erkenning van het Europees verstrekkingsbevel of het Europees bewaringsbevel kan de geadresseerde binnen twee weken na daarover in kennis te zijn gesteld bezwaar instellen bij de officier van justitie. Ingeval een verzoek tot tenuitvoerlegging is gedaan, beslist de officier van justitie over de erkenning van het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel. Ingeval bezwaar is ingesteld, beslist de officier van justitie over de tenuitvoerlegging van het Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel. Indien hij beslist tot de tenuitvoerlegging, handhaaft hij het bevel, bedoeld in het derde lid. De functie van de tenuitvoerleggingsautoriteit is toegelicht en paragraaf 2 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Artikel 5.11.5 (toetsingsprocedure)

Artikel 5.11.7 van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat de rechtbank, op vordering van de officier van justitie of op voordracht van de de rechter-commissaris, overeenkomstig artikel 17, derde lid, van Verordening 2023/1543 beslist in de toetsingsprocedure. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk. De toetsingsprocedure is toegelicht in paragraaf 2 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting. In paragraaf 2 van het algemeen deel van de toelichting is vermeld dat de toetsingsprocedure wordt behandeld door de raadkamer van de rechtbank die is bevoegd tot berechtiging van het strafbare feit waarop de strafvervolging betrekking heeft.

Artikel 5.11.6 (kennisgeving en rechtsmiddel)

Artikel 5.11.6, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat de kennisgeving over de verstrekking van gegevens op basis van het Europees verstrekkingsbevel, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Verordening 2023/143, kan worden uitgesteld indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist. Dit artikel dient tot uitvoering van artikel 13, tweede lid, van Verordening 2023/1543. Artikel 5.11.6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verklaart artikelen 552a en 552d van dat wetboek, waarin het recht op beklag is neergelegd, van overeenkomstige toepassing op de uitvaardiging van een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel. Dit artikel dient tot uitvoering van artikel 18 van Verordening 2023/1543.

B

De wijziging van artikel 531, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering strekt ertoe dat de dienstaanbieder aanspraak kan maken op vergoeding van zijn kosten door de uitvaardigende staat voor het nakomen van een Europees verstrekkingsbevel of een Europees bewaringsbevel. Artikel 14, eerste lid, van Verordening 2023/1543 stelt dat de dienstaanbieder aansprak kan maken op vergoeding van zijn kosten door de uitvaardigende staat, indien het nationaal recht van de uitvaardigende staat in die mogelijkheid voorziet voor binnenlandse bevelen in soortgelijke omstandigheden. Omdat artikel 531, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering voorziet in zo’n vergoeding voor binnenlandse bevelen, wordt zulks ter uitvoering van artikel 14, eerste lid, van Verordening 2023/1543 ook geregeld ten aanzien van het Europees bewaringsbevel en het Europees verstrekkingsbevel.

Artikel 10 (hoogte geldboete)

Artikel 10 van de voorgestelde uitvoeringswet regelt dat, in afwijking van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, aan een dienstaanbieder of geadresseerde een geldboete kan worden opgelegd voor het bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, van Verordening 2023/1543. Dit artikel strekt tot uitvoering van artikel 15, eerste lid, van Verordening 2023/1543 waarin is bepaald dat de lidstaten voorzien in een geldboete die maximaal twee procent bedraagt van de totale mondiale jaaromzet van de dienstaanbieder in het voorgaande boekjaar in geval van overtreding van het bepaalde in artikelen 10, 11 en 13, vierde lid, van die verordening. De overtreding van deze bepalingen wordt gevangen door artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenwel maakt artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht niet de voorgeschreven geldelijke sanctie mogelijk. Om deze reden voorziet artikel 10 van de voorgestelde uitvoeringswet in een afwijkende hoogte van de geldboete die kan worden aan de dienstaanbieder.

De afwijkende hoogte van de geldboete die kan worden opgelegd aan de dienstaanbieder laat onverlet dat artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht het niet-voldoen aan een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel bedreigt met een gevangenisstraf van ten hoogte drie maanden. Het gevolg hiervan is dat ter zake het niet-voldoen aan een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel een strafbeschikking kan worden opgelegd door de officier van justitie. Verder geldt dat de reikwijdte van de afwijking van artikel 11 van de voorgestelde uitvoeringswet is beperkt tot de dienstaanbieder. Als gevolg daarvan kan aan de natuurlijk persoon die wordt vervolgd voor het niet-voldoen aan een Europees verstrekkingsbevel of Europees bewaringsbevel ten hoogste een geldboete van de tweede categorie worden opgelegd.

Artikel 11 (overgangsrecht)

Artikel 10 van de voorgestelde uitvoeringswet voorziet in overgangsrecht. De inhoud van deze bepaling is toegelicht in paragraaf 8 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Artikel 12 (inwerkingtreding)

Artikel 12 van de voorgestelde uitvoeringswet bepaalt dat het wetsvoorstel daartoe in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 13 (citeertitel)

Artikel 13 van de uitvoeringswet bepaalt dat deze wordt aangehaald als: Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten

Transponeringstabellen

1. Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure

Bepaling EU-regeling

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze bij de invulling van de beleidsruimte

Artikel 1, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 1, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 1, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 2, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 2, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 2, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 2, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 3

Artikel 5.11.4 Sv

De lidstaat wijst de tenuitvoerleggingsautoriteit aan (artikel 3, onderdeel 17, van Verordening 2023/1543)

De officier van justitie functioneert als de tenuitvoerleggingsautoriteit

Artikel 4, eerste lid

Artikel 5.11.2, eerste en derde lid, Sv

De lidstaat wijst de bevoegde autoriteit voor het Europees verstrekkingsbevel aan

De officier van justitie en de rechter-commissaris worden aangewezen als de bevoegde autoriteiten voor het Europees verstrekkingsbevel

Artikel 4, tweede lid

Artikel 5.11.2, tweede en derde lid Sv

De lidstaat wijst de bevoegde autoriteit voor het Europees verstrekkingsbevel aan

De officier van justitie en de rechter-commissaris worden aangewezen als de bevoegde autoriteiten voor het Europees verstrekkingsbevel

Artikel 4, derde lid

Artikel 5.11.3 Sv

De lidstaat wijst de bevoegde autoriteit voor het Europees bewaringsbevel aan

De officier van justitie en de rechter-commissaris worden aangewezen als de bevoegde autoriteiten voor het Europees bewaringsbevel

Artikel 4, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 4, vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 4, zesde lid

De lidstaat kan een centrale autoriteit aanwijzen in de zin van Verordening 2023/1543

In Nederland wordt geen centrale autoriteit aangewezen in de zin van Verordening 2023/1543

Artikel 5, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 5, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 5, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 5, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 5, vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 5, zesde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 5, zevende lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 5, achtste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 5, negende lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 5, tiende lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 6, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 6, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 6, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 6, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 7, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 7, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 8, eerste lid

Artikel 5.11.4, eerste lid

Geen

Artikel 8, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 9, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 9, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 9, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 9, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 10, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 10, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 10, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 10, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 10, vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 10, zesde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 10, zevende lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 10, achtste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 10, negende lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 11, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 11, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 11, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 11, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 11, vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 11, zesde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 11, zevende lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 12, eerste lid

Artikel 5.11.4, tweede lid

Geen

Artikel 12, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 12, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 12, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 12, vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 13, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 13, tweede lid

Artikel 5.11.6, eerste lid, Sv

Overeenkomstig het nationaal recht kan de kennisgeving aan de betrokkene worden uitgesteld

De kennisgeving kan worden uitgesteld indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist

Artikel 13, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 13, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 14

Artikel 531, tweede lid, Sv

Geen

Artikel 15, eerste lid

Artikel 10

Geen

Artikel 15, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 16, eerste lid

Artikel 5.11.4, eerste lid

Geen

Artikel 16, tweede lid

Artikel 5.11.4, derde lid

Geen

Artikel 16, derde lid

Artikel 5.11.4, vierde lid

Geen

Artikel 16, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 16, vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 16, zesde lid

Artikel 5.11.4, vijfde lid

Geen

Artikel 16, zevende lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 16, achtste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 16, negende lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 16, tiende lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 17, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 17, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 17, derde lid

Artikel 5.11.5 Sv

De lidstaat wijst het bevoegde gerecht aan voor de toetsingsprocedure

De rechtbank wordt aangewezen als bevoegd gerecht voor de toetsingsprocedure

Artikel 17, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 17, vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 17, zesde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 17, zevende lid

Artikel 5.1.2 Sv

Geen

Artikel 17, achtste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 17, negende lid

Rechtstreekse werking volstaat

De lidstaat bepaalt de beslistermijn

De beslistermijn is bepaald op zo spoedig mogelijk

Artikel 17, tiende lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 18, eerste lid

Artikel 5.11.6, tweede lid, Sv

Overeenkomstig het nationaal recht kan de betrokkene een rechtsmiddel instellen tegen de uitvaardiging van het Europees verstrekkingsbevel

Artikel 552a en 552d zijn van overeenkomstige toepassing op de uitvaardiging van het Europees verstrekkingsbevel

Artikel 18, tweede lid

Artikel 5.11.6 Sv

Geen

Artikel 18, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 18, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 18, vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 19, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 19, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 19, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 19, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 19, vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 19, zesde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 20

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 21, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 21, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 22, eerste lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 22, tweede lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 23, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 23, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 23, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 23, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 23, vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 24

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 25, eerste lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 25, tweede lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 25, derde lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 26, eerste lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 26, tweede lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 27

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 28, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 28, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 28, derde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 28, vierde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 28, vijfde lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 29

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 30, eerste lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 30, tweede lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 30, derde lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 30, vierde lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 30, vijfde lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 30, zesde lid

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 31, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 32, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 32, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 33

Gericht tot de Europese Commissie

Artikel 34, eerste lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

Artikel 34, tweede lid

Rechtstreekse werking volstaat

Geen

2. Richtlijn (EU) 2023/1544 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures

Bepaling EU-regeling

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze bij de invulling van de beleidsruimte

Artikel 1, eerste lid

Behoeft geen omzetting, betreft het doel van Richtlijn 2023/1544

Geen

Artikel 1, tweede lid

Artikel 2, eerste lid

Geen

Artikel 1, derde lid

Artikel 2, eerste lid, onderdeel d

Geen

Artikel 1, vierde lid

Behoeft geen omzetting, betreft een verplichting tot onthouding voor de nationale wetgever

Geen

Artikel 1, vijfde lid

Artikel 2, tweede lid

Geen

Artikel 2, onderdeel 1

Artikel 1

Geen

Artikel 2, onderdeel 2

Artikel 1

Geen

Artikel 2, onderdeel 3

Artikel 1

Geen

Artikel 2, onderdeel 4

Behoeft geen omzetting, dit begrip komt niet voor in de uitvoeringswet

Geen

Artikel 2, onderdeel 5

Artikel 1

Geen

Artikel 2, onderdeel 6

Artikel 1

Geen

Artikel 3, eerste lid

Artikel 3, eerste lid

Geen

Artikel 3, tweede lid

Artikel 3, tweede lid

Geen

Artikel 3, derde lid

Artikel 2, derde lid

Geen

Artikel 3, vierde lid

Artikel 3, derde lid

Geen

Artikel 3, vijfde lid

Artikelen 7, tweede lid, en 8, tweede lid

Geen

Artikel 3, zesde lid

Artikel 11

Geen

Artikel 4, eerste lid

Artikel 4, tweede lid

Geen

Artikel 4, tweede lid

Artikel 4, derde lid

Geen

Artikel 4, derde lid

Artikel 4, vierde lid

Geen

Artikel 4, vierde lid

Artikel 5

Geen

Artikel 5

Artikelen 6, 7 en 8

De lidstaat stelt regels vast voor sancties op inbreuken van artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2023/1544

De Autoriteit Consument en Markt wordt belast met toezicht op de naleving. Ter handhaving kan zij een last onder dwangsom of bestuurlijke boete opleggen

Artikel 6, eerste lid

Artikel 4, eerste lid

De lidstaat wijst een of meer centrale autoriteiten in de zin van Richtlijn 2023/1544 aan

De Autoriteit Consument en Markt wordt aangewezen als centrale autoriteit in de zin van Richtlijn 2023/1544

Artikel 6, tweede lid

Behoeft geen omzetting, betreft feitelijk handelen van de centrale overheid

Geen

Artikel 7, eerste lid

Behoeft geen omzetting, betreft de implementatiedeadline

Geen

Artikel 7, tweede lid

Behoeft geen omzetting, betreft een vormvoorschrift voor de nationale wetgever

Geen

Artikel 7, derde lid

Behoeft geen omzetting, betreft de notificatieverplichting

Geen

Artikel 8

Behoeft geen omzetting, is gericht tot de Europese Commissie

Geen

Artikel 9

Behoeft geen omzetting, betreft de inwerkingtreding van Richtlijn 2023/1544

Geen

Artikel 10

Behoeft geen omzetting, betreft een verwijzing naar de adressanten

Geen

Naar boven