36 893 Voorstel van het Presidium tot wijziging van het Reglement van Orde om vast te leggen dat de termijn voor de toekenning van een debat eenmaal kan worden verlengd

Nr. 4 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 20 mei 2026

Het Presidium dankt de leden van de fracties van D66, VDD, GroenLinks-PvdA en PvdD voor hun schriftelijke inbreng. Het Presidium heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen en gaat hier in deze nota verder op in. Hierbij is de volgorde van het verslag aangehouden.

Alvorens op de vragen en opmerkingen in te gaan, wordt opgemerkt dat het Presidium met de indiening van dit voorstel tot wijziging van het Reglement van Orde op verzoek van de Kamer1 primair uitvoering geeft aan een aanbeveling van de werkgroep «Voor een Kamer die Werkt». Het Presidium wijst er volledigheidshalve op dat onderstaande beantwoording niet de mening van het Presidium weergeeft, maar een richting aangeeft die behulpzaam kan zijn voor de Kamer bij het te voeren debat en de besluitvorming over de wijziging van het Reglement van Orde. Het is uiteindelijk aan elk lid van de Kamer zelf om een inhoudelijk oordeel te vormen over voorliggend voorstel.

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie onderschrijven het voorstel tot wijziging van het Reglement van Orde om vast te leggen dat de termijn voor de toekenning van een debat eenmaal kan worden verlengd. Zij hopen dat hiermee de agenda van de Kamer beter beheersbaar zal blijken. Er bestaat een risico dat debatten over bepaalde, niet acute onderwerpen, nu eerder van de agenda afvallen omdat zij slechts éénmaal verlengd kunnen worden. Deze leden vragen daarom of het mogelijk is om voor het eerste jaar te monitoren welke onderwerpen nu van de lijst verdwijnen, voordat zij ingepland worden. Zo kan voorkomen worden dat bepaalde onderwerpen stelselmatig onderbelicht worden.

Het Presidium snapt deze wens te kunnen monitoren welke debatten zijn vervallen. Daartoe heeft zij verzocht de het parlementaire informatiesysteem zodanig aan te passen waardoor het voor Kamerleden en hun ondersteuning eenvoudig is op te zoeken welke debatten in welke periode zijn komen te vervallen. Naar verwachting is deze mogelijkheid gerealiseerd in Q2 2026.

Genoemde leden merken op dat veel debatten of dertigledendebatten die bij een Regeling van werkzaamheden worden toegevoegd aan de agenda, uiteindelijk niet of pas na (zeer) lange tijd worden ingepland. Zij vragen of het Presidium nog andere mogelijkheden ziet om de plenaire agenda beter beheersbaar te maken. Deze leden hebben hiervoor een aantal suggesties. Zij verzoeken het Presidium om de voor- en nadelen van deze suggesties te schetsen.

  • 1. Het stellen van een maximum aan het aantal in te plannen debatten, zodat een debat alleen aan de agenda kan worden toegevoegd als dit maximum nog niet is bereikt, of er tegelijkertijd een debat wordt geschrapt.

  • 2. Het vaker gebruikmaken van notaoverleggen, bijvoorbeeld ter voorbereiding op Europese raden van ministers, zoals de JBZ-raad en Ecofin, zodat minder tweeminutendebatten ingepland hoeven te worden.

  • 3. Het stellen van een maximumaantal debatten dat per fractie op de lijst in te plannen debatten kan staan. Als een fractie een nieuw debat wil aanvragen terwijl het maximum bereikt is, zal het een eerder aangevraagd debat van de lijst moeten halen als de aanvraag een meerderheid haalt. Het maximumaantal debatten kan worden afgestemd op de fractiegrootte.

  • 4. Het opnieuw in gang zetten van wetgeving-woensdag. Dit gebruik is een aantal jaar geleden ingezet, maar enigszins in verval geraakt.

  • 5. Het vaker gebruikmaken van commissies voor dertigleden- en spoeddebatten. Hiermee komt plenair meer ruimte vrij voor wetgeving.

  • 6. Het brengen van meer voorspelbaarheid in de plenaire agenda door vaker «Staat van de ...» debatten te organiseren. Of door periodiek voortgangsdebatten te organiseren op een aantal van de centrale opgaven die de Kamer heeft geïdentificeerd en in het verslag van verkenner Koolmees zijn opgenomen. Dit vermindert de noodzaak van incident gedreven agendabepaling.

  • 7. Het vaker gebruikmaken van voorbereiding van wetgeving in commissies, waarbij afronding plenair plaatsvindt.

  • 8. Het terugbrengen van een vereiste gewone meerderheid voor interpellatiedebatten.

De leden van de D66-fractie kijken uit naar de reactie van het Presidium op deze suggesties.

Het Presidium dankt de leden van de D66-fractie voor de gestelde vragen. Met interesse hebben de leden van het Presidium kennisgenomen van de acht suggesties die die leden doen ter verbetering van de beheersing van de plenaire agenda.

Allereerst wordt nogmaals opgemerkt dat het Presidium met de indiening van dit voorstel tot wijziging van het Reglement van Orde op verzoek van de Kamer2 primair uitvoering geeft aan een aanbeveling van de werkgroep «Voor een Kamer die Werkt». Het Presidium wijst er volledigheidshalve op dat het uiteindelijk aan elk lid van de Kamer zelf is dergelijke aanvullende voorstellen ter hand te nemen en te verdedigen, maar geeft desgevraagd graag enige gedachten mee bij de gedane suggesties.

1. Het stellen van een maximum aan het aantal in te plannen debatten, zodat een debat alleen aan de agenda kan worden toegevoegd als dit maximum nog niet is bereikt, of er tegelijkertijd een debat wordt geschrapt.

Het Presidium wijst erop dat op het moment van beantwoording van deze vragen 105 plenaire meerderheids- en dertigledendebatten op de rol staan. Enkele voordelen van deze suggesties zouden kunnen zijn dat het voor de Kamerleden, medewerkers en belangstellenden van buitenaf veel beter in te schatten wordt wanneer welke onderwerpen op korte termijn plenair aan de orde zullen komen. Ook zullen er vooraf scherpe keuzes gemaakt moeten worden over welke debataanvragen steun krijgen omdat er een maximum geldt. Daarnaast ligt het in de rede dat er minder overlap ontstaat met het werk in de Kamercommissies. Nadelig zou kunnen zijn dat dit als een technische exercitie wordt gezien. Als het maximumaantal onderwerpen is bereikt en zich een nieuw onderwerp aandient, dat zeker de steun van een meerderheid voor een plenair debat verdient, kan het lastig zijn om een onderwerp uit te kiezen dat dan zal moeten wijken. Bovendien kan het zo zijn dat aan deze overwegingen mogelijk ook (kostbare) vergadertijd zal moeten worden gespendeerd, indien de aanvrager van dat betreffende debat niet zelf vooraf dat debat van de lijst wenst af te voeren.

2. Het vaker gebruikmaken van notaoverleggen, bijvoorbeeld ter voorbereiding op Europese raden van ministers, zoals de JBZ-raad en Ecofin, zodat minder tweeminutendebatten ingepland hoeven te worden.

Het Presidium merkt op dat het inplannen van tweeminutendebatten ter voorbereiding van Europese raden niet altijd gemakkelijk is, ook met het oog op een tijdige stemming, bij voorkeur aan het begin van de middag. Bovendien moeten er regelmatig lopende onderwerpen worden onderbroken in de plenaire zaal, hetgeen verstorend werkt. Voor Kamerleden en bewindspersonen kan dit ook als belastend worden gezien, zeker als het tweeminutendebat niet direct aansluitend gepland kan worden. Opgemerkt zij dat bij schriftelijke voorbereiding van een Europese raad (een zogenaamd schriftelijk overleg) dan ook een nieuwe werkwijze ontstaat met een kort ingelast notaoverleg. Daar moet wel tevoren zaalcapaciteit voor gereserveerd worden die niet voor andere commissies benut kan worden. Het reflectiemoment tussen een commissiedebat (in casu notaoverleg) en plenair tweeminutendebat verdwijnt met deze suggestie, waardoor mogelijk onnodig moties worden voorbereid en ingediend. Tot slot merkt het Presidium op dat de (extra) stemmingen weliswaar makkelijker planbaar worden, maar niet zullen verdwijnen indien er moties worden ingediend.

Ook onder het huidige Reglement van Orde is het mogelijk deze suggestie ter hand te nemen. Het Presidium kan zich voorstellen dat als hier binnen de Kamer bredere steun voor leeft, een aantal commissies wellicht bereid gevonden kunnen worden hier een periode mee te experimenteren, zodat in de praktijk kan worden getoetst of deze manier van werken te prefereren valt boven de huidige werkwijze.

3. Het stellen van een maximumaantal debatten dat per fractie op de lijst in te plannen debatten kan staan. Als een fractie een nieuw debat wil aanvragen terwijl het maximum bereikt is, zal het een eerder aangevraagd debat van de lijst moeten halen als de aanvraag een meerderheid haalt. Het maximumaantal debatten kan worden afgestemd op de fractiegrootte.

Het Presidium kan zich voorstellen dat, indien een quotum voor een aantal aan te melden debatten per fractie wordt ingediend, en wanneer het totaal aantal debatten gemaximeerd is, gelijk aan de eerste suggestie, leden scherpe keuzes zullen moeten maken ten aanzien van de aan te vragen en te ondersteunen debatten. Het voordeel ook hier kan zijn dat dit de voorspelbaarheid van de agenda vergroot en dat fracties juist ook de mogelijkheid krijgen scherp over het voetlicht te brengen waar zij hun politieke prioriteiten leggen. Het kan daarnaast zo zijn dat ook de verdeling van debataanvragen over fracties op deze manier gelijkmatiger zal worden. Als nadelig zou kunnen worden genoemd dat het afvoeren van eerder aangevraagde debatten politiek gezien lastig zou kunnen zijn voor fracties, alsof dat eerdere onderwerp nu niet belangrijk genoeg meer zou zijn en dat deze procedure best wat haken en ogen zou kunnen hebben. Te denken valt bijvoorbeeld aan de vraag wie bepaalt welk bestaand debat wordt teruggetrokken, en of dat vooraf gedaan moet worden, terwijl nog niet duidelijk is of de nieuwe debataanvraag gesteund wordt.

4. Het opnieuw in gang zetten van wetgeving-woensdag. Dit gebruik is een aantal jaar geleden ingezet, maar enigszins in verval geraakt.

Het Presidium merkt op dat de Kamervoorzitter in de voorstellen voor de Kameragenda nog steeds recht probeert te doen aan «wetten-woensdag». In de parlementaire praktijk van alledag is het echter praktisch niet goed mogelijk wetgeving altijd op de woensdag in te plannen. Redenen om daarvan af te moeten wijken zijn vooral gelegen in het feit dat bewindspersonen niet altijd op de woensdag beschikbaar zijn, dat er onredelijk grote overlap is met commissieactiviteiten die dan verplaatst moeten worden en dat de Kamer regelmatig bepaalde onderwerpen met bepaalde prioriteit toevoegt tijdens de Regeling van werkzaamheden die alleen gepland kunnen worden op een woensdag. Het Presidium hecht eraan in dit verband ook op te merken dat er ook op dinsdag en donderdag wetgeving wordt geagendeerd, zeker als het onverhoopt niet lukt de woensdag daarmee goeddeels te vullen.

5. Het vaker gebruikmaken van commissies voor dertigleden- en spoeddebatten. Hiermee komt plenair meer ruimte vrij voor wetgeving.

Het Presidium begrijpt deze suggestie, maar merkt desalniettemin op dat inplanning van commissiedebatten over het algemeen niet leidt tot minder (gehonoreerde) plenaire debataanvragen, ondanks dat er tijdens de Regeling van werkzaamheden zeer regelmatig wordt verwezen naar het bestaan van bepaalde commissiedebatten. Bovendien wijst het Presidium erop dat de Kamercommissies ook te maken hebben met zeer volle agenda’s waarbij het aantal gevoerde commissiedebatten de afgelopen jaren onverminderd hoog is.

6. Het brengen van meer voorspelbaarheid in de plenaire agenda door vaker «Staat van de ...» debatten te organiseren. Of door periodiek voortgangsdebatten te organiseren op een aantal van de centrale opgaven die de Kamer heeft geïdentificeerd en in het verslag van verkenner Koolmees zijn opgenomen. Dit vermindert de noodzaak van incident gedreven agendabepaling.

Het Presidium merkt op dat een aantal van dergelijke debatten reeds parlementaire praktijk zijn, zowel op commissieniveau als op plenair niveau. Het Presidium deelt de opvatting dat dergelijke debatten een bijdrage kúnnen leveren aan het verhogen van voorspelbaarheid of het verminderen van incident gedreven agendabepaling, maar dat het uiteindelijk aan leden zelf is om daar rekening mee te houden bij het aanvragen of ondersteunen van plenaire debatten. Een nadeel dat genoemd zou kunnen worden is dat deze debatten zeer omvangrijke agenda’s krijgen waardoor bepaalde deelonderwerpen ondergesneeuwd raken en mogelijk niet aan bod kunnen komen. Bovendien zijn incidenten niet steeds aan de orde in aanloop naar een dergelijk debat en vraagt de actualiteit om een debat op kortere termijn, waardoor incident gedreven agendabepaling alsnog op de loer ligt.

7. Het vaker gebruikmaken van voorbereiding van wetgeving in commissies, waarbij afronding plenair plaatsvindt.

Het Presidium brengt in herinnering dat de commissies sinds de invoering van het vernieuwde Reglement van Orde in 2021 bepalen of wetgeving geheel op commissieniveau wordt afgehandeld, maar dat de mogelijkheid ook nog steeds bestaat dat wetgeving plenair wordt afgerond. Het Presidium acht het verstandig dat commissies deze afweging telkens bewust blijven maken in de procedurevergaderingen. Ook de werkgroep «Voor een Kamer die Werkt» doet in haar eindverslag een oproep om bewust te prioriteren bij de behandeling van wetgeving.3 Een overvolle plenaire agenda kán daarbij een reden zijn om wetgeving vaker (deels) in commissieverband te behandelen. Een voordeel van behandeling in een wetgevingsoverleg is dat deze overleggen langer van tevoren gepland kunnen worden en vrijwel gegarandeerd doorgang vinden. Als nadelig zou genoemd kunnen worden dat commissiebehandeling en plenaire behandeling soms overlappend zijn en al te grote overheveling van (politiek gevoelige) wetgeving naar het commissieniveau ervoor zou kunnen zorgen dat de plenaire vergadering zich te veel richt op de volksvertegenwoordigende rol van de Tweede Kamer en te weinig op de rol van medewetgever.

8. Het terugbrengen van een vereiste gewone meerderheid voor interpellatiedebatten.

Naar zijn aard hoort bij het interpellatiedebat een zekere mate van urgentie, maar door de ondersteuningsvereiste voor interpellatiedebatten terug te brengen tot dertig leden is deze drempel lager geworden dan voorheen, waardoor de Voorzitter het moment van planning bepaalt, net zoals in het geval van dertigledendebatten. Dit laatste is slechts anders indien de Kamer bij meerderheid besluit tot agendering met voorrang. Er kan voor worden gekozen weer een gewone meerderheid als vereiste voor interpellatiedebatten te hanteren, waarmee een meerderheid van de Kamer direct ook aangeeft of die urgentie er is. Met een ondersteuningseis van dertig leden is het niet mogelijk om interpellatiedebatten op zeer korte termijn te agenderen, omdat de plenaire agenda anders weldra vol zou staan met interpellatiedebatten en er voor andere typen debatten, waaronder wetgeving, veel minder tijd over zou blijven. Het uitgangspunt dat een meerderheid van de Kamer de baas is over de agenda, zou daarmee ook mogelijk onder druk komen te staan.

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van het Presidium tot wijziging van het Reglement van Orde om vast te leggen dat de termijn voor de toekenning van een debat eenmaal kan worden verlengd. Dit voorstel geeft de leden van de VVD-fractie geen aanleiding tot het stellen van vragen dan wel het maken van opmerkingen.

Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van het Presidium om de verlenging van een toegekend debat in de toekomst nog slechts een keer mogelijk te maken. Deze leden hebben hierover één specifieke vraag: kan inzichtelijk gemaakt worden hoeveel debatten in de afgelopen zittingsperiode zouden zijn vervallen als de voorgestelde regeling destijds al van kracht was geweest?

Het Presidium dankt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie voor de gestelde vraag. Het antwoord is opgenomen in onderstaande reactie op vragen van de leden van de PvdD-fractie.

Inbreng van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van het Presidium om artikel 12.8, tweede lid, van het Reglement van Orde te wijzigen, zodat de termijn voor de toekenning van een debat nog slechts eenmaal kan worden verlengd. Deze leden onderschrijven het belang van een efficiënte planning van debatten, maar plaatsen enkele kanttekeningen bij de voorgestelde beperking.

Genoemde leden verzoeken het Presidium om inzicht te geven in de feitelijke onderbouwing van deze aanpassing. Hoe vaak wordt in de huidige praktijk de toekenningstermijn van een debat verlengd, en in hoeveel gevallen gebeurt dat meer dan eenmaal? Hoeveel procent van de aangevraagde debatten wordt binnen de eerste termijn daadwerkelijk ingepland? In welke mate draagt een tweede verlenging nu bij aan het alsnog kunnen voeren van een debat dat anders zou vervallen?

Deze leden vragen of het Presidium kan toelichten wat het praktische probleem precies is dat met deze wijziging wordt opgelost, en hoe groot dit probleem is.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe wordt geborgd dat de voorgestelde beperking van de verlengingsmogelijkheid niet leidt tot een versmalling van de diversiteit van initiatiefnemers van plenaire debatten. Kan het Presidium aangeven op welke wijze wordt gewaarborgd dat ook kleinere fracties, nieuwkomers en Kamerleden uit oppositiepartijen hun onderwerpen nog daadwerkelijk plenair geagendeerd krijgen?

Deze leden vragen het Presidium om te reflecteren op mogelijke alternatieve oplossingen om de werkdruk op de plenaire agenda te verlichten zonder de rechten van Kamerleden te beperken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een periodieke evaluatie van oude debatverzoeken, waarbij fracties actief kunnen aangeven welke verzoeken zij nog actueel achten.

Tot slot vragen de leden van de PvdD-fractie hoe de wijziging in de praktijk zal worden geëvalueerd.

Het Presidium dankt de leden van de PvdD-fractie voor de gestelde vragen.

Het Reglement van Orde in zijn huidige vorm, waarin de huidige bepaling over het verlengen van de toekenning van debatten is opgenomen, is van kracht sinds 31 maart 2021. Het Centraal Informatiepunt (CIP) van de Tweede Kamer heeft een analyse uitgevoerd op plenaire debatten die tussen 1 april 2021 en 17 maart 2026 zijn aangevraagd. Ongeveer 40% van de meerderheids- en dertigledendebatten die sindsdien op de lijst hebben gestaan wordt één of twee keer verlengd. Voor meerderheidsdebatten geldt dat iets minder dan de helft vóór de eerste vervaltermijn wordt ingepland; ruim 30% van het totaal valt dus vóór of bij de eerste vervaltermijn van de lijst – actief (door annulering), dan wel passief (door niet te verlengen).

 

Meerderheids-debatten

Dertigleden-debatten

Interpellatie-debatten

Aan de lijst toegevoegd

452

471

14

Toekenningstermijn verlengd

181

199

4

Toekenningstermijn nogmaals verlengd

91

126

2

Een totaal van 452 meerderheidsdebatten heeft op enig moment op de lijst gestaan. Daarvan hebben 183 debatten (ruim 40%) daadwerkelijk plaatsgevonden. Slechts 22 meerderheidsdebatten zijn pas na een tweede verlenging ingepland.

 

Meerderheids-debatten

Dertigleden-debatten

Interpellatie-debatten

Aan de lijst toegevoegd

452

471

14

Vervallen

200 (44,2%)

333 (70,7%)

9

Geannuleerd

28 (6,2%)

65 (13,8%)

0

Ingepland

183 (40,5%)

26 (5,5%)

5

– Vóór eerste verlenging

– 127 (69,4%)

– 4 (15,4%)

– 4 (80%)

– Na eerste verlenging

– 34 (18,6%)

– 7 (26,9%)

– 0

– Na tweede verlenging

– 22 (12,0%)

– 15 (57,7%)

– 1 (20%)

Zoals eerder opgemerkt geeft het Presidium met de indiening van dit voorstel op verzoek van de Kamer4 uitvoering aan een aanbeveling van de werkgroep «Voor een Kamer die Werkt». Deze werkgroep beoogde hiermee de ruimte voor plenaire behandeling van wetgeving te vergroten en tevens plaats te bieden voor meer actuele meerderheids- én dertigledendebatten. Voor het bieden van ruimte aan wetgeving is, naast het aantal aangevraagde debatten, ook de termijn die de Kamer verbindt aan het inplannen van debatten van belang. Bovenstaande cijfers onderschrijven evenwel het tweede argument: 12% van de meerderheidsdebatten en meer dan de helft van de dertigledendebatten die hebben plaatsgevonden, werd meer dan 24 weken na de aanvraag pas ingepland. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat enkele meerderheidsdebatten die wel hebben plaatsgevonden, eerder vervallen waren en (met succes) opnieuw zijn aangevraagd. Indien de Kamer dus ook na de vervaldatum waarde blijft hechten aan het voeren van een specifiek plenair debat, bestaat daarvoor een route. Het overgrote deel van de vervallen meerderheidsdebatten wordt niet opnieuw aangevraagd.

Het beperken van de verlengingsmogelijkheid leidt naar verwachting niet tot een versmalling van de diversiteit van initiatiefnemers van debatten. Er treedt bij aanvaarding van dit voorstel immers slechts een verschuiving op van debatten die langer geleden zijn aangevraagd naar debatten die recenter zijn aangevraagd. Het staat Kamerleden voorts vrij om tussentijds zelf aangevraagde debatten van de lijst te verwijderen, bijvoorbeeld wanneer een onderwerp inmiddels in een commissie is behandeld. Ook kunnen leden zelf voorstellen indienen met het oog op de beheersbaarheid van de plenaire agenda. Het Presidium acht een evaluatie van deze beperkte aanpassing van het Reglement van Orde in het licht van bovenstaande niet noodzakelijk. Wel zal, naar aanleiding van eerdergenoemd verzoek van de leden van de D66-fractie, inzichtelijk worden gemaakt welke debatten zijn vervallen.

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Van Campen


X Noot
1

Kamerstuk 36 673, nr. 6.

X Noot
2

Kamerstuk 36 673, nr. 6.

X Noot
3

Eindverslag van de werkgroep «Voor een Kamer die Werkt», bijlage bij Kamerstuk 36 673, nr. 4, p. 17.

X Noot
4

Kamerstuk 36 673, nr. 6.


X Noot
1

Kamerstuk 36 673, nr. 6.

X Noot
2

Kamerstuk 36 673, nr. 6.

X Noot
3

Eindverslag van de werkgroep «Voor een Kamer die Werkt», bijlage bij Kamerstuk 36 673, nr. 4, p. 17.

X Noot
4

Kamerstuk 36 673, nr. 6.

Naar boven