36 890 Digitaal pakket van de Europese Commissie COM(2025)835, COM(2025)836, COM(2025)837, COM(2025)838

T VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 22 mei 2026

De vaste commissies voor Digitalisering1 en voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei2 hebben nader schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de Omnibus Digitaal, Omnibus AI en Data Unie Strategie. Bijgaand brengen de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 14 april 2026.

  • De antwoordbrief van 22 mei 2026.

De griffier voor dit verslag, Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTERS VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR DIGITALISERING EN VOOR ECONOMISCHE ZAKEN / KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit

Den Haag, 14 april 2026

De leden van de vaste commissies voor Digitalisering en voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 13 maart 2026 over de Omnibus AI (COM(2025)836), de Omnibus Digitaal (COM(2025)837) en de Data Unie Strategie (COM(2025)835).3 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, PVV en het lid van de Fractie-Van de Sanden hebben naar aanleiding daarvan een aantal nadere vragen en opmerkingen. De leden van de fractie van PvdD, het lid van de Fractie-Van Gasteren en het lid van de Fractie-Walenkamp sluiten zich aan bij de gestelde vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van uw antwoorden naar aanleiding van de gestelde vragen over het digitaal pakket van de Europese Commissie en hebben daarover de volgende vragen.

Deze leden lezen in uw antwoorden dat de Europese Commissie (hierna: Commissie) «in het algemeen geen impact assessments presenteert voor omnibussen.»4

  • Is er vastgelegd in welke situaties dat wel moet gebeuren? Wat zijn de afwegingscriteria, vragen deze leden?

  • Kan de Commissie dit eenzijdig bepalen? Is zij hiertoe bevoegd? Is dit ergens vastgelegd? Zo ja, waar? Deze leden ontvangen graag een toelichting.

De aan het woord zijnde leden vragen of u alsnog wil reageren op de eerder gestelde vraag of het mogelijk is om voor deze omnibussen om formeel een beroep te doen op het Interinstitutioneel akkoord Beter Wetgeven?5 Graag ontvangen deze leden een toelichting waarom dit wel of niet mogelijk is, en waarom u hier wel of niet toe bereid bent?

Deze leden stellen vast dat het niet is uit te sluiten dat, vanwege geopolitieke druk of anderszins, de komende periode meer impactvolle omnibussen worden voorgesteld zonder impactanalyse.

  • Acht u deze aanname reëel? Deze leden ontvangen graag een toelichting.

  • Acht u dit wenselijk? Bent u bereid om te voorkomen dat dit zich vaker gaat voordoen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

  • Is het wellicht zinvol om hierover formele afspraken te gaan maken, zodat hierop een beroep kan worden gedaan? Deze leden ontvangen graag een reactie.

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen in de antwoorden op de gestelde vragen, dat u vooral overeenkomsten ziet tussen de doelstellingen van de Data Unie Strategie, de Omnibus Digitaal, de Omnibus AI en de Nationale Digitalisering Strategie.6 Ziet u op onderdelen strijdigheden, in de doelstellingen dan wel in de wijze van implementatie? Deze leden ontvangen graag een toelichting.

De genoemde leden ontvangen alsnog graag antwoorden op de eerder gestelde vragen over de relatie van deze omnibussen (doel deregulering), de positie van Big Tech én onze Europese (digitale) autonomie.7 In de gegeven antwoorden verwijst u naar het belang van deregulering en het Draghi-rapport, maar er ontbreekt een visie op de huidige relatie tussen de voorgestelde deregulering, (digitale) autonomie en de gewenste mindere afhankelijkheid van de Amerikaanse Big Tech. Deze leden hebben hierover nog de volgende vragen:

  • Is de in de omnibussen voorgestelde «deregulering» volgens u in het voordeel van Amerikaanse Big Tech bedrijven? Graag ontvangen deze leden een inhoudelijke toelichting.

  • Wat is het effect van de in de omnibussen voorgestelde «deregulering» voor de Europese (digitale) autonomie?

  • Vraagt de huidige situatie niet juist een tegenovergestelde beweging, namelijk van gerichtere (digitale) regulering in plaats van deregulering? Deze leden ontvangen graag een toelichting.

U stelt in uw beantwoording dat pijler 3 van de Data Unie Strategie zich specifiek richt op veilige en betrouwbare internationale datastromen, waarin data als geopolitiek strategisch bezit wordt benaderd. Hierbij geldt: samenwerken waar (en met wie) het kan en beschermen waar nodig.8 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben in dit verband enkele vragen:

  • Wat betekent dit «samenwerken waar (en met wie) het kan en beschermen waar nodig» concreet in de huidige geopolitieke situatie? Waar is samenwerking wenselijk en met wie? En is bescherming nodig? Zo ja, hoe ziet deze bescherming eruit? Graag ontvangen deze leden een toelichting.

  • Wat betekent dit «samenwerken waar (en met wie) het kan en beschermen waar nodig» concreet voor de huidige positie van Big Tech? Wat betekent dit voor de agenda deregulering? Is er in de huidige context juist niet extra bescherming/ regulering nodig?

Deze leden merken op dat in uw antwoord op de gestelde vraag om een overzicht van potentiële aantastingen van grondrechten (uit de Nederlandse Grondwet en Europese wetgeving) te ontvangen, u een helder overzicht geeft. Deze leden danken u daarvoor.

Bij veel van deze, en andere zorg- en kritiekpunten, vermeld u dat er mogelijk een meerderheid van landen in de EU is die deze punten willen aanpassen. Dat stemt deze leden positief. Bij andere zorgpunten – zoals de aanpassing bij het overstappen naar andere clouddiensten – is die steun nog niet aanwezig, dan wel duidelijk.

Kan u alle zorg- en kritiekpunten, benoemd in de eerste set schriftelijke vragen van de leden van de fractie GroenLinks-PvdA, overzichtelijk op een rij zetten en hierbij vermelden of er inmiddels wijzigingen zijn en hoe het staat met de steun vanuit andere EU-landen voor mogelijke aanpassingen? Graag zien de genoemde leden hierbij ook een vermelding of u zich hiervoor gaat inspannen. Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

In uw antwoorden op de schriftelijke vragen meldt u dat het effect van de voorliggende omnibussen voor de capaciteit van de toezichthouders nog niet bekend is, omdat er nog geen definitief voorstel ligt.9

  • Is er inmiddels meer zicht op de gevolgen voor het toezicht? Graag ontvangen deze leden een toelichting.

  • U geeft aan dat hierover overleg plaatsvindt met de toezichthouders. Wat hebben de toezichthouders nodig om hun rol effectief te kunnen uitoefenen? Deze leden ontvangen graag een reflectie.

U geeft aan de zorgen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA te delen over de «versmalling» van de definitie van persoonsgegevens.10 Volgens de Commissie zou deze wijziging een codificatie van het zogenaamd SRB-arrest betreffen.11 In uw beantwoording staat dat «op basis van de eerste analyse van de regering het voorstel verder gaat dan een codificatie.»

In uw antwoorden staat ook dat u heeft gevraagd om de voorgestelde wijzigingen te verduidelijken, nader toe te lichten en de effecten te beoordelen.12 De aan het woord zijnde leden vragen of hierover inmiddels al meer bekend is? Zo nee, wanneer verwacht u dat er antwoorden zijn?

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA verzoeken u om een uitgebreider en inhoudelijker antwoord te geven op de eerder gestelde vragen over een beperking van de reikwijdte van de bevoegdheid van overheden om gegevens op te vragen bij bedrijven in situaties van «uitzonderlijke noodzaak.» U antwoord dat «de beperking van de reikwijdte van de bevoegdheid van overheden om gegevens op te vragen bij bedrijven in situaties van «uitzonderlijke noodzaak» tot alleen «algemene noodsituaties» betekent voor (mede)overheden dat ze nu geen informatie meer mogen opvragen in situaties waarin geen sprake is van een «algemene noodsituatie», maar waar sprake is van het opvragen van gegevens waarvan het ontbreken haar ervan weerhoudt een bij wet opgelegde specifieke taak van algemeen belang te vervullen en alle andere middelen waarover zij beschikt om dergelijke gegevens te verkrijgen heeft uitgeput.»13

  • Deze leden vragen wat hier naar verwachting de impact voor de (mede)overheden voor de uitvoering van hun taken en bevoegdheden is? Wat zijn de te verwachten concrete gevolgen?

  • Is de opinie van de (mede)overheden over deze inperking bekend? Wat is de impact van deze aanpassing volgens hen? Graag ontvangen deze leden een toelichting.

U geeft aan de zorgen van de VNG en het IPO te delen.14 Met betrekking tot de wijzigingen op het gebied van AI-geletterdheid, lijkt er verschil te zijn in de beoordeling van de impact hiervan. De aan het woord zijnde leden vragen of deze conclusie klopt? Zo ja, ontvangen zij graag een toelichting op de verschillen in de beoordeling.

Ook vragen deze leden wat hier naar uw verwachting en die van de (mede)overheden de impact voor de uitvoering van hun taken en bevoegdheden is? Wat zijn de te verwachten concrete gevolgen?

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn benieuwd naar de uitkomsten van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) betreffende de Omnibus AI. Is de uitkomst hiervan al bekend? Bent u bereid deze uitkomst met de leden van de Eerste Kamer te delen? Wanneer worden deze uitkomsten verwacht?

U geeft aan dat «een aantal voorstellen uit de omnibussen mogelijk niet effectief de regeldruk verlagen. Bij verschillende van deze voorstellen – zoals het Europees meldpunt, bepaalde wijzigingen aan de AVG en de uitzonderingen in de Dataverordening op de bepalingen over overstappen tussen clouddiensten – verwacht het kabinet dat deze met name voor het mkb geen lastenverlichting zullen opleveren. Deze voorstellen lijken de complexiteit van (het naleven van) wetgeving te verhogen of creëren complexe uitzonderingen waar kleinere bedrijven waarschijnlijk minder snel gebruik van zullen maken.»15

  • Kunt u een volledige opsomming geven van de wijzigingen die niet bijdragen aan het verlagen van de regeldruk, of waarvan dit twijfelachtig is?

  • Wat betekent dit voor de door de Commissie gepresenteerde algehele doelstelling tot deregulering en vermindering van de regeldruk door middel van de omnibussen?

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA wachten met belangstelling uw antwoorden af.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van uw reactie op de vragen ten aanzien van het digitaal pakket van de Commissie, in het bijzonder de Data Unie Strategie, de Omnibus Digitaal en de Omnibus AI. Omdat het brede en ingrijpende voorstellen blijven, hebben deze leden nog een aantal vragen voor u.

De aan het woord zijnde leden merken op dat u, gelet op de Data Unie Strategie, erop wijst dat er nog uitdagingen liggen ten aanzien van het verantwoord delen van data.16 Deze leden vinden het belangrijk dat data verantwoord wordt gedeeld. U geeft in de eerste schriftelijke vragenronde aan dat de uitdagingen met name zien op het verhogen van het vertrouwen tussen bedrijven als het om het delen van niet-persoonlijke data gaat.17 Hoe kan dit vertrouwen volgens u het beste verhoogd worden? En kan u uitleggen waarom u voor de bewoording «verantwoord delen» kiest, terwijl uit de beantwoording volgt dat het gaat om het gebrek aan vertrouwen tussen bedrijven om niet-persoonlijke gegevens te delen?18 Betekent dit dat u van mening bent dat het onverantwoord is wanneer bedrijven besluiten geen data te delen, omdat hierdoor data onvoldoende wordt benut?

Kijkende naar de omnibussen, geeft u in uw reactie op de schriftelijke inbreng van de leden van de fractie van D66 allereerst aan dat u met «flexibiliteit» in het BNC-fiche, het creëren van de mogelijkheid om per algemene maatregel van bestuur persoonsgegevens aan te wijzen voor hergebruik in publieke registers bedoelt.19 Deze leden vragen waarom u deze flexibiliteit belangrijk vindt, en of u hierbij ook nadelen ziet?

U geeft aan dat er een onevenredig hoog aantal meldingen van datalekken aan toezichthouders wordt gedaan.20 Tegelijkertijd geeft u ook aan dat de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) te kennen heeft gegeven dat risico’s van datalekken vaak worden onderschat door verwerkingsverantwoordelijken.21 Hoe verhouden deze twee inzichten zich tot elkaar? Leidt de onderschatting van het risico op datalekken ook niet tot minder meldingen? Verder geeft u aan dat u zich inzet om een middenweg te kiezen tussen een meldplicht bij «risico» en «hoog risico».22 Kan een verandering van het criterium «risico» er niet toe leiden dat het risico op datalekken nog vaker wordt onderschat?

De AP heeft een position paper geschreven over de omnibussen AI en Digitaal.23 Hierin bepleit de AP expliciet om de drempel niet te verlagen.24 Het beperken van het aantal meldingen (uitvoering) weegt niet op tegen het afzwakken van bescherming van persoonsgegevens (fundamentele grondrechten). De leden van de fractie van D66 vragen of u kan toelichten waarom u de uitvoering zwaarder weegt dan de grondrechten?

Tot slot merken deze leden op dat u de kritiek van de AP onderschrijft wanneer deze aangeeft dat het criterium voor de mogelijkheid om het recht op inzage in de AVG te beperken bij «buitensporige verzoeken» niet duidelijk is.25 Betekent dit ook, vragen de aan het woord zijnde leden, dat u de zorg van de AP deelt dat deze onduidelijkheid ertoe zal leiden dat organisaties de term «buitensporige verzoeken» verschillend zullen uitleggen? Ziet u een oplossing hiervoor zonder dat de beperking van het recht op inzage geschrapt wordt, of zou u deze beperking liever helemaal niet zien?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De leden van de fractie van de PVV wensen enkele vragen te stellen naar aanleiding van het mondeling overleg op 17 maart 2026 alsook de adviezen van de tijdelijke Tweede Kamercommissie Grondrechten en Constitutionele toetsing over de Omnibus Digitaal en de Omnibus AI die naar aanleiding van het verzoek van de vaste Tweede Kamercommissie voor Digitale Zaken van 25 februari 2026 zijn opgesteld.26

De aan het woord zijnde leden hebben met interesse kennisgenomen van uw brief van 13 maart 202627 en zijn erkentelijke voor de bij het mondeling overleg gedane toezegging door u om de gestelde vragen met betrekking tot de uitwerking van richtsnoeren voor AI-systemen met een hoog risico en richtsnoeren met een model voor de effectbeoordeling van de grondrechten in het schriftelijk overleg mee te nemen,28 en zien uit naar de beantwoording. Daarnaast hebben deze leden nog enkele aanvullende vragen. Deze leden vernemen graag wat de te verwachte gevolgen voor het mkb ten aanzien van het beoogde doel om meer rechtszekerheid te bieden zijn?

De leden van de fractie van de PVV vragen tevens aandacht voor de onderbouwing van een aanvullende grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens voor AI. Welke noodzaak en proportionaliteit maken het gerechtvaardigd belang? Hoe verhoudt dit zich tot de bestaande vereisten in de AVG en hoe gaat dit er in de praktijk uitzien?

Voorts vragen de aan het woord zijnde leden u om inzichtelijk te maken, of inzichtelijk te laten maken door de Commissie, wat de verwachte doorlooptijd is voor het opstellen van geharmoniseerde standaarden bij de belangrijkste verplichtingen voor hoog-risico AI-systemen en, indien er sprake is van een gefaseerde uitrol, hoe de onderdelen zich prioritair tot elkaar verhouden?

Tot slot, vernemen deze leden graag hoe de bevoegdheden van de toezichthouders op «regulatory sandboxes»29 er expliciet uit gaan komen te zien en in hoeverre deze nog verduidelijkt zullen gaan worden om de rechtszekerheid te bevorderen.

Vragen en opmerkingen van het lid van de Fractie-Van de Sanden

Het lid van de Fractie-Van de Sanden dankt u voor de beantwoording van de eerder gestelde vragen over de omnibussen.30 De antwoorden bieden op een aantal punten nuttige context en bevestigen gedeelde zorgen. Tegelijkertijd roepen zij op meerdere onderdelen nadere vragen op – met name waar het gaat om de verhouding tussen het regeringsstandpunt en de concrete Nederlandse inzet in de Raad van de Europese Unie (hierna: de Raad), en waar algemene formuleringen de ruimte laten voor verdere precisering. Het aan het woord zijnde lid zou het zeer op prijs stellen als u bij de beantwoording van de onderstaande vragen, waar mogelijk, wat dieper op de inhoud ingaat dan in de vorige schriftelijke ronde het geval was. Gegeven het belang van de dossiers – en het feit dat de onderhandelingen thans in een beslissende fase verkeren – is een scherp en concreet beeld van de Nederlandse positie voor een goede parlementaire controle onmisbaar.

Rechtsstaat en democratische controle

Het lid van de Fractie-Van de Sanden merkt op dat u stelt dat er «voldoende steun in de Raad» lijkt te zijn om de uitvoeringsbevoegdheden bij de EDPB te houden.31 Op welke concrete informatie baseert u die inschatting, en wat is uw hernieuwde positie als die steun wegvalt? Bent u bereid dit als harde, maximale inzet te formuleren – niet slechts als «belangrijke factor»32 – en zo nee, waarom niet?

De Commissie heeft bij de Omnibus Digitaal en de Omnibus AI geen impact assessment opgesteld met een beroep op urgentie.33 U erkent dat dit het beoordelen van de effecten bemoeilijkt. Hoe verhoudt het ontbreken van een impact assessment zich tot de Meroni-doctrine, die de delegatie van bevoegdheden aan EU-organen begrenst? Is hier naar uw oordeel sprake van een schending van het institutioneel evenwicht?

U beschrijft het parlementair behandelvoorbehoud als kader voor uw inzet.34 Welke concrete gevolgen heeft overschrijding van de Nederlandse inzet in de Raad voor de democratische controle door de Eerste Kamer? Welke mechanismen bestaan er om bij een naderend akkoord daadwerkelijk bij te sturen, en hoe effectief acht u die?

Proportionaliteitstoets

Het aan het woord zijnde lid stelt vast dat u het schrappen van de registratieplicht voor bepaalde hoog-risico AI-systemen expliciet als disproportioneel bestempeld: beperkte lastenverlichting en wel het toezicht aanzienlijk bemoeilijkt.35 Hanteert u dit proportionaliteitsoordeel ook als formeel blokkeringscriterium in de Raadsonderhandelingen, of blijft het bij een «factor» in de eindafweging? Kunt u het onderscheid toelichten?

U heeft voor de meeste AVG-wijzigingen nog geen definitief proportionaliteitsoordeel kunnen vellen wegens het ontbreken van een impact assessment. Kunt u aangeven voor welke specifieke maatregelen u dat oordeel nu, na ontvangst van de EDPB/EDPS-opinies36, alsnog wél kunt vellen – en wat dat oordeel per maatregel is?

De Commissie stelt dat het Staff Working Document (SWD) een toereikende onderbouwing biedt.37 Het lid van de Fractie-Van de Sanden constateert dat u niet expliciet hierop heeft gereageerd. Deelt u de analyse dat een SWD geen equivalent is van een impact assessment in de zin van het Interinstitutioneel akkoord Beter Wetgeven? Zo ja, welke juridische consequentie verbindt u daaraan?

Effect op administratieve lasten

De Commissie raamt de lastenverlichting van de Omnibus Digitaal op € 1 miljard per jaar.38 U geeft aan dat verschillende maatregelen – waaronder het Europees meldpunt en de gewijzigde definitie van persoonsgegevens – voor het mkb juist géén lastenverlichting opleveren.39 Heeft u een eigen kwantificering van de netto lastenreductie voor Nederlandse bedrijven, uitgesplitst naar mkb en grootbedrijf? Zo nee, wanneer verwacht u die inzichten?

U erkent dat sommige wijzigingen de complexiteit voor mkb eerder verhogen dan verlagen.40 Heeft u concrete alternatieve vereenvoudigingsmaatregelen aan de Commissie voorgesteld die wél effectief regeldruk verlagen zonder de grondrechtenbescherming te ondermijnen?

Grondrechten en AI-regulering

De regering beschouwt de vervanging van «strikt noodzakelijk» door «noodzakelijk» als grondslag voor bijzondere persoonsgegevens als zorgelijk, maar doet hierover geen expliciete uitspraak als harde randvoorwaarde.41 Is het handhaven van de strengere eis van «strikt noodzakelijk» voor u een conditio sine qua non voor instemming met de Omnibus AI? Zo nee, op welke wijze wordt dit grondrechtelijk ondervangen?

Het lid van de Fractie-Van de Sanden stelt vast dat u erkent dat de omzetting van artikel 22 AVG van een negatieve naar een positieve formulering – geautomatiseerde besluitvorming is toegestaan mits aan voorwaarden voldaan – mogelijk aanpassing vereist van de Uitvoeringswet AVG.42 Welke waarborgen zorgen ervoor dat deze constitutionele verschuiving niet stilzwijgend plaatsvindt, zonder expliciete parlementaire toetsing van de nieuwe Nederlandse uitvoeringswetgeving?

U stelt dat de voorgestelde definitie van «wetenschappelijk onderzoek» in de Omnibus Digitaal afwijkt van de EDPB-richtsnoeren en het beschermingsniveau kan ondermijnen.43 Verschillende lidstaten steunen het schrappen van deze definitie. Heeft u dit als formeel amendement in de Raad ingediend, en zo ja, wat is de stand van zaken?

Nationale beleidsruimte

U beschrijft welke onderdelen van de Omnibus Digitaal leiden tot volledige harmonisatie, maar noemt ook artikel 88c als mogelijkheid voor lidstaten om nationaal uitdrukkelijke toestemming te vereisen in AI-context.44 Heeft u besloten van deze nationale keuzeruimte gebruik te maken? Zo nee, waarom niet, en wanneer wordt dit besluit genomen?

Op welke concrete onderdelen van de Omnibus Digitaal en de Omnibus AI resteert er naar uw oordeel daadwerkelijk betekenisvolle nationale beleidsvrijheid, en op welke onderdelen leidt maximale harmonisatie ertoe dat nationale grondrechtelijke bescherming feitelijk niet meer aanvullend kan worden geboden?

Toezicht en rechtsbescherming van burgers en bedrijven

U stelt dat de rechtsbescherming van burgers en bedrijven tegen besluiten van Europese digitale toezichthouders «in principe» toereikend is via het HvJEU.45 Hoeveel tijd en kosten zijn hiermee gemoeid in vergelijking met de nationale rechtsgang? Acht u toegang tot de Europese rechter reëel en effectief voor individuele burgers en mkb-ondernemers, of is hier sprake van een structureel handhavingstekort?

Dit lid merkt op dat de AP constateert dat de verhoogde drempel voor het melden van datalekken ertoe zal leiden dat zij minder zicht heeft op risico’s.46 U erkent dit risico.47 Welke compenserende maatregelen worden getroffen om effectief toezicht te waarborgen als de meldingsdrempel stijgt?

Subsidiariteit en Europees meldpunt

U oordeelt dat het Europees meldpunt niet proportioneel is en verder gaat dan noodzakelijk.48 U heeft een non-paper verspreid, maar geen formeel subsidiariteitsbezwaar ingediend. Het lid van de Fractie-Van de Sanden wil graag weten waarom niet? Wat is de juridische drempel die u daarvoor hanteert, en heeft u de Raad van State gevraagd om een oordeel over de subsidiariteitsvraag?

U stelt dat nationale meldstructuren «meer efficiënt en tijdig» tot lastenverlichting leiden dan een Europees meldpunt.49 Op welk empirisch bewijs of welke analyse is dit oordeel gebaseerd? Is dit onderbouwd met concrete data over de NIS2- en CER-meldpraktijk?

Gevolgen voor innovatie en concurrentievermogen

U erkent dat met name Big Tech bedrijven relatief meer middelen hebben om aan nieuwe regelgeving te voldoen dan kleinere Europese organisaties, en dat dit een argument kan zijn voor tijdelijk uitstel.50 Bent u van mening dat structurele deregulering – in plaats van gerichte ondersteuning van het Europese mkb – het juiste antwoord is op dit concurrentienadeel? Zo nee, welke alternatieven heeft u in de onderhandelingen ingebracht?

Het aan het woord zijnde lid merkt op dat de stapeling van Europese digitale regelgeving een reëel knelpunt is. Heeft u een integrale inventarisatie gemaakt van de cumulatieve compliance-lasten van NIS2, CER, AVG, AI-verordening en de Omnibus-wijzigingen voor een representatieve Nederlandse onderneming? Zo nee, hoe kan u dan een onderbouwd proportionaliteitsoordeel vellen?

Digitale soevereiniteit en strategische autonomie

U stelt dat de Omnibus Digitaal de rechtspositie van burgers tegenover techbedrijven kan verzwakken,51 maar koppelt dit niet expliciet aan digitale soevereiniteit. Bent u het eens met de stelling van het aan het woord zijnde lid dat een verzwakking van de AVG als handhavingsinstrument feitelijk de marktmacht van niet-Europese platforms vergroot, en daarmee direct afdoet aan de Europese strategische autonomie?

Op welke specifieke onderdelen van de Omnibus Digitaal en de Omnibus AI wordt naar uw oordeel strategische beslissingsmacht overgedragen aan instellingen of actoren buiten de directe democratische controle van lidstaten? Hoe wordt deze overdracht gewogen tegen de beoogde voordelen van harmonisatie?

De Commissie heeft een hoge prioriteit aan de behandeling en de daarbij horende onderhandelingen gegeven. U bent gebonden aan vertrouwelijkheid van onderhandelingsstukken. Hier wringt diplomatie met benodigde transparantie in het Europese wetgevingstraject. Het lid van de Fractie-Van de Sanden vraagt hoe u waarborgt dat de Eerste Kamer tijdig en volledig geïnformeerd wordt om haar constitutioneel controlerende rol ten aanzien van de Nederlandse inzet in dit Europese wetgevingstraject effectief te kunnen uitoefenen, als het akkoord plots nabij is?

De EDPB en EDPS hebben op voorspraak van Nederland hun adviezen in de AGS gepresenteerd – u beschouwt dit als een concreet resultaat.52 Kunt u aangeven welke andere concrete resultaten Nederland tot nu toe in de onderhandelingen heeft geboekt, uitgedrukt in tekstwijzigingen in de onderhandelingstekst die de Nederlandse inzet reflecteren?

De leden van de commissies Digitalisering en Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei zien met belangstelling uit naar uw antwoorden en ontvangen deze graag binnen vier weken of zoveel eerder als een beslissende fase in de besprekingen in de Raad te voorzien zijn.

Voorzitter van de vaste commissie voor Digitalisering, G.V.M. Veldhoen

Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, S.M. Kluit

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT EN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 mei 2026

Hierbij zenden wij u, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, de antwoorden op de nadere vragen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, PVV en het lid van de Fractie-Van de Sanden over de Omnibus AI (COM(2025)836), de Omnibus Digitaal (COM(2025)837) en de Data Unie Strategie (COM(2025)835) (180559, ingezonden 14 april).

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, W.J.M. Aerdts

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, K.T. van Bruggen

180559

1

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van uw antwoorden naar aanleiding van de gestelde vragen over het digitaal pakket van de Europese Commissie en hebben daarover de volgende vragen.

Deze leden lezen in uw antwoorden dat de Europese Commissie (hierna: Commissie) «in het algemeen geen impact assessments presenteert voor omnibussen.»53

  • Is er vastgelegd in welke situaties dat wel moet gebeuren? Wat zijn de afwegingscriteria, vragen deze leden?

  • Kan de Commissie dit eenzijdig bepalen? Is zij hiertoe bevoegd? Is dit ergens vastgelegd? Zo ja, waar? Deze leden ontvangen graag een toelichting.

Antwoord

In het Better Regulation-kader van de Commissie is vastgelegd dat voor voorstellen met significante economische, sociale of milieueffecten in beginsel een effectbeoordeling wordt opgesteld. Omnibusvoorstellen zijn als categorie niet uitgezonderd van dit kader. Ook bij voorstellen die zijn gericht op vereenvoudiging of vermindering van regeldruk moet voldoende inzicht bestaan in de effecten.

De Commissie maakt in haar werkwijze onderscheid tussen omvangrijke voorstellen en meer gerichte voorstellen die bijvoorbeeld zien op vereenvoudiging of regeldrukvermindering. Voor die laatste categorie kan een meer gerichte effectbeoordeling passend zijn. Het kabinet steunt het streven om effectbeoordelingen gerichter en vaker uit te voeren en vindt dat de relevante effecten voldoende inzichtelijk moeten blijven.

Alleen in uitzonderlijke spoedsituaties kan de Commissie afzien van consultatie en een effectbeoordeling en achteraf een Commissie-werkdocument publiceren. Het kabinet is kritisch op een ruime toepassing daarvan. Politieke urgentie alleen is wat het kabinet betreft onvoldoende reden om af te wijken van de hoofdregel dat een effectbeoordeling wordt opgesteld.

De Commissie bepaalt in eerste instantie zelf hoe zij haar Better Regulation-kader toepast, maar het kabinet kan en zal haar daarop aanspreken. Nederland heeft herhaaldelijk benadrukt dat het onwenselijk is dat voorstellen zonder effectbeoordeling worden gepresenteerd. Een Commissie-werkdocument, welke in dit geval wel is aangeboden, is daarbij geen volwaardig alternatief, omdat dit niet door de Regulatory Scrutiny Board op kwaliteit wordt getoetst.

Het kabinet zal er daarom op blijven aandringen dat de Commissie bij impactvolle voorstellen, waaronder omnibusvoorstellen met significante effecten, een effectbeoordeling opstelt of overtuigend motiveert wanneer daarvan wordt afgezien.

2

De aan het woord zijnde leden vragen of u alsnog wil reageren op de eerder gestelde vraag of het mogelijk is om voor deze omnibussen om formeel een beroep te doen op het Interinstitutioneel akkoord Beter Wetgeven? Graag ontvangen deze leden een toelichting waarom dit wel of niet mogelijk is, en waarom u hier wel of niet toe bereid bent?

Antwoord

Het Interinstitutioneel akkoord Beter Wetgeven creëert geen juridische procedurele verplichting tot een effectbeoordeling. Wel moeten de Raad en het Europees Parlement voldoende informatie hebben om tot een gedegen politieke afweging te komen. Dit hoeft niet per se in de vorm van een effectbeoordeling te zijn.

Het Interinstitutioneel akkoord Beter Wetgeven bevat een inspanningsverplichting om de bepalingen na te streven, maar de Commissie bepaalt in eerste instantie zelf hoe zij dit kader toepast. Wel kan en zal het kabinet haar daarop aanspreken. Dat heeft het kabinet in dit geval herhaaldelijk gedaan. Het kabinet benadrukt ook in het algemeen regelmatig dat het onwenselijk is dat voorstellen met significante effecten zonder effectbeoordeling worden gepresenteerd. Het kabinet zal er op blijven aandringen dat de Commissie bij dit voorstel en andere impactvolle voorstellen, waaronder omnibusvoorstellen met significante effecten, een effectbeoordeling opstelt of overtuigend motiveert wanneer daarvan wordt afgezien.

3

Deze leden stellen vast dat het niet is uit te sluiten dat, vanwege geopolitieke druk of anderszins, de komende periode meer impactvolle omnibussen worden voorgesteld zonder impactanalyse.

  • Acht u deze aanname reëel? Deze leden ontvangen graag een toelichting.

  • Acht u dit wenselijk? Bent u bereid om te voorkomen dat dit zich vaker gaat voordoen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

  • Is het wellicht zinvol om hierover formele afspraken te gaan maken, zodat hierop een beroep kan worden gedaan? Deze leden ontvangen graag een reactie.

Antwoord

De komende periode zal de Commissie meer omnibusvoorstellen presenteren, mogelijk zonder effectbeoordeling. Zoals vermeld in een eerder antwoord acht het kabinet het niet wenselijk dat impactvolle voorstellen zonder effectbeoordeling worden gepresenteerd.

Ook voorstellen die zijn gericht op vereenvoudiging en regeldrukvermindering moeten zorgvuldig worden onderbouwd. Ook bij omnibusvoorstellen is inzicht nodig in de gevolgen voor regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en concurrentiekracht. Alleen dan kan goed worden beoordeeld of een voorstel daadwerkelijk leidt tot vereenvoudiging en lastenverlichting.

Het kabinet vindt dat een effectbeoordeling de hoofdregel moet blijven bij voorstellen met significante effecten. Afwijken daarvan kan alleen in uitzonderlijke situaties. Politieke urgentie alleen is daarvoor onvoldoende. Ook vindt het kabinet dat de Regulatory Scrutiny Board een stevige rol moet hebben bij de toetsing van effectbeoordelingen en zich ook zou moeten kunnen uitspreken wanneer de Commissie besluit géén effectbeoordeling te maken.

Het kabinet zal zich daarom blijven inzetten voor duidelijke afspraken over het gebruik van effectbeoordelingen, terughoudend gebruik van spoedprocedures en een sterke rol van de Regulatory Scrutiny Board.

4

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen in de antwoorden op de gestelde vragen, dat u vooral overeenkomsten ziet tussen de doelstellingen van de Data Unie Strategie, de Omnibus Digitaal, de Omnibus AI en de Nationale Digitalisering Strategie.54 Ziet u op onderdelen strijdigheden, in de doelstellingen dan wel in de wijze van implementatie? Deze leden ontvangen graag een toelichting.

Antwoord

Voor zover de doelstellingen uit de omnibussen en de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) van elkaar verschillen leidt dit niet tot tegenstrijdigheden. De NDS richt zich primair op de digitalisering van de overheid zelf en welke prioriteiten daar overheidsbreed in worden gesteld. Het belangrijkste raakvlak van de NDS met de omnibussen is dat het kabinet zich in het kader van de NDS inzet voor de implementatie van digitale wetgeving en het wegnemen van juridische knelpunten binnen de overheid. De doelstelling van de omnibussen om de regeldruk van digitale wetgeving te verlagen is hieraan complementair.

5

De genoemde leden ontvangen alsnog graag antwoorden op de eerder gestelde vragen over de relatie van deze omnibussen (doel deregulering), de positie van Big Tech én onze Europese (digitale) autonomie.55 In de gegeven antwoorden verwijst u naar het belang van deregulering en het Draghi-rapport, maar er ontbreekt een visie op de huidige relatie tussen de voorgestelde deregulering, (digitale) autonomie en de gewenste mindere afhankelijkheid van de Amerikaanse Big Tech. Deze leden hebben hierover nog de volgende vragen:

  • Is de in de omnibussen voorgestelde «deregulering» volgens u in het voordeel van Amerikaanse Big Tech bedrijven? Graag ontvangen deze leden een inhoudelijke toelichting.

  • Wat is het effect van de in de omnibussen voorgestelde «deregulering» voor de Europese (digitale) autonomie?

  • Vraagt de huidige situatie niet juist een tegenovergestelde beweging, namelijk van gerichtere (digitale) regulering in plaats van deregulering? Deze leden ontvangen graag een toelichting.

Antwoord

Het verlagen van regeldruk is ook voor het kabinet een belangrijke prioriteit en het kabinet ziet net als de Europese Commissie dat dit kan bijdragen aan het versterken van het concurrentievermogen. De in de deregulerinvoorgestelde wijzigingeng gelden voor het overgrote deelt voor alle bedrijven die zich richten op de EU-markt. De uitzonderingen die voor specifieke bedrijven gelden, voorgerichtrichten zich vooral op het mkb en small midcapbedrijven. De «big tech» bedrijven vallen daar niet onder. Voor het overgrote deel van de voorgestelde wijzigingen verwacht ik niet dat ze «big tech» bedrijven onevenredig bevoordelen. In het algemeen is het voor kleinere bedrijven lastiger om aan complexe (nieuwe) wetgeving te voldoen en is het verlagen van regeldruk dus juist in het voordeel van deze bedrijven. Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere vragen van uw Kamer over de digitale omnibussen lijken sommige voorgestelde wijzigingen aan de AVGpositie wel zoals u benoemt de rechtspositie van burgers tegenover techbedrijven te verzwakken of meer ten goede te komen aan bestaande AI-bedrijven die al beschikken over datasets, inclusief persoonsgegevens56. Het kabinet is kritisch op deze onderdelen en zet zich er in de onderhandelingen voor in om de voorstellen op deze onderdelen te verbeteren.

Deze omnibussen zijn niet (direct) gericht op het versterken van de (digitale) autonomie, maar op het versterken van het concurrentievermogen door het verlagen van regeldruk. Over de omnibussen als geheel verwacht het kabinet dat deze door de regeldruk te verlagen bijdragen aan het versterken van het concurrentievermogen. Dat kan uiteindelijk ook bijdragen aan het versterken van de autonomie, maar dit is geen expliciet doel van deze omnibussen.

Er zijn de afgelopen jaren veel nieuwe digitale regels geïntroduceerd met o.a. de Dataverordening, AI-verordening en de Digitaledienstenverordening. Ook met deze twee omnibusvoorstellen is er op digitaal vlak vooral een beweging van regulering geweest. Net als uw Kamer hecht ik belang aan de digitale wetgeving die de afgelopen jaren tot stand is gekomen. Deze wetgeving stelt de spelregels op voor online platforms en opkomende technologieën als AI. Ik vind het voor de komende periode vooral belangrijk dat de nieuwe regels die de afgelopen jaren zijn geïntroduceerd effectief worden uitgevoerd en gehandhaafd. Het kabinet steunt daarbij het verlagen van regeldruk van digitale wetgeving, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelen van de wetgeving.

6

U stelt in uw beantwoording dat pijler 3 van de Data Unie Strategie zich specifiek richt op veilige en betrouwbare internationale datastromen, waarin data als geopolitiek strategisch bezit wordt benaderd. Hierbij geldt: samenwerken waar (en met wie) het kan en beschermen waar nodig.57 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben in dit verband enkele vragen:

  • Wat betekent dit «samenwerken waar (en met wie) het kan en beschermen waar nodig» concreet in de huidige geopolitieke situatie? Waar is samenwerking wenselijk en met wie? En is bescherming nodig? Zo ja, hoe ziet deze bescherming eruit? Graag ontvangen deze leden een toelichting.

  • Wat betekent dit «samenwerken waar (en met wie) het kan en beschermen waar nodig» concreet voor de huidige positie van Big Tech? Wat betekent dit voor de agenda deregulering? Is er in de huidige context juist niet extra bescherming/ regulering nodig?

Antwoord

In relatie tot de Data Unie Strategie verwijst samenwerking naar derde landen waarmee de EU een digitaal partnerschap heeft afgesloten. Dit zijn op dit moment Japan, Zuid-Korea, Singapore en Canada. De samenwerking richt zich op het inzetten van data spaces voor internationale datastromen, het opstellen van gestandaardiseerde modelcontracten voor data, en het opnemen van data governance afspraken in bilaterale verdragen.

In tegenstelling tot de bescherming van persoonlijke data, waar gerefereerd kan worden aan adequaatsheidsbesluiten, ligt in het beschermen van niet-persoonlijke data een grote eigen verantwoordelijkheid bij bedrijven, wanneer zij met derde landen buiten de EU acteren of daar opereren. Dit vergt kennis, en beoordeling, van (data)wetgeving uit derde landen. Beschermende maatregelen uit de Data Unie Strategie richten zich daarom op het opstellen van richtsnoeren voor bedrijven om de eerlijke behandeling van EU-gegevens in het buitenland te kunnen beoordelen. Ook wordt er een zogenaamde data leakage toolbox ontwikkeld, om een antwoord te bieden op lokalisatie-eisen van derde landen en om datalekken tegen te gaan. Lokalisatie-eisen zijn regels voor het opslaan van data binnen de grenzen van een land.

Pijler III van de Data Unie Strategie is gericht op de relatie met derde landen, en gaat dus niet in op specifieke bedrijven, zoals grote techbedrijven. De beschermende maatregelen zoals aangekondigd in de Data Unie Strategie betreffen zachte maatregelen (richtsnoeren, toolbox), geen nieuwe wetgeving. Wel houdt de Europese Commissie de optie open om, indien structurele verstoringen of aanhoudende discriminerende praktijken van derde landen onbehandeld blijven, aanvullende maatregelen te overwegen om eerlijke voorwaarden voor toegang tot en gebruik van data te waarborgen. Nederland heeft in aanloop naar de Data Unie Strategie in een consultatiereactie opgeroepen om duidelijkere richtlijnen te ontwikkelen voor bedrijven, overheidsinstanties en andere organisaties die internationaal opereren inzake internationale gegevensstromen.

7

Deze leden merken op dat in uw antwoord op de gestelde vraag om een overzicht van potentiële aantastingen van grondrechten (uit de Nederlandse Grondwet en Europese wetgeving) te ontvangen, u een helder overzicht geeft. Deze leden danken u daarvoor.

Bij veel van deze, en andere zorg- en kritiekpunten, vermeld u dat er mogelijk een meerderheid van landen in de EU is die deze punten willen aanpassen. Dat stemt deze leden positief. Bij andere zorgpunten – zoals de aanpassing bij het overstappen naar andere clouddiensten – is die steun nog niet aanwezig, dan wel duidelijk.

Kan u alle zorg- en kritiekpunten, benoemd in de eerste set schriftelijke vragen van de leden van de fractie GroenLinks-PvdA, overzichtelijk op een rij zetten en hierbij vermelden of er inmiddels wijzigingen zijn en hoe het staat met de steun vanuit andere EU-landen voor mogelijke aanpassingen? Graag zien de genoemde leden hierbij ook een vermelding of u zich hiervoor gaat inspannen. Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

U bent op 8 mei jl. geïnformeerd over de uitkomsten van de onderhandelingen over de Omnibus AI58. Het krachtenveld rondom de Omnibus Digitaal is nog in ontwikkeling. Er kan nog niet definitief worden geconcludeerd dat er voor specifieke voorgestelde wijzigingen voldoende of onvoldoende steun is. Ook is nog niet voor alle onderdelen duidelijk hoeveel lidstaten de Nederlandse inzet (mogelijk) steunen. Wel zijn er positieve signalen met betrekking tot het krachtenveld omtrent de belangrijkste zorgpunten van het kabinet.

Voor wat betreft de AVG is het krachtenveld op sommige onderdelen nog lastig in te schatten. Het kabinet blijft er in de onderhandelingen op inzetten dat de voorgestelde wijzigingen geen afbreuk doen aan het niveau van bescherming van grondrechten. Er zijn meerdere lidstaten die hier ook op inzetten. Meerdere lidstaten zetten ook specifiek in op het schrappen van het voorgestelde artikel 88c, de wijziging van de definitie van persoonsgegevens en de gecreëerde bevoegdheid voor de Europese Commissie om via een uitvoeringshandeling te specificeren wanneer gegevens voldoende gepseudonimiseerd zijn.

Ook zijn er meerdere lidstaten die steunen dat de nieuwe definitie van wetenschappelijk onderzoek en de voorgestelde wijzigingen aan het recht op inzage en met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens voor geautomatiseerde besluitvorming (artikel 22 AVG) in lijn worden gebracht met de gezamenlijke opinie van het Europees Comité voor Gegevensbescherming (EDPB) en de Europese Toezichthouder voor Gegevensbescherming (EDPS).

Voor wat betreft het Europees meldpunt voor incidentmeldingen lijkt er een meerderheid van de lidstaten te steunen dat in lijn met de Nederlandse inzet de nationale meldstructuren blijven behouden, zoals ook bepleit in het non-paper hierover dat met uw Kamer is gedeeld59. Het kabinet zal aandacht blijven vragen voor subsidiariteit, proportionaliteit, uitvoerbaarheid en de bescherming van nationale veiligheidsbelangen.

Daarnaast lijken meerdere lidstaten te steunen dat in lijn met de kabinetsinzet bepaalde onderdelen van de Platform-to-Business(P2B)-verordening in stand blijven, zodat ondernemers die zakendoen op platforms op hetzelfde niveau beschermd blijven.

De data-onderdelen van de omnibus zijn nog relatief weinig aan bod gekomen in de onderhandelingen. Het is nog niet duidelijk in hoeverre er steun is voor de Nederlandse zorgen over de gecreëerde uitzondering voor «op maat gemaakte» clouddiensten op de regels over het overstappen naar clouddiensten van andere aanbieders.

8

In uw antwoorden op de schriftelijke vragen meldt u dat het effect van de voorliggende omnibussen voor de capaciteit van de toezichthouders nog niet bekend is, omdat er nog geen definitief voorstel ligt.60

  • Is er inmiddels meer zicht op de gevolgen voor het toezicht? Graag ontvangen deze leden een toelichting.

  • U geeft aan dat hierover overleg plaatsvindt met de toezichthouders. Wat hebben de toezichthouders nodig om hun rol effectief te kunnen uitoefenen? Deze leden ontvangen graag een reflectie.

Antwoord

Het kabinet is gedurende de onderhandelingen in contact met de relevante toezichthouders zodat hun input ook kan worden meegenomen in de kabinetsinzet. Gedurende de onderhandelingen is het voorstel voortdurend aan verandering onderhevig. Op basis van het uiteindelijke resultaat zal samen de toezichthouders worden bezien of de omnibussen ertoe leiden dat zij aanvullende bevoegdheden of middelen nodig hebben om hun rol effectief te kunnen uitoefenen.

9

U geeft aan de zorgen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA te delen over de «versmalling» van de definitie van persoonsgegevens.61 Volgens de Commissie zou deze wijziging een codificatie van het zogenaamd SRB-arrest betreffen. In uw beantwoording staat dat «op basis van de eerste analyse van de regering het voorstel verder gaat dan een codificatie.»

In uw antwoorden staat ook dat u heeft gevraagd om de voorgestelde wijzigingen te verduidelijken, nader toe te lichten en de effecten te beoordelen.62 De aan het woord zijnde leden vragen of hierover inmiddels al meer bekend is? Zo nee, wanneer verwacht u dat er antwoorden zijn?

Antwoord

De Commissie heeft in de onderhandelingen over de Omnibus Digitaal vragen van de lidstaten beantwoord waaronder ook over de voorgestelde wijziging van de definitie van persoonsgegevens. Deze antwoorden zijn hoofdzakelijk mondeling gegeven. Een specifiek document met nadere toelichting of een effectbeoordeling hierover is niet gegeven. Inmiddels is dit onderdeel geschrapt in het voorstel van het voorzitterschap van de Raad voor een compromistekst.

10

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA verzoeken u om een uitgebreider en inhoudelijker antwoord te geven op de eerder gestelde vragen over een beperking van de reikwijdte van de bevoegdheid van overheden om gegevens op te vragen bij bedrijven in situaties van «uitzonderlijke noodzaak.» U antwoord dat «de beperking van de reikwijdte van de bevoegdheid van overheden om gegevens op te vragen bij bedrijven in situaties van «uitzonderlijke noodzaak» tot alleen «algemene noodsituaties» betekent voor (mede)overheden dat ze nu geen informatie meer mogen opvragen in situaties waarin geen sprake is van een «algemene noodsituatie», maar waar sprake is van het opvragen van gegevens waarvan het ontbreken haar ervan weerhoudt een bij wet opgelegde specifieke taak van algemeen belang te vervullen en alle andere middelen waarover zij beschikt om dergelijke gegevens te verkrijgen heeft uitgeput.»63

  • Deze leden vragen wat hier naar verwachting de impact voor de (mede)overheden voor de uitvoering van hun taken en bevoegdheden is? Wat zijn de te verwachten concrete gevolgen?

  • Is de opinie van de (mede)overheden over deze inperking bekend? Wat is de impact van deze aanpassing volgens hen? Graag ontvangen deze leden een toelichting.

Antwoord

Het kabinet verwacht geen concrete gevolgen van deze inperking. (Mede)overheden beschikken pas sinds de invoering van de Uitvoeringswet dataverordening november 2025 over deze bevoegdheid en er is tot nu toe door (mede)overheden nog geen gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. In het BNC-fiche heeft het kabinet zelfs aangegeven een verdere versimpeling, namelijk het geheel schrappen van de regels over het opvragen van gegevens in publieke noodsituaties, te steunen gezien de blijvende onduidelijkheid over de toepassing van deze regels en de risico’s dat de bevoegdheid te breed wordt ingezet. Bij de totstandkoming van de Dataverordening was het kabinet ook kritisch op deze bevoegdheid en heeft het ingezet op het schrappen of verder inperken ervan. De (mede)overheden zijn bekend met deze positie van het kabinet. Zij zijn betrokken zijn geweest bij het opstellen van de relevante BNC-fiches. Het kabinet heeft in de voorbereidingen contact gehad met de medeoverheden.

11

U geeft aan de zorgen van de VNG en het IPO te delen.64 Met betrekking tot de wijzigingen op het gebied van AI-geletterdheid, lijkt er verschil te zijn in de beoordeling van de impact hiervan. De aan het woord zijnde leden vragen of deze conclusie klopt? Zo ja, ontvangen zij graag een toelichting op de verschillen in de beoordeling.

Ook vragen deze leden wat hier naar uw verwachting en die van de (mede)overheden de impact voor de uitvoering van hun taken en bevoegdheden is? Wat zijn de te verwachten concrete gevolgen?

Antwoord

Op basis van het oorspronkelijke voorstel heeft het kabinet aangegeven dat het onvoldoende duidelijk was of de gewijzigde verplichting ertoe leidt dat AI-geletterdheid voldoende wordt bevordert bij personeel dat met AI werkt. Over het voorstel hebben VNG en IPO vergelijkbare zorgen geuit. Verschillen in de beoordeling zitten in hoeverre die zorgen gedurende de onderhandelingen en in het akkoord voldoende zijn geadresseerd. Voor het kabinet zijn deze zorgen met het akkoord voldoende ondervangen.

Het concrete gevolg van de wijziging, zoals opgenomen in het akkoord, is dat overheden nu meer duidelijkheid hebben. De AI-geletterdheid van een individuele medewerker betekent namelijk niet op zichzelf dat een overheid niet heeft voldaan aan haar verplichting om passende maatregelen te nemen op het gebied van AI-geletterdheid.

12

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn benieuwd naar de uitkomsten van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) betreffende de Omnibus AI. Is de uitkomst hiervan al bekend? Bent u bereid deze uitkomst met de leden van de Eerste Kamer te delen? Wanneer worden deze uitkomsten verwacht?

Antwoord

De gevolgen van de Omnibus AI worden meegenomen in het bredere UDO-traject dat sinds 2024 samen met de koepels van de medeoverheden loopt. In dat kader zijn eerder al impactanalyses verschenen.65 Uiterlijk in Q4 van dit jaar worden de uitkomsten van dit UDO-traject op Rijksoverheid.nl gepubliceerd.

13

U geeft aan dat «een aantal voorstellen uit de omnibussen mogelijk niet effectief de regeldruk verlagen. Bij verschillende van deze voorstellen – zoals het Europees meldpunt, bepaalde wijzigingen aan de AVG en de uitzonderingen in de Dataverordening op de bepalingen over overstappen tussen clouddiensten – verwacht het kabinet dat deze met name voor het mkb geen lastenverlichting zullen opleveren. Deze voorstellen lijken de complexiteit van (het naleven van) wetgeving te verhogen of creëren complexe uitzonderingen waar kleinere bedrijven waarschijnlijk minder snel gebruik van zullen maken.»66

  • Kunt u een volledige opsomming geven van de wijzigingen die niet bijdragen aan het verlagen van de regeldruk, of waarvan dit twijfelachtig is?

  • Wat betekent dit voor de door de Commissie gepresenteerde algehele doelstelling tot deregulering en vermindering van de regeldruk door middel van de omnibussen?

Antwoord

In het BNC-fiche over de omnibusvoorstellen67 en de beantwoording van eerdere vragen van uw Kamer68 is uitgebreid ingegaan op de beoordeling van de verschillende onderdelen van de omnibusvoorstellen.

Met betrekking tot het voorstel voor de Omnibus AI was de primaire zorg van het kabinet op dit vlak dat het schrappen van de registratieplicht voor bepaalde hoog-risico AI-systemen slechts een beperkte lastenverlichting oplevert die niet opweegt tegen het verminderen van de transparantie bij deze AI-systemen. In lijn met de kabinetsinzet is deze wijziging niet opgenomen in het akkoord over de Omnibus AI.

Met betrekking tot het voorstel voor de Omnibus Digitaal heeft het kabinet aangegeven dat het betwijfelt of het voorgestelde Europees meldpunt en het intrekken van de P2B-verordening zullen leiden tot een significante verlaging van regeldruk. Met betrekking tot de AVG betwijfelt het kabinet met name de verwachte regeldrukeffecten vandat de voorgestelde wijziging van de definitie van persoonsgegevens en de voorgestelde grondslag voor verwerking van persoonsgegevens in het kader van een gerechtvaardigd belang voor de ontwikkeling en exploitatie van AI (artikel 88c) een positief effect zullen hebben op de regeldruk. Deze wijzigingen zouden afwijken af van bestaande jurisprudentie en/of richtsnoeren van de EDPB, en zouden daardoor juist kunnen leiden tot meer rechtsonzekerheid, hetgeen op gespannen voet zou staan met de doelstelling om de regeldruk te verlagen.

Het kabinet zet er in de onderhandelingen op in om de voorstellen op deze onderdelen te verbeteren door deze aan te passen of in sommige gevallen te schrappen. In de beantwoording van vraag 8 ga ik in op het krachtenveld omtrent de verschillende wijzigingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

14

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van uw reactie op de vragen ten aanzien van het digitaal pakket van de Commissie, in het bijzonder de Data Unie Strategie, de Omnibus Digitaal en de Omnibus AI. Omdat het brede en ingrijpende voorstellen blijven, hebben deze leden nog een aantal vragen voor u.

De aan het woord zijnde leden merken op dat u, gelet op de Data Unie Strategie, erop wijst dat er nog uitdagingen liggen ten aanzien van het verantwoord delen van data.69 Deze leden vinden het belangrijk dat data verantwoord wordt gedeeld. U geeft in de eerste schriftelijke vragenronde aan dat de uitdagingen met name zien op het verhogen van het vertrouwen tussen bedrijven als het om het delen van niet-persoonlijke data gaat. Hoe kan dit vertrouwen volgens u het beste verhoogd worden? En kan u uitleggen waarom u voor de bewoording «verantwoord delen» kiest, terwijl uit de beantwoording volgt dat het gaat om het gebrek aan vertrouwen tussen bedrijven om niet-persoonlijke gegevens te delen? Betekent dit dat u van mening bent dat het onverantwoord is wanneer bedrijven besluiten geen data te delen, omdat hierdoor data onvoldoende wordt benut?

Antwoord

Volgens het kabinet zijn het verantwoord delen van data en vertrouwen sterk aan elkaar verbonden, omdat het gebrek aan vertrouwen in data delen vaak kan worden toegeschreven aan de angst voor onverantwoorde data-omgang, zoals het niet-afdoende beschermen van bedrijfsgeheimen, datalekken of gebrekkige privacybescherming.

Het kabinet heeft daarom de afgelopen jaren gewerkt aan maatregelen die het vertrouwen in datadeling tussen bedrijven vergroten: Europese wetgeving zoals de Data Act en Data Governance Act, de (co)financiering van data spaces, community-building (via het Centre of Excellence for Data Sharing & Cloud) en kennisontwikkeling over datadeling. Uitgangspunten zijn: heldere data governance afspraken, een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden, en het inzichtelijk maken van succesvolle voorbeelden/toepassingen.

Het kabinet ziet uitdagingen die gebaat zijn bij, of soms zelf enkel op te lossen zijn door middel van het delen van data tussen bedrijven. Denk bijvoorbeeld aan het inzichtelijk maken van toeleveringsketens, zodat productie beter op elkaar aansluit of transport efficiënter, en duurzamer, kan verlopen. Of het delen van energiedata in relatie tot flexibilisering en netcongestie. Ook de ontwikkeling van AI-modellen stoelt op grote hoeveelheden kwalitatieve hoogwaardige data, die vaak niet bij één partij aanwezig zijn. Een cultuur waarin verantwoorde datadeling tussen bedrijven gemeengoed wordt, zal bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen en aan het vergroten van het toekomstig verdienvermogen van Nederland.

15

Kijkende naar de omnibussen, geeft u in uw reactie op de schriftelijke inbreng van de leden van de fractie van D66 allereerst aan dat u met «flexibiliteit» in het BNC-fiche, het creëren van de mogelijkheid om per algemene maatregel van bestuur persoonsgegevens aan te wijzen voor hergebruik in publieke registers bedoelt.70 Deze leden vragen waarom u deze flexibiliteit belangrijk vindt, en of u hierbij ook nadelen ziet?

Antwoord

Het hergebruik van overheidsinformatie is van grote waarde voor de samenleving, niet slechts in economische zin maar ook voor maatschappelijke doelen als transparantie en onderzoek. Met het oog op de bescherming van persoonsgegevens is bij de implementatie van de Open Datarichtlijn ervoor gekozen persoonsgegevens in wettelijke openbare registers uit te zonderen van deze richtlijn, tenzij de registers specifiek in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) worden aangewezen; het zogeheten «nee, tenzij»-principe. De flexibiliteit om per AMvB persoonsgegevens in wettelijke openbare registers aan te wijzen voor hergebruik biedt de mogelijkheid om een betere balans te vinden tussen enerzijds openbaarheid en hergebruik van overheidsinformatie en anderzijds de bescherming van in die openbare registers opgenomen persoonsgegevens. Een nadeel van het behouden van deze flexibiliteit is dat ook andere lidstaten gebruik kunnen maken van deze nationale flexibiliteit in de Open Datarichtlijn en daardoor kan leiden tot implementatieverschillen tussen de lidstaten. Dit leidt mogelijk tot een verstoring van het gelijke speelveld voor hergebruikers.

16

U geeft aan dat er een onevenredig hoog aantal meldingen van datalekken aan toezichthouders wordt gedaan.71 Tegelijkertijd geeft u ook aan dat de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) te kennen heeft gegeven dat risico’s van datalekken vaak worden onderschat door verwerkingsverantwoordelijken. Hoe verhouden deze twee inzichten zich tot elkaar? Leidt de onderschatting van het risico op datalekken ook niet tot minder meldingen? Verder geeft u aan dat u zich inzet om een middenweg te kiezen tussen een meldplicht bij «risico» en «hoog risico». Kan een verandering van het criterium «risico» er niet toe leiden dat het risico op datalekken nog vaker wordt onderschat?

Antwoord

Het «onevenredig hoog aantal meldingen» ziet op de meldplicht voor verwerkingsverantwoordelijken om datalekken aan toezichthouders te melden (artikel 33 AVG). Het Commissievoorstel wijzigt de drempel voor die meldplicht van «een risico» naar «waarschijnlijk een hoog risico» voor de rechten en vrijheden van betrokkenen. De genoemde onderschatting van risico’s ziet daarentegen op de meldplicht voor verwerkingsverantwoordelijken om datalekken aan betrokkenen te melden. Deze meldverplichting aan betrokkenen geldt slechts bij een «hoog risico» (artikel 34 AVG). De AP ontvangt op basis van de AVG melding van alle datalekken met «een risico», met daarbij een inschatting van de verwerkingsverantwoordelijke of het een «hoog risico» betreft. Deze melding wordt voorzien van de nodige informatie. Wanneer de AP anders dan de verwerkingsverantwoordelijke een «hoog risico» ziet, kan zij op grond van artikel 34, vierde lid, AVG interveniëren en de verwerkingsverantwoordelijke verplichten om de betrokkenen te informeren.

Het kabinet is het met de AP eens dat de drempel voor de meldplicht aan de toezichthouder (artikel 33 AVG) lager dient te blijven dan de drempel voor de meldplicht aan de betrokkenen (artikel 34 AVG). Zo blijft de AP zicht houden op datalekken die mogelijk een hoog risico inhouden en kan de AP waar dit nodig is gelet op de meldplicht bij datalekken aan betrokkenen, blijven interveniëren. Nederland heeft daarom voorgesteld de meldingsdrempel in beperkte mate te verhogen, bijvoorbeeld naar een «impactvol risico», «relevant risico» of «verhoogd risico». De meeste andere lidstaten hebben geen amendementen of bezwaren ingebracht bij dit onderdeel van het Commissievoorstel. Daarin zal meespelen dat de EDPB en de EDPS dit onderdeel van het Commissievoorstel steunen en geen noodzaak zien voor aanpassing van het voorstel op dit punt.

17

De AP heeft een position paper geschreven over de omnibussen AI en Digitaal.72 Hierin bepleit de AP expliciet om de drempel niet te verlagen. Het beperken van het aantal meldingen (uitvoering) weegt niet op tegen het afzwakken van bescherming van persoonsgegevens (fundamentele grondrechten). De leden van de fractie van D66 vragen of u kan toelichten waarom u de uitvoering zwaarder weegt dan de grondrechten?

Antwoord

Het kabinet is van mening dat een in beperkte mate verhoogde meldplicht geen afbreuk doet aan de bescherming van het grondrecht. Het kabinet vindt hierin steun in de opinie van de EDPS en EDPB over het voorstel van de Europese Commissie om de meldplicht te verhogen tot «waarschijnlijk een hoog risico» voor de rechten en vrijheden van betrokkenen – hetgeen verder gaat dan het kabinet voorstelt. De EDPS en EDPB zien niet dat deze hogere meldingsdrempel het beschermingsniveau substantieel verandert (aldus punt 73–76 van het advies). Daarbij komt dat volgens de EDPB en EDPS een hogere drempel de toezichthouders kan helpen om hun capaciteit te concentreren op de meer problematische datalekken, wat uiteindelijk ten goede komt aan betrokkenen die getroffen zijn.

18

Tot slot merken deze leden op dat u de kritiek van de AP onderschrijft wanneer deze aangeeft dat het criterium voor de mogelijkheid om het recht op inzage in de AVG te beperken bij «buitensporige verzoeken» niet duidelijk is.73 Betekent dit ook, vragen de aan het woord zijnde leden, dat u de zorg van de AP deelt dat deze onduidelijkheid ertoe zal leiden dat organisaties de term «buitensporige verzoeken» verschillend zullen uitleggen? Ziet u een oplossing hiervoor zonder dat de beperking van het recht op inzage geschrapt wordt, of zou u deze beperking liever helemaal niet zien?

Antwoord

Op dit moment kunnen verzoeken van betrokkenen, zoals verzoeken om inzage, op grond van de AVG worden afgewezen als deze «kennelijk ongegrond of buitensporig zijn, met name vanwege hun repetitieve karakter» (artikel 12, vijfde lid, AVG). In het Commissievoorstel zou daaraan worden toegevoegd dat inzageverzoeken ook kunnen worden afgewezen «omdat de betrokkene de bij deze verordening verleende rechten misbruikt voor andere doeleinden dan de bescherming van zijn gegevens». De AP is hierover kritisch in haar position paper, onder meer omdat dit kan betekenen dat burgers minder goed inzage zouden krijgen in hun persoonsgegevens en omdat de terminologie zodanig breed is dat organisaties deze mogelijk verschillend uitleggen.

Nederland heeft voorgesteld om deze aanpassing te schrappen, omdat deze beperking het recht op gegevensbescherming en andere fundamentele rechten raakt, en omdat het voorstel juridische onzekerheid creëert over de vraag of het inzageverzoek de rechten van de AVG dient, aangezien het onduidelijk is hoe de betrokkene dit kan aantonen. Dit zou kunnen leiden tot meer klachten bij toezichthouders en meer civiele procedures. Als alternatief heeft Nederland geopperd dat de EDPB richtlijnen over dit onderwerp ontwikkelt, waartoe zij la bevoegd is op grond van artikel 70 AVG.

Ook de EDPB en EDPS en veel andere lidstaten zijn kritisch over deze voorgestelde aanpassing van artikel 12, vijfde lid, zoals voorgesteld door de Commissie. De EDPB en EDPS hebben voorgesteld om de notie van misbruik van AVG-rechten los te koppelen van de vraag of het verzoek andere doeleinden dan gegevensbescherming dient. Zij stellen voor om in plaats daarvan als criterium te nemen dat sprake is van een «abusive intention», omdat dit beter aansluit bij jurisprudentie en richtlijnen van de EDPB. Hieronder valt bijvoorbeeld de situatie waarin de verzoeker evident de bedoeling heeft om schade te veroorzaken jegens de verwerkingsverantwoordelijke. Er lijkt onder de lidstaten draagvlak om dit voorstel over te nemen. Ook het kabinet steunt dit voorstel.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

19

De leden van de fractie van de PVV wensen enkele vragen te stellen naar aanleiding van het mondeling overleg op 17 maart 2026 alsook de adviezen van de tijdelijke Tweede Kamercommissie Grondrechten en Constitutionele toetsing over de Omnibus Digitaal en de Omnibus AI die naar aanleiding van het verzoek van de vaste Tweede Kamercommissie voor Digitale Zaken van 25 februari 2026 zijn opgesteld.74

De aan het woord zijnde leden hebben met interesse kennisgenomen van uw brief van 13 maart 2026 en zijn erkentelijke voor de bij het mondeling overleg gedane toezegging door u om de gestelde vragen met betrekking tot de uitwerking van richtsnoeren voor AI-systemen met een hoog risico en richtsnoeren met een model voor de effectbeoordeling van de grondrechten in het schriftelijk overleg mee te nemen, en zien uit naar de beantwoording. Daarnaast hebben deze leden nog enkele aanvullende vragen. Deze leden vernemen graag wat de te verwachte gevolgen voor het mkb ten aanzien van het beoogde doel om meer rechtszekerheid te bieden zijn?

Antwoord

Ik verwacht dat deze richtsnoeren meer duidelijkheid zullen geven hoe dit onderdeel van de AI-verordening moet worden toegepast en daarmee de rechtszekerheid zullen vergroten. In het algemeen helpen richtsnoeren juist kleinere bedrijven die beperkte juridische expertise hebben en daardoor moeilijker zelfstandig complexe wetgeving kunnen duiden. De Omnibus AI verandert niets in relatie tot deze richtsnoeren. De Commissie benoemt alleen in de context van het voorstel dat er aan de uitwerking van verschillende richtsnoeren wordt gewerkt, waaronder de richtsnoeren waar de leden van uw fractie aan refereren.

20

De leden van de fractie van de PVV vragen tevens aandacht voor de onderbouwing van een aanvullende grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens voor AI. Welke noodzaak en proportionaliteit maken het gerechtvaardigd belang? Hoe verhoudt dit zich tot de bestaande vereisten in de AVG en hoe gaat dit er in de praktijk uitzien?

Antwoord

Het kabinet heeft bij een aantal fundamentele wijzigingen aan de AVG serieuze zorgen omdat deze wijzigingen het niveau van gegevensbescherming wezenlijk verminderen, zonder dat dit bijdraagt aan het verminderen van de regeldruk. Het voorstel voor een aanvullende grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens om AI-modellen te trainen is één van de voorgestelde wijzigingen waarop het kabinet zeer kritisch is. Het kabinet ziet geen noodzaak tot de voorgestelde bepaling. Zoals ook de EDPB in haar richtsnoeren verduidelijkt, is het verwerken van persoonsgegevens voor AI-doeleinden reeds toegestaan op basis van de grondslag gerechtvaardigd belang, mits de verwerkingsverantwoordelijke aan de voorwaarden voor gerechtvaardigde belang is voldaan (vgl EDPB in Advies 28/2024 over bepaalde aspecten van gegevensbescherming in verband met de verwerking van persoonsgegevens in het kader van AI-modellen). De EDPB en EDPS hebben dit in hun opinie van 10 februari 2026 ten behoeve van de Omnibus Digitaal bevestigd, en aangegeven dat het daarom niet nodig is om hierover een specifieke bepaling op te nemen in de AVG.

Daarnaast acht het kabinet de voorgestelde aanvullende grondslag voor AI onwenselijk daarmee de indruk wordt wekt dat bij AI voor de grondslag «gerechtvaardigd belang» bijzondere, dat wil zeggen lichtere, vereisten gelden. Meer specifiek ziet het kabinet het gevaar van een interpretatie van gerechtvaardigd belang, speciaal voor AI, waarvoor bij wijze van uitzondering geen noodzakelijkheidstoets en de bijbehorende belangenafweging zijn vereist. Ook verhoudt zich de idee van andere vereisten voor AI niet goed tot het uitgangspunt in de AVG van technologieneutraliteit; de door de AVG geboden bescherming van het grondrecht dient niet afhankelijk te zijn van de gebruikte technologie. Ook om deze reden is het kabinet zeer kritisch over het voorstel voor een aanvullende grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens voor de verwerking van persoonsgegevens voor AI. Gesterkt door de opinie van de EDPB en de EDPS, lijkt de Nederlandse kritiek in de Raad op weerklank te kunnen rekenen.

21

Voorts vragen de aan het woord zijnde leden u om inzichtelijk te maken, of inzichtelijk te laten maken door de Commissie, wat de verwachte doorlooptijd is voor het opstellen van geharmoniseerde standaarden bij de belangrijkste verplichtingen voor hoog-risico AI-systemen en, indien er sprake is van een gefaseerde uitrol, hoe de onderdelen zich prioritair tot elkaar verhouden?

Tot slot, vernemen deze leden graag hoe de bevoegdheden van de toezichthouders op «regulatory sandboxes» er expliciet uit gaan komen te zien en in hoeverre deze nog verduidelijkt zullen gaan worden om de rechtszekerheid te bevorderen.

Antwoord

Nu de onderhandelingen over de Omnibus AI zijn afgerond wordt op korte termijn een aangepast normalisatieverzoek vanuit de Commissie richting de Europese standaardisatiorganisaties CEN-CENELEC verwacht. Hierin zal een uitgestelde deadline voor de belangrijkste verplichtingen voor hoog-risico AI-systemen worden gesteld.

De AI-verordening biedt de toezichthouders een aantal algemene bevoegdheden met betrekking tot het starten, opereren en beëindigen van een regulatory sandbox. Tegelijkertijd zijn deze bevoegdheden niet in detail uitgewerkt en moet de vormgeving van het instrument nationaal verder worden uitgewerkt. Het voorstel voor de uitvoeringswet AI-verordening, die recent in openbare consultatie is gegaan, bepaalt dat de voorgestelde markttoezichthouders gezamenlijk een multi-sectorale regulatory sandbox aanbieden en bepaalt wanneer een specifieke markttoezichthouder de bevoegdheid heeft om een traject te starten binnen deze sandbox.

Omdat de sandbox een relatief nieuw instrument is, is het van belang dat deze zich na inrichting moet kunnen blijven door ontwikkelen. Om de rechtszekerheid te waarborgen en ervoor te zorgen dat de sandboxes in de Europese Unie op een gelijke manier aangeboden worden, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen op waarin onder andere de toelatings- en selectiecriteria, de procedures en de geldende voorwaarden voor deelname verder worden uitgewerkt. Er is in het voorstel voor de nationale uitvoeringswet daarnaast voor gekozen om een grondslag op te nemen om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te kunnen stellen indien dit noodzakelijk is in aanvulling op de uitvoeringshandelingen van de Commissie.

Vragen en opmerkingen van het lid van de Fractie-Van de Sanden

22

Het lid van de Fractie-Van de Sanden dankt u voor de beantwoording van de eerder gestelde vragen over de omnibussen. De antwoorden bieden op een aantal punten nuttige context en bevestigen gedeelde zorgen. Tegelijkertijd roepen zij op meerdere onderdelen nadere vragen op – met name waar het gaat om de verhouding tussen het regeringsstandpunt en de concrete Nederlandse inzet in de Raad van de Europese Unie (hierna: de Raad), en waar algemene formuleringen de ruimte laten voor verdere precisering. Het aan het woord zijnde lid zou het zeer op prijs stellen als u bij de beantwoording van de onderstaande vragen, waar mogelijk, wat dieper op de inhoud ingaat dan in de vorige schriftelijke ronde het geval was. Gegeven het belang van de dossiers – en het feit dat de onderhandelingen thans in een beslissende fase verkeren – is een scherp en concreet beeld van de Nederlandse positie voor een goede parlementaire controle onmisbaar.

Het lid van de Fractie-Van de Sanden merkt op dat u stelt dat er «voldoende steun in de Raad» lijkt te zijn om de uitvoeringsbevoegdheden bij de EDPB te houden.75 Op welke concrete informatie baseert u die inschatting, en wat is uw hernieuwde positie als die steun wegvalt? Bent u bereid dit als harde, maximale inzet te formuleren – niet slechts als «belangrijke factor» – en zo nee, waarom niet?

Antwoord

Dit is primair gebaseerd op de uitingen van lidstaten in de onderhandelingen zelf. De inzet van het kabinet is en blijft om deze bevoegdheden bij de EDPB te houden en dit zal dan ook een (belangrijke) factor zijn in het beoordelen van het totale voorstel. Zoals verder toegelicht in het antwoord op vraag 25 zal het kabinet op basis van het uiteindelijke onderhandelingsresultaat beoordelen of de omnibus als geheel voldoende in lijn is met de Nederlandse inzet. Zeker gezien er steun lijkt op dit punt is er geen reden dit als rode lijn te markeren.

23

De Commissie heeft bij de Omnibus Digitaal en de Omnibus AI geen impact assessment opgesteld met een beroep op urgentie. U erkent dat dit het beoordelen van de effecten bemoeilijkt. Hoe verhoudt het ontbreken van een impact assessment zich tot de Meroni-doctrine, die de delegatie van bevoegdheden aan EU-organen begrenst? Is hier naar uw oordeel sprake van een schending van het institutioneel evenwicht?

Antwoord

De Meroni-doctrine stelt dat instellingen van de Europese Unie hun bevoegdheden niet zomaar mogen overdragen aan andere instanties. Het ontbreken van een impact assessment staat los van het onrechtmatig delegeren van bevoegdheden. Om die reden kan ik niet aan de hand van deze doctrine stellen dat er sprake is van een schending van het institutioneel evenwicht.

24

U beschrijft het parlementair behandelvoorbehoud als kader voor uw inzet. Welke concrete gevolgen heeft overschrijding van de Nederlandse inzet in de Raad voor de democratische controle door de Eerste Kamer? Welke mechanismen bestaan er om bij een naderend akkoord daadwerkelijk bij te sturen, en hoe effectief acht u die?

Antwoord

In de brief van 13 maart aan uw Kamer76 geef ik aan dat het BNC-fiche het kader is voor de Nederlandse inzet. Gedurende het door uw Kamer geplaatste parlementair behandelvoorbehoud heeft het kabinet in de onderhandelingen een voorbehoud gemaakt bij het uitdragen van het standpunt zoals geformuleerd in het BNC-fiche.

Over de informatievoorziening richting de Eerste en Tweede Kamer over Europese voorstellen zijn vaste afspraken gemaakt tussen het parlement en de Minister van Buitenlandse Zaken. Deze informatieafspraken met de Eerste en Tweede Kamer zijn gericht op een doeltreffende informatiepositie voor het parlement zodat het parlement haar controlerende taak kan uitvoeren. Gezien het belang dat uw Kamer aan deze voorstellen hecht en de snelheid van de onderhandelingen heb ik met uw Kamer aanvullende afspraken gemaakt over de informatievoorziening over deze omnibussen. Daarmee beoog ik uw Kamer zo goed mogelijk in staat te stellen haar taken uit te kunnen voeren.

25

Het aan het woord zijnde lid stelt vast dat u het schrappen van de registratieplicht voor bepaalde hoog-risico AI-systemen expliciet als disproportioneel bestempeld: beperkte lastenverlichting en wel het toezicht aanzienlijk bemoeilijkt. Hanteert u dit proportionaliteitsoordeel ook als formeel blokkeringscriterium in de Raadsonderhandelingen, of blijft het bij een «factor» in de eindafweging? Kunt u het onderscheid toelichten?

Antwoord

Ik beoordeel op basis van het uiteindelijke onderhandelingsresultaat of een compromis als geheel voldoende in lijn is met de Nederlandse inzet. Het kabinet heeft verschillende prioriteiten binnen een onderhandeling die soms bij het opmaken van het eindoordeel tegen elkaar moeten worden afgewogen. Bovendien dienen zich soms gedurende onderhandelingen alternatieve oplossingen voor bepaalde zorgen of aandachtspunten aan. Het vroegtijdig opwerpen van een rode lijn kan later in de onderhandelingen belemmeren om toe te werken naar een voorstel dat als geheel het meest aansluit bij de kabinetsinzet.

In de onderhandelingen werd duidelijk dat er voldoende steun was voor het behouden van de registratieplicht voor bepaalde hoog-risico AI-systemen. Het voorstel is ook niet in de uiteindelijk tekst van de Omnibus AI opgenomen.

26

U heeft voor de meeste AVG-wijzigingen nog geen definitief proportionaliteitsoordeel kunnen vellen wegens het ontbreken van een impact assessment. Kunt u aangeven voor welke specifieke maatregelen u dat oordeel nu, na ontvangst van de EDPB/EDPS-opinies, alsnog wél kunt vellen – en wat dat oordeel per maatregel is?

Antwoord

De Nederlandse inzet bij de Omnibusvoorstellen is in brede zin om regelgeving te verduidelijken en stroomlijnen, terwijl de doelen van de wetgeving overeind blijven. Vanuit dat oogpunt heeft het kabinet bij een aantal fundamentele wijzigingen aan de AVG serieuze zorgen omdat deze wijzigingen het niveau van gegevensbescherming wezenlijk verminderen, terwijl er geen sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk. Bij twijfel is over de evenredigheid van de gevolgen van een voorstel in de Omnibus Digitaal, stelt het kabinet met tekstvoorstellen voor om de tekst te amenderen of te schrappen. Het kabinet vindt daarbij op veel punten steun in de opinie van de Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) in samenspraak met Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB). De toezichthouders zijn bijvoorbeeld, met het kabinet, zeer kritisch over de wijzigingen in het begrip persoonsgegevens en de grondslag gerechtvaardigd belang voor AI. De opinie van de EDPB en EDPS wordt op voorstel van Nederland in de Raad bij de onderhandelingen betrokken. Omdat op dit moment over de wetstekst nog wordt onderhandeld in de Raad en de tekst daarmee niet definitief is, acht het kabinet het voor een definitief oordeel over de proportionaliteit nog te vroeg.

27

De Commissie stelt dat het Staff Working Document (SWD) een toereikende onderbouwing biedt.77 Het lid van de Fractie-Van de Sanden constateert dat u niet expliciet hierop heeft gereageerd. Deelt u de analyse dat een SWD geen equivalent is van een impact assessment in de zin van het Interinstitutioneel akkoord Beter Wetgeven? Zo ja, welke juridische consequentie verbindt u daaraan?

Antwoord

Voor sommige voorgestelde wijzigingen die geen afbreuk doen aan de doelen van de onderliggende wetgeving biedt het SWD voldoende onderbouwing om over de wijzigingen te kunnen onderhandelingen. Voor de onderdelen van de voorstellen die verdergaan dan het versimpelen, verduidelijken en stroomlijnen van wetgeving, maakt het ontbreken van een impact assessment het moeilijk voor het kabinet om de effecten te beoordelen. Het kabinet heeft in de onderhandelingen herhaaldelijk gepleit voor het uitvoeren van een impact assessment. Hier is echter onvoldoende steun voor in de Raad. Het kabinet verbindt hier geen juridische consequenties aan, maar zet zich ervoor in om de zorgen binnen de onderhandelingen te adresseren door om meer analyse te vragen en voorstellen die verder gaan dan versimpeling aan te passen en in sommige gevallen te schrappen.

28

De Commissie raamt de lastenverlichting van de Omnibus Digitaal op € 1 miljard per jaar. U geeft aan dat verschillende maatregelen – waaronder het Europees meldpunt en de gewijzigde definitie van persoonsgegevens – voor het mkb juist géén lastenverlichting opleveren.78 Heeft u een eigen kwantificering van de netto lastenreductie voor Nederlandse bedrijven, uitgesplitst naar mkb en grootbedrijf? Zo nee, wanneer verwacht u die inzichten?

U erkent dat sommige wijzigingen de complexiteit voor mkb eerder verhogen dan verlagen. Heeft u concrete alternatieve vereenvoudigingsmaatregelen aan de Commissie voorgesteld die wél effectief regeldruk verlagen zonder de grondrechtenbescherming te ondermijnen?

Antwoord

Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere vragen van uw Kamer over de omnibusvoorstellen79 wordt een kwantificering van de kosten en baten voor de Nederlandse situatie niet voorzien. Een dergelijke analyse wordt ook bemoeilijkt door het tempo van de onderhandelingen en dat het voorstel voortdurend aan verandering onderhevig is. Het kabinet zet zich er primair voor in om haar inzet in de onderhandelingen te bewerkstelligen.

Het kabinet presenteert in de onderhandelingen alternatieve voorstellen voor de onderdelen waarvan het betwijfelt of ze de regeldruk effectief verlagen, zoals het Europees meldpunt en de P2B-verordening. De non-papers met deze voorstellen zijn met uw Kamer gedeeld.

29

De regering beschouwt de vervanging van «strikt noodzakelijk» door «noodzakelijk» als grondslag voor bijzondere persoonsgegevens als zorgelijk, maar doet hierover geen expliciete uitspraak als harde randvoorwaarde.80 Is het handhaven van de strengere eis van «strikt noodzakelijk» voor u een conditio sine qua non voor instemming met de Omnibus AI? Zo nee, op welke wijze wordt dit grondrechtelijk ondervangen?

Antwoord

In het Raadsakkoord en het uiteindelijke akkoord over de Omnibus AI is dit onderdeel in lijn gebracht met het gezamenlijke advies van de EDPB en de EDPS. Er is dus geen noodzaak geweest dit expliciet een harde randvoorwaarde te maken bij de onderhandelingen.

30

Het lid van de Fractie-Van de Sanden stelt vast dat u erkent dat de omzetting van artikel 22 AVG van een negatieve naar een positieve formulering – geautomatiseerde besluitvorming is toegestaan mits aan voorwaarden voldaan – mogelijk aanpassing vereist van de Uitvoeringswet AVG.81 Welke waarborgen zorgen ervoor dat deze constitutionele verschuiving niet stilzwijgend plaatsvindt, zonder expliciete parlementaire toetsing van de nieuwe Nederlandse uitvoeringswetgeving?

Antwoord

Volgens het Commissievoorstel wordt artikel 22, eerste lid, AVG gewijzigd van een «recht om niet onderworpen te worden aan» geautomatiseerde besluitvorming die rechtsgevolgen heeft voor de betrokkene of hem anderszins in aanmerkelijke mate treft, naar een bepaling die de uitputtende lijst vastlegt van gevallen waarin dergelijke beslissingen zijn toegestaan.

De EDPB en EDPS hebben erop gewezen dat het Hof van Justitie van de EU artikel 22 heeft uitgelegd als een verbod dat in beginsel geldt, waarvan de schending niet individueel door de betrokkene hoeft te worden ingeroepen. Daarom hebben de EDPB en de EDPS een alternatief tekstvoorstel gedaan, waarbij artikel 22 materieel ongewijzigd blijft, om te verduidelijken dat betrokkenen dit recht kunnen blijven inroepen. Daarnaast steunen de EDPB en EDPS het oogmerk van de Commissie om te verduidelijken dat de noodzaak van geautomatiseerde individuele besluitvorming inhoudt dat er geen andere even effectieve en minder ingrijpende middelen (geautomatiseerd of niet) beschikbaar zijn voor de betrokkene. Dit zou echter niet in het artikel moeten worden opgenomen, maar in de bijbehorende overweging. Er lijkt onder de lidstaten draagvlak om deze voorstellen van de EDPB en EPDS over te nemen. Ook het kabinet steunt dit.

De vraag of er daadwerkelijk een aanpassing vereist is van de Uitvoeringswet AVG (artikel 40 UAVG) kan pas definitief worden beantwoord zodra duidelijk is of en op welke manier artikel 22 AVG wordt aangepast, dus aan het einde van de onderhandelingen. Daar kan nu niet op worden vooruitgelopen.

31

U stelt dat de voorgestelde definitie van «wetenschappelijk onderzoek» in de Omnibus Digitaal afwijkt van de EDPB-richtsnoeren en het beschermingsniveau kan ondermijnen.82 Verschillende lidstaten steunen het schrappen van deze definitie. Heeft u dit als formeel amendement in de Raad ingediend, en zo ja, wat is de stand van zaken?

Antwoord

Het kabinet heeft in de Raad haar zorgen geuit over de door de Commissie voorgestelde definitie van wetenschappelijk onderzoek in de AVG. Het kabinet heeft voorgesteld om deze definitie te schrappen of anders significant te wijzigen om aan de zorgen tegemoet te komen. In de ogen van het kabinet is deze definitie te breed geformuleerd – en niet in lijn met de definities van de EDPB (richtsnoeren 05/2020) en EDPS (opinie 6 januari 2020). Een te brede definitie kan afbreuk doen aan de bescherming, gelet op de uitzonderingen die bij wetenschappelijk onderzoek gelden voor het doelbindingsvereiste en de rechten van betrokkenen (artikel 89, tweede lid). Het gaat dan om uitzonderingen op de informatieplicht, het recht op gegevenswissing en op rectificatie.

De EDPB en EDPS zijn in hun opinie eveneens kritisch over de door de Europese Commissie voorgestelde definitie van wetenschappelijk onderzoek, en hebben in hun opinie enkele tekstuele voorstellen gedaan. De zorgen lijken te worden gedeeld in de raad. Nederland is positief over deze voorgestelde aanpassingen.

32

U beschrijft welke onderdelen van de Omnibus Digitaal leiden tot volledige harmonisatie, maar noemt ook artikel 88c als mogelijkheid voor lidstaten om nationaal uitdrukkelijke toestemming te vereisen in AI-context.83 Heeft u besloten van deze nationale keuzeruimte gebruik te maken? Zo nee, waarom niet, en wanneer wordt dit besluit genomen?

Antwoord

Onder de lidstaten lijkt voldoende draagvlak voor het schrappen van artikel 88c. Daarmee zou de aanleiding vervallen om een beslissing hierover te nemen.

33

Op welke concrete onderdelen van de Omnibus Digitaal en de Omnibus AI resteert er naar uw oordeel daadwerkelijk betekenisvolle nationale beleidsvrijheid, en op welke onderdelen leidt maximale harmonisatie ertoe dat nationale grondrechtelijke bescherming feitelijk niet meer aanvullend kan worden geboden?

Antwoord

De omnibusvoorstellen wijzigen bestaande EU-wetgeving. Alleen in het geval van de Open Datarichtlijn verandert dit de harmonisatie van de onderliggende wetgeving, omdat de regels uit deze richtlijn worden ondergebracht in een verordening, namelijk de Dataverordening. Dit heeft geen effect op de nationale grondrechtelijke bescherming. In het voorstel is opgenomen dat er met deze wijziging ruimte blijft voor nationale flexibiliteit met betrekking tot het hergebruiken van persoonlijke data in publieke registers.

Ook op de andere onderdelen van de omnibusvoorstellen wordt de nationale beleidsvrijheid niet significant beperkt door de wijzigingen aan bestaande wetgeving. Wel beperkt het voorgestelde Europees meldpunt mogelijk lidstaten in het inrichten van hun nationale meldstructuren. Het kabinet zet er daarom bij de onderhandelingen op in dat dat de nationale meldstructuren blijven behouden, zoals ook bepleit in het non-paper hierover dat met uw Kamer is gedeeld.84

34

U stelt dat de rechtsbescherming van burgers en bedrijven tegen besluiten van Europese digitale toezichthouders «in principe» toereikend is via het HvJEU.85 Hoeveel tijd en kosten zijn hiermee gemoeid in vergelijking met de nationale rechtsgang? Acht u toegang tot de Europese rechter reëel en effectief voor individuele burgers en mkb-ondernemers, of is hier sprake van een structureel handhavingstekort?

Antwoord

In de beantwoording waar u aan refereert heb ik aangegeven dat de omnibusvoorstellen niets veranderen aan de mogelijkheden voor burgers en bedrijven om besluiten van (Europese) digitale toezichthouders aan te vechten bij een onafhankelijke rechter. Ook veranderen de voorstellen weinig aan de verdeling van taken tussen nationale en Europese toezichthouders. Alleen de Omnibus AI bevat een beperkte wijziging van de taken van de AI Office. Er is dus geen aanleiding om op basis van de omnibusvoorstellen te betwijfelen of de rechtsbescherming van burgers en bedrijven bij besluiten van (Europese) toezichthouders onvoldoende is of dat er een handhavingstekort ontstaat.

De kosten van rechtszaken kunnen zowel bij de nationale als Europese rechtsgang sterk verschillen per zaak, op basis van onder andere de complexiteit en duur van de zaak. Het is kosteloos om een zaak aanhangig te maken bij het HvJEU.86 Partijen moeten uiteraard wel zelf een advocaat betalen.

35

Dit lid merkt op dat de AP constateert dat de verhoogde drempel voor het melden van datalekken ertoe zal leiden dat zij minder zicht heeft op risico’s.87 U erkent dit risico.88 Welke compenserende maatregelen worden getroffen om effectief toezicht te waarborgen als de meldingsdrempel stijgt?

Antwoord

Deze compenserende maatregelen kunnen met name bestaan uit de voorgestelde uniforme lijst op EU-niveau van omstandigheden waarin een datalek waarschijnlijk een hoog risico met zich meebrengt en uit het gemeenschappelijke meldingssjabloon, mits zij daadwerkelijk zodanige duidelijkheid bieden aan de uitvoeringspraktijk dat het risico op «onderschatte risico’s» wordt geminimaliseerd. Ook kan de documentatieplicht van datalekken eraan bijdragen dat toezichthouders kunnen controleren of de meldplichten inzake datalekken zijn nageleefd: verwerkingsverantwoordelijken blijven op grond van artikel 33, vijfde lid, geldende AVG verplicht om álle datalekken te documenteren, zodat de toezichthouders de naleving van de meldplicht kunnen controleren. De stimulans voor correcte melding kan verder worden bevorderd door mogelijke boetes in geval van niet-naleving van de meldingsplicht, evenals het recht van de betrokkene op schadevergoeding voor de mogelijke schade als direct gevolg van de schending van deze niet-naleving. Voornoemde waarborgen zijn ook door de EDPB en EDPS en de Europese Commissie als randvoorwaarden genoemd.

36

U oordeelt dat het Europees meldpunt niet proportioneel is en verder gaat dan noodzakelijk. U heeft een non-paper verspreid, maar geen formeel subsidiariteitsbezwaar ingediend. Het lid van de Fractie-Van de Sanden wil graag weten waarom niet? Wat is de juridische drempel die u daarvoor hanteert, en heeft u de Raad van State gevraagd om een oordeel over de subsidiariteitsvraag?

Antwoord

Het formele subsidiariteitsbezwaar is een instrument van de nationale parlementen, niet van het kabinet. De geëigende plek voor het kabinet om bezwaren op te brengen is gedurende de onderhandelingen. Het kabinet heeft in het BNC-fiche de subsidiariteit en de proportionaliteit over de voorstellen als positief, met kanttekeningen, beoordeeld. De voorstellen zien op grensoverschrijdende digitale regelgeving en wijzigingen van bestaande EU-wetgeving, waarvoor optreden op EU-niveau in algemene zin gerechtvaardigd wordt geacht.

Tegelijkertijd heeft het kabinet, met name ook voor zover het gaat om het voorstel om een Europees meldpunt in te richten, wel kanttekeningen geplaatst ten aanzien van de subsidiariteit en de proportionaliteit. Daarbij is onder meer aangegeven dat het specifieke doel van het vereenvoudigen en stroomlijnen van verschillende wettelijke meldplichten volgens het kabinet voor een belangrijk deel ook zonder dit vergaande middel bereikt kan worden en op nationaal niveau door lidstaten kan worden opgelost, mede omdat een groot deel van de betrokken entiteiten niet grensoverschrijdend opereert.

Het kabinet brengt deze zorgen actief in via reguliere inbreng in de Europese onderhandelingen en heeft ervoor gekozen deze zorgen met betrekking tot het voorstel tot inrichting van een Europees meldpunt inhoudelijk aan de orde te stellen in het eerder gedeelde non-paper.

37

U stelt dat nationale meldstructuren «meer efficiënt en tijdig» tot lastenverlichting leiden dan een Europees meldpunt. Op welk empirisch bewijs of welke analyse is dit oordeel gebaseerd? Is dit onderbouwd met concrete data over de NIS2- en CER-meldpraktijk?

Antwoord

Het oordeel van het kabinet is gebaseerd op beleidsmatige en uitvoeringsmatige overwegingen, afgestemd met relevante stakeholders. Hierin weegt mee dat een aanmerkelijk deel van de entiteiten onder de NIS2- en CER-richtlijn niet grensoverschrijdend opereren. Nationale structuren sluiten daarnaast beter aan op de bestaande samenwerking tussen entiteiten. Er zijn daarnaast zorgen omtrent beveiligingsrisico’s als het gaat om het centraliseren van meldplichten binnen één Europees meldpunt. Het verwerken van gevoelige meldingen, en in het bijzonder incidentinformatie van 27 lidstaten is kwetsbaar. Het kabinet werkt op nationaal niveau aan harmonisatie door de inrichting van één nationaal meldplatform voor NIS2- en CER-meldingen. Het kabinet is van mening dat het vereenvoudigen van meldplichten grotendeels via nationale oplossingen kan worden bereikt, en dat de centralisatie van een Europees meldplatform mogelijk zou kunnen leiden tot overlap.

38

U erkent dat met name Big Tech bedrijven relatief meer middelen hebben om aan nieuwe regelgeving te voldoen dan kleinere Europese organisaties, en dat dit een argument kan zijn voor tijdelijk uitstel.89 Bent u van mening dat structurele deregulering – in plaats van gerichte ondersteuning van het Europese mkb – het juiste antwoord is op dit concurrentienadeel? Zo nee, welke alternatieven heeft u in de onderhandelingen ingebracht?

Antwoord

In het algemeen steunt het kabinet dat de Commissie met onder andere de omnibusaanpak zich structureel inzet voor het verlagen van regeldruk. Deze aanpak is complementair aan het bieden van ondersteuning aan het mkb bij het voldoen aan wetgeving. Juist voor digitale wetgeving is het belangrijk ook concrete ondersteuning te bieden aan met name kleine bedrijven en overheden, omdat het voor kleinere organisaties lastig is om te gaan met veel nieuwe wetgeving in relatief korte tijd. Daarom wordt parallel aan de omnibusonderhandelingen ook gewerkt aan de ontwikkeling van verschillende tools ter ondersteuning van bedrijven en overheden, zoals richtsnoeren en standaarden.

39

Het aan het woord zijnde lid merkt op dat de stapeling van Europese digitale regelgeving een reëel knelpunt is. Heeft u een integrale inventarisatie gemaakt van de cumulatieve compliance-lasten van NIS2, CER, AVG, AI-verordening en de Omnibus-wijzigingen voor een representatieve Nederlandse onderneming? Zo nee, hoe kan u dan een onderbouwd proportionaliteitsoordeel vellen?

Antwoord

Het kabinet heeft geen integrale inventarisatie gemaakt van de cumulatieve compliance-lasten van NIS2, CER, AVG en AI-verordening voor een representatieve onderneming. De regels uit de AI-verordening moeten ook voor een belangrijk deel nog in werking treden. De meeste voorgestelde wijzigingen in de omnibussen richten zich meer op regeldruk als gevolg van de verschillende wetten op zichzelf dan op regeldruk als gevolg van overlap tussen, of stapeling van, wetten. Een integrale inventarisatie van cumulatieve effecten is dus niet noodzakelijk om over de meeste voorgestelde wijzigingen een redelijk proportionaliteitsoordeel te kunnen vellen.

Parallel aan de omnibusonderhandelingen werkt de Commissie aan een Digital Fitness Check. De Digital Fitness Check analyseert de wisselwerking tussen de verschillende digitale wetten en hun cumulatieve impact. De Commissie zal naar verwachting eind dit jaar hier de resultaten van presenteren.

40

U stelt dat de Omnibus Digitaal de rechtspositie van burgers tegenover techbedrijven kan verzwakken,90 maar koppelt dit niet expliciet aan digitale soevereiniteit. Bent u het eens met de stelling van het aan het woord zijnde lid dat een verzwakking van de AVG als handhavingsinstrument feitelijk de marktmacht van niet-Europese platforms vergroot, en daarmee direct afdoet aan de Europese strategische autonomie?

Antwoord

Over de omnibussen als geheel verwacht het kabinet dat ze de de regeldruk verlagen door simplificatie en daarmee bijdragen aan het versterken van het concurrentievermogen. Sommige voorgestelde wijzigingen aan de AVG lijken wel zoals u benoemt de rechtspositie van burgers tegenover techbedrijven te verzwakken of meer ten goede te komen aan bestaande AI-bedrijven die al beschikken over datasets, inclusief persoonsgegevens. Het kabinet is kritisch op deze onderdelen en zet zich er in de onderhandelingen voor in om de voorstellen op deze onderdelen te verbeteren.

41

Op welke specifieke onderdelen van de Omnibus Digitaal en de Omnibus AI wordt naar uw oordeel strategische beslissingsmacht overgedragen aan instellingen of actoren buiten de directe democratische controle van lidstaten? Hoe wordt deze overdracht gewogen tegen de beoogde voordelen van harmonisatie?

Antwoord

Met het voorgestelde Europees meldpunt zou besluitvorming over de inrichting van meldstructuren mogelijk deels naar Europees niveau worden verplaatst. Het kabinet zet er bij de onderhandelingen op in dat dat de nationale meldstructuren blijven behouden, zoals ook bepleit in het non-paper hierover dat met uw Kamer is gedeeld91.

De enige andere significante wijziging op dit vlak is de voorgestelde exclusieve bevoegdheid voor de AI Office om toezicht te houden op hoog risico AI-systemen die zijn gebaseerd op AI-modellen voor algemene doeleinden (GPAI-modellen), waarbij zowel het GPAI-model als het AI-systeem van dezelfde aanbieder zijn. Het kabinet kan deze aanpassing steunen gezien de complexiteit van het toezicht op zulke AI-systemen en de complementariteit van deze bevoegdheid met de bevoegdheid die de Commissie onder de AI-verordening al heeft voor het toezicht op GPAI-modellen.

42

De Commissie heeft een hoge prioriteit aan de behandeling en de daarbij horende onderhandelingen gegeven. U bent gebonden aan vertrouwelijkheid van onderhandelingsstukken. Hier wringt diplomatie met benodigde transparantie in het Europese wetgevingstraject. Het lid van de Fractie-Van de Sanden vraagt hoe u waarborgt dat de Eerste Kamer tijdig en volledig geïnformeerd wordt om haar constitutioneel controlerende rol ten aanzien van de Nederlandse inzet in dit Europese wetgevingstraject effectief te kunnen uitoefenen, als het akkoord plots nabij is?

Antwoord

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 24 zijn er vaste afspraken gemaakt tussen het parlement en de Minister van Buitenlandse Zaken over de informatievoorziening aan de Eerste en Tweede Kamer over Europese voorstellen. Deze informatieafspraken met de Eerste en Tweede Kamer zijn gericht op een doeltreffende informatiepositie voor het parlement zodat het parlement haar controlerende taak kan uitvoeren. Daarbij worden vertrouwelijke onderhandelingsstukken niet gedeeld. Gezien het belang dat uw Kamer aan deze voorstellen hecht en de snelheid van de onderhandelingen heb ik met uw Kamer aanvullende afspraken gemaakt over de informatievoorziening over deze omnibussen. Daarmee beoog ik uw Kamer zo goed mogelijk in staat te stellen haar taken uit te kunnen voeren.

43

De EDPB en EDPS hebben op voorspraak van Nederland hun adviezen in de AGS gepresenteerd – u beschouwt dit als een concreet resultaat.92 Kunt u aangeven welke andere concrete resultaten Nederland tot nu toe in de onderhandelingen heeft geboekt, uitgedrukt in tekstwijzigingen in de onderhandelingstekst die de Nederlandse inzet reflecteren?

Antwoord

Over het akkoord op de Omnibus AI bent u op 8 mei jl. geïnformeerd. Gezien de vertrouwelijkheid van de onderhandelingsstukken kan ik niet delen welke concrete wijzigingen er in de huidige compromistekst van de Omnibus Digitaal zijn opgenomen. Tekstwijzigingen in tussentijdse compromisteksten kunnen bovendien in de rest van de onderhandelingen weer worden gewijzigd of teruggedraaid. De beste indicatie die ik kan geven van de resultaten die zijn behaald is een inschatting van het krachtenveld op dit moment. In het antwoord op vraag 7 ga ik in op het krachtenveld in de Raad rondom de belangrijke punten uit de Nederlandse inzet.


X Noot
1

Samenstelling:

Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Goossen (BBB), Hartog (Volt), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Kanis (D66), Lievense (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Panman (BBB) (ondervoorzitter), Petersen (VVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Steenkamp (CDA), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Samenstelling:

Van Aelst-den Uijl (SP), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Holterhues (ChristenUnie), Karaaslan (D66), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Kroon (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Van Meenen (D66), Panman (BBB), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Van Strien (PVV), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 26.

X Noot
6

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 27.

X Noot
7

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 29.

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 30.

X Noot
9

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 41.

X Noot
10

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 44.

X Noot
11

Ibid.

X Noot
12

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 45.

X Noot
13

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 57.

X Noot
14

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 58.

X Noot
15

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 32.

X Noot
16

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 69.

X Noot
17

Ibid.

X Noot
18

Ibid.

X Noot
19

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 70.

X Noot
20

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 71.

X Noot
21

Ibid.

X Noot
22

Ibid.

X Noot
23

Autoriteit Persoonsgegevens, «Position paper AP: Omnibus Digitaal en Omnibus AI», 13 januari 2026, https://www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/documenten/position-paper-ap-omnibus-digitaal-en-omnibus-ai.

X Noot
24

Idem, p. 2.

X Noot
25

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 71.

X Noot
26

Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4301 en nr. 4302.

X Noot
27

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J.

X Noot
28

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, L, p. 2.

X Noot
29

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, A, p. 4.

X Noot
30

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J.

X Noot
31

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 35.

X Noot
32

Ibid.

X Noot
33

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

X Noot
34

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 24.

X Noot
35

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 40.

X Noot
36

EDPB-EDPS Joint opinion 1/2026 on the Proposal for a Regulation as regards the simplification of the implementation of harmonised rules on artificial intelligence (Digital Omnibus on AI), 21 januari 2026, https://www.edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/edpbedps-joint-opinion/edpb-edps-joint-opinion-12026-proposal_en

X Noot
37

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

X Noot
38

SWD(2025) 836 final, p. 88.

X Noot
39

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 32.

X Noot
40

Ibid.

X Noot
41

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 50.

X Noot
42

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 28.

X Noot
43

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46.

X Noot
44

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 28.

X Noot
45

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 35.

X Noot
46

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 45.

X Noot
47

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46.

X Noot
48

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 37.

X Noot
49

Ibid.

X Noot
50

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 38.

X Noot
51

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46.

X Noot
52

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

X Noot
53

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

X Noot
54

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 27.

X Noot
55

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 29.

X Noot
56

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46 & p. 52.

X Noot
57

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 30.

X Noot
58

Kamerstukken I 2025/2026, 180963

X Noot
59

Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4287

X Noot
60

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 41.

X Noot
61

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 44.

X Noot
62

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 45.

X Noot
63

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 57.

X Noot
64

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 58.

X Noot
66

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 32.

X Noot
67

Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4223

X Noot
68

Kamerstukken I 2025/2026, 180963

X Noot
69

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 69.

X Noot
70

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 70.

X Noot
71

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 71.

X Noot
72

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 71.

X Noot
73

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 71.

X Noot
74

Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4301 en nr. 4302.

X Noot
75

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 35.

X Noot
76

Kamerstukken I 2025/2026, 180963

X Noot
77

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

X Noot
78

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 32.

X Noot
79

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J

X Noot
80

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 50.

X Noot
81

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 28.

X Noot
82

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46.

X Noot
83

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 28.

X Noot
84

Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4287

X Noot
85

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 35.

X Noot
87

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 45.

X Noot
88

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46.

X Noot
89

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 38.

X Noot
90

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46.

X Noot
91

Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4287

X Noot
92

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.


X Noot
1

Samenstelling:

Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Goossen (BBB), Hartog (Volt), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Kanis (D66), Lievense (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Panman (BBB) (ondervoorzitter), Petersen (VVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Steenkamp (CDA), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Samenstelling:

Van Aelst-den Uijl (SP), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Holterhues (ChristenUnie), Karaaslan (D66), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Kroon (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Van Meenen (D66), Panman (BBB), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Van Strien (PVV), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 26.

X Noot
6

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 27.

X Noot
7

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 29.

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 30.

X Noot
9

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 41.

X Noot
10

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 44.

X Noot
11

Ibid.

X Noot
12

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 45.

X Noot
13

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 57.

X Noot
14

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 58.

X Noot
15

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 32.

X Noot
16

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 69.

X Noot
17

Ibid.

X Noot
18

Ibid.

X Noot
19

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 70.

X Noot
20

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 71.

X Noot
21

Ibid.

X Noot
22

Ibid.

X Noot
23

Autoriteit Persoonsgegevens, «Position paper AP: Omnibus Digitaal en Omnibus AI», 13 januari 2026, https://www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/documenten/position-paper-ap-omnibus-digitaal-en-omnibus-ai.

X Noot
24

Idem, p. 2.

X Noot
25

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 71.

X Noot
26

Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4301 en nr. 4302.

X Noot
27

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J.

X Noot
28

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, L, p. 2.

X Noot
29

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, A, p. 4.

X Noot
30

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J.

X Noot
31

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 35.

X Noot
32

Ibid.

X Noot
33

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

X Noot
34

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 24.

X Noot
35

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 40.

X Noot
36

EDPB-EDPS Joint opinion 1/2026 on the Proposal for a Regulation as regards the simplification of the implementation of harmonised rules on artificial intelligence (Digital Omnibus on AI), 21 januari 2026, https://www.edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/edpbedps-joint-opinion/edpb-edps-joint-opinion-12026-proposal_en

X Noot
37

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

X Noot
38

SWD(2025) 836 final, p. 88.

X Noot
39

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 32.

X Noot
40

Ibid.

X Noot
41

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 50.

X Noot
42

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 28.

X Noot
43

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46.

X Noot
44

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 28.

X Noot
45

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 35.

X Noot
46

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 45.

X Noot
47

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46.

X Noot
48

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 37.

X Noot
49

Ibid.

X Noot
50

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 38.

X Noot
51

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46.

X Noot
52

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

X Noot
53

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

X Noot
54

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 27.

X Noot
55

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 29.

X Noot
56

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46 & p. 52.

X Noot
57

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 30.

X Noot
58

Kamerstukken I 2025/2026, 180963

X Noot
59

Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4287

X Noot
60

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 41.

X Noot
61

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 44.

X Noot
62

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 45.

X Noot
63

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 57.

X Noot
64

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 58.

X Noot
66

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 32.

X Noot
67

Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4223

X Noot
68

Kamerstukken I 2025/2026, 180963

X Noot
69

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 69.

X Noot
70

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 70.

X Noot
71

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 71.

X Noot
72

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 71.

X Noot
73

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 71.

X Noot
74

Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4301 en nr. 4302.

X Noot
75

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 35.

X Noot
76

Kamerstukken I 2025/2026, 180963

X Noot
77

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

X Noot
78

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 32.

X Noot
79

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J

X Noot
80

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 50.

X Noot
81

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 28.

X Noot
82

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46.

X Noot
83

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 28.

X Noot
84

Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4287

X Noot
85

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 35.

X Noot
87

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 45.

X Noot
88

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46.

X Noot
89

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 38.

X Noot
90

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 46.

X Noot
91

Kamerstukken II 2025/2026, 22 112, nr. 4287

X Noot
92

Kamerstukken I 2025/2026, 36 890, J, p. 25.

Naar boven