Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36885 nr. 7 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36885 nr. 7 |
Ontvangen 7 mei 2026
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel I wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:
Ba
Artikel 1:46, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel c wordt «3:9 en 4:10» vervangen door «3:9, 3:9b, 4:10 en 4:10a».
2. In onderdeel d wordt «3:8 en 4:9» vervangen door «3:8, 3:9b, 4:9 en 4:10a».
B
Artikel I, onderdeel K, wordt als volgt gewijzigd:
1. In het voorgestelde artikel 1:106b, eerste lid, onderdeel 2°, wordt «artikelen 3:96a, tweede lid, of 3:96c, tweede lid;» vervangen door «artikelen 3:96a, eerste lid, of 3:96c, eerste lid;»
2. In artikel 1:106b, eerste lid, onderdeel 3°, wordt «artikelen 3:96b, tweede lid, of 3:96d, tweede lid» vervangen door artikelen 3:96b, eerste lid, of 3:96d, eerste lid.»
C
In artikel I, onderdeel X, vervalt het eerste lid, onder vernummering van het tweede en derde lid tot het eerste en tweede lid.
D
In artikel I, onderdeel BB, wordt na «de financieel directeur» ingevoegd «werkzaam bij een onderneming als bedoeld in artikel 91 bis, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten».
E
Na Artikel IV wordt er een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL IVa
De Implementatiewet richtlijn en verordening kapitaalvereisten wordt ingetrokken.
A
Artikel 1:46, tweede lid, Wft bevat een opsomming van onderwerpen ten aanzien waarvan de toezichthouders hun algemene verbindende voorschriften en beleidsregels op elkaar moeten afstemmen. De onderwerpen betrouwbaarheid en geschiktheid zijn in artikel 1:46, tweede lid, onderdelen c en d, Wft opgenomen. Het nieuwe artikel 3:9b Wft voorziet in de implementatie van artikel 91 bis CRD1 en regelt de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis voor medewerkers met een sleutelfunctie bij een bank. Artikel 4:10a Wft regelt hetzelfde voor beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten. Omdat artikel 1:46, tweede lid, onderdelen c en d, Wft over betrouwbaarheid en geschiktheid gaan, moeten deze onderdelen aangevuld worden met verwijzingen naar de artikelen 3:9b en 4:10a Wft.
B
In het voorstelde artikel 1:106b, eerste lid Wft worden twee verschrijvingen hersteld. Ten eerste dient onderdeel 2° te verwijzen naar de artikelen 3:96a, eerste lid, en 3:96c, eerste lid, Wft, aangezien daarin de specifieke aanvraag of kennisgeving is opgenomen. Het tweede lid bevat slechts een delegatiegrondslag voor een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Om dezelfde reden is onderdeel 3° aangepast, waarbij de wijziging betrekking heeft op de specifieke aanvraag of kennisgeving, zoals opgenomen in op 3:96b, eerste lid, of 3:96d, eerste lid, Wft.
C
Artikel I, onderdeel X, van de implementatiewet kapitaalvereisten 2026 wordt aangepast, zodat de voorgestelde wijziging van artikel 3:5, eerste lid, Wft komt te vervallen. De wijziging zou een zin hebben toegevoegd ter verduidelijking dat het ondernemingen gezeteld in een staat die geen lidstaat is niet alleen verboden is om opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, maar ook dat het hen verboden is om van een ander dan het publiek opvorderbare gelden aan te trekken. Hoewel dit nog steeds geldt voor ondernemingen in een staat die geen lidstaat is die de bancaire diensten 1, 2, of 6 uit bijlage I CRD willen verrichten in Nederland, is overwogen dat dit al rechtstreeks volgt uit artikel 2:20 Wft. Dat artikel verbiedt een onderneming in een staat die geen lidstaat is om de genoemde bancaire diensten aan te bieden in Nederland zonder een derde land bijkantoor op te richten met bijbehorende vergunning. Toevoeging van de zin aan artikel 3:5, eerste lid, Wft is daarmee niet nodig, nu artikel 2:20 Wft op zichzelf al geldt als verbod.
Bovendien zou de toevoeging mogelijk andere consequenties hebben. Zo zou zonder de onderhavige aanpassing overwogen kunnen worden dat, ingeval van uitgaande verstrekking van leningen door Nederlandse ondernemingen aan ondernemingen in staten die geen lidstaat zijn, het verbod van artikel 3:5 Wft van toepassing is op de onderneming in een derde land die een lening verkrijgt. Uitgaande verstrekking van leningen (dienst 2 uit bijlage I CRD) mag echter voortgezet worden door Nederlandse ondernemingen aan ondernemingen gezeteld in staten die geen lidstaat zijn. Dit leidt niet automatisch tot de kwalificatie dat een onderneming in een staat die geen lidstaat is opvorderbare gelden aantrekt en binnen het toepassingsbereik van artikel 3:5 komt. Voorwaarde hiervoor is dat de lening van een Nederlandse onderneming in de dagelijkse praktijk van een onderneming in een staat die geen lidstaat is, gebruikt moet worden als lening, en niet fungeert als verkapt deposito. De lening wordt aangehouden op een bankrekening bij de onderneming in een staat die geen lidstaat is zelf (als die een bank zou zijn). De gelden verkregen vanwege de lening zullen dan aangehouden worden bij een bank buiten de Europese Unie.
Met de voorgestelde wijziging wordt ook voorkomen dat artikel 3:5 Wft van toepassing wordt geacht op het incidenteel aankopen van leningen. Indien een onderneming uit een staat die geen lidstaat is door de koop van een lening die oorspronkelijk in een lidstaat is verstrekt, kan worden aangemerkt als de verstrekker van een lening, dan zou kunnen worden overwogen dat zij dienst 2 uit bijlage I CRD uitvoert. Een dergelijke aankoop van leningen kan plaatsvinden binnen de normale bedrijfsvoering van een onderneming, zonder dat een onderneming bedrijfsmatig leningen verstrekt. Als de overdracht van leningen aan een onderneming uit een staat die geen lidstaat is, plaatsvindt met als doel dat deze onderneming de verplichting om in Nederland een bijkantoor in een derde land op te richten met de bijbehorende vergunning kan omzeilen, dan valt dit onder het verbod van artikel 2:20 Wft. Voor zover leningverstrekking door een onderneming uit een staat die geen lidstaat is direct verricht wordt aan een in Nederland gezetelde onderneming of natuurlijk persoon, dan geldt eveneens het verbod uit artikel 2:20 Wft.
D
In artikel 3:9b, met betrekking tot de medewerkers met een sleutelfunctie, wordt voorgeschreven dat zij geschikt en betrouwbaar moeten zijn alvorens zij deze sleutelfunctie mogen bekleden. Met deze nota van wijziging wordt tevens geregeld dat artikel 3:9b, tweede lid, Wft bepaalt dat de externe toetsing door DNB van de hoofden van de internecontrolefuncties en financieel directeur beperkt is tot de ondernemingen die genoemd worden in artikel 91 bis, vijfde lid, CRD. Dit betreft banken (of dochterondernemingen daarvan) die aangemerkt kunnen worden als grote instelling (zijnde een mondiaal systeemrelevante bank, een anderszins systeemrelevante bank, één van de drie grootste banken in een lidstaat, of een bank met activaomvang van € 30 miljard of meer op individuele of geconsolideerde basis) alsmede (gemengde) financiële (EU-)moederholdings met een grote instelling in de groep.
Deze beperking sluit beter aan op het minimumniveau van de CRD en leidt tot een lastenverlichting voor banken die niet aangemerkt kunnen worden als grote instelling. Op grond van de omvang van de balans zou dat betekenen dat voor slechts 7 banken de externe toetsing van hoofden van de internecontrolefuncties en financieel directeur nodig zijn.2 Omdat een beleggingsonderneming onder de CRD nooit een grote instelling kan zijn als bedoeld in artikel 91 bis, vijfde lid, CRD, is artikel 4:10a Wft niet aangepast.
Andere banken die niet aan te merken zijn als grote instelling hebben nog steeds de verplichting om zelf (intern) te toetsen of hun medewerkers met een sleutelfunctie, waaronder de hoofden van de internecontrolefuncties en financieel directeur, geschikt en betrouwbaar zijn. Dit volgt uit de artikelen 3:9b, eerste lid, Wft.
E
In het wetsvoorstel wordt artikel IVa ingevoegd. Met dit artikel wordt de Implementatiewet richtlijn en verordening kapitaalvereisten ingetrokken. Met deze wet is de CRD geïmplementeerd in de Wft in 2015. Deze implementatiewet bevat nog één bepaling met overgangsrecht dat inmiddels is uitgewerkt. Om die reden kan de wet worden ingetrokken.
De Minister van Financiën, E. Heinen
Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG. De afkorting CRD staat voor de Engelse benaming Capital Requirements Directive. Waar in de tekst naar CRD wordt verwezen, wordt gedoeld op de geconsolideerde versie van de richtlijn, inclusief de wijzigingen die volgen uit de te implementeren Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s.
Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG. De afkorting CRD staat voor de Engelse benaming Capital Requirements Directive. Waar in de tekst naar CRD wordt verwezen, wordt gedoeld op de geconsolideerde versie van de richtlijn, inclusief de wijzigingen die volgen uit de te implementeren Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36885-7.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.