Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36881 nr. C |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36881 nr. C |
Ontvangen 28 mei 2026
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat/Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het wetsvoorstel tot wijziging van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting (hierna: novelle). Ik ben de leden van de fracties erkentelijk voor de voortvarendheid waarmee de Kamer het verslag heeft uitgebracht. In het belang van de voortgang van deze novelle, worden de vragen van het verslag hierbij zo zorgvuldig mogelijk beantwoord. Ik streef ernaar om de novelle en het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting (hierna: het wetsvoorstel) per 1 juli 2026 in werking te laten tredenmet uitzondering van de onderdelen die nog nader moeten worden uitgewerkt in het ontwerpbesluit of waarvoor een invoeringstermijn noodzakelijk is. Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid van een gefaseerde inwerkingtreding per onderdeel van het wetsvoorstel en het bepalen van invoeringstermijnen bij koninklijk besluit. Tijdige vaststelling van het wettelijk kader is immers van groot belang voor de grote volkshuisvestingsopgave die er ligt en het halen van de mijlpalen in het kader van het Herstel- en Veerkrachtfonds. Deze mijlpalen betreffen publicatie vóór 31 augustus 2026 en inwerkingtreding voor 1 januari 2027 van wetgeving waarmee gestuurd kan worden op de bouw van nieuwe betaalbare woningen. Gelet op de vaste verandermomenten dient het wetsvoorstel daarom per 1 juli 2026 in werking te treden. Het niet (tijdig) behalen van deze mijlpalen kan leiden tot kortingen voor de voor Nederland beschikbare middelen, oplopend tot € 1,2 miljard euro (2 x 600 miljoen). Ik blijf mij daarom inspannen voor een spoedige inwerkingtreding van het wetsvoorstel, de novelle, het bijbehorende besluit en de bijbehorende regeling en verzoek uw Kamer de verdere behandeling voortvarend ter hand te nemen.
Op dit moment is ook het Ontwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting (hierna: ontwerpbesluit) in voorhang bij uw Kamer.
In deze nota zijn vragen van gelijke strekking waar mogelijk op één plek beantwoord of wordt verwezen naar het antwoord op de eerste vraag van die gelijke strekking. Verder is bij de beantwoording zo veel mogelijk de volgorde en paragraafindeling van het verslag aangehouden en zijn de vragen cursief gedrukt en genummerd.
Inhoudelijke toelichting
1. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben kennisgenomen van het verworpen amendement-Grinwis en De Hoop, dat beoogde minimaal twee derde betaalbare woningen en 30% sociale huur in de nieuwbouwprogrammering op gemeentelijk niveau als uitgangspunt vast te leggen om de betaalbaarheidsdoelstelling in de nieuwbouwopgave te vereenvoudigen.1 Daarnaast hebben zij kennisgenomen van de verworpen motie-Beckerman die opriep om gemeenten niet te sanctioneren of financieel te benadelen wanneer zij meer sociale huurwoningen realiseren dan het landelijke minimum.2 Kan de regering een reflectie geven op het doel en/of de intentie van dit amendement en deze motie in relatie tot de doelmatigheid en uitvoerbaarheid van de wet?
Indieners van het amendement ten aanzien van de nieuwbouwprogrammering op gemeentelijk niveau beoogden hiermee meer tempo in de verdeling van het aantal betaalbare woningen te bereiken en dat elke gemeente een bijdrage levert aan de realisatie van de betaalbaarheidsdoelen.
Bovengenoemd amendement is om een aantal redenen ontraden. Bij een betaalbaarheidsprogrammering van 2/3 betaalbaar bouwen, waarvan 30% sociale huurwoningen is er geen sturing op de bouw van woningen voor middeninkomens. Dat vind ik niet wenselijk omdat er niet alleen een tekort is aan sociale huurwoningen maar ook aan woningen voor huishoudens met een middeninkomen. Daarnaast stuurt de toevoeging «minimaal» op de bouw van meer dan twee derde betaalbare woningen. Dat kan er toe leiden dat woningbouwprojecten stil komen te liggen of vertragen doordat het financieel niet meer uitvoerbaar is, terwijl het noodzakelijk is om tempo te maken.
Het belang om tempo te maken is eveneens een reden om bovenmatige betaalbaarheidseisen – onder meer bij de inzet van financiële regelingen – te ontmoedigen wanneer deze eisen niet noodzakelijk zijn om de regionale betaalbaarheidsdoelen te bereiken. Ik wil voorkomen dat projecten vertragen of stilvallen doordat deze financieel onhaalbaar zijn. Om die reden is de bovengenoemde motie Beckerman ontraden.
Adviezen en internetconsultatie
2. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben kennisgenomen van de moties en amendementen die zijn ingediend tijdens de behandeling van de Novelle Wet versterking regie volkshuisvesting in de Tweede Kamer. De verworpen motie-Beckerman riep op om urgentie mogelijk te maken voor mensen die volgens de European Typology of Homelessness and Housing Exclusion (ETHOS)-definitie dakloos zijn of dreigen te worden.3 Hoe reflecteert de regering op de ETHOS-definitie? Waarom wordt deze niet toegepast op het beleid in Nederland? Wat zijn volgens de regering de voor- en nadelen van de toepassing van deze definitie in Nederland? Is de regering in het kader van deze overweging bekend met het advies van het College voor de Rechten van de Mens in reactie op de consultatie over de Ontwerpregeling versterking regie volkshuisvesting, waarin gewaarschuwd wordt dat het niet verlenen van urgentie aan alle dak- en thuislozen mogelijk op gespannen voet staat met het mensenrecht op adequate huisvesting?4
In het Nationaal Actieplan Dakloosheid, dat op landelijk niveau wordt uitgevoerd door de Ministeries van VWS, BZK en SZW wordt de ETHOS-light definitie gehanteerd. Het doel van de ETHOS-light classificering is om (dreigend) dakloze mensen op een uniforme manier in beeld te brengen, zodat beleidskeuzes op landelijk en lokaal niveau beter aansluiten bij de doelgroep.
Overeenkomstig de toelichting op het amendement Grinwis c.s.5 heb ik de ETHOS-light definitie als uitgangspunt genomen bij de uitwerking van de urgentiecategorie voor (dreigend) dakloze gezinnen met minderjarige kinderen in de ontwerpregeling versterking regie volkshuisvesting. Ook in de volkshuisvestingsprogramma’s is de aandachtsgroep (dreigend) dakloze mensen gebaseerd op een definitie in lijn met ETHOS-light.
Laat er geen misverstand over bestaan: geen enkel kind zou op straat moeten slapen. Echter, ik zie ook dat de problematiek per geval, per dakloos gezin, in de praktijk verschilt. Met de uitwerking van het amendement in de ontwerpregeling heb ik dan ook geprobeerd om ervoor te zorgen dat woningzoekenden die dit het meest nodig hebben in aanmerking komen voor urgentie. Om deze reden heb ik voor de urgentieregeling als criterium opgenomen dat er sprake moet zijn van een niet- duurzaam verblijfperspectief. Daarnaast ben ik voornemens twee voorwaarden te verbinden aan deze urgentiecategorie. Het gaat daarbij om de voorwaarden dat de woningzoekende het gezag moet hebben over ten minste één minderjarig kind, een substantiële zorgtaak moet hebben over dat betreffende kind en dat het huisvestingsprobleem redelijkerwijs niet voorkomen kon worden. Wanneer de woningzoekende redelijkerwijs had kunnen voorkomen dat deze dakloos is geworden, zou het onrechtvaardig zijn om deze woningzoekende met voorrang te huisvesten boven andere mensen die ook urgentie hebben of regulier woningzoekende zijn. In een situatie van dreigend dakloosheid kunnen zich situaties voordoen waarin de woningzoekende op kan anticiperen om niet dakloos te worden. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het treffen van voldoende voorbereiding wanneer een tijdelijk huurcontract afloopt, of de situatie dat een woningzoekende vrijwillig de huur van een andere woonruimte heeft opgezegd zonder te voorzien in vervolg huisvesting.
In de uitwerking heb ik geprobeerd een balans te vinden, zodat de woningzoekenden die dit dat het meest nodig hebben in aanmerking komen voor urgentie en dat dakloze gezinnen met minderjarige kinderen niet op straat slapen.
Naar aanleiding van de binnengekomen consultatiereacties ga ik in de toelichting van de ontwerpregeling in op voorbeelden van verschillende situaties die zich kunnen voordoen. Hierin neem ik ook het advies van het College voor de Rechten van de Mens mee.
3. De leden van de fractie van de BBB constateren dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en anderen aangeven bezwaar te hebben tegen het schrappen van beroepsmogelijkheden voor gemeenten op basis van het gelijkheidsbeginsel en het recht op toegang tot de rechter. Tegelijkertijd zal deze maatregel het bouwen van woningen niet enorm versnellen want gemeenten gaan zelden in beroep, terwijl woningbouwplannen van buurgemeenten wel degelijk grote impact kunnen hebben op bijvoorbeeld de infrastructuur. Kan de regering reflecteren op de reactie van de VNG?
Er zijn geen voorbeelden van gemeenten die in beroep gaan tegen elkaars woningbouwplannen, maar wel van gemeenten die het vervelend vinden als een buurgemeente tegen de gemeentegrens bouwt. Deze situaties kunnen zich wel vaker voordoen nu er jaarlijks 100.000 woningen gebouwd moeten worden om het woningtekort te verkleinen.
Uitgangspunt van de Omgevingswet, die daarover diverse bepalingen bevat, is dat overheden afstemmen en aan de voorkant vroegtijdig met elkaar aan tafel gaan. Deze afstemming is niet alleen aan de orde bij buurgemeenten maar ook met andere overheden en met bijvoorbeeld publieke instellingen zoals de GGD, en brandweer. Afstemming aan de voorkant moet uiteindelijk leiden tot versnelling in de uitvoering. Dit is ook de focus bij regionale samenwerking. Juridische procedures leiden meestal tot lange en onwenselijke vertraging van woningbouwprojecten. Gemeenten kunnen ook de hulp van de provincie inroepen bij een dreigend conflict tussen gemeenten. Daarnaast kan ik natuurlijk niet uitsluiten dat soms de inzet van juridische procedures noodzakelijk kan zijn om verantwoordelijkheid te nemen. Bijvoorbeeld als het gaat om het doorbreken van een bestuurlijke impasse door provincies of Rijk over een woningbouwlocatie.
4. De G4-gemeenten vragen in de internetconsultatie om een implementatietermijn van twee jaar, vanwege de complexiteit van de (geamendeerde) wet. Graag lezen de leden van de BBB-fractie de reflectie van de regering op dit voorstel van de G4-gemeenten.
Ik wil het wetsvoorstel op 1 juli 2026 in werking laten treden met uitzondering van de onderdelen die nog nader moeten worden uitgewerkt in het ontwerpbesluit of waarvoor een invoeringstermijn noodzakelijk is. Het wetsvoorstel voorziet in een gefaseerde inwerkingtreding per onderdeel van het wetsvoorstel en het bepalen van de invoeringstermijnen bij koninklijk besluit. Na bestuurlijk overleg met IPO en VNG ben ik voornemens om daarin te bepalen dat gemeenten en Rijk tot een jaar na inwerkingtreding van de wet de tijd krijgen om het volkshuisvestingsprogramma vast te stellen. Provincies krijgen hier anderhalf jaar de tijd voor. Gemeenten dienen hun huisvestingsverordening anderhalf jaar na inwerkingtreding vast te stellen. Ik zal natuurlijk maximale invoeringsondersteuning zoals een handreiking en een modelhuisvestingsverordening aanbieden aan de gemeenten en provincies. Daarnaast zie ik in het land dat veel gemeenten en provincies vooruitlopend op de inwerkingtreding al voortvarend aan de slag zijn, anticiperend op de wet- en regelgeving. Enkele gemeenten hebben hun volkshuisvestingsprogramma nagenoeg al afgerond en werken met regionale woondeals in lijn met de wettelijke doelstellingen.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, E. Boekholt-O’Sullivan
College voor de Rechten van de Mens (R. Lawson), «Regeling versterking regie volkshuisvesting 2e consultatie», internetconsultatie.nl, 30 maart 2026
College voor de Rechten van de Mens (R. Lawson), «Regeling versterking regie volkshuisvesting 2e consultatie», internetconsultatie.nl, 30 maart 2026
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36881-C.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.