Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
Aan artikel I wordt onderdeel toegevoegd, luidende:
D
Na artikel IX wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel IXa
Indien het bij koninklijke boodschap van 25 september 2025 ingediende voorstel van
wet tot wijziging van diverse wetten in verband met het overzetten van bepalingen
uit de Vangnetregeling Omgevingswet naar de wet in formele zin, alsmede met het herstellen
van wetstechnische gebreken en leemten (Kamerstukken 36 824) tot wet is of wordt verheven en artikel XII, onderdeel E, van die wet:
-
a. eerder in werking is getreden of treedt dan artikel III, van deze wet, wordt aan artikel
III, onderdeel FD, van die wet een onderdeel toegevoegd, luidende:3. In het vierde
lid, onder a, wordt «drie jaar» vervangen door «vijf jaar».
-
b. later in werking treedt dan artikel III van deze wet, wordt in artikel XII, onderdeel
E, onder 3, van die wet «drie jaar» vervangen door «vijf jaar».
Toelichting
In artikel XII, onderdeel E, van het voorstel van wet tot Wijziging van diverse wetten
in verband met het overzetten van bepalingen uit de Vangnetregeling Omgevingswet naar
de wet in formele zin, alsmede met het herstellen van wetstechnische gebreken en leemten
(Kamerstukken 36 824) wordt artikel 9.4 van de Omgevingswet inzake de geldingsduur en vervaltermijnen
van voorkeursrechten ook gewijzigd. Het in dat wetsvoorstel voorgestelde artikel 9.4,
vierde lid, van de Omgevingswet beoogt de werking van de vervaltermijnen te verduidelijken
voor de situatie dat de geldingsduur van een reeds gevestigd voorkeursrecht op grond
van artikel 9.4, eerste lid, van de Omgevingswet is verlengd. De vervaltermijn geldt
dan niet vanaf het moment van ingaan van het voorkeursrecht, maar vanaf het moment
van ontstaan van de nieuwe omgevingsrechtelijke grondslag. Dit is ofwel het moment
van vaststelling van een omgevingsvisie of programma waarin de nieuwe functie wordt
toegedacht (het voorgestelde artikel 9.4, vierde lid, onderdeel a, van de Omgevingswet)
ofwel het moment van inwerkingtreding van een omgevingsplan waarin de nieuwe functie
wordt toegedeeld (het voorgestelde artikel 9.4, vierde lid, onderdeel b, van de Omgevingswet).
Omdat de vervaltermijnen van het voorkeursrecht in het eerste lid van artikel 9.4
van drie jaar door de voorgestelde Wet versterking regie volkshuisvesting (artikel
III, onderdeel FD) wordt vervangen door vijf jaar moet daarbij in het voorgestelde
artikel 9.4, vierde lid, onderdeel a, van de Omgevingswet bij worden aangesloten.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
M.C.G. Keijzer