36 872 Wijziging van de Omgevingswet, Algemene wet bestuursrecht en de Wet windenergie op zee ter implementatie van onderdelen van de met Richtlijn 2023/2413 gewijzigde richtlijn hernieuwbare energie (REDIII, vergunnen)

B NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 25 augustus 2026

Hierbij bied ik u de nota naar aanleiding van het verslag inzake het Voorstel van Wijziging van de Omgevingswet, Algemene wet bestuursrecht en de Wet windenergie op zee ter implementatie van onderdelen van de met Richtlijn 2023/2413 gewijzigde richtlijn hernieuwbare energie (REDIII, vergunnen) (36 872) aan.

De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, J. de Bat

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het door de vaste commissie voor Economische Zaken/Klimaat en Groene Groei1 uitgebrachte verslag over het voorstel van wet tot wijziging van de Omgevingswet, Algemene wet bestuursrecht en de Wet windenergie op zee ter implementatie van onderdelen van de met Richtlijn 2023/2413 gewijzigde richtlijn hernieuwbare energie (REDIII, vergunnen). Ik dank de fractieleden van de BBB voor hun inbreng.

In deze nota naar aanleiding van het verslag ga ik in op de vragen en opmerkingen van de fractieleden van de BBB in het verslag.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

1.

De fractieleden van de BBB stellen dat het omzeilen van de milieueffectrapportage (MER) op projectniveau burgers monddood maakt. Hoe rijmt de regering dit wetsvoorstel met het Verdrag van Aarhus2 en het Nevele-arrest3, die juist inspraak en participatie van omwonenden bij milieubesluiten garanderen?

Het wetsvoorstel (REDIII, vergunnen) bevat zuivere implementatie van de gewijzigde richtlijn hernieuwbare energie (REDIII). Met het wetsvoorstel wordt geregeld dat de MER op projectniveau achterwege blijven wanneer het hernieuwbare energieproject wordt uitgevoerd binnen een versnellingsgebied. In de procedure om tot de aanwijzing van een versnellingsgebied te komen, moet dan al een voldoende uitgebreide MER op planniveau zijn opgesteld. Aan de hand van deze planMER wordt een versnellingsgebied aangewezen.

Het aanwijzen van een versnellingsgebied kan door de verschillende daartoe bevoegde bestuursorganen gebeuren bij omgevingsplan, bij omgevingsverordening en bij ministeriële regeling. Op het aanwijzen van een versnellingsgebied en het vaststellen van het plan is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Op grond daarvan kan eenieder zienswijzen tegen het ontwerp van het besluit indienen. Daarnaast staat tegen het nemen van een besluit op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een hernieuwbare-energieproject of een daarop gericht projectbesluit de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar en het instellen van beroep open, al naargelang afdeling 3.4, van de Awb hierop van toepassing is. Door aan te sluiten bij de in het stelsel van de Omgevingswet opgenomen instrumenten is inspraak en participatie van omwonenden bij milieubesluiten gewaarborgd. Hiermee wordt ook voldaan aan de verplichtingen die ontstaan uit het Verdrag van Aarhus en het Nevele-arrest omtrent participatie.

2.

Het wetsvoorstel introduceert de aanname dat hernieuwbare energie per definitie het «hogere openbare belang» en zelfs de «volksgezondheid» dient.4 Hoe valt dit juridisch te verantwoorden (denk aan de SMB richtlijn5 en het voorzorgsbeginsel) als we weten dat omwonenden chronische klachten ervaren door laagfrequent geluid en slagschaduw, en de natuur schade ondervindt (vogels, vleermuizen)?

Doelstelling van richtlijn REDIII is het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie in de energiemix. Deze energietransitie vergroot de strategische autonomie van de Europese Unie en draagt bij aan het tegengaan van klimaatverandering. Hiermee zijn openbare veiligheid en de volksgezondheid gediend en daarmee rechtvaardigt de Europese wetgever de status van «groter openbaar belang». Met het wetsvoorstel (REDIII, vergunnen) wordt de richtlijn zuiver geïmplementeerd. Met het wetsvoorstel en de onderliggende regelgeving ter implementatie van de richtlijn REDIII wordt geregeld dat bij de vergunningverlening voor hernieuwbare energieprojecten of in het versnellingsgebiedplan mitigerende maatregelen worden opgenomen ter compensatie van eventuele nadelige milieueffecten.

3.

Waarom geldt deze wet alleen voor zonne- en windenergie en bijvoorbeeld niet voor geothermie, groen gas of SMR’s?

Het wetsvoorstel bevat zuivere implementatie van richtlijn REDIII en in deze herziening van de richtlijn is hernieuwbare energie gedefinieerd als energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk windenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, osmose-energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas. Geothermie en groen gas vallen hieronder, maar SMR’s (kernenergie) niet. SMR’s zijn (vooralsnog) afhankelijk van delfstoffen en daarom niet hernieuwbaar. Wat valt onder de definitie van hernieuwbare energie en daarmee welke sectoren hier wel en niet onder geschaard kunnen worden, is in deze bepaald door de Europese wetgever in de richtlijn.

Met het wetsvoorstel worden de artikelen geïmplementeerd uit richtlijn REDIII over vergunningprocedures voor de totstandbrenging en exploitatie van installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie, of projecten voor de daarvoor benodigde energie-infrastructuur (hernieuwbare-energieprojecten) (artikelen 15ter tot en met 16septies).

De richtlijn heeft betrekking op installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie, waaronder hernieuwbare waterstof, en alles wat nodig is voor de aansluiting op het net en voor de opslag van de opgewekte energie.

Onder gerelateerde infrastructuur wordt onder de richtlijn verstaan elektriciteits-, gas-, en warmtenetten of opslag die nodig zijn om hernieuwbare energie in het energiesysteem te integreren. Hernieuwbare waterstof valt onder definitie van hernieuwbare energie, zoals gesteld in aanbeveling (EU) 2024/1343 van de Commissie (Aanbeveling (EU) 2024/1343 van de Commissie van 13 mei 2024 over het versnellen van de procedures voor de verlening van vergunningen voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie en gerelateerde infrastructuurprojecten).

4.

Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om natuurschade door energieprojecten financieel te compenseren («af te kopen») als er onvoorziene negatieve effecten zijn.6 Waarom mogen de energieontwikkelaars de Habitatrichtlijn7 en de natuurbescherming omzeilen, terwijl dit bijvoorbeeld niet geldt voor projectontwikkelaars in de woningbouw of de PAS-melders?

De herziene richtlijn hernieuwbare energie (RED III) richt zich, voor het onderdeel vergunningverlening, uitsluitend op het versnellen van vergunningen voor hernieuwbare-energieprojecten. Zij ziet niet op woningbouw of PAS-melders. Omdat de richtlijn financiële compensatie alleen toestaat voor hernieuwbare-energieprojecten, kan het nationale recht deze mogelijkheid niet uitbreiden. In de overwegingen bij de richtlijn wordt genoemd dat financiële compensatie mogelijk is voor wind- en fotovoltaïsche zonne-energieprojecten, omdat deze projecten naar verwachting tegen 2030 verreweg de meeste hernieuwbare elektriciteit zullen leveren. Aan deze vorm van compensatie zijn veel voorwaarden verbonden. Zo mag het alleen als er geen alternatieven of mitigerende maatregelen of andere compenserende maatregelen mogelijk zijn, en alleen voor aanzienlijke nadelige effecten die bij de aanwijzing van het versnellingsgebied niet voorzien waren.

5.

De regering verschuift de zware onderzoekslasten (zoals de plan-MER) van de projectontwikkelaar naar de overheid, specifiek de provincies en nu ook de gemeenten.8 Beschikken de provincies, de gemeenten en omgevingsdiensten over voldoende financiële middelen, menskracht en expertise voor de taken die deze nieuwe wet met zich meebrengt? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.

De herziene richtlijn hernieuwbare energie maakt het mogelijk om versnellingsgebieden aan te wijzen. Als voor deze gebieden een plan-MER is opgesteld, hoeft er voor hernieuwbare energieprojecten binnen dit versnellingsgebied geen project-MER meer opgesteld te worden. Het is aan de bevoegd gezagen of zij gebruik willen maken van deze mogelijkheid, bijvoorbeeld om initiatiefnemers van hernieuwbare-energieprojecten te stimuleren. Beschikbaarheid van voldoende middelen kan onderdeel zijn van de overweging die het bevoegd gezag maakt om gebruik te maken van deze mogelijkheid.

Overigens is het in de huidige praktijk ook al mogelijk een uitgebreide(re) plan-MER op te stellen, om zo de onderzoekslast in de project-MER fase te verminderen. Bij het kavelbesluit voor windenergie op zee gebeurt iets soortgelijks – de overheid neemt de onderzoekslast op zich, zodat de initiatiefnemer dit niet meer hoeft te doen.

6.

Hoe uitvoerbaar en hoe noodzakelijk is deze «versnellingswet» in de praktijk als de lokaal opgewekte stroom door netcongestie nergens heen kan zonder (dure) batterij-opslag?

Er is zowel sprake van invoedingscongestie als van afnamecongestie. De invoedingscongestie wordt vooral veroorzaakt door de sterke toename van duurzame elektriciteitsopwek uit wind- en zonne-energie. Tegelijkertijd kan lokaal gebruik van deze duurzaam opgewekte elektriciteit de belasting van het elektriciteitsnet verminderen en de beschikbare netcapaciteit efficiënter benutten. De uitdaging is daarom niet om de uitrol van duurzame energie te vertragen, maar om opwek en verbruik beter op elkaar af te stemmen. Daarnaast bevat het wetsvoorstel zuivere implementatie van de richtlijn REDIII en is Nederland als lidstaat gehouden om deze Europese regelgeving om te zetten in nationale wet- en regelgeving. In de Kamerbrief van 6 oktober 2025 (Kamerstukken II, 2025–26, 29 023, nr. 597 (bijlage Voortgang beleid netcongestie)) is toegelicht dat de meerwaarde van REDIII (onderdeel vergunnen) voor Nederland beperkt is. Het onderzoeken van mogelijkheden om de vergunningverlening van energieprojecten te versnellen gaat parallel aan dit implementatietraject door.

7.

In de praktijk zorgen vergunningsvrije projecten voor koudwatervrees bij banken (geen vergunning leidt tot geen financiering) en leiden ze achteraf tot jarenlange bezwaarprocedures van omwonenden. Erkent de regering het risico dat deze wet de energietransitie ook kan vertragen? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.

REDIII stelt dat hernieuwbare-energieprojecten zonder vergunning doorgang moeten kunnen vinden als uit de screening blijkt dat van het project niet zeer waarschijnlijk negatieve milieueffecten te verwachten zijn. Het conceptwetsvoorstel was er daarom eerst op gericht mogelijk te maken om hernieuwbare-energieprojecten vergunningsvrij doorgang te laten vinden (na een uitgebreide planmer, een voor beroep vatbare aanwijzing van een versnellingsgebied en een screening). Naar aanleiding van de reacties in de internetconsultatie is de insteek aangepast. Bij de internetconsultatie van dit wetsvoorstel gaven diverse respondenten aan te verwachten dat een vergunning meer juridische zekerheid biedt. In het wetsvoorstel zoals dit aan uw Kamer is aangeboden, leidt de screening nu tot een besluit dat een vergunning verleend wordt (of niet). Dit besluit is vatbaar voor beroep. Daarmee vervalt de noodzaak om het aanwijzingsbesluit voor het versnellingsgebied voor beroep vatbaar te maken. Ook dit is in het wetsvoorstel aangepast, zodat het beter aansluit bij de bestaande praktijk.

8.

Als er straks via een simpele «screening» projecten vergund kunnen worden en natuurschade financieel gecompenseerd kan worden, hoe garandeert de regering dan dat deze «afkoopgelden» daadwerkelijk leiden tot ecologisch herstel op de lange termijn? Wie handhaaft de afspraken en controleert de resultaten?

Als het initiatiefnemers van projecten voor zon-, wind- en infrastructuur voor elektriciteit niet lukt om binnen het project de eventuele negatieve natuureffecten te mitigeren of te compenseren, bestaat er in uiterste gevallen de mogelijkheid om financieel te compenseren. Het bevoegd gezag heeft in die gevallen de mogelijkheid om een vergunning te verlenen, mits het bevoegd gezag de natuurcompensatie elders vormgeeft. De kosten voor de compensatie blijven voor rekening komen van de initiatiefnemer van het project. Het wetsvoorstel bevat in artikel 13.6a een grondslag om aan de vergunning voorschriften te verbinden over deze financiële compensatie. Het is aan het bevoegd gezag om er zorg voor te dragen dat de compensatie ook daadwerkelijk resultaat heeft.

9.

De Unie van Waterschappen en Vewin geven aan dat de versnelde uitrol en het label «hoger openbaar belang» mogelijk grondwaterbeschermingsgebieden bedreigen.9 Hoe bewaart de regering de balans tussen de Kaderrichtlijn Water(KRW) en onze drinkwaterveiligheid en het faciliteren van energieontwikkelaars?

Voorafgaand aan het opstellen van een versnellingsgebiedplan worden de gevolgen van mogelijke hernieuwbare energieprojecten in kaart gebracht bij het opstellen van een planMER. Daarmee wordt op gebiedsniveau een afweging gemaakt. In het plan moeten mitigatiemaatregelen opgenomen worden om negatieve milieu-impact te voorkomen of, waar dat niet mogelijk is, te verminderen. Dit om ervoor te zorgen dat de neergelegde verplichtingen in onder meer artikel 4(1), punt (a) (i) van de Kaderrichtlijn water worden nageleefd. Deze mitigatiemaatregelen moeten zijn toegespitst op het specifieke gebied, de gebruikte technologie en de geïdentificeerde milieu-impact.

De mitigerende maatregelen zijn onderdeel van de vergunning voor een hernieuwbare-energieproject.

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken/Klimaat en Groene Groei zien de nota naar aanleiding van het tweede verslag met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk op 1 september 2026, zodat deze in de eerste commissievergadering na het zomerreces behandeld kan worden.

De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, J. de Bat


X Noot
1

Samenstelling: Van Aelst-den Uijl (SP), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Holterhues (ChristenUnie), Karaaslan (D66), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Kroon (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Van Meenen (D66), Panman (BBB), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Steenkamp (CDA), Straus (VVD), Van Strien (PVV), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, Aarhus, 25 juni 1998.

X Noot
3

Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juni 2020, ECLI:EU:C:2020:503.

X Noot
4

Vraag ter verduidelijking staat uit bij de fractie

X Noot
5

Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/26, 36 872, nr. 3.

X Noot
7

Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206).

X Noot
8

Kamerstukken II 2025/26, 36 872, nr. 3, p. 5–6.

X Noot
9

Vraag ter verduidelijking staat uit bij de fractie

Naar boven