Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36871 nr. C |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36871 nr. C |
Vastgesteld 30 maart 2026
De vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad2 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Asiel en Migratie over de stand van zaken van de implementatie van het Europese Asiel- en migratiepact. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 10 maart 2026.
• De antwoordbrief van 27 maart 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad, Dragstra
Aan de Minister van Asiel en Migratie
Den Haag, 10 maart 2026
De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad (I&A/JBZ) hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de toenmalige Ministers van en voor A&M over de stand van zaken van de implementatie van het Europese Asiel- en migratiepact (hierna: het Pact).3 De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en D66 en het lid van de fractie-Van de Sanden wensen u hierover enkele vragen te stellen.
De leden van de fracties van SP, Partij voor de Dieren, Volt en het lid van de fractie-Visseren-Hamakers sluiten zich aan bij de vragen van GroenLinks-PvdA.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen op pagina 2 van de brief dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op 12 juni 2026 start met de uitvoering van het Pact en dat het Pact vanaf dat moment operationeel is. In 2027 zal de verdere implementatie doorlopen zijn. Kan nauwkeuriger worden aangegeven wat er per 12 juni 2026 nog niet geïmplementeerd is en per wanneer dit wordt voorzien?
Over de IND wordt, op dezelfde pagina van de brief, gesteld: «De omvang van het Pact, in combinatie met de harde deadline, vraagt wel vrijwel de volledige verandercapaciteit van de organisatie». Betekent dit dat de organisatie, totdat het Pact volledig geïmplementeerd is in 2027, geen andere beleidsmatige dan wel organisatorische wijzigingen kan oppakken, zo vragen deze leden. Hoe verhoudt dat zich tot de wetswijzigingen die momenteel in de Eerste Kamer voorliggen (Asielnoodmaatregelenwet en het wetsvoorstel Tweestatusstelsel), alsmede tot de voorziene Terugkeerverordening? Wat zijn de consequenties op de voorgenomen ambities zoals geformuleerd in het nieuwe regeerakkoord, bijvoorbeeld ten aanzien van vereenvoudiging en efficiëntere procedures?
In de uitvoeringsanalyse4 geeft de IND aan dat de wetgever normaliter kiest voor één moment van inwerkingtreding, maar dat onder omstandigheden gekozen kan worden voor een meer gedifferentieerde wijze van inwerkingtreding. Overweegt u een gedifferentieerde inwerkingtreding teneinde de uitvoerbaarheid voor de IND te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
De IND geeft in de uitvoeringsanalyse (p. 1) aan dat nog niet alle analyses gereed zijn. Welke ontbreken nog en wanneer worden deze naar de Eerste Kamer gestuurd?
In deze analyse benoemt de IND het voorstel om in lopende zaken die vóór 12 juni 2026 zijn ingediend, maar waarover nog geen besluit is genomen, na inwerkingtreding af te zien van onverplichte nationale procedurestappen zoals de voornemenprocedure. Kunt u toelichten op welke juridische grondslag deze beperking van procedurele waarborgen berust en hoe dit zich verhoudt tot het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel?
Is de IND tijdens de volledige implementatieperiode toegerust om een onvoorzien hoog aantal asielaanvragen op zorgvuldige wijze af te handelen? Bij welke aantallen kan de IND dit nog behappen en bij welk aantal leidt dit tot problemen? Wat gebeurt er bij een instroom die hoger is dan circa 25.000 eerste aanvragen per jaar, het aantal dat genoemd wordt in de uitvoerbaarheidsanalyse van de IND? Deze leden lezen op pagina 3 van de analyse dat wordt gesteld: «Bij hogere instroom kan tijdelijk een voorraad ontstaan». Welke extra maatregelen worden in dat geval ondernomen, waarbij niet wordt ingeleverd op zorgvuldigheid? Hoe wordt voorkomen dat asielzoekers de gevolgen ondervinden van capaciteitsgebrek, zoals het overschrijden van beslistermijnen, verminderde kwaliteit van besluitvorming of beperkingen in effectieve rechtsbescherming?
In het regeerakkoord staat: «Wanneer het aantal mensen dat een asielaanvraag doet in korte tijd fors stijgt, daarop niet kon worden geanticipeerd en de asielketen bezwijkt onder de instroom, nemen we aanvullende instroombeperkende maatregelen».5 Aan welke maatregelen wordt nog meer gedacht, naast de genoemde tijdelijke noodstop op de nareis van subsidiair beschermden?
Deelt u de mening van de aan het woord zijnde leden dat aanvullende instroombeperkende maatregelen niet mogen worden ingezet indien het vastlopen van de asielketen primair het gevolg is van de uitvoeringslasten die samenhangen met de implementatie van (opeenvolgende) asielwet- en regelgeving, en derhalve aan de overheid zelf is toe te rekenen? Zo ja, welke maatregelen treft u om te waarborgen dat uitvoeringsproblemen niet leiden tot de inzet van dergelijke maatregelen? Zo nee, op welke juridische grondslag en met inachtneming van welke rechtsstatelijke beginselen acht u dit wel aanvaardbaar?
In de brief wordt aangegeven dat ook het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) inmiddels in beeld heeft wat de impact is van de gewijzigde richtlijn en verordeningen van het Pact. Welke concrete gevolgen heeft de implementatie van het Pact voor de uitvoerings- en verandercapaciteit van het COA? Kan het COA deze extra taken en een mogelijk verhoogde instroom gedurende de implementatiefase aan zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van opvang? Zo ja, welke waarborgen zijn hiervoor getroffen?
Ten slotte hebben de leden van de GroenLinks-PvdA fractie nog enkele vragen over Eurodac in relatie tot de implementatie van het Pact.
Welk onderzoek ligt ten grondslag aan de aanname dat uitbreiding van Eurodac effectief bijdraagt aan de gestelde doelen, zoals het beperken van secundaire migratie?6
In hoeverre zijn de ICT-systemen van de ketenpartners zoals IND, COA en Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) toegerust op een veilige en betrouwbare verwerking van biometrische gegevensuitbreiding? Zijn er risicoanalyses gemaakt en, zo ja, kunnen deze gedeeld worden? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre wordt er in Nederland op toegezien dat biometrische gegevens die in andere lidstaten worden verwerkt en opgeslagen voldoen aan regels ten aanzien van veiligheid, betrouwbaarheid en privacy?
Wat zijn de gevolgen voor de rechtspositie van asielzoekers indien zij weigeren mee te werken aan biometrische registratie in het kader van Eurodac?
Wat is de juridische, technische en operationele impact van de voorgenomen koppeling van nieuw te verzamelen Eurodac-data aan het bestaande inreis-uitreissysteem (EES)? Welke gevolgen heeft de koppeling voor de bescherming van persoonsgegevens? En welke voorzieningen worden getroffen om fouten te voorkomen, zoals bijvoorbeeld ongeautoriseerde toegang of verkeerde matching?
Hoe groot is het risico op fouten in biometrische dataverwerking of -matching, zo vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA. Welke rechtsbescherming is in deze gevallen voorhanden?
Hoe wordt de proportionaliteit beoordeeld van het voornemen om biometrische gegevens van kinderen vanaf zes jaar op te slaan en hoe verhoudt dat zich tot het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en artikel 7 en 8 van het EU-Handvest van de grondrechten?
Hoe wordt voorkomen dat gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan oorspronkelijk voorzien?
Kan inzichtelijk worden gemaakt hoe wordt voorzien in extern toezicht door de Autoriteit Persoonsgegevens en hoe dit in de praktijk wordt georganiseerd?
In hoeverre wordt voorzien in monitoring en periodieke evaluatie ten aanzien van datalekken, gemaakte juridische fouten of fouten in dataverwerking en -opslag, en problemen in de uitvoering?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief en maken gebruik van de mogelijkheid om naar aanleiding van deze brief enkele vragen te stellen aan de Minister van Asiel en Migratie.
Het Asiel- en migratiepact wordt op 12 juni 2026 van kracht. De Inspectie Justitie en Veiligheid en het College voor de Rechten van de Mens zullen onderdeel uitmaken van het toezichtmechanisme. Er worden precieze afspraken gemaakt over de verdeling van taken en over de financiële afstemming. Is het de verwachting dat deze afspraken, alsmede de financiële afstemming, vóór 12 juni 2026 formeel zullen worden afgerond en dat de uitkomsten daarvan vóór 12 juni 2026 met de Eerste Kamer gedeeld kunnen worden?
De omvang van het Pact vraagt tot 12 juni 2026 vrijwel de volledige verandercapaciteit van de IND en is daarmee een uitdaging voor de IND, zo lezen deze leden in de uitvoerbaarheidsanalyse van de IND (p. 1). Is volgens u de verandercapaciteit van de IND voldoende robuust om alle uitdagingen binnen de daarvoor geldende termijnen op betrouwbare wijze af te ronden? En, zo nee, welke onderwerpen zullen na 12 juni 2026 moeten worden opgelost? Welke doorlooptijd ziet u dan als realistische opleverdatum?
De aan het woord zijnde leden constateren dat de IND verwacht per 12 juni 2026 de nieuwe asielprocedure, de nieuwe taken screening (binnen het proces Ontvangst en Voorbereiden) en de juridische counseling operationeel te hebben. Enerzijds geeft de IND aan dat de implementatie zal doorlopen tot in 2027 en anderzijds dat de IND voldoende tijd moet krijgen om eventuele wijzigingen die mogelijk nog uit de behandeling van de wet kunnen volgen, door te voeren. Hieruit volgt volgens deze leden dat het niet onmogelijk is dat de gehele implementatie mogelijk pas eind 2027 zal kunnen worden afgerond. In het eerste kwartaal 2026 volgt een brief van de IND over de voortgang en de effecten voor de keten. Kunt u toezeggen elk kwartaal in 2026 en 2027 ook de Eerste Kamer hierover te informeren met een uitgebreide voortgangsrapportage van de IND?
Als gevolg van de impact van de gewijzigde richtlijn en verordeningen van het Pact, zoals het bieden van onderdak aan Dublinclaimanten na overdrachtsbesluit, hanteert het COA het uitgangspunt dat kwetsbare personen zoveel mogelijk geplaatst worden op locaties die passen bij voor hen noodzakelijke bijzondere opvangbehoeften, blijkt uit pagina 2 van de brief.
Kunt u, gelet op het grote aantal noodopvanglocaties als gevolg van een tekort aan reguliere asielzoekerscentra (azc’s), een indicatie geven van het aantal personen voor wie het niet mogelijk zal zijn te voorzien in noodzakelijke bijzondere opvanglocaties? Bent u bereid erop te sturen dat deze situatie niet zal voorkomen? In het geval dit niet mogelijk is, welke aanvullende maatregelen voorziet u om de negatieve gevolgen voor kwetsbare personen te voorkomen? Kunt u een indicatie geven van de mogelijke negatieve effecten voor Dublinclaimanten?
Mede als gevolg van de herschikte Opvangrichtlijn is de inzet van het kabinet om het aantal noodopvanglocaties te verkleinen en het vergroten van het aandeel van de reguliere azc’s, zo blijkt uit de brief. Ziet u mogelijkheden om, bijvoorbeeld via de ministeriële bevoegdheid op basis van de zogenaamde Spreidingswet, hier een aanmerkelijke versnelling te bewerkstelligen? Zo ja, op welke termijn?
Het Pact stelt eisen en beperkingen aan Dublinonderdaklocaties, met een versoberd en vrijheidsbeperkend regime. De vermenging van doelgroepen en uiteenlopende regimes op eenzelfde locatie is ingewikkeld, menen de aan het woord zijnde leden. In hoeverre verwacht u dat er in gemeenten bestuurlijk draagvlak zal komen voor het realiseren van deze locaties? Hoe schat u de veiligheidsrisico’s in voor de Dublinclaimanten en voor de burgers in de gemeenten met deze specifieke opvanglocaties? Welke maatregelen voorziet u om te kunnen voldoen aan de uitgangspunten van internationale regelgeving op het gebied van de rechten van de mens?
Het wetsvoorstel Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 is op 17 december 2025 bij de Tweede Kamer ingediend.7 Het Pact wordt op 12 juni 2026 van kracht. Nu wordt de aanpassing van lagere regelgeving voorbereid die noodzakelijk is voor de uitvoering en de implementatie van het Pact. De leden van de D66-fractie vragen wat de reden is geweest om het wetsvoorstel pas op 17 december 2025 in te dienen bij de Tweede Kamer, tegen de achtergrond dat de Raad van State (al) op 22 oktober 2025 een advies met dictum B heeft uitgebracht?
De wetgeving is omvangrijk en ingrijpend en vereist uitgebreide en zorgvuldige behandeling in de Eerste Kamer, menen deze leden. Wat zijn volgens u de gevolgen als het wetsvoorstel op 12 juni 2026 (nog) niet is aangenomen in de Eerste Kamer? Welke aspecten van de aanpassing van lagere regelgeving kunnen volgens u zodanig kritisch zijn zodat de datum van 12 juni mogelijk niet gehaald kan worden? In het geval dit zou voorkomen, wat kunnen dan de gevolgen zijn?
Uit de analyse van de uitvoerbaarheid door de IND komt naar voren dat er tussen de lidstaten geen structuur is voor de uitwisseling van screeningsformulieren. Het gevolg is dat de IND extra werk zal moeten uitvoeren voor het volledige identificatie- en registratieproces. Dit geldt ook voor herbevestigde vluchtelingen. Ziet u de mogelijkheid om alsnog in EU-verband te komen tot uitwisseling van screeningsformulieren, en, zo ja, op welke termijn?
De IND ziet risico’s ten aanzien van de verplichte termijn van de screening, de sterke afhankelijkheid van de capaciteit van de ketenpartners alsook de koppeling met de benodigde Europese systemen (p. 2). Ook de nieuwe asielprocedure als gevolg van het Pact verandert fundamenteel voor de IND, lezen de aan het woord zijnde leden. Toch verwacht de IND per 12 juni 2026 volgens de nieuwe procedure te kunnen werken.
Onderschrijft u de optimistische visie van de IND? En, zo ja, hoe verhoudt de optimistische visie van de IND zich dan tot de verwachting van de IND dat er rekening wordt gehouden met een groeipad richting volledige realisatie in 2027?
Bent u het eens met de inschatting van de leden van de D66-fractie dat er zich na 12 juni 2026 nog allerlei aanloopproblemen zullen voordoen, waarvan de IND er nu van uitgaat dat al die problemen in 2027 (dus uiterlijk 31 december 2027) zullen zijn opgelost? Bent u bereid de Eerste Kamer ultimo 2026, medio 2027 en ultimo 2027 te informeren over het verloop en de oplossing van deze aanloopproblemen en daarbij ook de ervaringen in Europees verband mee te nemen?
De IND gaat de in het Pact afgesproken juridische counseling uitvoeren en zal hiervoor een aparte rolzuivere voorziening inrichten. Inhoudelijk advies over individuele zaken blijft voorbehouden aan de advocatuur. Ziet u een vaktechnisch spanningsveld tussen de juridische counseling door de IND en de inhoudelijke adviezen in individuele gevallen door de advocatuur? En, zo ja, welke maatregelen wilt u dan doorvoeren zodat er geen (extra) juridische geschillen ontstaan tussen de juridische counseling door de IND en de adviezen van de advocatuur?
Voor de uitvoerbaarheid van het Pact alsmede de implementatie van de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel – in het geval deze twee wetsvoorstellen inclusief de novelle in april 2026 door de Eerste Kamer zouden worden aangenomen – resteert nog minder dan twee maanden vóór 12 juni 2026. Voor de IND een onmogelijke opgave het Pact en de twee nationale asielwetten vóór 12 juni 2026 volledig te kunnen implementeren, verwachten de leden van de D66-fractie.
Kunt u reflecteren op deze onmogelijkheid, de gevolgen voor de keten indien de termijn van 12 juni 2026 wordt overschreden en de mogelijkheid van de gefaseerde invoering van onderdelen alsmede de prioritering van die onderdelen van het Pact en de twee nationale asielwetten?
Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie-Van de Sanden
Het lid van de fractie-Van de Sanden wenst de volgende vragen voor te leggen.
Rechtsstatelijke begrenzing en nationale beleidsruimte
Kunt u expliciet aangeven welke onderdelen van het Asiel- en migratiepact directe, dwingende verplichtingen bevatten voor Nederland en welke onderdelen ruimte laten voor nationaal beleid?
Hoe waarborgt u dat de implementatie van grens- en screeningprocedures de toegang tot effectieve rechtsmiddelen en rechtsbijstand niet beperkt?
Uitvoerbaarheid en uitvoeringstoets (IND)
Welke structurele knelpunten heeft de IND in zijn uitvoerbaarheidsbrief concreet benoemd, inclusief personele, logistieke en operationele risico’s, en wat is de inhoudelijke reactie van de regering op deze punten?
Is voor de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact een formele uitvoeringstoets uitgevoerd conform het rijksbrede toetsingskader en kunt u de relevante conclusies met de Kamer delen?
Indien implementatie afhankelijk is van substantiële ICT- en procesaanpassingen, wat is de huidige stand van zaken van deze trajecten en is een risicoanalyse gemaakt over de haalbaarheid vóór inwerkingtreding?
Proportionaliteit en effectiviteit
Kunt u een gespecificeerd overzicht geven van de geraamde implementatiekosten, uitgesplitst naar IND, rechtspraak, opvangketen en toezicht?
Welke meetbare indicatoren worden gehanteerd om te beoordelen of het Pact leidt tot verkorting van procedures en vermindering van druk op de opvangcapaciteit?
Rechtszekerheid en rechtsmiddelen
Kunt u toelichten hoe wordt gegarandeerd dat versnelde procedures aan de buitengrenzen geen onevenredige beperking opleggen aan het recht op toegang tot de rechter?
Evaluatie en parlementaire betrokkenheid
Bent u voornemens een geïntegreerde evaluatie van de implementatie binnen twee jaar na inwerkingtreding wettelijk te verankeren, gericht op rechtsbescherming, uitvoerbaarheid en doelmatigheid?
Kunt u toezeggen periodiek aan beide Kamers te rapporteren over uitvoeringsproblemen, kostenontwikkelingen en rechtsbeschermingsaspecten bij de implementatie van het pact?
De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet. In verband met de voorbereiding van het debat over de Wet invoering tweestatusstelsel, Asielnoodmaatregelenwet en de Novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf ontvangen de leden van de commissie uw beantwoording graag uiterlijk 27 maart 2026.
Voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad, A.W.J.A van Hattem
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 maart 2026
Hieronder treft u de antwoorden aan op de vragen van de Voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-raad d.d. 10 maart 2026.
1.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen op pagina 2 van de brief dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op 12 juni 2026 start met de uitvoering van het Pact en dat het Pact vanaf dat moment operationeel is. In 2027 zal de verdere implementatie doorlopen zijn. Kan nauwkeuriger worden aangegeven wat er per 12 juni 2026 nog niet geïmplementeerd is en per wanneer dit wordt voorzien?
Antwoord:
Zoals aangegeven in de brief van 22 januari jl. start de IND op 12 juni 2026 met de uitvoering van het Pact. Vanaf dat moment kan de IND werken volgens de nieuwe procedure en verwacht zij met de huidige inzichten de nieuwe termijnen te kunnen naleven en de instroom bij te houden. Dat wil niet zeggen dat de ontwikkelingen na 12 juni stoppen. Zo wordt er na 12 juni 2026 nog verder gewerkt aan een nieuw ICT-systeem, waarmee de asielprocedure beter kan worden ondersteund. De IND is zich bewust van deze doorontwikkeling en dat is ook de reden geweest om aan te geven dat de implementatie op 12 juni nog niet geheel zal zijn afgerond.
2.
Over de IND wordt, op dezelfde pagina van de brief, gesteld: «De omvang van het Pact, in combinatie met de harde deadline, vraagt wel vrijwel de volledige verandercapaciteit van de organisatie». Betekent dit dat de organisatie, totdat het Pact volledig geïmplementeerd is in 2027, geen andere beleidsmatige dan wel organisatorische wijzigingen kan oppakken, zo vragen deze leden. Hoe verhoudt dat zich tot de wetswijzigingen die momenteel in de Eerste Kamer voorliggen (Asielnoodmaatregelenwet en het wetsvoorstel Tweestatusstelsel), alsmede tot de voorziene Terugkeerverordening? Wat zijn de consequenties op de voorgenomen ambities zoals geformuleerd in het nieuwe regeerakkoord, bijvoorbeeld ten aanzien van vereenvoudiging en efficiëntere procedures?
Antwoord:
De implementatie van het Pact kan niet los worden gezien van de twee wetsvoorstellen, de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel. Voor belangrijke onderdelen bestaat er inhoudelijke overlap tussen deze wetsvoorstellen en het Pact. De omvang van het Pact, in combinatie met de implementatiedeadline van 12 juni 2026, vraagt volgens de IND vrijwel de volledige verandercapaciteit van de organisatie. De IND heeft eerder aangegeven dat het, gelet op de benodigde implementatietermijn en de korte tijd tot de inwerkingtreding van het Pact, niet mogelijk is om alle elementen van de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet tweestatusstel in hun geheel eerder te implementeren dan gelijktijdig met het Pact. Zoals benoemd in de brief van 24 september 2025 bevatten de wetsvoorstellen ook onderdelen die geen of beperkte verandercapaciteit vragen en die, indien gewenst, eerder in werking zouden kunnen treden.
De inzet op de implementatie van het Pact staat niet op gespannen voet met de ambities uit het regeerakkoord. Maatregelen die (ook) zijn opgenomen in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 zijn gericht op vereenvoudiging en een efficiëntere inrichting van de asielprocedure, onder meer door het schrappen van verschillende nationale processtappen. Hierdoor wordt het proces beter planbaar en kan op termijn efficiënter worden gewerkt.
De voorziene Terugkeerverordening beoogt de terugkeer van derdelanders zonder rechtmatig verblijf in de EU sneller en doeltreffender te maken en ziet op het zogenaamde Terugkeerbesluit. De IND heeft samen met andere organisaties in haar verkenning van november 2025 aangeven welke onderdelen niet helpend zijn voor een effectief terugkeerproces. Op dit moment is er nog geen definitief akkoord op de Terugkeerverordening. De IND schat wel in dat de Terugkeerverordening een relatief klein deel van haar verandercapaciteit vergt.
3.
In de uitvoeringsanalyse geeft de IND aan dat de wetgever normaliter kiest voor één moment van inwerkingtreding, maar dat onder omstandigheden gekozen kan worden voor een meer gedifferentieerde wijze van inwerkingtreding. Overweegt u een gedifferentieerde inwerkingtreding teneinde de uitvoerbaarheid voor de IND te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Het kabinet blijft erop inzetten de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. De reden voor deze keuze is de maatregelen die moeten helpen om de asielketen op orde te krijgen zo snel mogelijk in werking te laten treden en de uitvoeringsorganisaties duidelijkheid te bieden over het wettelijke kader. Bij het bepalen van het precieze tijdstip van inwerkingtreding zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de (on)mogelijkheden van de relevante uitvoeringsorganisaties. Daarbij is het van belang te noemen dat na aanvaarding van deze wetsvoorstellen er enige implementatietijd voor de IND nodig is om alle maatregelen in te voeren en in de praktijk tot uitvoer te kunnen brengen.
4.
De IND geeft in de uitvoeringsanalyse (p. 1) aan dat nog niet alle analyses gereed zijn. Welke ontbreken nog en wanneer worden deze naar de Eerste Kamer gestuurd? In deze analyse benoemt de IND het voorstel om in lopende zaken die vóór 12 juni 2026 zijn ingediend, maar waarover nog geen besluit is genomen, na inwerkingtreding af te zien van onverplichte nationale procedurestappen zoals de voornemenprocedure. Kunt u toelichten op welke juridische grondslag deze beperking van procedurele waarborgen berust en hoe dit zich verhoudt tot het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel?
Antwoord:
De IND heeft op 20 maart jl. een uitgebreid rapport gedeeld over de impact van de nieuwe asielprocedure voor de IND, de ketenpartners en aanvragers. Dit rapport was op het moment van verzending van het wetsvoorstel naar de Kamers nog niet gereed. Om de Kamers desalniettemin in staat te stellen tijdig kennis te nemen van de eerste bevindingen ten behoeve van de behandeling van het wetsvoorstel, zijn in de brief van 22 januari jl. de voorlopige inzichten uit de uitvoeringsanalyse ook al gedeeld.
De regering heeft ervoor gekozen aan de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 vanaf 12 juni onmiddellijke werking te verlenen. Dat betekent dat die wet in beginsel ook van toepassing zal zijn op aanvragen die voor 12 juni 2026 zijn ingediend. Op dit uitgangspunt is in artikel IX van het wetsvoorstel een beperkt aantal uitzonderingen gemaakt, bijvoorbeeld voor situaties waarin reeds een voornemen is uitgebracht. De keuze voor onmiddellijke werking komt voort uit de wens om de asielketen zo snel mogelijk op orde te krijgen en de uitvoering niet nog vele jaren te belasten met de verplichting om gelijktijdig met twee juridische kaders te werken. De keuze voor onmiddellijke werking steunt op de constatering dat de procedurele vereenvoudigingen ook onder het oude – nu nog geldende – recht waren toegestaan. Uiteraard is bij het maken van deze keuze ook het rechtszekerheidsbeginsel meegewogen. Die weging heeft geleid tot de specifieke uitzonderingen in artikel IX van het voorstel voor de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026. Tegelijkertijd is het rechtszekerheidsbeginsel geen absolute norm. Het moet altijd worden afgewogen tegen andere belangen, zoals het belang om de asielketen op orde te brengen en de asielprocedure uitvoerbaar te houden.
5.
Is de IND tijdens de volledige implementatieperiode toegerust om een onvoorzien hoog aantal asielaanvragen op zorgvuldige wijze af te handelen? Bij welke aantallen kan de IND dit nog behappen en bij welk aantal leidt dit tot problemen? Wat gebeurt er bij een instroom die hoger is dan circa 25.000 eerste aanvragen per jaar, het aantal dat genoemd wordt in de uitvoerbaarheidsanalyse van de IND? Deze leden lezen op pagina 3 van de analyse dat wordt gesteld: «Bij hogere instroom kan tijdelijk een voorraad ontstaan». Welke extra maatregelen worden in dat geval ondernomen, waarbij niet wordt ingeleverd op zorgvuldigheid? Hoe wordt voorkomen dat asielzoekers de gevolgen ondervinden van capaciteitsgebrek, zoals het overschrijden van beslistermijnen, verminderde kwaliteit van besluitvorming of beperkingen in effectieve rechtsbescherming?
Antwoord:
Op basis van de huidige prognose wordt ingeschat dat de asielinstroom 25.000 eerste aanvragen per jaar bedraagt. De IND heeft aangegeven dat zij op basis van de beschikbare capaciteit deze instroom bij zal kunnen houden. De instroom laat zich echter lastig voorspellen en is van vele factoren afhankelijk. Als de instroom hoger is dan eerder geprognosticeerd, dan zal er bij de IND (tijdelijk) nieuwe voorraden ontstaan. Twee keer per jaar worden nieuwe prognoses opgesteld voor de Migratieketen. Op het moment dat dit voorzien wordt zullen er binnen de keten maatregelen getroffen moeten worden om de gevolgen daarvan zo veel als mogelijk te mitigeren. Daarnaast zal de bestaande voorraad van asielaanvragen van voor 12 juni 2026 behandeld worden.
6.
In het regeerakkoord staat: «Wanneer het aantal mensen dat een asielaanvraag doet in korte tijd fors stijgt, daarop niet kon worden geanticipeerd en de asielketen bezwijkt onder de instroom, nemen we aanvullende instroombeperkende maatregelen». Aan welke maatregelen wordt nog meer gedacht, naast de genoemde tijdelijke noodstop op de nareis van subsidiair beschermden?
Antwoord:
Wanneer het aantal mensen dat een asielaanvraag doet in korte tijd fors stijgt, bieden de vanaf 12 juni geldende Europese en internationale juridische kaders enkele handvatten die op dat moment waar mogelijk kunnen worden ingezet. Zo biedt de Asielprocedureverordening de mogelijkheid de beslistermijnen te verlengen in het geval dat een groot aantal personen binnen dezelfde termijn een asielaanvraag doet, biedt het op andere procedurele vlakken ruimte voor flexibiliteit en kan het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA) om operationele en technische bijstand verzocht worden.
Daarnaast verplicht het Pact ertoe om in situaties van een onevenredig aantal verzoekers om internationale bescherming het noodplan in werking te laten treden. In dat geval worden maatregelen genomen die als doel hebben om de druk te verlagen op de ketenpartner die onder druk staat en om te voorkomen dat er meer processen onder druk komen te staan. Voor de grensprocedure betekent het dat voornamelijk de IND, KMar en DJI samen kijken wat mogelijk is en zal er afgestemd worden waar inzet nodig is. Zo kunnen er bepaalde werksoorten die door Schiphol worden uitgevoerd (zoals VRIS-zaken) door andere locaties overgenomen worden of kunnen nevenactiviteiten opgeschort worden. Voor de binnenlandse procedure zal voornamelijk bij de IND en het COA gekeken worden wat mogelijk is. De IND zou kunnen kiezen voor een prioritering van bepaalde categorieën zaken (vreemdelingen uit veilig land van herkomst of overlastgevende asielzoekers) of een projectmatige aanpak van asielzaken met een maximale inzet van beschikbare capaciteit. Het COA zou de bezettingsgraad kunnen verhogen, uitstroombevorderende regelingen voor vergunninghouders kunnen inzetten of noodopvanglocaties kunnen openen. Indien Nederland in een crisissituatie belandt zoals omschreven in artikel 1, vierde lid van de Crisisverordening kan een verzoek worden ingediend bij de Europese Commissie voor solidariteitsmaatregelen. Wanneer daarvan sprake is zal uw Kamer daarover worden geïnformeerd.
7.
Deelt u de mening van de aan het woord zijnde leden dat aanvullende instroombeperkende maatregelen niet mogen worden ingezet indien het vastlopen van de asielketen primair het gevolg is van de uitvoeringslasten die samenhangen met de implementatie van (opeenvolgende) asielwet- en regelgeving, en derhalve aan de overheid zelf is toe te rekenen? Zo ja, welke maatregelen treft u om te waarborgen dat uitvoeringsproblemen niet leiden tot de inzet van dergelijke maatregelen? Zo nee, op welke juridische grondslag en met inachtneming van welke rechtsstatelijke beginselen acht u dit wel aanvaardbaar?
Antwoord:
Nee, die mening deel ik niet. Los van de vraag of dergelijke omstandigheden aan de orde zijn, is het noodzakelijke de instroom te beperken om het stelsel beheersbaar te houden. Dat doen we uitsluitend binnen de geldende nationale en Europese kaders – inclusief het EU-Migratie- en Asielpact – en met inachtneming van legaliteit, noodzakelijkheid en proportionaliteit.
8.
In de brief wordt aangegeven dat ook het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) inmiddels in beeld heeft wat de impact is van de gewijzigde richtlijn en verordeningen van het Pact. Welke concrete gevolgen heeft de implementatie van het Pact voor de uitvoerings- en verandercapaciteit van het COA? Kan het COA deze extra taken en een mogelijk verhoogde instroom gedurende de implementatiefase aan zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van opvang? Zo ja, welke waarborgen zijn hiervoor getroffen?
Antwoord:
Het COA heeft door middel van een impactanalyse de uitvoeringsconsequenties van het Pact in kaart gebracht. Aan de hand van een methodiek om de ondersteunende processen in beeld te brengen is de invloed en impact van de (herschikte) Opvangrichtlijn op de uitvoering en primaire processen in kaart gebracht. Er is bewust gekozen voor een realistisch plan voor de ontwikkeling van de Dublin-onderdaklocaties, waarbij rekening wordt gehouden met een ingroeimodel en het kunnen anticiperen op de instroom, door flexibele inzet van de capaciteit. De invoering van de kwetsbaarheidsbeoordeling van asielzoekers is een nieuw proces en vraagt extra personele inzet en middelen. Ook moet er training van medewerkers plaatsvinden over de wijzigingen vanuit de (asiel)procedures en het aanpassen van ICT-systemen voor registratie en informatie-uitwisseling met ketenpartners. Het COA acht de implementatie van benodigde aanpassingen haalbaar, maar ze kosten tijd en moeten op veel punten plaatsvinden in nauwe afstemming met ketenpartners. Voortdurende monitoring van capaciteitsbehoeften en tijdige besluitvorming over aanvullende maatregelen blijven daarbij essentieel.
9.
Welk onderzoek ligt ten grondslag aan de aanname dat uitbreiding van Eurodac effectief bijdraagt aan de gestelde doelen, zoals het beperken van secundaire migratie?
Antwoord:
De onderbouwing bij haar voorstellen wordt door de Europese Commissie gegeven bij haar publicatievoorstellen. Voor Eurodac gaat het om de voorstellen inclusief toelichting uit 2016 (COM(2016) 272 final) en de aanvullende wijzigingen in 2020 (COM(2020) 614 final). Daarin heeft de Commissie onder andere uiteengezet dat de voorgestelde wijzigingen ertoe bijdragen dat het beleid op nauwkeuriger en vollediger gegevens kan worden gebaseerd en dat de beheersing van irreguliere migratie en de opsporing van niet-toegestane verplaatsingen beter wordt ondersteund, doordat naast verzoeken ook individuele verzoekers kunnen worden geteld in de nieuwe Eurodac-database
10.
In hoeverre zijn de ICT-systemen van de ketenpartners zoals IND, COA en Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) toegerust op een veilige en betrouwbare verwerking van biometrische gegevensuitbreiding? Zijn er risicoanalyses gemaakt en, zo ja, kunnen deze gedeeld worden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
In de migratieketen en in de Europese samenwerking wordt biometrie al sinds begin jaren 2000 gebruikt en de ICT-systemen van ketenpartners zijn hiervoor geschikt. Het Pact levert geen zodanige biometrische gegevensuitbreiding op dat er een noodzaak is geweest voor risicoanalyses. De verwerking van biometrische gegevens binnen de keten en bij de ketenpartners die daarvoor geautoriseerd zijn gebeurt veilig en betrouwbaar.
11.
In hoeverre wordt er in Nederland op toegezien dat biometrische gegevens die in andere lidstaten worden verwerkt en opgeslagen voldoen aan regels ten aanzien van veiligheid, betrouwbaarheid en privacy?
Antwoord:
In Nederland wordt niet toegezien op de verwerking en opslag van biometrische gegevens in andere EU-lidstaten. De nationale toezichthouder van de desbetreffende EU-lidstaat oefent dat toezicht uit, zoals ook de Autoriteit Persoonsgegevens alleen haar taken kan uitvoeren en haar bevoegdheden kan uitoefenen op het Nederlandse territorium. De nationale toezichthouders in de EU-lidstaten werken wel met elkaar samen om te zorgen voor de naleving van de regels voor veiligheid, betrouwbaarheid en privacy.
12.
Wat zijn de gevolgen voor de rechtspositie van asielzoekers indien zij weigeren mee te werken aan biometrische registratie in het kader van Eurodac?
Antwoord:
Uit artikel 41 van de EU-Asielprocedureverordening volgt dat indien de vreemdeling weigert mee te werken aan afgifte van biometrie dit een grond is om de asielaanvraag van de betreffende vreemdeling buiten behandeling te stellen. Er wordt dan geen inhoudelijke beoordeling gedaan.
13.
Wat is de juridische, technische en operationele impact van de voorgenomen koppeling van nieuw te verzamelen Eurodac-data aan het bestaande inreis-uitreissysteem (EES)? Welke gevolgen heeft de koppeling voor de bescherming van persoonsgegevens? En welke voorzieningen worden getroffen om fouten te voorkomen, zoals bijvoorbeeld ongeautoriseerde toegang of verkeerde matching?
Antwoord:
Er is geen sprake van een directe koppeling tussen Eurodac en het Entry Exit System (EES). De samenhang tussen beide systemen ontstaat in de toekomst via het interoperabiliteitskader van de Europese Unie, waarmee de systemen elkaar kunnen complementeren. Dit kader heeft tot doel het beheer van de buitengrenzen van het Schengengebied te verbeteren en de interne veiligheid binnen de Europese Unie te versterken.
Toegang tot Eurodac voor raadpleging is uitsluitend toegestaan voor de aangewezen autoriteiten van de lidstaten en voor gemachtigde gebruikers van EU-instanties die actief zijn op het gebied van justitie en binnenlandse zaken. Lidstaten zijn verantwoordelijk voor het toezenden van biometrische gegevens van voldoende kwaliteit, zodat deze geschikt zijn voor geautomatiseerde vingerafdruk- en gezichtsvergelijking. Alle autoriteiten met recht op toegang tot Eurodac dienen te zorgen voor adequate opleiding en de benodigde technologische uitrusting om de gegevens correct en veilig te verwerken, waarmee het risico op verkeerde matching wordt beperkt.
14.
Hoe groot is het risico op fouten in biometrische dataverwerking of -matching, zo vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA. Welke rechtsbescherming is in deze gevallen voorhanden?
Antwoord:
Afname van biometrische gegevens, zoals vingerafdrukken en gezichtsopnamen, is de meest betrouwbare methode voor identiteitsvaststelling en -verificatie, omdat deze gegevens uniek zijn en minder gevoelig voor fraude dan bijvoorbeeld identificatiedocumenten. Tegelijkertijd kunnen factoren zoals de kwaliteit van de afname van een vingerafdruk of technische omstandigheden van invloed zijn op de uitkomst van een match. Binnen het Pact wordt dit risico zoveel mogelijk beperkt. De betrouwbaarheid wordt geborgd door het gebruik van zorgvuldige afnameprocedures, hoge technische kwaliteitsnormen en controles op de juistheid van gegevens. De verwerking van gegevens vindt plaats binnen de kaders van de relevante EU-verordeningen, in het bijzonder de Eurodac-verordening, waarin eisen zijn gesteld aan de kwaliteit en het gebruik van biometrische gegevens.
Ten aanzien van rechtsbescherming hebben vreemdelingen te allen tijde het recht op inzage in hun gegevens en kunnen zij onjuiste gegevens laten corrigeren of, onder voorwaarden, laten verwijderen. Besluiten die (mede) zijn gebaseerd op biometrische gegevens kunnen worden aangevochten via bezwaar en/of beroep bij de bevoegde nationale autoriteiten en rechterlijke instanties.
15.
Hoe wordt de proportionaliteit beoordeeld van het voornemen om biometrische gegevens van kinderen vanaf zes jaar op te slaan en hoe verhoudt dat zich tot het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en artikel 7 en 8 van het EU-Handvest van de grondrechten?
Antwoord:
De Eurodac-verordening schrijft een verlaging van de leeftijd voor van personen van wie vingerafdrukken en gezichtsopnamen worden afgenomen. Ter motivering heeft de Europese Commissie in het voorstel opgenomen dat veel verzoekers om internationale bescherming en irregulier de EU binnenkomende onderdanen van derde landen reizen met hun familie en in veel gevallen met zeer jonge kinderen. Als deze kinderen met behulp van vingerafdrukken en gezichtsopnamen kunnen worden geïdentificeerd, kunnen zij gemakkelijker worden teruggevonden als zij van hun familie gescheiden raken, doordat een lidstaat een onderzoek kan instellen indien uit overeenstemmende vingerafdrukken blijkt dat het kind in een andere lidstaat verblijft. Het voorstel verbetert bovendien de bescherming van niet-begeleide minderjarigen, die niet altijd formeel om internationale bescherming verzoeken en vaak weglopen uit zorginstellingen of sociale voorzieningen voor kinderen waar zij zijn ondergebracht. Eurodac biedt nu de mogelijkheid om kinderen uit derde landen te registreren indien zij zonder documenten in de EU worden aangetroffen, zodat hun verplaatsingen kunnen worden gevolgd en kan worden voorkomen dat zij in misbruiksituaties terechtkomen.
In de verordening zijn aanvullende waarborgen ter bescherming van minderjarigen opgenomen in artikel 14. Zo geldt onder meer dat de minderjarige tijdens de volledige duur van de afname wordt vergezeld door een volwassen familielid, indien die aanwezig is. Een niet-begeleide minderjarige wordt vergezeld door een vertegenwoordiger, of, indien geen vertegenwoordiger is aangewezen, een persoon die is opgeleid om de belangen van het kind en zijn algemene welzijn zo goed mogelijk te beschermen. Deze persoon kan niet de ambtenaar zijn die verantwoordelijk is voor het afnemen van biometrische gegevens, hij handelt onafhankelijk en ontvangt geen opdrachten van de desbetreffende ambtenaar of dienst. Indien een vertegenwoordiger is aangewezen uit hoofde van de herschikte Opvangrichtlijn is dat de begeleidende persoon. Zie in dit kader tevens artikel 23, zesde lid, onderdeel c, van de Procedureverordening. Daarnaast voorziet de Eurodac-verordening in verschillende aanvullende waarborgen die ervoor moeten zorgen dat de afname van biometrie ten behoeve van Eurodac op een kindvriendelijke wijze gedaan wordt. Zo verplicht artikel 14, eerste lid, van de Eurodac-verordening ertoe dat biometrische gegevens van minderjarigen worden afgenomen door ambtenaren die speciaal zijn opgeleid om biometrische gegevens van een minderjarige op een kindvriendelijke en op het kind afgestemde manier af te nemen, met volledige inachtneming van de belangen van het kind en de waarborgen die zijn vastgelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind. De IND ontwikkelt momenteel een opleidingsplan. Daarbij geldt dat zal worden aangesloten bij de opleidingen die het Asielagentschap van de Europese Unie aanbiedt, waar nodig aangevuld met een nationale training. Dit geldt eveneens voor de KMar en de politie. Eén van de taken van het Asielagentschap is het ondersteunen van de lidstaten bij de opleiding van en, in voorkomend geval, het bieden van opleiding aan deskundigen uit de lidstaten. Daaronder zijn ook de ontwikkeling van opleidingen op het terrein van vingerafdrukgegevens en specifieke waarborgen voor minderjarigen begrepen.
16.
Hoe wordt voorkomen dat gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan oorspronkelijk voorzien?
Antwoord:
In de Europese regelgeving is sprake van strikte doelbinding. Met name de Eurodac-verordening bepaalt uitdrukkelijk voor welke doeleinden biometrische gegevens mogen worden verwerkt, zoals bijvoorbeeld voor de behandeling van asielverzoeken. Voor gebruik buiten de expliciet omschreven doeleinden biedt de verordening geen grondslag, waardoor dergelijk gebruik niet is toegestaan. Daarnaast is de systematiek van het Migratiepact zodanig ingericht dat gegevensverwerking plaatsvindt binnen gesloten systemen. Dit betekent dat alleen vooraf bepaalde categorieën gegevens worden verwerkt, binnen specifieke Europese informatiesystemen, die uitsluitend toegankelijk zijn voor daartoe aangewezen bevoegde autoriteiten. Toegang en gebruik zijn daarbij functioneel gekoppeld aan de in de verordeningen vastgelegde doeleinden.
Tevens voorziet de Eurodac-verordening niet in de mogelijkheid om de daarin opgenomen biometrische gegevens te gebruiken voor nationale uitvoeringsprocessen die buiten het toepassingsbereik van de verordening vallen. Indien biometrie op nationaal niveau wordt gebruikt, bijvoorbeeld voor identiteitsverificatie tijdens de asielprocedure, is daarvoor een afzonderlijke nationale wettelijke grondslag vereist, waarop de reguliere waarborgen voor gegevensbescherming van toepassing zijn. Ook wordt het juiste gebruik van gegevens geborgd door aanvullende maatregelen zoals toegangsbeperkingen, logging en monitoring van datagebruik en toezicht door bevoegde autoriteiten.
17.
Kan inzichtelijk worden gemaakt hoe wordt voorzien in extern toezicht door de Autoriteit Persoonsgegevens en hoe dit in de praktijk wordt georganiseerd? In hoeverre wordt voorzien in monitoring en periodieke evaluatie ten aanzien van datalekken, gemaakte juridische fouten of fouten in dataverwerking en -opslag, en problemen in de uitvoering?
Antwoord:
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is de onafhankelijke toezichthouder op de naleving van het grondrecht op de bescherming van persoonsgegevens. De AP is ook onderdeel van de European Data Protection Board (EDPB), het samenwerkingsverband van Europese toezichthouders. De AP heeft een toezichtstrategie en een scala aan instrumenten om hier invulling aan te geven. De AP voert probleemgestuurd toezicht uit. De AP maakt hierbij onder meer gebruik van de informatie die burgers en organisaties aanleveren. De organisaties binnen de Migratieketen zijn gehouden aan de wettelijke verplichtingen met betrekking tot privacy, zoals het melden van datalekken.
18.
Het Pact wordt op 12 juni 2026 van kracht. De Inspectie Justitie en Veiligheid en het College voor de Rechten van de Mens zullen onderdeel uitmaken van het toezichtmechanisme. Er worden precieze afspraken gemaakt over de verdeling van taken en over de financiële afstemming. Is het de verwachting dat deze afspraken, alsmede de financiële afstemming, vóór 12 juni 2026 formeel zullen worden afgerond en dat de uitkomsten daarvan vóór 12 juni 2026 met de Eerste Kamer gedeeld kunnen worden?
Antwoord:
Tussen de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) en het College voor de Rechten van de Mens (CRM) heeft onderlinge afstemming plaatsgevonden over de verdeling van de taken. Vanwege de onafhankelijke positie van het toezichtmechanisme is de invulling van het toezicht aan deze organisaties zelf; het Ministerie van Justitie en Veiligheid speelt daar verder geen rol in. Het is de verwachting dat IJenV en het CRM voor 12 juni 2026 een voorlopige taakverdeling hebben. De financiële afstemming tussen het Ministerie en beide organisaties is in een vergevorderd stadium.
19.
De omvang van het Pact vraagt tot 12 juni 2026 vrijwel de volledige verandercapaciteit van de IND en is daarmee een uitdaging voor de IND, zo lezen deze leden in de uitvoerbaarheidsanalyse van de IND (p. 1). Is volgens u de verandercapaciteit van de IND voldoende robuust om alle uitdagingen binnen de daarvoor geldende termijnen op betrouwbare wijze af te ronden? En, zo nee, welke onderwerpen zullen na 12 juni 2026 moeten worden opgelost? Welke doorlooptijd ziet u dan als realistische opleverdatum?
Antwoord:
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 2.
20.
De aan het woord zijnde leden constateren dat de IND verwacht per 12 juni 2026 de nieuwe asielprocedure, de nieuwe taken screening (binnen het proces Ontvangst en Voorbereiden) en de juridische counseling operationeel te hebben. Enerzijds geeft de IND aan dat de implementatie zal doorlopen tot in 2027 en anderzijds dat de IND voldoende tijd moet krijgen om eventuele wijzigingen die mogelijk nog uit de behandeling van de wet kunnen volgen, door te voeren. Hieruit volgt volgens deze leden dat het niet onmogelijk is dat de gehele implementatie mogelijk pas eind 2027 zal kunnen worden afgerond. In het eerste kwartaal 2026 volgt een brief van de IND over de voortgang en de effecten voor de keten. Kunt u toezeggen elk kwartaal in 2026 en 2027 ook de Eerste Kamer hierover te informeren met een uitgebreide voortgangsrapportage van de IND?
Antwoord:
De IND heeft op 20 maart jl. een uitgebreid rapport gedeeld waarin nader wordt ingegaan op de uitvoeringsgevolgen van de nieuwe asielprocedure en de effecten voor de keten en de aanvrager. Indien daar aanleiding toe is, wordt de Tweede Kamer aanvullend geïnformeerd over specifieke onderdelen van de uitvoering van het Pact.
21.
Als gevolg van de impact van de gewijzigde richtlijn en verordeningen van het Pact, zoals het bieden van onderdak aan Dublinclaimanten na overdrachtsbesluit, hanteert het COA het uitgangspunt dat kwetsbare personen zoveel mogelijk geplaatst worden op locaties die passen bij voor hen noodzakelijke bijzondere opvangbehoeften, blijkt uit pagina 2 van de brief.
Kunt u, gelet op het grote aantal noodopvanglocaties als gevolg van een tekort aan reguliere asielzoekerscentra (azc’s), een indicatie geven van het aantal personen voor wie het niet mogelijk zal zijn te voorzien in noodzakelijke bijzondere opvanglocaties? Bent u bereid erop te sturen dat deze situatie niet zal voorkomen? In het geval dit niet mogelijk is, welke aanvullende maatregelen voorziet u om de negatieve gevolgen voor kwetsbare personen te voorkomen? Kunt u een indicatie geven van de mogelijke negatieve effecten voor Dublinclaimanten?
Antwoord:
Uitgangspunt is dat kwetsbare personen zoveel mogelijk geplaatst worden op locaties die zoveel als mogelijk passend zijn bij hun specifieke of bijzondere opvangbehoefte. Op de reguliere opvanglocaties zijn aangepaste kamers aanwezig voor mindervalide asielzoekers. Echter, niet iedere kwetsbare persoon hoeft op een aangepaste opvangplek te verblijven. Per casus wordt bekeken wat de meest optimale oplossing is, waarbij opgemerkt dient te worden dat gezien de huidige druk op de opvangcapaciteit dat niet altijd de ideale oplossing is. Dus niet in alle gevallen kunnen aan alle kwetsbaren de passende materiele voorzieningen worden geboden. Hierbij wordt opgemerkt dat verschillende noodopvanglocaties voldoen aan alle kwaliteitsnormen. Nederland werkt gezamenlijk met alle ketenpartners aan een toekomstbestendig en duurzaam opvanglandschap. De focus ligt op het realiseren van voldoende reguliere opvanglocaties van goede kwaliteit en voorzieningen en het geleidelijk afbouwen van noodopvanglocaties. Dit is echter een ambitie die niet binnen een jaar gerealiseerd zal zijn. Dublin-gezinnen met minderjarige kinderen worden met de ingang van het Pact geplaatst op een Gezinslocatie (GL), minderjarigen houden toegang tot geschikte educatieve activiteiten. Meerderjarige Dublin-claimanten zonder minderjarige kinderen krijgen na overdrachtsbesluit onderdak op een zogenaamde Dublin-onderdaklocatie (DOL), die een apart onderdeel is van een regulier azc. Zij behouden een minimale levenstandaard, waarbij noodzakelijke medische zorg gewaarborgd moet zijn.
22.
Mede als gevolg van de herschikte Opvangrichtlijn is de inzet van het kabinet om het aantal noodopvanglocaties te verkleinen en het vergroten van het aandeel van de reguliere azc’s, zo blijkt uit de brief. Ziet u mogelijkheden om, bijvoorbeeld via de ministeriële bevoegdheid op basis van de zogenaamde Spreidingswet, hier een aanmerkelijke versnelling te bewerkstelligen? Zo ja, op welke termijn?
Antwoord:
Tijdens de eerste wetscyclus van de Spreidingswet is het gemeenten gelukt om aanzienlijk meer opvangcapaciteit te realiseren. In totaal zijn ruim 12.000 extra reguliere opvangplekken geopend, verspreid over meer gemeenten dan voorheen. Een deel van deze capaciteit betreft echter noodopvang, waardoor de totale toename niet volledig als duurzame capaciteit kan worden beschouwd.
Daarnaast zijn sinds de zomer van 2025 circa 6.000 geplande reguliere opvangplekken vertraagd door politieke omstandigheden. Het is daarom noodzakelijk om in de komende fase zowel het aantal structurele opvangplekken verder uit te breiden als noodopvang in te zetten als tijdelijke overbrugging. Om de benodigde voortgang te waarborgen, blijft een stevige inzet op het interbestuurlijk toezicht en consequente handhaving van de wet onmisbaar.
23.
Het Pact stelt eisen en beperkingen aan Dublinonderdaklocaties, met een versoberd en vrijheidsbeperkend regime. De vermenging van doelgroepen en uiteenlopende regimes op eenzelfde locatie is ingewikkeld, menen de aan het woord zijnde leden. In hoeverre verwacht u dat er in gemeenten bestuurlijk draagvlak zal komen voor het realiseren van deze locaties? Hoe schat u de veiligheidsrisico’s in voor de Dublinclaimanten en voor de burgers in de gemeenten met deze specifieke opvanglocaties? Welke maatregelen voorziet u om te kunnen voldoen aan de uitgangspunten van internationale regelgeving op het gebied van de rechten van de mens?
Antwoord:
Het COA heeft het voornemen om Dublin-claimanten na hun overdrachtsbesluit zoveel mogelijk op andere gedeelten binnen bestaande opvanglocaties onderdak te bieden. Het gaat dan om kleinschalige gedeelten van een locatie waar voor deze groep asielzoekers een versoberd regime geldt. Deze te ontwikkelen modaliteit wordt Dublin-onderdaklocatie genoemd. Op deze manier kan de ketensamenwerking in het kader van terugkeer beter worden georganiseerd en blijft deze groep beter in zicht. Op dit moment lopen in twee gemeenten pilots. Deze zullen stapsgewijs worden uitgebreid, afhankelijk van de capaciteitsbehoefte. Net als bij andere vormen van opvang speelt de gemeente een belangrijke rol in het proces. Bij een wijziging van doelgroep en/of voorwaarden zal het COA zoals gebruikelijk de betreffende gemeente hierover informeren en indien nodig aanvullende afspraken maken. Hierbij wordt vanzelfsprekend de veiligheid op locaties geborgd, evenals waarborgen van een levensstandaard die in overeenstemming is met het Unierecht, met inbegrip van het Handvest, en internationale verplichtingen.
24.
Het wetsvoorstel Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 is op 17 december 2025 bij de Tweede Kamer ingediend. Het Pact wordt op 12 juni 2026 van kracht. Nu wordt de aanpassing van lagere regelgeving voorbereid die noodzakelijk is voor de uitvoering en de implementatie van het Pact. De leden van de D66-fractie vragen wat de reden is geweest om het wetsvoorstel pas op 17 december 2025 in te dienen bij de Tweede Kamer, tegen de achtergrond dat de Raad van State (al) op 22 oktober 2025 een advies met dictum B heeft uitgebracht?
Antwoord:
Het inpassen van het Asiel – en migratiepact in de Nederlandse rechtsorde is een grote opgave. Na inwerkingtreding van het Pact is slechts twee jaar beschikbaar voor het doordenken van de gevolgen van het Pact voor Nederland en de totstandkoming van de noodzakelijke uitvoerings- en implementatiewetgeving. In de door de leden van de fractie van D66 genoemde periode tussen advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State en indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer heeft de regering gewerkt aan het nader rapport waarin zij op het advies van de Afdeling advisering reageert. Hoewel het advies van de Afdeling advisering positief was, was het ook heel omvangrijk. De regering heeft ondanks de beperkte tijd die beschikbaar was geprobeerd het advies zo zorgvuldig mogelijk te wegen. Dat heeft ook geleid tot een omvangrijk nader rapport. Daarnaast zijn mede naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering aanpassingen in het wetsvoorstel en de toelichting doorgevoerd.
25.
De wetgeving is omvangrijk en ingrijpend en vereist uitgebreide en zorgvuldige behandeling in de Eerste Kamer, menen deze leden. Wat zijn volgens u de gevolgen als het wetsvoorstel op 12 juni 2026 (nog) niet is aangenomen in de Eerste Kamer? Welke aspecten van de aanpassing van lagere regelgeving kunnen volgens u zodanig kritisch zijn zodat de datum van 12 juni mogelijk niet gehaald kan worden? In het geval dit zou voorkomen, wat kunnen dan de gevolgen zijn?
Antwoord:
De regering heeft meermaals benadrukt dat het van groot belang is om de parlementaire behandeling van de Uitvoerings- en implementatiewet voor 12 juni 2026 af te ronden. Op die datum zullen de negen verordeningen van het Pact namelijk van toepassing worden en rechtstreeks werken in de Nederlandse rechtsorde. Nederland is vanaf die datum ook verplicht om volledig uitvoering te geven aan het Pact en dient de herschikte Opvangrichtlijn te hebben geïmplementeerd. Het Pact vereist voor een goede werking evenwel dat op nationaal niveau allerlei uitvoerings- en implementatiekeuzes worden gemaakt. Daarnaast moeten nationale regels die conflicteren met het Pact worden geschrapt. Dat heeft de regering in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact gedaan. Als die wet niet uiterlijk op 12 juni 2026 in werking kan treden zal grote rechtsonzekerheid ontstaan en zullen vragen rijzen over het toepasselijke recht. Die onzekerheid ontstaat voor zowel uitvoeringsorganisaties als voor de vreemdelingen.
De regering werkt parallel aan de Uitvoerings- en implementatiewet ook aan een wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000, door middel van een Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact 2026. Die aanpassingen moeten ervoor zorgen dat het Vreemdelingenbesluit 2000 in lijn wordt gebracht met de Vreemdelingenwet 2000, zoals deze wet komt te luiden na inwerkingtreding van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026. Deze aanpassingen dienen ook op 12 juni 2026 gereed te zijn.
26.
Uit de analyse van de uitvoerbaarheid door de IND komt naar voren dat er tussen de lidstaten geen structuur is voor de uitwisseling van screeningsformulieren. Het gevolg is dat de IND extra werk zal moeten uitvoeren voor het volledige identificatie- en registratieproces. Dit geldt ook voor herbevestigde vluchtelingen. Ziet u de mogelijkheid om alsnog in EU-verband te komen tot uitwisseling van screeningsformulieren, en, zo ja, op welke termijn?
Antwoord:
Op Europees niveau is, zowel door de Europese Commissie als door het EU-Agentschap voor IT-systemen EU-LISA, niet voorzien in een centrale voorziening waar screeningsformulieren tussen lidstaten uitgewisseld kunnen worden. Het Eurodac-systeem zal dus de primaire manier zijn voor lidstaten om te kunnen concluderen of een derdelander al is gescreend in een lidstaat. Daarbij is het goed om te benadrukken dat screening een momentopname blijft, indien een vreemdeling eerder in een andere lidstaat is gescreend, kunnen in de tussentijd nieuwe relevante zaken aan de orde zijn. Daarnaast heeft het screeningsformulier in Nederland als primaire doel om de uitkomsten van de individuele screening samen te vatten. Het is met name bedoeld als communicatie richting de betreffende vreemdeling en niet primair bedoeld om te delen met lidstaten.
Tegelijkertijd heeft de Europese Commissie lidstaten verzocht om een nationaal contactpunt screening aan te wijzen. Screeningsautoriteiten uit andere lidstaten kunnen dit nationaal contactpunt benaderen voor vragen omtrent screening. Op deze manier kan, waar juridisch mogelijk, bepaalde informatie worden uitgewisseld.
27.
De IND ziet risico’s ten aanzien van de verplichte termijn van de screening, de sterke afhankelijkheid van de capaciteit van de ketenpartners alsook de koppeling met de benodigde Europese systemen (p. 2). Ook de nieuwe asielprocedure als gevolg van het Pact verandert fundamenteel voor de IND, lezen de aan het woord zijnde leden. Toch verwacht de IND per 12 juni 2026 volgens de nieuwe procedure te kunnen werken.
Onderschrijft u de optimistische visie van de IND? En, zo ja, hoe verhoudt de optimistische visie van de IND zich dan tot de verwachting van de IND dat er rekening wordt gehouden met een groeipad richting volledige realisatie in 2027? Bent u het eens met de inschatting van de leden van de D66-fractie dat er zich na 12 juni 2026 nog allerlei aanloopproblemen zullen voordoen, waarvan de IND er nu van uitgaat dat al die problemen in 2027 (dus uiterlijk 31 december 2027) zullen zijn opgelost? Bent u bereid de Eerste Kamer ultimo 2026, medio 2027 en ultimo 2027 te informeren over het verloop en de oplossing van deze aanloopproblemen en daarbij ook de ervaringen in Europees verband mee te nemen?
Antwoord:
De IND verwacht per 12 juni 2026 te kunnen starten met de uitvoering van het Pact en volgens de nieuwe asielprocedure te kunnen werken. Deze inschatting is gebaseerd op de huidige voorbereidingen en de maatregelen die worden getroffen om de noodzakelijke processen en systemen tijdig operationeel te hebben. Tegelijkertijd heeft de IND aangegeven dat sprake zal zijn van een ingroeipad, waarbij de volledige effecten van de nieuwe werkwijze richting 2027 worden gerealiseerd. Het kabinet acht deze inschatting van de IND reëel, maar erkent ook, zoals de IND zelf aangeeft, dat in de eerste periode na inwerkingtreding ervaring moet worden opgedaan met de nieuwe werkwijze. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 20 wordt de Kamer indien nodig geïnformeerd over specifieke onderdelen van de uitvoering van het Pact.
28.
De IND gaat de in het Pact afgesproken juridische counseling uitvoeren en zal hiervoor een aparte rolzuivere voorziening inrichten. Inhoudelijk advies over individuele zaken blijft voorbehouden aan de advocatuur. Ziet u een vaktechnisch spanningsveld tussen de juridische counseling door de IND en de inhoudelijke adviezen in individuele gevallen door de advocatuur? En, zo ja, welke maatregelen wilt u dan doorvoeren zodat er geen (extra) juridische geschillen ontstaan tussen de juridische counseling door de IND en de adviezen van de advocatuur?
Antwoord:
De juridische counseling bestaat uit objectieve informatieverstrekking over de procedure. Daarin wordt uitgelegd hoe de procedure werkt, wat de aanvrager kan verwachten en hoe hij bijvoorbeeld eventuele documenten of andere bewijsstukken aanlevert. Vragen die de aanvrager heeft kunnen beantwoord worden met algemene informatie, legal counseling is geen belangenbehartiging en geen vertegenwoordiging. Dit is informatie die voor iedereen openbaar is. De medewerkers van de juridische counseling geven geen inhoudelijk advies en hebben geen toegang tot de individuele dossiers. Omdat dit een wezenlijk andere rol is dan de inhoudelijk advisering door de advocaat, zie ik hier geen vaktechnisch spanningsveld.
29.
Voor de uitvoerbaarheid van het Pact alsmede de implementatie van de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel – in het geval deze twee wetsvoorstellen inclusief de novelle in april 2026 door de Eerste Kamer zouden worden aangenomen – resteert nog minder dan twee maanden vóór 12 juni 2026. Voor de IND een onmogelijke opgave het Pact en de twee nationale asielwetten vóór 12 juni 2026 volledig te kunnen implementeren, verwachten de leden van de D66-fractie.
Kunt u reflecteren op deze onmogelijkheid, de gevolgen voor de keten indien de termijn van 12 juni 2026 wordt overschreden en de mogelijkheid van de gefaseerde invoering van onderdelen alsmede de prioritering van die onderdelen van het Pact en de twee nationale asielwetten?
Antwoord:
De regering heeft eerder een brief aan beide Kamers gestuurd waarin, door middel van twee transponeringstabellen, de verhouding tussen de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 en de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel wordt toegelicht (Kamerstukken II 2025/26, 32 317, nr. 988). Daaruit blijkt onder andere dat de Asielnoodmaatregelenwet drie maatregelen bevat die niet zijn opgenomen in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026. Het gaat om de uitbreiding van de ongewenstverklaring, strafbaarstelling illegaliteit en de afschaffing van de rechterlijke dwangsom. Voor het overige bestaan er geen inhoudelijke verschillen tussen beide wetsvoorstellen en de Uitvoerings- en implementatiewet. In zoverre lopen de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel vooruit op de Uitvoerings- en implementatiewet. De reden voor deze keuze was om de maatregelen die moeten helpen op de asielketen op orde te krijgen zo snel mogelijk in werking te kunnen laten treden en de uitvoeringsorganisaties zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden over het wettelijke kader.
30.
Kunt u expliciet aangeven welke onderdelen van het Asiel- en migratiepact directe, dwingende verplichtingen bevatten voor Nederland en welke onderdelen ruimte laten voor nationaal beleid?
Antwoord:
Het Pact bestaat uit negen verordeningen en een herziene richtlijn. De verordeningen zullen vanaf 12 juni 2026 rechtstreeks werken in de Nederlandse rechtsorde en als zodanig dwingend zijn. Vanaf die datum is Nederland ook verplicht de richtlijn te hebben geïmplementeerd. Zowel de uitvoering van de verordeningen als de implementatie van de richtlijn vereisen dat op nationaal niveau allerlei keuzes worden gemaakt. Die keuzes moeten ervoor zorgen dat het Pact nuttig effect kan hebben. Bij het maken van die keuzes heeft Nederland een zekere beleidsvrijheid. Het kabinet heeft ervoor gekozen om, daar waar het Pact beleidsruimte laat, altijd te kiezen voor een aansluiting bij de minimum normen hetzij een invulling die zorgt voor een efficiëntere asielprocedure.
31.
Hoe waarborgt u dat de implementatie van grens- en screeningprocedures de toegang tot effectieve rechtsmiddelen en rechtsbijstand niet beperkt?
Antwoord:
De Procedureverordening bewaakt in meerdere bepalingen de procedurele waarborgen die ten aanzien van de toegang tot rechtshulp en rechtsbijstand gelden. Het proces van screening en registratie van de asielaanvraag zullen vloeiend in elkaar overlopen en tijdens dit proces hebben vreemdelingen die een asielwens kenbaar maken vroegtijdige toegang tot counseling. Het recht op kosteloze rechtsbijstand blijft in de context van de grensprocedure onveranderd.
32.
Welke structurele knelpunten heeft de IND in zijn uitvoerbaarheidsbrief concreet benoemd, inclusief personele, logistieke en operationele risico’s, en wat is de inhoudelijke reactie van de regering op deze punten?
Antwoord:
In de uitvoerbaarheidsbrief geeft de IND aan risico’s bij de screening te zien indien zich sterke fluctuaties in instroom voordoen. Daarnaast worden, met het flexibeler worden van de procedures, ook kansen gezien, mits de juiste randvoorwaarden worden gerealiseerd. Het is inherent aan het implementeren van nieuwe wetgeving dat zich kansen en risico’s voordoen. Inmiddels is op 20 maart jl. een uitgebreid rapport met de Tweede Kamer gedeeld waarin hier uitgebreid(er) op wordt ingegaan.
33.
Is voor de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact een formele uitvoeringstoets uitgevoerd conform het rijksbrede toetsingskader en kunt u de relevante conclusies met de Kamer delen?
Antwoord:
De IND heeft op 20 maart jl. een uitgebreid rapport met de Tweede Kamer gedeeld waarin wordt ingegaan op de uitvoeringsgevolgen van de nieuwe asielprocedure en de implementatie van het Pact. In dit rapport worden de effecten voor de organisatie, aanvragers en de ketenpartners beschreven. Dit rapport betreft geen formele ex-ante uitvoeringstoets (EAUT) conform het rijksbrede toetsingskader. Daarvoor was bij de totstandkoming van het wetsvoorstel nog niet in alle opzichten sprake van uitgewerkte beleidskeuzes. Om die reden heeft de IND in dit stadium een analyse uitgevoerd in plaats van een EAUT.
34.
Indien implementatie afhankelijk is van substantiële ICT- en procesaanpassingen, wat is de huidige stand van zaken van deze trajecten en is een risicoanalyse gemaakt over de haalbaarheid vóór inwerkingtreding?
Antwoord:
De invoering van het Pact vereist zowel een aantal noodzakelijke wijzigingen van ICT-systemen van de organisaties in de migratieketen, als wijzigingen die zorgen voor de samenwerking met Europese systemen. De organisaties in de keten hebben in beeld welke wijzigingen doorgevoerd moeten worden voor hun organisatie en werken daaraan. De werkzaamheden met betrekking tot de Europese systemen verlopen volgens Europese planning. Deze planning staat los van het Pact, met uitzondering van Eurodac. De ontwikkelingen met betrekking tot Eurodac liggen op schema en de dagelijkse werkzaamheden waarvoor het systeem gebruikt wordt, kunnen doorgang vinden.
35.
Kunt u een gespecificeerd overzicht geven van de geraamde implementatiekosten, uitgesplitst naar IND, rechtspraak, opvangketen en toezicht?
Antwoord:
In de Voorjaarsnota 2025 is € 21 mln. structureel vrijgemaakt voor de implementatie van het Pact. Deze gelden zijn verdeeld over de organisaties in de migratieketen aan de hand van de omvang van de wijzigingen en taken onder het Pact. De structurele uitbreiding voor de IND bedraagt € 5,5 mln., voor het COA circa € 4 mln., voor Nidos € 1 mln. en voor de DTenV ongeveer € 1 mln. Daarbij ontvangen Justid en de Nationale Politie structureel respectievelijk € 0,2 mln. en € 0,3 mln. in het kader van Pact-werkzaamheden.
Voor de Rechtspraak heeft de regering een bedrag beschikbaar gesteld van € 25,2 mln. voor de toename van werklast door de invoering van het Pact en de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel.
36.
Welke meetbare indicatoren worden gehanteerd om te beoordelen of het Pact leidt tot verkorting van procedures en vermindering van druk op de opvangcapaciteit?
Antwoord:
De effecten van het Pact zullen onder meer worden gevolgd aan de hand van indicatoren die ook nu al worden gebruikt om de werking van de asielketen te monitoren. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de doorlooptijden van asielprocedures, de omvang van de voorraden en de tijd die nodig is om aanvragen af te doen.
37.
Kunt u toelichten hoe wordt gegarandeerd dat versnelde procedures aan de buitengrenzen geen onevenredige beperking opleggen aan het recht op toegang tot de rechter?
Antwoord:
Het recht op kosteloze rechtsbijstand blijft in de context van de grensprocedure onveranderd. Aan vreemdelingen die asiel aanvragen aan de buitengrens wordt de toegang tot Nederland uitgesteld en kan grensdetentie worden opgelegd. Bij het uitreiken van de beschikkingen wordt aan de vreemdelingen een folder rechtsbijstand uitgereikt in een voor hen begrijpelijke taal. Rechtsbijstand wordt altijd toegelaten tijdens de procedure. Tegen een afwijzend asielbesluit kan door de asielzoeker en zijn rechtsbijstandverlener rechtstreeks beroep bij de rechter worden ingesteld.
38.
Bent u voornemens een geïntegreerde evaluatie van de implementatie binnen twee jaar na inwerkingtreding wettelijk te verankeren, gericht op rechtsbescherming, uitvoerbaarheid en doelmatigheid?
Antwoord:
Bij de wetsbehandeling in de Tweede Kamer is een amendement ingediend met een evaluatiebepaling. Afhankelijk van de uitkomst van de stemming daarover is de bepaling daarmee onderdeel geworden van het wetsvoorstel.
38.
Kunt u toezeggen periodiek aan beide Kamers te rapporteren over uitvoeringsproblemen, kostenontwikkelingen en rechtsbeschermingsaspecten bij de implementatie van het Pact?
Antwoord:
Uw Kamer wordt op de gebruikelijke wijze geïnformeerd over het gevoerde beleid, waarbij genoemde aspecten ook aan bod komen. Een vast, periodieke rapportage alleen over het Pact is (vooralsnog) niet voorzien.
De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink
Samenstelling:
Bakker-Klein (CDA), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Dittrich (D66), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66) (ondervoorzitter), Van Hattem (PVV) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Janssen (SP), Kaljouw (VVD), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Lagas (BBB), Lievense (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Meijer (VVD), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Samenstelling:
Bakker-Klein (CDA), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Dittrich (D66), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66) (ondervoorzitter), Van Hattem (PVV) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Janssen (SP), Kaljouw (VVD), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Lagas (BBB), Lievense (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Meijer (VVD), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36871-C.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.