Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2026-2027 | 36868 nr. A |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2026-2027 | 36868 nr. A |
Vastgesteld 16 september 2026
Het wetsvoorstel heeft de fractieleden van BBB, CDA, FVD en JA21 aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van BBB
De fractieleden van de BBB vragen wat de Energy Efficiency Directive (hierna: EED) toevoegt aan de energiebesparingsplicht. Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.
Is de voorgenomen implementatie getoetst door het Adviescollege Toetsing Regeldruk (hierna: ATR)? Zo nee, is de regering bereid dit alsnog te doen?
Op welke punten wijkt de voorgenomen Nederlandse implementatie van de EED af van die in de ons omringende landen? Heeft hierover afstemming plaatsgevonden? Kan de regering per geconstateerd verschilpunt aangeven welke variant leidt tot de laagste regeldruk voor ondernemers? Waarom is er – indien van toepassing – niet gekozen voor de variant met de laagste regeldruk?
Op welke wijze draagt het voorliggende voorstel bij aan de harmonisatie van de communicatie tussen overheid en bedrijfsleven, zodat grensoverschrijdend opererende ondernemingen in iedere lidstaat op dezelfde wijze aan de regelgeving kunnen voldoen via een uniform format en één loket?
Is het mogelijk één bevoegd gezag aan te wijzen dat de rapportages voor EED, onderzoeksplicht en informatieplicht in ontvangst neemt? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.
Op welk moment moet de beschrijving van de energie-efficiëntie worden opgenomen in het investeringsplan?
Wordt in het Energieregistratie- en Bewakingssysteem (hierna: EBS) voor datacenters tevens een meetverplichting opgenomen voor het elektriciteitsverbruik per rack, zodat het bevoegd gezag kan sturen op workloadmanagement? Zo nee, waarom niet?
Wat betekent de invoering van de EED voor gemeentes? In hoeverre worden zij tegemoetgekomen voor deze extra inspanning?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van CDA
De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van energiebesparing, dat bijdraagt aan betaalbaarheid voor burgers en bedrijven, vermindering van afhankelijkheid van derde landen en een robuust en duurzaam energiesysteem. Zij hebben enkele vragen, mede gelet op de voorziene uitwerking in lagere regelgeving.
De leden van de CDA-fractie constateren dat een belangrijk deel van de materiële en praktische werking van het wetsvoorstel wordt uitgewerkt in lagere regelgeving. Zij achten het van belang dat de Kamer de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het stelsel als geheel kan beoordelen. Kan de regering op hoofdlijnen uiteenzetten hoe wordt geborgd dat het wetsvoorstel, in samenhang met de lagere regelgeving en uitvoeringspraktijk, volledig richtlijnconform, uitvoerbaar en handhaafbaar is? Kan de regering daarbij tevens aangeven of na inwerkingtreding van het wetsvoorstel nog onderdelen van de richtlijn niet of nog niet volledig zijn geïmplementeerd, en zo ja, welke onderdelen dit betreft en op welke termijn deze alsnog worden geïmplementeerd?
Deze leden hebben kennisgenomen van de opmerkingen van Raad van State over het energie-efficiëntie-eerstbeginsel. Zij begrijpen dat dit beginsel beoogt te waarborgen dat energie-efficiënte alternatieven tijdig en serieus worden meegewogen bij belangrijke plannings-, beleids- en investeringsbeslissingen.2 Tegelijkertijd vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat dit beginsel in de praktijk vooral een procedurele motiveringsplicht wordt. Kan de regering aangeven welke gevolgen verbonden zijn aan het niet, onjuist of onvoldoende toepassen van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel? Kan dit leiden tot vernietiging van besluiten, weigering van vergunningen of andere handhavingsmaatregelen?
De leden van de CDA-fractie constateren dat vergunninghouders van bepaalde warmtenetten een verduurzamingsplan moeten opstellen en dit ter instemming aan de ACM moeten voorleggen, maar dat het wetsvoorstel geen zelfstandige verplichting bevat om de maatregelen uit dat plan daadwerkelijk uit te voeren. Kan de regering toelichten hoe wordt gewaarborgd dat deze planverplichting leidt tot feitelijke verduurzaming van warmtenetten en niet blijft steken in een administratieve verplichting?
Deze leden constateren dat het wetsvoorstel voor overheidsinstanties en ondernemingen leidt tot nieuwe uitvoeringslasten en regeldruk. Deze leden onderkennen dat een deel daarvan rechtstreeks voortvloeit uit de richtlijn, maar achten het van belang dat de nationale uitwerking zo eenvoudig en werkbaar mogelijk blijft. Kan de regering uiteenzetten hoe zij voorkomt dat de samenloop van bestaande en nieuwe verplichtingen – zoals plan- en rapportageverplichtingen, energie-audits en de energiebesparingsplicht – leidt tot onnodige lastenverzwaring voor overheden en bedrijfsleven? Welke concrete keuzes zijn gemaakt om administratieve lasten te beperken en hoe wordt voorkomen dat de verplichtingen vooral leiden tot extra rapportage, zonder evenredige bijdrage aan daadwerkelijke energiebesparing?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van FVD
De leden van de FVD-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat dit wetsvoorstel in de kern een zuivere implementatie is van de herziene Europese Energie-efficiëntierichtlijn (2023/1791) en dat Nederland daarmee opnieuw Europese regels overneemt die leiden tot extra verplichtingen, plannen en rapportages?
Is de regering van mening dat dit wetsvoorstel in de praktijk vooral resulteert in een toename van bureaucratie (planverplichtingen, rapportageplichten, toezicht door ACM en ministeries) zonder dat concrete, afdwingbare energiebesparing of efficiëntiewinst wordt gegarandeerd?
Welke concrete meerwaarde verwacht de regering van de nieuwe of aangescherpte verplichtingen voor bedrijven (energiebeheersystemen en energie-audits op basis van energieverbruik) en voor overheidsinstanties (gezamenlijke 1,9% jaarlijkse reductie van het finale energieverbruik plus vierjaarlijkse plannen en jaarlijkse rapportages), gezien het feit dat de daadwerkelijke uitvoering van maatregelen vaak niet hard wordt afgedwongen?
Hoe rechtvaardigt de regering de extra administratieve lasten en uitvoeringskosten die dit wetsvoorstel met zich meebrengt voor bedrijven, overheidsinstanties en toezichthouders, terwijl de bestaande problematiek in de energietransitie (hoge kosten, stagnerende projecten, beperkte uitvoeringskracht) al groot is?
Hoe rijmt de regering dit wetsvoorstel, dat nieuwe plan- en rapportageverplichtingen introduceert, met de herhaalde ambitie om wet- en regelgeving te verminderen en de administratieve lasten voor burgers, bedrijven en overheden te verlagen?
Kan de regering, als illustratie van bovenstaande problematiek, bevestigen dat voor bestaande warmtenetten (> 5 MW die nog niet voldoen aan de efficiëntienormen) slechts een periodieke verplichting tot het opstellen van een verduurzamingsplan wordt geïntroduceerd, dat ter instemming naar de ACM moet, maar dat er geen wettelijke verplichting tot daadwerkelijke uitvoering van de maatregelen in dat plan is opgenomen? Deelt de regering de constatering van de Raad van State op dit punt, en erkent zij dat dit een schoolvoorbeeld is van bureaucratie zonder resultaat?3
In hoeverre acht de regering deze richtlijn en de Nederlandse implementatie ervan zinvol, gezien de beperkte uitvoerbaarheid in armere lidstaten (met name in Centraal- en Oost-Europa), waar de regels in de praktijk waarschijnlijk ook vaak tot weinig meer leiden dan papierwerk en gezien het feit dat de noodzakelijke investeringen daar grotendeels afhankelijk zijn van (en extra kosten veroorzaken via) EU-subsidies uit onder meer de Cohesiefondsen en het Modernisation Fund?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van JA21
Door dit wetsvoorstel wordt de energie-auditplicht niet langer gekoppeld aan de omvang van een onderneming, maar aan het energieverbruik. De leden van de JA21-fractie vragen de regering toe te lichten in hoeverre middelgrote en grote ondernemingen als gevolg hiervan te maken krijgen met een toename van de regeldruk die voortvloeit uit de energie-auditplicht en de daarmee samenhangende verplichtingen. Kan de regering daarbij inzicht geven in de verwachte administratieve lasten en nalevingskosten voor deze ondernemingen? Voorts vragen deze leden in hoeverre de regering van oordeel is dat deze toename van de regeldruk in verhouding staat tot de energiebesparingen die met dit wetsvoorstel naar verwachting worden gerealiseerd.
In hoeverre acht de regering dit wetsvoorstel verenigbaar met zowel de Nederlandse als Europese ambities om te dereguleren en de regeldruk voor ondernemingen te verlagen? En in hoeverre wordt bij de beoordeling van de regeldruk van dit wetsvoorstel rekening gehouden met de cumulatie van bijkomende Europese en Nederlandse wet- en regelgeving die tot een verhoging van de regeldruk voor ondernemingen leidt?
Kan de regering aangeven of bij de totstandkoming van deze regelgeving een impactanalyse is verricht naar het risico dat energie-intensieve bedrijven zich als gevolg van deze cumulatie van regelgeving naar buiten de EU verplaatsen?
Kan de regering aantonen dat een opeenstapeling van dergelijke wetgeving géén negatieve impact heeft op het investerings- en vestigingsklimaat van Nederland en geen nadelige gevolgen heeft voor de concurrentiepositie van Nederlandse ondernemers ten opzichte van ondernemers van buiten de EU?
De regering stelt dat er bij grootgebruikers een grotere kans is om meer energie te besparen. Is de regering het met de fractieleden van JA21 eens dat deze redenering niet opgaat voor energie-intensieve bedrijven, zoals transportbedrijven en fabrieken, waarbij het energieverbruik nauw verbonden is met de bedrijfsvoering en het daarom niet vanzelfsprekend is dat zij hun energieverbruik substantieel kunnen verminderen? Hoe voorkomt de regering dat dergelijke bedrijven onevenredig worden getroffen wanneer zij niet in staat zijn om (voldoende) energie te besparen?
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei zien de nota naar aanleiding van verslag met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken.
De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, Kluit
De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, Karthaus
Samenstelling:
Van Aelst-den Uijl (SP), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (PRO), Dessing (FVD), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (PRO), Holterhues (ChristenUnie), Karaaslan (D66), Kluit (PRO) (voorzitter), Kroon (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Van Meenen (D66), Panman (BBB), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Steenkamp (CDA), Straus (VVD), Van Strien (PVV), Thijsssen (PRO), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36868-A.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.