Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36866 nr. F |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36866 nr. F |
Vastgesteld 2 september 2026
De vaste commissie voor Europese Zaken1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Buitenlandse Zaken over de Staat van de Unie 2026 (inclusief Meerjarig Financieel Kader). Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 7 juli 2026.
• De antwoordbrief van 1 september 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken, Van den Driessche
BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR EUROPESE ZAKEN
Aan de Minister van Buitenlandse Zaken
Den Haag, 7 juli 2026
De leden van de vaste commissie voor Europese Zaken hebben besloten de Algemene Europese Beschouwing 2026 schriftelijk voor te bereiden en de inzet voor het toekomstig Meerjarig Financieel Kader (MFK) in deze schriftelijke voorbereiding te betrekken. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, PVV, JA21 en Fractie-Visseren-Hamakers hebben de volgende vragen en opmerkingen over de Staat van de Unie-brief 20262 en voortbouwend daarop de brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken en Financiën met een update van de kabinetsinzet ten aanzien van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader en Eigenmiddelenbesluit van de EU voor de periode 2028–20343 (MFK-brief), de brief van dezelfde Ministers over de kabinetsappreciatie van de negobox4 en de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken over uitbreiding, geleidelijke integratie, waarborgen en Toekomst van Europa5.
Het lid van de Fractie-Walenkamp sluit zich aan bij de vragen van JA21, het lid van de Fractie-Van Gasteren sluit zich aan bij de vragen van PVV en JA21.
Eerst wordt ingegaan op de Staat van de Unie in het algemeen, om te vervolgen met de vragen en opmerkingen met betrekking tot het toekomstig MFK.
Vragen en opmerkingen van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de fractie GroenLinks-PvdA hebben kennisgenomen van de Staat van de Europese Unie. Deze leden constateren dat zowel de SER6 als de Europese Ombudsman7 zorgen hebben geuit over de kwaliteit van het Europese wetgevingsproces. Zo wijst de SER, zien deze leden, op het ontbreken van integrale impactanalyses en het snel wijzigen van omvangrijke wetgevingspakketten via omnibusvoorstellen, terwijl de Europese Ombudsman volgens deze leden onder meer tekortkomingen constateerde bij de motivering van spoedprocedures, de consultatie van stakeholders en de toepassing van de betere regelgeving-richtlijnen.
Hoe beoordeelt u deze ontwikkelingen? Welke lessen trekt Nederland hieruit voor de inzet bij de totstandkoming van Europese regelgeving? Is de regering bereid zich ervoor in te zetten dat Europese wetgeving alleen via een zorgvuldig, transparant en navolgbaar proces tot stand komt, met volwaardige impactanalyses, tijdige consultatie van belanghebbenden en een deugdelijke motivering wanneer van reguliere procedures wordt afgeweken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Staat van de Unie 2026 en hebben hierover de volgende vragen.
In de brief staat dat Nederland waar mogelijk inzet op een gezamenlijke EU-27-aanpak, maar indien nodig ook werkt met kopgroepen (p.2). Hoe stelt de regering zich op wanneer individuele EU-lidstaten buiten gezamenlijk EU-verband om afspraken maken met derde landen? Ondermijnt dat volgens haar de gezamenlijke Europese strategie, en hoe wil Nederland zich daartegen opstellen?
Deze leden merken op dat het kabinet inzet op het verminderen van strategische afhankelijkheden op het terrein van energie, kritieke grondstoffen en digitale technologie. Zij onderschrijven deze koers, maar vragen hoe de regering waarborgt dat het versterken van Europese economische weerbaarheid niet ten koste gaat van het open karakter van de Europese economie en de internationale handel. Welke concrete criteria hanteert de regering bij deze afweging?
De leden van de D66-fractie vragen tevens hoe de regering invulling geeft aan digitale soevereiniteit in sectoren waar Nederland en Europa momenteel sterk afhankelijk zijn van niet-Europese aanbieders, zoals cloudinfrastructuur en AI-modellen. Welke strategische afhankelijkheden acht u het meest urgent om af te bouwen en welke concrete stappen worden daarin gezet?
Welke nationale verschillen in regelgeving en uitvoering ziet u momenteel als de grootste belemmeringen voor het functioneren van de interne markt en op welke terreinen zet het kabinet als eerste in op verdere harmonisatie?
Tot slot waarderen de leden van de D66-fractie de expliciete inzet op versterking van het rechtsstaatinstrumentarium. Deze leden vragen welke aanvullende instrumenten de regering noodzakelijk acht om rechtsstatelijke erosie binnen de Unie effectiever tegen te gaan. Ziet u mogelijkheden om bestaande mechanismen, zoals conditionaliteit van EU-middelen, verder te versterken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben een vraag met betrekking tot de uitgangspunten van de EU-maatregelen en ambities in het ondersteunen van de defensie-industrie. Zij lezen in de MFK-brief op p.5 over het Europees Concurrentiefonds (ECF): «Het ECF moet investeringen bundelen in strategische sectoren zoals groene technologie, halfgeleiders en militaire mobiliteit/defensie en brengt daartoe twaalf bestaande fondsen samen.» Daarnaast vermeldt de Staat van de Unie-brief (p. 5): «Ook verwelkomt het kabinet in dit kader de voortgang ten aanzien van de defensie omnibus en de bijbehorende maatregelen ten behoeve van de Europese defensiegereedheid.» En op p. 6: «Daarnaast moeten we ongewenste afhankelijkheden afbouwen, de defensie-industrie opbouwen en weerbaarder worden tegen hybride dreigingen. De EU speelt een belangrijke aanvullende rol op het gebied van veiligheid en defensie, met name op het gebied van financiering, wetgeving en coördinatie. Concreet gaat het bijvoorbeeld om het vaststellen van gezamenlijke prioriteiten ten aanzien van militaire vermogens, de ontwikkeling van Europese defensiecapaciteiten, het bevorderen van bundeling van vraag en aanschaf via het Europees Defensieagentschap en het bevorderen van militaire mobiliteit.» (...) «De EU draagt bij aan de NAVO-doelstellingen met een sterkere Europese defensie-industrie en met onderzoek en innovatie. Daarbij is het doorbreken van nationale industriële belangen essentieel.»
Voornoemde uitgangspunten roepen de volgende vraag op bij de leden van de PVV-fractie. Op 13 juni jl. bracht het Beneluxparlement een werkbezoek aan een innovatieve startup (Luxuav) in Luxemburg8 die zich bezighoudt met de ontwikkeling en productie van militaire drones. Bij dit werkbezoek kwam naar voren dat vanwege milieu-, natuur- en/of omgevingsregels deze drones nergens binnen EU-grondgebied kunnen worden getest boven de 150 meter, dat jammers (stoorzenders) voor drones evenmin kunnen worden getest (hiervoor moet men uitwijken naar Oekraïne) en glasvezelkabels voor drones ook op bepaalde militaire oefenterreinen niet mogen worden getest omdat dit een bepaald soort beschermde kikker zou kunnen verstoren. Kunt u aangeven of deze beperkingen om drones en jammers te testen vanwege dergelijke (milieu)regels bekend zijn en hoe dit zich verhoudt tot de Europese ambities en investeringen in de defensie-industrie? Kunt u duiden of kikkers en andere natuur- of milieuregels prioriteit hebben boven nationale veiligheid?
De brief over de Staat van de Unie stelt op p. 5: «Het kabinet verwelkomt tevens de inzet van de Commissie om armoede tegen te gaan, zoals uiteengezet in het recent gepresenteerde Social Package. Ook kijkt het uit naar de initiatieven op het gebied van volkshuisvesting en betaalbare woningen, zoals via het aangekondigde vereenvoudigingspakket voor huisvesting en de uitwerking van het Affordable Housing Package. Het kabinet kijkt daarnaast met veel interesse naar de initiatieven van de Commissie op het gebied van de fysieke leefomgeving.» Graag ontvangen deze leden een duiding in hoeverre armoedebestrijding, volkshuisvesting en de fysieke leefomgeving bevoegdheden zijn van de EU en waar dit op gebaseerd is. Deze leden vragen of het kabinet deze initiatieven toejuicht en zo ja, waarom.
Voorts gaat de brief in op de situatie in Hongarije, op p. 5: «De uitslag van de Hongaarse verkiezingen is een hoopgevende ontwikkeling. Het markeert een nieuwe richting voor Hongarije binnen de EU. Het kabinet kijkt positief uit naar de samenwerking met de regering onder leiding van premier Magyar.» Hier wordt door het kabinet gekozen voor een politieke stellingname en inmenging in interne aangelegenheden van een andere lidstaat, aldus de aan het woord zijnde leden. Kunt u aangeven in hoeverre de rechtsstaat in de EU nog beschermd is voor burgers die hun stem behartigd willen zien door beleid dat kritisch of expliciet afwijzend staat ten opzichte van de EU en/of het beleid van de Europese Commissie?
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de fractie van JA21 hebben de volgende vragen naar aanleiding van de Staat van de Unie-brief.
Welke rol ziet u weggelegd voor de Europese Unie op het gebied van sociale cohesie en volksgezondheid? Kunt u motiveren in hoeverre die rol verenigbaar is met het subsidiariteitsbeginsel?
Aan de hand van welke criteria wordt besloten of een rechtsstaat «stevig is verankerd»? In welk stadium van het toetredingsproces acht u het wenselijk dat de Europese Unie kandidaat-lidstaten helpt bij het versterken van hun rechtsstaat?
Hoe wordt voorkomen dat ondersteuning bij het versterken van de rechtsstaat in kandidaat-lidstaten de verwachting wekt dat toetreding tot de EU vervolgens vanzelfsprekend is, zo vragen deze leden.
De brief over de Staat van de Unie vermeldt op p.5 dat het kabinet het van belang acht dat de Commissie snel en effectief optreedt en gebruik maakt van het beschikbare EU-rechtsstaatsinstrumentarium. Daarbij zet het kabinet in op aanvullende waarborgen ter bescherming van de waarden van de EU. Kunt u concretiseren hoe u het inzetten op aanvullende waarborgen ter bescherming van de waarden van de EU voor zich ziet? Welke potentiële maatregelen zijn daaraan verbonden?
Vragen en opmerkingen van het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers
Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers is blij met de constatering van het kabinet in de brief over de Staat van de Unie 2026 dat een sterke Europese economie alleen kan bestaan met ruime aandacht voor o.a. klimaat, biodiversiteit en circulariteit. Het kabinet schrijft echter ook dat de verdieping van de interne markt onder meer harmonisatie van wetgeving vergt, inclusief het tegengaan van nationale koppen.
Wat is de positie van de regering over nationale koppen die volgens dit lid juist transities versnellen, zoals nationale koppen op het gebied van klimaat, biodiversiteit, circulariteit, dierwaardigheid en toekomstbestendige landbouw? Wil het kabinet ook dergelijke nationale koppen tegengaan? Zo ja, hoe weegt u het risico dat duurzame transities hierdoor vertragen?
In dezelfde brief wordt ook aandacht besteed aan het Nederlandse EU-voorzitterschap in 2029. Welke prioriteiten ziet u voor de voor het Nederlands EU-voorzitterschap in 2029? Hoe wordt de Eerste Kamer betrokken bij de inhoudelijke voorbereidingen voor dit voorzitterschap?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de ontwikkelingen met betrekking tot het Meerjarig Financieel Kader. Deze leden vinden het van belang dat bij de totstandkoming van het MFK voor de periode 2028–2034 aantoonbaar lessen worden getrokken uit de uitvoering van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (RRF). De Europese Rekenkamer wees daarbij onder meer op onvoldoende concrete indicatoren, nadruk op procedurele stappen en outputs in plaats van maatschappelijke resultaten en beperkte transparantie over de onderbouwing van betalingen.9 Welke inzet pleegt u bij de totstandkoming van het Meerjarig Financieel Kader om deze tekortkomingen in het nieuwe financieringsmodel te voorkomen? Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat indicatoren concreet, resultaatgericht en controleerbaar worden geformuleerd en dat de onderbouwing van betalingen transparant en proportioneel is?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie lezen in de MFK-brief op p. 3: «Het kabinet staat voor een sterk MFK dat bijdraagt aan de strategische doelen van Europa.» Het kabinet zegt afwijzend te staan tegenover de voorgestelde hoogte van het MFK en de Nederlandse bijdrage, zien deze leden. Hoe verhoudt dat (volgens deze leden terecht) kritische uitgangspunt zich tot de roep om een «sterk MFK»?
Kunt u aangeven wat verstaan wordt onder een «sterk MFK» en aan welke strategische doelen concreet wordt gedacht? Kan worden uitgesloten dat het «staan voor een sterk MFK» alsnog betekent dat Nederland meer moet afdragen?
Voorts staat op p. 3 van dezelfde brief: «Middelen vanuit de EU-begroting moeten ingezet worden waar de meeste grensoverschrijdende EU-toegevoegde waarde en impact gemaakt kan worden.» Hoe wordt die «grensoverschrijdende EU-toegevoegde waarde en impact» concreet bepaald en op basis van welke criteria, zo vragen deze leden.
Verder wordt hier gesteld: «Op grond van het Commissievoorstel moeten lidstaten voldoen aan horizontale rechtsstaat- en Handvestvoorwaarden om EU-middelen te kunnen ontvangen uit het NRPP, en moeten lidstaten in hun plannen laten zien opvolging te geven aan de aanbevelingen van het jaarlijkse rechtsstaatrapport van de Commissie en de landspecifieke aanbevelingen uit het Europees Semester gericht op de rechtsstaat.»
Deelt u de zorg van de leden van de PVV-fractie dat deze werkwijze kan leiden tot politieke sturing door de ongekozen Europese Commissie richting lidstaten en hun democratisch gekozen overheden? Zo nee, waarom niet en kunt u zulke politieke sturing door de EC uitsluiten?
In de voornoemde MFK-brief wordt op p. 6 gesteld: «Binnen deze pijler worden middelen ingezet voor ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp, pretoetredingssteun en Oekraïne.» Graag ontvangen deze leden een nadere duiding van wat de Nederlandse inzet en houding is ten opzichte van deze onderdelen.
Voorts lezen de leden van de PVV-fractie in deze brief: «Er is brede steun binnen de Raad voor de voorgestelde Oekraïne-reserve van 100 miljard euro. De precieze vormgeving, waaronder de verhouding daarin tussen leningen en giften, is nog onderdeel van de onderhandelingen binnen de negotiation box.» Wat zijn hierbij de beoogde voorwaarden voor de inzet van deze reserve en hoe zou de bijdrage hieraan per lidstaat tot stand moeten komen?
Pagina 13 van de voornoemde MFK-brief vermeldt: «Conform het partnerschapsprincipe zijn de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg als gelijkwaardige partners reeds nauw betrokken bij de vormgeving van het NRPP.» Kunt u aangeven hoe leden van provinciale staten en gemeenteraden hierover geïnformeerd en hierbij betrokken worden?
Tot slot ontvangen de leden graag nadere duiding in hoeverre beide Kamers worden betrokken bij besluitvorming over het MFK voordat er definitieve afspraken worden gemaakt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Deze leden lezen dat het kabinet inzet op beperking van de stijging van de Nederlandse afdrachten aan de Europese Unie (p.2 MFK-brief). Deze leden verzoeken concreet aan te geven welke financiële of inhoudelijke uitkomst zodanig onaanvaardbaar is dat Nederland niet met een nieuw Meerjarig Financieel Kader zal instemmen.
Kunt u bevestigen dat Nederland zich tijdens de onderhandelingen zal verzetten tegen iedere constructie die ertoe leidt dat gezamenlijke Europese schuldfinanciering een structureel onderdeel van de Europese begrotingspraktijk wordt?
Het kabinet stelt dat de Europese begroting zich meer moet richten op de strategische doelen. Welke bestaande begrotingsonderdelen acht u aantoonbaar onvoldoende effectief en zou Nederland daarom willen verkleinen of beëindigen voordat wordt gesproken over uitbreiding van de totale Europese begroting?
Deze leden merken op dat het kabinet defensie, concurrentievermogen en migratie als prioriteiten benoemt. Betekent dit volgens u dat andere uitgavencategorieën daadwerkelijk zullen moeten krimpen, of acht u een groei van de totale EU-begroting onvermijdelijk? De aan het woord zijnde leden zouden graag een nadere toelichting van de Nederlandse inzet op dit punt ontvangen.
De leden van de fractie van JA21 zijn van mening dat steeds vaker omvangrijke financiële verplichtingen worden aangegaan via fondsen, faciliteiten en instrumenten die de grenzen van de reguliere EU-begroting raken. Acht het kabinet de mogelijkheden tot controle van de Staten-Generaal bij dergelijke financiële verplichtingen nog voldoende? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel? Zo nee, welke versterking van de nationale parlementaire controle zal Nederland tijdens de onderhandelingen bepleiten?
Het kabinet stelt dat de Europese begroting zich sterker moet richten op resultaat en toegevoegde waarde (p3, MFK-brief). Welke objectieve criteria hanteert u om vast te stellen of een uitgavenprogramma daadwerkelijk Europese meerwaarde heeft en niet effectiever of doelmatiger door de lidstaten zelf kan worden uitgevoerd? Op welke wijze zal Nederland deze criteria tijdens de onderhandelingen over het nieuwe Meerjarig Financieel Kader inbrengen?
Vragen en opmerkingen van het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers
In de brief over de update van de inzet van het kabinet ten aanzien van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader schrijven de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Financiën dat de voorzitter van de Europese Commissie voorstelt om een minimale besteding (10%) aan plattelandsinvesteringen binnen de Nationale en Regionale Partnerschapsplannen (NRPP) in te voeren en een aantal specifieke bepalingen van de NRPP-verordening naar de Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)-verordening over te hevelen.
Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers vraagt welke bepalingen dit betreft. Waarom wil de Commissievoorzitter deze overhevelen? Wat is de Nederlandse positie over het invoeren van een minimale besteding (10%) aan plattelandsinvesteringen in het NRPP? Welke invulling en voorwaarden zijn volgens u wenselijk? Welke specifieke ambities heeft de regering voor de biologische landbouw?
In het prestatiekader wordt door de Commissie een minimaal bestedingspercentage voorgesteld van 35% voor klimaat en milieu. Is het kabinet voorstander van dit voorstel? Zo ja, bent u bereid zich in de onderhandelingen hard te maken voor het behoud, of zo mogelijk een verhoging, van dit percentage?
Bent u bereid u in te zetten voor stevige waarborgen, zodat geld dat onder deze regeling valt aantoonbaar en effectief bijdraagt aan klimaat- en milieudoelstellingen, en waar relevant dierenwelzijnsdoelstellingen? Hoe kijkt u naar het samenvoegen van klimaat en milieu binnen één regeling, en hoe wordt geborgd dat milieu en biodiversiteit hierbinnen voldoende aandacht krijgen? Kunt u bijvoorbeeld aangeven welk deel van de Nederlandse uitgaven naar verwachting of als streefgetal aan milieu zou worden besteed?
Bij het monitoren van uitgaven en prestaties binnen het MFK stelt de Commissie het principe Do No Significant Harm voor. Kunt u toelichten hoe het begrip «significant» binnen het Do No Significant Harm-principe wordt gedefinieerd en afgebakend? Deelt u de mening van dit lid dat het woord «significant» in de praktijk ruimte laat voor milieuschade en bent u bereid u in te zetten voor een aanscherping van dit criterium, zodat ook schade aan milieu en ecosystemen zoveel mogelijk wordt voorkomen?
Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers is blij met de constatering van het kabinet in de brief over de Staat van de Unie dat een sterke Europese economie alleen kan bestaan met ruime aandacht voor onder andere klimaat, biodiversiteit en circulariteit. Op het gebied van klimaat noemt het kabinet concrete ambities, maar op het gebied van biodiversiteit en circulariteit niet. Wat wilt u in de onderhandelingen over het MFK op deze onderwerpen bereiken?
In de brief d.d. 16 juni 2026 over de kabinetsappreciatie van de negotiating box schrijven de Ministers op p.2 dat het kabinet kritisch is op het inperken van de flexibiliteit binnen de NRPP, pijler 1 van het MFK. Die flexibiliteit wordt onder andere ingeperkt door meer oormerking voor specifieke doeleinden, zoals het visserij- en landbouwbeleid. Hoeveel geld wordt er geoormerkt voor visserijbeleid en hoeveel voor landbouwbeleid, zo vraagt het aan het woord zijnde lid? Welke argumenten worden er aangehaald om meer geld hiervoor te oormerken? Wordt er bij deze oormerking ingezet op duurzaamheid en diervriendelijkheid? Welke mogelijkheden ziet u nog om deze oormerking te verminderen of van tafel te krijgen?
De leden van de vaste commissie voor Europese Zaken ziet uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangt deze graag uiterlijk vier weken na dagtekening van deze brief.
De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, E.B. van Apeldoorn
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 september 2026
Hierbij bied ik uw Kamer de beantwoording van het schriftelijk overleg van 7 juli 2026 inzake Staat van de Unie 2026 (inclusief Meerjarig Financieel Kader) aan.
De Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen
Vragen en opmerkingen van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de fractie GroenLinks-PvdA hebben kennisgenomen van de Staat van de Europese Unie. Deze leden constateren dat zowel de SER10 als de Europese Ombudsman11 zorgen hebben geuit over de kwaliteit van het Europese wetgevingsproces. Zo wijst de SER, zien deze leden, op het ontbreken van integrale impactanalyses en het snel wijzigen van omvangrijke wetgevingspakketten via omnibusvoorstellen, terwijl de Europese Ombudsman volgens deze leden onder meer tekortkomingen constateerde bij de motivering van spoedprocedures, de consultatie van stakeholders en de toepassing van de betere regelgeving-richtlijnen.
Hoe beoordeelt u deze ontwikkelingen? Welke lessen trekt Nederland hieruit voor de inzet bij de totstandkoming van Europese regelgeving? Is de regering bereid zich ervoor in te zetten dat Europese wetgeving alleen via een zorgvuldig, transparant en navolgbaar proces tot stand komt, met volwaardige impactanalyses, tijdige consultatie van belanghebbenden en een deugdelijke motivering wanneer van reguliere procedures wordt afgeweken?
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet verwelkomt de EU-aanpak om bestaande regeldruk aan te pakken via omnibusvoorstellen. Het kabinet onderschrijft daarbij het belang van een zorgvuldig, uitvoerbaar, voorspelbaar en goed onderbouwd Europees wetgevingsproces, en vraagt hier aandacht voor in overleg met de Europese Commissie en andere lidstaten. Zo blijft het kabinet benadrukken dat effectbeoordelingen een essentieel onderdeel zijn van het wetgevingsproces en dringt aan op betere consultatie van belanghebbenden.
De Europese Commissie heeft in haar mededeling over betere regelgeving belangrijke stappen aangekondigd om de kwaliteit van regelgeving te verbeteren. Op 5 juni 2026 heeft uw Kamer over deze mededeling een BNC-fiche ontvangen.12 De Commissie kondigt onder andere aan meer te gaan inzetten op een goed ontwerp van regelgeving, goede consultatie van belanghebbenden en het vaker uitvoeren van effectbeoordelingen. Het kabinet verwelkomt deze inzet. Het is positief te zien dat in het vervolg op de mededeling, de Europese Commissie bij de recente voorstellen over Taxation13 en Energy Products14 wel effectbeoordelingen heeft opgesteld.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Staat van de Unie 2026 en hebben hierover de volgende vragen.
In de brief staat dat Nederland waar mogelijk inzet op een gezamenlijke EU-27-aanpak, maar indien nodig ook werkt met kopgroepen (p.2). Hoe stelt de regering zich op wanneer individuele EUlidstaten buiten gezamenlijk EU-verband om afspraken maken met derde landen? Ondermijnt dat volgens haar de gezamenlijke Europese strategie, en hoe wil Nederland zich daartegen opstellen?
Antwoord van het kabinet:
De ruimte voor individuele lidstaten om buiten EU-verband afspraken te maken met derde landen hangt af van het betreffende beleidsterrein, en van de vraag wie bevoegd is om extern op te treden op dat terrein: de EU of de lidstaten. Mocht er geen bevoegdheid zijn voor de lidstaten, dan is het primair aan de Europese Commissie, als hoeder van de EU-verdragen, om de betrokken lidstaat of lidstaten daar op aan te spreken. Indien passend kan de kwestie ook in de Raad of in bilaterale contacten aan de orde worden gesteld.
Deze leden merken op dat het kabinet inzet op het verminderen van strategische afhankelijkheden op het terrein van energie, kritieke grondstoffen en digitale technologie. Zij onderschrijven deze koers, maar vragen hoe de regering waarborgt dat het versterken van Europese economische weerbaarheid niet ten koste gaat van het open karakter van de Europese economie en de internationale handel. Welke concrete criteria hanteert de regering bij deze afweging?
Antwoord van het kabinet:
Het behoud van een gelijk speelveld en een open economie voor gezonde concurrentie op de interne markt blijft voor het kabinet het uitgangspunt. Om het hoofd te kunnen bieden aan veranderende geopolitieke omstandigheden moet de EU haar economische kracht echter verder versterken en ons beschermen tegen economische veiligheidsrisico’s. Het kabinet kiest hierbij voor een risico-gebaseerde aanpak, waarbij overheidsingrijpen alleen passend is wanneer afhankelijkheden zowel strategisch als risicovol zijn. Internationale handel biedt daarbij kansen: handelsdiversificatie draagt bij aan het afbouwen van deze afhankelijkheden. Tegelijkertijd kan oneerlijke concurrentie uit derde landen het gelijk speelveld en de interne markt ondermijnen. In dergelijke gevallen is het nodig om maatregelen te nemen die economische belangen van de EU waarborgen. Daarbij wordt in eerste instantie gekeken naar het defensieve handelsinstrumentarium. Het uitgangspunt bij het gebruik van dit instrumentarium is dat dit tijdelijk, doelmatig en proportioneel gebeurt, en onderbouwd wordt met een effectbeoordeling. De markttoegang voor gelijkgestemde handelspartners moet zo min mogelijk worden belemmerd (de «open, tenzij»-benadering). Ook moeten maatregelen verenigbaar zijn met de internationale juridische verplichtingen van de EU, zoals die volgen uit het WTO-acquis en EU-handelsakkoorden met derde landen.
De leden van de D66-fractie vragen tevens hoe de regering invulling geeft aan digitale soevereiniteit in sectoren waar Nederland en Europa momenteel sterk afhankelijk zijn van niet-Europese aanbieders, zoals cloudinfrastructuur en AI-modellen. Welke strategische afhankelijkheden acht u het meest urgent om af te bouwen en welke concrete stappen worden daarin gezet?
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet zich in voor het versterken van het Nederlandse en Europese concurrentievermogen en de weerbaarheid op het gebied van kritieke (digitale) technologieën. Daarbij wordt een integrale benadering van de gehele digitale technologiewaardeketen gehanteerd, van halfgeleiders en digitale infrastructuur tot cloud, software en AI. Daarbij werkt het kabinet aan het mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden. We spreken van een strategische afhankelijkheid als een afhankelijkheid essentieel is voor het borgen van publieke belangen. Risicovolle strategische afhankelijkheden ontstaan bij een hoog risico op leveringsonderbrekingen. Vanwege de strategische en diplomatieke gevoeligheid wordt er niet in het openbaar gecommuniceerd over risicovolle strategische afhankelijkheden. De Kamer kan hier op vertrouwelijke wijze over worden geïnformeerd. Normaal gesproken loopt dit via de vaste Kamercommissie van Economische Zaken.
Hierin blijft samenwerking met betrouwbare internationale partners van belang. Tegelijkertijd bouwt de EU haar eigen capaciteiten verder op. Wederzijdse afhankelijkheden zijn daarbij onvermijdelijk en kunnen, mits goed vormgegeven, bijdragen aan ons concurrentievermogen en weerbaarheid.
Welke nationale verschillen in regelgeving en uitvoering ziet u momenteel als de grootste belemmeringen voor het functioneren van de interne markt en op welke terreinen zet het kabinet als eerste in op verdere harmonisatie?
Antwoord van het kabinet:
In de Kamerbrief met de geactualiseerde interne-markt-actieagenda zet het kabinet zijn prioriteiten uiteen voor het versterken van de interne markt.15 Het kabinet zet in op het voorkomen van nieuwe ongerechtvaardigde belemmeringen en betere toepassing van interne-marktregels. Deze belemmeringen ontstaan met name door verschillen in regelgeving en uitvoering door autoriteiten in lidstaten. Het kabinet zet in op het zo veel mogelijk harmoniseren van regels die raken aan ondernemers. De komende periode wordt dit voornemen nader uitgewerkt.
Tot slot waarderen de leden van de D66-fractie de expliciete inzet op versterking van het rechtsstaatinstrumentarium. Deze leden vragen welke aanvullende instrumenten de regering noodzakelijk acht om rechtsstatelijke erosie binnen de Unie effectiever tegen te gaan. Ziet u mogelijkheden om bestaande mechanismen, zoals conditionaliteit van EU-middelen, verder te versterken?
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet ziet inderdaad ruimte voor versterking van het rechtsstaatinstrumentarium. Zo is het kabinet voorstander van het opnemen van sterkere waarborgen op het gebied van de rechtsstaat en fundamentele rechten in het volgend MFK.16 Daarnaast zet het kabinet zich met een kopgroep van EU-lidstaten in op aanvullende waarborgen ter bescherming van de waarden van de EU, waaronder de rechtsstaat, in een nieuwe generatie toetredingsverdragen. Hierover is uw Kamer geïnformeerd in een brief van 9 juni jl.17
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben een vraag met betrekking tot de uitgangspunten van de EUmaatregelen en ambities in het ondersteunen van de defensie-industrie. Zij lezen in de MFK-brief op p.5 over het Europees Concurrentiefonds (ECF): «Het ECF moet investeringen bundelen in strategische sectoren zoals groene technologie, halfgeleiders en militaire mobiliteit/defensie en brengt daartoe twaalf bestaande fondsen samen.» Daarnaast vermeldt de Staat van de Unie-brief (p. 5): «Ook verwelkomt het kabinet in dit kader de voortgang ten aanzien van de defensie omnibus en de bijbehorende maatregelen ten behoeve van de Europese defensiegereedheid.» En op p. 6: «Daarnaast moeten we ongewenste afhankelijkheden afbouwen, de defensie-industrie opbouwen en weerbaarder worden tegen hybride dreigingen. De EU speelt een belangrijke aanvullende rol op het gebied van veiligheid en defensie, met name op het gebied van financiering, wetgeving en coördinatie. Concreet gaat het bijvoorbeeld om het vaststellen van gezamenlijke prioriteiten ten aanzien van militaire vermogens, de ontwikkeling van Europese defensiecapaciteiten, het bevorderen van bundeling van vraag en aanschaf via het Europees Defensieagentschap en het bevorderen van militaire mobiliteit.» (...) «De EU draagt bij aan de NAVO-doelstellingen met een sterkere Europese defensie-industrie en met onderzoek en innovatie. Daarbij is het doorbreken van nationale industriële belangen essentieel.»
Voornoemde uitgangspunten roepen de volgende vraag op bij de leden van de PVV-fractie. Op 13 juni jl. bracht het Beneluxparlement een werkbezoek aan een innovatieve startup (Luxuav) in Luxemburg18 die zich bezighoudt met de ontwikkeling en productie van militaire drones. Bij dit werkbezoek kwam naar voren dat vanwege milieu-, natuur- en/of omgevingsregels deze drones nergens binnen EU-grondgebied kunnen worden getest boven de 150 meter, dat jammers (stoorzenders) voor drones evenmin kunnen worden getest (hiervoor moet men uitwijken naar Oekraïne) en glasvezelkabels voor drones ook op bepaalde militaire oefenterreinen niet mogen worden getest omdat dit een bepaald soort beschermde kikker zou kunnen verstoren. Kunt u aangeven of deze beperkingen om drones en jammers te testen vanwege dergelijke (milieu)regels bekend zijn en hoe dit zich verhoudt tot de Europese ambities en investeringen in de defensieindustrie? Kunt u duiden of kikkers en andere natuur- of milieuregels prioriteit hebben boven nationale veiligheid?
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet in op het vinden van de juiste balans tussen de uitvoering van natuur- en milieuregelgeving en het mogelijk maken van oefenen, trainen en testen, inclusief waar het gaat om drones en counter-drone-maatregelen en -technieken. Als sprake is van een groot openbaar belang gelden enkele verbodsbepalingen in de natuurregelgeving niet, maar ook in die gevallen is een vergunning nodig om activiteiten te kunnen uitvoeren. Om die reden heeft Nederland in Brussel gepleit voor een uitzondering op enkele eisen in onder meer milieuwetgeving.19 In de onderhandelingen over de omnibus voor defensiegereedheid is recent een voorlopig triloogakkoord bereikt. Vergunningsaanvragen van de industrie in het belang van defensiegereedheid kunnen nu in bepaalde gevallen sneller worden verleend. Daarnaast heeft het kabinet op nationaal niveau de Wet op de defensiegereedheid recent bij de Tweede Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel beoogt obstakels in wet- en regelgeving weg te nemen om het Ministerie van Defensie meer ruimte te geven om te oefenen, waaronder met drones en counter-drone maatregelen.
Ten slotte wijst het kabinet op de brief die in maart dit jaar aan de Tweede Kamer is aangeboden, waarin op de problematiek rond oefenen en inzet van drones wordt ingegaan en de beoogde oplossingsrichtingen worden geschetst.20
De brief over de Staat van de Unie stelt op p. 5: «Het kabinet verwelkomt tevens de inzet van de Commissie om armoede tegen te gaan, zoals uiteengezet in het recent gepresenteerde Social Package. Ook kijkt het uit naar de initiatieven op het gebied van volkshuisvesting en betaalbare woningen, zoals via het aangekondigde vereenvoudigingspakket voor huisvesting en de uitwerking van het Affordable Housing Package. Het kabinet kijkt daarnaast met veel interesse naar de initiatieven van de Commissie op het gebied van de fysieke leefomgeving.» Graag ontvangen deze leden een duiding in hoeverre armoedebestrijding, volkshuisvesting en de fysieke leefomgeving bevoegdheden zijn van de EU en waar dit op gebaseerd is. Deze leden vragen of het kabinet deze initiatieven toejuicht en zo ja, waarom.
Antwoord van het kabinet:
Het terrein van volkshuisvesting valt primair onder de bevoegdheid van lidstaten en dat moet zo blijven. Het is daarom positief dat de Europese Commissie dit uitgangspunt expliciet bevestigt in het Affordable Housing Plan dat eind vorig jaar is gepresenteerd. Tegelijkertijd ziet het kabinet wel meerwaarde en kansen in een gecoördineerde Europese aanpak bij het aanpakken van gezamenlijke uitdagingen. Op een Europees schaalniveau kunnen we innovaties aanjagen en uitwisselen die bijvoorbeeld onze woningbouw sneller, goedkoper en duurzamer kunnen maken. De EU kan dit doen door het nationale beleid aan te vullen, te ondersteunen of te coördineren met initiatieven op terreinen waarvoor de EU bevoegdheden heeft en die samenhangen met de woningmarkt, zoals interne markt, milieu (energieprestatie van woningen), sociaal beleid (sociale woningbouw) of staatssteun. Daarnaast heeft de EU bevoegdheden die ingezet kunnen worden ter regulering van de fysieke leefomgeving, met name op het gebied van milieu, landbouw en economische en territoriale samenhang (zie artikelen 3 tot en met 6 van het Verdrag betreffende de werking van EU (VWEU) en de uitwerking van deze bepalingen in datzelfde verdrag).
Voorts gaat de brief in op de situatie in Hongarije, op p. 5: «De uitslag van de Hongaarse verkiezingen is een hoopgevende ontwikkeling. Het markeert een nieuwe richting voor Hongarije binnen de EU. Het kabinet kijkt positief uit naar de samenwerking met de regering onder leiding van premier Magyar.» Hier wordt door het kabinet gekozen voor een politieke stellingname en inmenging in interne aangelegenheden van een andere lidstaat, aldus de aan het woord zijnde leden. Kunt u aangeven in hoeverre de rechtsstaat in de EU nog beschermd is voor burgers die hun stem behartigd willen zien door beleid dat kritisch of expliciet afwijzend staat ten opzichte van de EU en/of het beleid van de Europese Commissie?
Antwoord van het kabinet:
De eerbiediging van de democratie en de rechtsstaat is een kernwaarde van de EU. Dat betekent dat de rechten en vrijheden van alle inwoners worden beschermd. Vrije en eerlijke verkiezingen zijn hierbij fundamenteel. Het staat elke EU-burger dan ook vrij om te stemmen op de partij naar voorkeur, zowel op Europees als op nationaal niveau.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de fractie van JA21 hebben de volgende vragen naar aanleiding van de Staat van de Unie-brief.
Welke rol ziet u weggelegd voor de Europese Unie op het gebied van sociale cohesie en volksgezondheid? Kunt u motiveren in hoeverre die rol verenigbaar is met het subsidiariteitsbeginsel?
Antwoord van het kabinet:
De Unie en de lidstaten hebben beide bevoegdheden op het terrein van volksgezondheid, werkgelegenheid en sociaal beleid. Lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor een goed functionerende arbeidsmarkt, effectief sociaal beleid en de organisatie van zorg. De EU kan conform artikel 6 VWEU een ondersteunende, coördinerende of aanvullende rol spelen, gericht op grensoverschrijdende uitdagingen. Het subsidiariteitsbeginsel vereist dat de EU alleen optreedt waar dat aantoonbare meerwaarde biedt ten opzichte van nationale maatregelen. EU-optreden op dit vlak kan bijdragen aan eerlijke concurrentie en een gelijk speelveld, sociale cohesie versterken en de beschikbaarheid en veiligheid van medische producten waarborgen. Elk Commissievoorstel wordt in een BNC-fiche door het kabinet beoordeeld op bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit.
Aan de hand van welke criteria wordt besloten of een rechtsstaat «stevig is verankerd»? In welk stadium van het toetredingsproces acht u het wenselijk dat de Europese Unie kandidaat-lidstaten helpt bij het versterken van hun rechtsstaat?
Hoe wordt voorkomen dat ondersteuning bij het versterken van de rechtsstaat in kandidaat-lidstaten de verwachting wekt dat toetreding tot de EU vervolgens vanzelfsprekend is, zo vragen deze leden.
Antwoord van het kabinet:
Kandidaat-lidstaten moeten voldoen aan zogenaamde closing benchmarks voordat de twee rechtsstaatshoofdstukken (hoofdstuk 23 over rechterlijke macht en grondrechten en hoofdstuk 24 over rechtvaardigheid, vrijheid en veiligheid) aan het einde van het proces van toetredingsonderhandelingen gesloten kunnen worden. Deze closing benchmarks zien onder andere op onafhankelijke rechtspraak, bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, fundamentele vrijheden (zoals vrijheid van meningsuiting en mediavrijheid), voldoende administratieve capaciteit, en de implementatie van hervormingen en het opbouwen van track record in algemene zin.
De Commissie en lidstaten bieden gedurende het gehele toetredingsproces steun aan (potentiële) kandidaat-lidstaten bij het versterken van de democratie en rechtsstaat, zodat hervormingen stevig verankerd worden. Nederland biedt ook dergelijke ondersteuning aan overheden en maatschappelijke organisaties in kandidaat-lidstaten via het MATRA-programma. Zulke ondersteuning en capaciteitsopbouw leiden niet automatisch tot EU-lidmaatschap. Daarvoor moeten kandidaat-lidstaten aan alle criteria blijven voldoen. Dat wordt ook consistent gecommuniceerd.
De brief over de Staat van de Unie vermeldt op p.5 dat het kabinet het van belang acht dat de Commissie snel en effectief optreedt en gebruik maakt van het beschikbare EUrechtsstaatsinstrumentarium. Daarbij zet het kabinet in op aanvullende waarborgen ter bescherming van de waarden van de EU. Kunt u concretiseren hoe u het inzetten op aanvullende waarborgen ter bescherming van de waarden van de EU voor zich ziet? Welke potentiële maatregelen zijn daaraan verbonden?
Antwoord van het kabinet:
Om het huidig EU-rechtsstaatinstrumentarium verder te versterken zet het kabinet zich onder meer in voor het opnemen van sterke waarborgen op het gebied van de rechtsstaat en fundamentele rechten in het volgende MFK. Het kabinet steunt de door de Commissie voorgestelde versterking van de rechtsstaat- en Handvestvoorwaarden in het volgende MFK.21 Samen met gelijkgezinde lidstaten zet het kabinet zich zowel in voor het behoud van de voorgestelde versterking als voor verdere aanscherping van de rechtsstaat- en Handvestconditionaliteiten en waarborgen, zodat lidstaten die de rechtsstaat en fundamentele waarden niet respecteren en de voorwaarden daarover niet naleven, geen aanspraak maken op middelen uit het NRPP.
Daarnaast zet het kabinet zich met een kopgroep van EU-lidstaten in voor aanvullende waarborgen ter bescherming van de waarden van de EU, waaronder de rechtsstaat, in een nieuwe generatie toetredingsverdragen. In een non-paper met ideeën daarvoor wordt onder andere voorgesteld om een non-regressiebepaling in nieuwe toetredingsverdragen op te nemen, die terugval op eerbiediging van EU-waarden na toetreding verbiedt.22 Daarbij zou een verplichting moeten worden opgenomen tot (onderzoek naar de) inzet van financiële rechtsstaatinstrumenten, een vernieuwde vrijwaringsclausule of regulier handhavend instrumentarium zoals de inbreukprocedure. Het kabinet brengt deze ideeën bij zowel de Commissie als lidstaten onder de aandacht, terwijl ook de juridische haalbaarheid verder moet worden onderzocht.
Vragen en opmerkingen van het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers
Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers is blij met de constatering van het kabinet in de brief over de Staat van de Unie 2026 dat een sterke Europese economie alleen kan bestaan met ruime aandacht voor o.a. klimaat, biodiversiteit en circulariteit. Het kabinet schrijft echter ook dat de verdieping van de interne markt onder meer harmonisatie van wetgeving vergt, inclusief het tegengaan van nationale koppen.
Wat is de positie van de regering over nationale koppen die volgens dit lid juist transities versnellen, zoals nationale koppen op het gebied van klimaat, biodiversiteit, circulariteit, dierwaardigheid en toekomstbestendige landbouw? Wil het kabinet ook dergelijke nationale koppen tegengaan? Zo ja, hoe weegt u het risico dat duurzame transities hierdoor vertragen?
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet in op een goedwerkende interne markt en focust op het voorkomen en wegnemen van interne-marktbelemmeringen, het versterken van meer uniforme toepassing en handhaving van interne-marktregels en harmonisatie van wetgeving. Om die reden is het kabinet terughoudend over nationale koppen bovenop Europese regels, omdat deze kunnen leiden tot versnippering, extra regeldruk en een ongelijk speelveld. Tegelijkertijd blijft er binnen de ruimte die Europese regelgeving laat nadrukkelijk plaats voor nationale ambitie en verdergaande maatregelen. Daarbij zal dan duidelijk moeten blijken waarom in specifieke gevallen afwijken van harmonisatie noodzakelijk en wenselijk is voor het behalen van andere beleidsdoelen.
In dezelfde brief wordt ook aandacht besteed aan het Nederlandse EU-voorzitterschap in 2029. Welke prioriteiten ziet u voor de voor het Nederlands EU-voorzitterschap in 2029? Hoe wordt de Eerste Kamer betrokken bij de inhoudelijke voorbereidingen voor dit voorzitterschap?
Antwoord van het kabinet:
Het Nederlands voorzitterschap begint over iets minder dan drie jaar, op 1 juli 2029. Het is nu nog te vroeg om prioriteiten te stellen. Het kabinet bepaalt de Nederlandse prioriteiten te zijner tijd aan de hand van de eigen inzet, zoals die o.a. jaarlijks in de Staat van de Unie uiteen wordt gezet, en in samenwerking met triopartners Slowakije en Malta. Daarnaast worden de prioriteiten vaak beïnvloed door de lopende wetgevingsprocessen en de uitdagingen van het moment.
Het kabinet zal beide Kamers separaat in een aparte brief informeren over de voorbereidingen van het EU-voorzitterschap.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de ontwikkelingen met betrekking tot het Meerjarig Financieel Kader. Deze leden vinden het van belang dat bij de totstandkoming van het MFK voor de periode 2028–2034 aantoonbaar lessen worden getrokken uit de uitvoering van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (RRF). De Europese Rekenkamer wees daarbij onder meer op onvoldoende concrete indicatoren, nadruk op procedurele stappen en outputs in plaats van maatschappelijke resultaten en beperkte transparantie over de onderbouwing van betalingen.23 Welke inzet pleegt u bij de totstandkoming van het Meerjarig Financieel Kader om deze tekortkomingen in het nieuwe financieringsmodel te voorkomen? Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat indicatoren concreet, resultaatgericht en controleerbaar worden geformuleerd en dat de onderbouwing van betalingen transparant en proportioneel is?
Antwoord van het kabinet:
De Commissie heeft in haar voorstel voor het volgend MFK 2028–2034 een overkoepelend prestatiekader voorgesteld waarin concrete voorwaarden worden gesteld aan het uitkeren van EU-gelden. Het kabinet zet zich bij de onderhandelingen over het MFK – en specifiek het prestatiekader – in om de indicatoren zo concreet mogelijk te geformuleerd te krijgen. Concrete indicatoren dragen bij aan betere resultaattoetsing en effectiviteit van de EU-uitgaven.
Het kabinet zet zich daarnaast actief in om de door de Europese Rekenkamer geconstateerde tekortkomingen in het financieringsmodel zo veel mogelijk te voorkomen en pleit in de onderhandelingen voor een verdere verbetering van de doeltreffendheid, transparantie en verantwoording binnen het financieringssysteem. Het kabinet waakt er bovendien voor dat administratieve lasten voor zowel de ontvangende partijen als de lidstaten in verhouding blijven staan tot de beoogde mate van controle en verantwoording.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie lezen in de MFK-brief op p. 3: «Het kabinet staat voor een sterk MFK dat bijdraagt aan de strategische doelen van Europa.» Het kabinet zegt afwijzend te staan tegenover de voorgestelde hoogte van het MFK en de Nederlandse bijdrage, zien deze leden. Hoe verhoudt dat (volgens deze leden terecht) kritische uitgangspunt zich tot de roep om een «sterk MFK»? Kunt u aangeven wat verstaan wordt onder een «sterk MFK» en aan welke strategische doelen concreet wordt gedacht? Kan worden uitgesloten dat het «staan voor een sterk MFK» alsnog betekent dat Nederland meer moet afdragen?
Antwoord van het kabinet:
De EU staat voor onze veiligheid, onze welvaart en voor het behoud van onze waarden en rechtsstaat. Daarom zet het kabinet, zoals uiteengezet in het coalitieakkoord, in op een sterker en veiliger Europa t.b.v. de welvaart en veiligheid van Nederland. Dit vereist een slagvaardige Unie en ook een Europese begroting die bijdraagt aan de strategische doelen van Europa, waaronder het versterken van het EU-concurrentievermogen, onderzoek en innovatie, veiligheid en defensie en asiel en migratie. Inzetten op deze strategische prioriteiten kan samengaan met de budgettaire inzet om de stijging van de afdrachten te beperken. Dit betekent dat er scherpe keuzes gemaakt moeten worden binnen de EU-begroting. Middelen vanuit de EU-begroting moeten ingezet worden waar de meeste grensoverschrijdende EU-toegevoegde waarde en impact gemaakt kan worden.
Voorts staat op p. 3 van dezelfde brief: «Middelen vanuit de EU-begroting moeten ingezet worden waar de meeste grensoverschrijdende EU-toegevoegde waarde en impact gemaakt kan worden.» Hoe wordt die «grensoverschrijdende EU-toegevoegde waarde en impact» concreet bepaald en op basis van welke criteria, zo vragen deze leden.
Antwoord van het kabinet:
Bij grensoverschrijdende EU-toegevoegde waarde van EU-beleidsuitgaven wordt gekeken naar beleidsterreinen en projecten die beter op EU-niveau kunnen worden gedaan dan door individuele lidstaten. Dit kan worden bepaald door diverse criteria, zoals schaalvoordelen waarbij gezamenlijke uitvoering goedkoper of efficiënter is, positieve economische gevolgen voor de interne markt, Europese publieke goederen die één lidstaat niet zelfstandig kan leveren, zoals grensbewaking, ruimtevaart, grensoverschrijdende infrastructuurprojecten, en bijdragen aan gezamenlijke Europese doelstellingen.
Verder wordt hier gesteld: «Op grond van het Commissievoorstel moeten lidstaten voldoen aan horizontale rechtsstaat- en Handvestvoorwaarden om EU-middelen te kunnen ontvangen uit het NRPP, en moeten lidstaten in hun plannen laten zien opvolging te geven aan de aanbevelingen van het jaarlijkse rechtsstaatrapport van de Commissie en de landspecifieke aanbevelingen uit het Europees Semester gericht op de rechtsstaat.» Deelt u de zorg van de leden van de PVV-fractie dat deze werkwijze kan leiden tot politieke sturing door de ongekozen Europese Commissie richting lidstaten en hun democratisch gekozen overheden?
Zo nee, waarom niet en kunt u zulke politieke sturing door de EC uitsluiten?
Antwoord van het kabinet:
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet zich in voor een modern en toekomstbestendig MFK met sterke waarborgen voor de rechtsstaat en fundamentele rechten.24 Het kabinet is bovendien van mening dat lidstaten die de rechtsstaat en fundamentele waarden niet respecteren, geen aanspraak zouden moeten kunnen maken op EU-middelen.
Het kabinet ziet de voorgestelde rechtsstaat- en Handvestvoorwaarden daarom als een belangrijk instrument om de financiële belangen van de Unie en een rechtmatige besteding van EU-middelen te beschermen. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het voorstel voor de NRPP-verordening waarover de Raad en het Europees Parlement uiteindelijk als medewetgevers besluiten. Voor zover bij de uitvoering daarvan een rol voor de Commissie zal zijn weggelegd, dient de Commissie binnen het geldende juridische kader te handelen en zal zij daarbij gebonden zijn aan de in het NRPP opgenomen criteria en procedurele waarborgen.
In de voornoemde MFK-brief wordt op p. 6 gesteld: «Binnen deze pijler worden middelen ingezet voor ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp, pretoetredingssteun en Oekraïne.» Graag ontvangen deze leden een nadere duiding van wat de Nederlandse inzet en houding is ten opzichte van deze onderdelen.
Antwoord van het kabinet:
Het kabinetsbeleid ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp, toetreding tot de EU, en Oekraïne wordt uiteengezet in de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026.25 De Nederlandse inzet ten aanzien van pijler 3 (Europa in de Wereld) wordt uiteengezet in de Kamerbrief «update Nederlandse inzet volgend MFK/EMB» van mei 2026, en het BNC-fiche «Voorstel verordening voor de oprichting van Global Europe» van juli 2025.26
Het kabinet vindt dat het Global Europe-instrument de geopolitieke slagkracht van de EU moet versterken en dat middelen strategisch moeten worden ingezet, via brede partnerschappen gekoppeld aan de belangen van de EU en haar partners. Verder zet het kabinet in op strategische sturing vanuit de Raad bij inzet van de middelen, met voldoende flexibiliteit voor onvoorziene omstandigheden.
Ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking is de kabinetsinzet dat het instrument voor 90% bijdraagt aan ontwikkelingsdoelstellingen (officiële ontwikkelingshulp, ODA), terwijl tegelijkertijd voldoende ruimte beschikbaar blijft voor non-ODA uitgaven. Voor humanitaire hulp acht het kabinet het van belang dat deze haar apolitieke en onafhankelijke karakter behoudt, en dat binnen het instrument voldoende middelen beschikbaar blijven voor humanitaire hulp. Het kabinet blijft daarnaast het belang onderstrepen van blijvende steun aan Oekraïne. Voor pretoetredingssteun blijft de Nederlandse inzet dat de Raad haar leidende rol behoudt bij de strategische aansturing van het instrument.
Voorts lezen de leden van de PVV-fractie in deze brief: «Er is brede steun binnen de Raad voor de voorgestelde Oekraïne-reserve van 100 miljard euro. De precieze vormgeving, waaronder de verhouding daarin tussen leningen en giften, is nog onderdeel van de onderhandelingen binnen de negotiation box.» Wat zijn hierbij de beoogde voorwaarden voor de inzet van deze reserve en hoe zou de bijdrage hieraan per lidstaat tot stand moeten komen?
Antwoord van het kabinet:
De voorwaarden voor uitkering van middelen uit de Oekraïne-reserve zijn opgenomen in de onderliggende Global Europe-verordening en bouwen voort op de voorwaarden van de Oekraïnefaciliteit. De voornaamste onderdelen zijn: de uitvoering van het Oekraïneplan met overeengekomen hervormingen en investeringen, naleving van fundamentele democratische beginselen, en voldoende waarborgen om zaken als corruptie en fraude tegen te gaan ter bescherming van de financiële belangen van EU. De bijdrage van de lidstaten komt op dezelfde manier tot stand als bij het overige deel van het MFK, namelijk via de verdeelsleutel op basis van bruto nationaal inkomen.
Pagina 13 van de voornoemde MFK-brief vermeldt: «Conform het partnerschapsprincipe zijn de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg als gelijkwaardige partners reeds nauw betrokken bij de vormgeving van het NRPP.» Kunt u aangeven hoe leden van provinciale staten en gemeenteraden hierover geïnformeerd en hierbij betrokken worden?
Tot slot ontvangen de leden graag nadere duiding in hoeverre beide Kamers worden betrokken bij besluitvorming over het MFK voordat er definitieve afspraken worden gemaakt.
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet hecht groot belang aan het partnerschapsprincipe, zoals opgenomen in de voorgestelde NRPP-verordening. Daarom zijn de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UVW) als gelijkwaardige partners betrokken bij de totstandkoming van het NRPP. Dit gebeurt onder meer door regulier ambtelijk overleg met de drie koepels.
Naar verwachting zal in het najaar meer duidelijkheid komen over de inhoudelijke en financiële keuzes die gemaakt moeten worden binnen het NRPP. Het kabinet beoogt voldoende ruimte te laten voor het bestuurlijk voorleggen van deze keuzes aan de achterbannen van VNG, IPO en UVW, alvorens definitieve besluiten in de Ministerraad worden genomen. Hierbij vertrouwt het kabinet erop dat de koepelorganisaties hun achterbannen – waaronder leden van provinciale staten, gemeenteraden en algemeen besturen – via hun eigen reguliere processen informeren en betrekken.
Beide Kamers worden via de reguliere informatievoorziening over EU-besluitvorming geïnformeerd. Gedurende het volledige proces worden de Kamerleden geïnformeerd over het verloop van de onderhandelingen, in het bijzonder via de geannoteerde agenda’s en verslagen voor de Raad Algemene Zaken (MFK), de Ecofinraad (EMB) en de Europese Raad. Voorafgaand aan Europese Raden waar over het MFK wordt onderhandeld gaat de Minister-President in debat over de Nederlandse onderhandelingsinzet voor de aanstaande Europese Raad.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Deze leden lezen dat het kabinet inzet op beperking van de stijging van de Nederlandse afdrachten aan de Europese Unie (p.2 MFK-brief). Deze leden verzoeken concreet aan te geven welke financiële of inhoudelijke uitkomst zodanig onaanvaardbaar is dat Nederland niet met een nieuw Meerjarig Financieel Kader zal instemmen.
Antwoord van het kabinet:
In de Kamerbrief van 22 mei jl.27 is de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen uiteengezet. Voorafgaand aan de laatste besprekingen in de Europese Raad en de uiteindelijke stemming in de Raad over het MFK en het EMB, zal het kabinet haar positie bepalen op basis van het voorstel wat op dat moment voorligt.
Kunt u bevestigen dat Nederland zich tijdens de onderhandelingen zal verzetten tegen iedere constructie die ertoe leidt dat gezamenlijke Europese schuldfinanciering een structureel onderdeel van de Europese begrotingspraktijk wordt?
Antwoord van het kabinet:
De positie van het kabinet met betrekking tot de voorgestelde leeninstrumenten in het volgende MFK is toegelicht in de update van de Nederlandse inzet van 22 mei jl.28 Het kabinet is tegen de voorstellen van de Commissie voor nieuwe leeninstrumenten voor het ophogen van de nationale enveloppes van het NRPP (Catalyst Europe) en het crisismechanisme. Het kabinet staat onder voorwaarden wel constructief tegenover het gebruik van reeds bestaande instrumenten voor gemeenschappelijke investeringen, zoals via de Europese Investeringsbank (EIB), macro-financiële bijstand (MFA) en de Oekraïne-faciliteit waarbij landen alleen garant staan voor hun eigen kapitaalaandeel (BNI-sleutel).
Het kabinet stelt dat de Europese begroting zich meer moet richten op de strategische doelen. Welke bestaande begrotingsonderdelen acht u aantoonbaar onvoldoende effectief en zou Nederland daarom willen verkleinen of beëindigen voordat wordt gesproken over uitbreiding van de totale Europese begroting?
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet in op een Europese begroting die bijdraagt aan de strategische doelen van Europa, zijnde het versterken van het EU-concurrentievermogen, onderzoek en innovatie, veiligheid en defensie en asiel en migratie. Dit betekent dat er scherpe keuzes gemaakt moeten worden binnen de EU-begroting. Niet alles kan. Middelen vanuit de EU-begroting moeten ingezet worden waar de meeste grensoverschrijdende EU-toegevoegde waarde en impact gemaakt kan worden. Besparingen moeten daarom zo veel mogelijk gevonden worden in pijler 129 en 430 (met uitzondering van de migratie- en interne veiligheidsfondsen en verplichte rente- en terugbetalingen van NGEU) en zo min mogelijk ten koste moeten gaan van pijler 231 en 332.
Deze leden merken op dat het kabinet defensie, concurrentievermogen en migratie als prioriteiten benoemt. Betekent dit volgens u dat andere uitgavencategorieën daadwerkelijk zullen moeten krimpen, of acht u een groei van de totale EU-begroting onvermijdelijk? De aan het woord zijnde leden zouden graag een nadere toelichting van de Nederlandse inzet op dit punt ontvangen.
Antwoord van het kabinet:
In het Commissievoorstel voor het volgend MFK is een forse stijging voorgesteld voor EU-concurrentievermogen, defensie en migratie. Het kabinet verwelkomt dit onderdeel van het voorstel om de begroting meer te richten op de strategische uitdagingen van de toekomst met een grote EU toegevoegde waarde. De stijging van deze uitgavenposten betekent niet per definitie dat de begroting in totaliteit moet groeien. Er dienen keuzes te worden gemaakt om een acceptabel niveau van Nederlandse afdrachten aan de EU te bereiken. Het kabinet kijkt daarbij niet primair naar de omvang van het MFK, maar naar de Nederlandse bijdrage aan het MFK en netto betalingspositie. Naast de omvang zijn daarom de Nederlandse bni-korting, perceptiekostenvergoeding, eigenmiddelen en verwachtte ontvangsten vanuit het MFK relevant en bepalen die samen de afdrachten- en nettopositie van Nederland.
De leden van de fractie van JA21 zijn van mening dat steeds vaker omvangrijke financiële verplichtingen worden aangegaan via fondsen, faciliteiten en instrumenten die de grenzen van de reguliere EU-begroting raken. Acht het kabinet de mogelijkheden tot controle van de StatenGeneraal bij dergelijke financiële verplichtingen nog voldoende? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel? Zo nee, welke versterking van de nationale parlementaire controle zal Nederland tijdens de onderhandelingen bepleiten?
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet acht de mogelijkheden voor parlementaire controle voldoende. Financiële verplichtingen die voortvloeien uit fondsen, faciliteiten en andere instrumenten die worden gefinancierd vanuit of samenhangen met de Europese begroting worden vastgesteld op basis van Europese regelgeving waarover de Raad, vaak in samenspraak met het Europees Parlement, besluit. De Staten-Generaal worden hierover geïnformeerd via de gebruikelijke weg, middels BNC-fiches, geannoteerde agenda's en verslagen van de betreffende Raden.
Daarnaast geldt dat de financiële kaders van de Unie worden vastgelegd in het MFK en het EMB. Het kabinet legt de inzet voor deze onderhandelingen aan de Staten-Generaal voor, zoals bijvoorbeeld in de Kamerbrief «update Nederlandse inzet volgend MFK/EMB» van mei 2026. Het EMB vereist bovendien goedkeuring door de lidstaten overeenkomstig hun nationale grondwettelijke procedures. In Nederland betekent dit parlementaire behandeling van een wet ter goedkeuring van het EMB.
Het kabinet ziet daarom op dit moment geen aanleiding om tijdens de MFK-onderhandelingen specifieke voorstellen te doen voor versterking van de nationale parlementaire controle. Het kabinet blijft zich wel inzetten voor adequate informatievoorziening aan de Staten-Generaal over ontwikkelingen die gevolgen kunnen hebben voor de EU-begroting en de Nederlandse afdrachten.
Het kabinet stelt dat de Europese begroting zich sterker moet richten op resultaat en toegevoegde waarde (p3, MFK-brief). Welke objectieve criteria hanteert u om vast te stellen of een uitgavenprogramma daadwerkelijk Europese meerwaarde heeft en niet effectiever of doelmatiger door de lidstaten zelf kan worden uitgevoerd? Op welke wijze zal Nederland deze criteria tijdens de onderhandelingen over het nieuwe Meerjarig Financieel Kader inbrengen?
Antwoord van het kabinet:
Bij grensoverschrijdende EU-toegevoegde waarde van EU-beleidsuitgaven wordt gekeken naar beleidsterreinen en projecten die beter op EU-niveau kunnen worden gedaan dan door afzonderlijke lidstaten. Dit kan worden bepaald door diverse criteria, zoals schaalvoordelen waarbij gezamenlijke uitvoering goedkoper of efficiënter is, positieve economische gevolgen voor de interne markt, Europese publieke goederen die één lidstaat niet zelfstandig kan leveren, zoals grensbewaking, ruimtevaart, grensoverschrijdende infrastructuurprojecten, en bijdragen aan gezamenlijke Europese doelstellingen. Modernisering van het MFK en inzetten op beleidsterreinen met de meeste EU-toegevoegde waarde is een belangrijk onderdeel van de Nederlandse inzet in de MFK-onderhandelingen. Het kabinet brengt dit in relevante gremia onder de aandacht.
Vragen en opmerkingen van het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers
In de brief over de update van de inzet van het kabinet ten aanzien van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader schrijven de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Financiën dat de voorzitter van de Europese Commissie voorstelt om een minimale besteding (10%) aan plattelandsinvesteringen binnen de Nationale en Regionale Partnerschapsplannen (NRPP) in te voeren en een aantal specifieke bepalingen van de NRPP-verordening naar de Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)-verordening over te hevelen.
Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers vraagt welke bepalingen dit betreft. Waarom wil de Commissievoorzitter deze overhevelen? Wat is de Nederlandse positie over het invoeren van een minimale besteding (10%) aan plattelandsinvesteringen in het NRPP? Welke invulling en voorwaarden zijn volgens u wenselijk? Welke specifieke ambities heeft de regering voor de biologische landbouw?
Antwoord van het kabinet:
De artikelen die worden overgeheveld van het voorstel voor de NRPP-verordening naar de voorstellen voor de GLB-verordening en de GMO-verordening zien op specificaties rondom definities en verantwoording die specifiek op het GLB van toepassing zijn. Het kabinet is geen voorstander van het invoeren van een minimale besteding aan plattelandsinvesteringen. Dit beperkt de flexibiliteit van het NRPP. Wel zet het kabinet zich in voor voldoende aandacht voor plattelandsontwikkeling en meer mogelijkheden om binnen het GLB middelen in te zetten voor het stimuleren van verduurzaming van de sector. In het coalitieakkoord staat dat het kabinet de uitvoering van het actieplan biologische landbouw voortzet en ook in het in juni gepresenteerde pakket om de stikstofuitstoot te verminderen neemt biologische landbouw een belangrijke plek in. Het kabinet staat positief tegenover het stimuleren van biologische landbouw vanuit het NRPP, zoals dat nu ook gebeurt met de GLB eco-regeling, maar het is nog te vroeg om de ambities van de regering op biologische landbouw in het NRPP op dit moment vast te stellen.
In het prestatiekader wordt door de Commissie een minimaal bestedingspercentage voorgesteld van 35% voor klimaat en milieu. Is het kabinet voorstander van dit voorstel? Zo ja, bent u bereid zich in de onderhandelingen hard te maken voor het behoud, of zo mogelijk een verhoging, van dit percentage?
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet onderstreept het belang van investeringen in de groene transitie en is dan ook voorstander van het bestedingspercentage voor klimaat en milieu. Het kabinet zal zich om deze reden tijdens de onderhandelingen blijven inzetten voor behoud van dit minimale bestedingspercentage.
Bent u bereid u in te zetten voor stevige waarborgen, zodat geld dat onder deze regeling valt aantoonbaar en effectief bijdraagt aan klimaat- en milieudoelstellingen, en waar relevant dierenwelzijnsdoelstellingen?
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet zich in voor een doeltreffende, transparante en waarheidsgetrouwe methode voor het traceren van uitgaven aan klimaat, milieu en biodiversiteit. Uitgaven die vallen onder het klimaat- en milieu bestedingspercentage moeten daadwerkelijk bijdragen aan deze doelen. Het is hierbij van belang dat greenwashing wordt voorkomen. Het kabinet zet zich hiervoor in bij de onderhandelingen over het prestatiekader en zal dat ook blijven doen.
Hoe kijkt u naar het samenvoegen van klimaat en milieu binnen één regeling, en hoe wordt geborgd dat milieu en biodiversiteit hierbinnen voldoende aandacht krijgen?
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet heeft zich er tot op heden met succes voor ingezet dat uitgaven aan biodiversiteit apart worden bijgehouden. De bijdragen van uitgaven aan klimaat, biodiversiteit, milieu en sociaal worden per thema geadministreerd. Het kabinet waakt er bovendien voor dat indicatoren en coëfficiënten die aan meerdere doelen binnen hetzelfde bestedingsdoel bijdragen dubbel worden meegeteld voor het totale bestedingspercentage voor klimaat en milieu van 35 procent.
Kunt u bijvoorbeeld aangeven welk deel van de Nederlandse uitgaven naar verwachting of als streefgetal aan milieu zou worden besteed?
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet zich in om aan het bestedingspercentage te voldoen. Het is op dit moment nog niet duidelijk welke maatregelen via het MFK gefinancierd zullen worden, mede omdat de onderhandelingen over het MFK nog niet zijn afgerond. Het is om deze reden nog niet duidelijk welk deel van de Nederlandse uitgaven naar verwachting aan milieu zal worden besteed.
Bij het monitoren van uitgaven en prestaties binnen het MFK stelt de Commissie het principe Do No Significant Harm voor. Kunt u toelichten hoe het begrip «significant» binnen het Do No Significant Harm-principe wordt gedefinieerd en afgebakend? Deelt u de mening van dit lid dat het woord «significant» in de praktijk ruimte laat voor milieuschade en bent u bereid u in te zetten voor een aanscherping van dit criterium, zodat ook schade aan milieu en ecosystemen zoveel mogelijk wordt voorkomen?
Antwoord van het kabinet:
Do No Significant Harm (DNSH) is een reeds bestaand principe en wordt al bij veel EU-fondsen toegepast. Het kabinet is in afwachting van het definitieve richtsnoer over DNSH en zet zich in de voorbereiding van dit richtsnoer in voor een afgebakende en ambitieuze toepassing van het principe. Er is geen strikte definitie van het begrip «significant» maar de Commissie poogt om specifieke activiteiten die afbreuk doen aan klimaat- en milieu uit te sluiten. Het kabinet zet zich in voor het behouden van een ambitieus richtsnoer om te voorkomen dat milieu en ecosystemen schade oplopen.
Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers is blij met de constatering van het kabinet in de brief over de Staat van de Unie dat een sterke Europese economie alleen kan bestaan met ruime aandacht voor onder andere klimaat, biodiversiteit en circulariteit. Op het gebied van klimaat noemt het kabinet concrete ambities, maar op het gebied van biodiversiteit en circulariteit niet. Wat wilt u in de onderhandelingen over het MFK op deze onderwerpen bereiken?
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet onderschrijft dat een sterke en toekomstbestendige Europese economie investeringen vraagt in klimaat, biodiversiteit en circulariteit. Ten aanzien van biodiversiteit acht het kabinet het van belang dat het MFK bijdraagt aan de uitvoering van de Europese biodiversiteitsdoelstellingen. Het kabinet heeft zich er tijdens de onderhandelingen met succes voor ingezet dat uitgaven aan biodiversiteit apart worden bijgehouden. De bijdragen van uitgaven aan klimaat, biodiversiteit, milieu en sociaal worden per thema bijgehouden. Daarnaast verwelkomt het kabinet de focus binnen het Europees Concurrentievermogenfonds op de schone transitie, industriële decarbonisatie en de bevordering van de circulaire economie, in samenhang met investeringen in schone technologieën, de energietransitie en de verduurzaming van de industrie. Daarmee is dit fonds van groot belang voor een toekomstbestendige Europese economie.
In de brief d.d. 16 juni 2026 over de kabinetsappreciatie van de negotiating box schrijven de Ministers op p.2 dat het kabinet kritisch is op het inperken van de flexibiliteit binnen de NRPP, pijler 1 van het MFK. Die flexibiliteit wordt onder andere ingeperkt door meer oormerking voor specifieke doeleinden, zoals het visserij- en landbouwbeleid. Hoeveel geld wordt er geoormerkt voor visserijbeleid en hoeveel voor landbouwbeleid, zo vraagt het aan het woord zijnde lid? Welke argumenten worden er aangehaald om meer geld hiervoor te oormerken?
Antwoord van het kabinet:
De kritische houding van het kabinet op het inperken van de flexibiliteit van het NRPP ziet specifiek op het later ingebrachte voorstel dat lidstaten de mogelijkheid biedt om van de 25% van het NRPP die flexibel zou zijn, maximaal 15% al eerder te kunnen vastleggen. Daarvan zou 2/3e (10%) kunnen worden gereserveerd voor GLB-interventies of maatregelen in het landelijk gebied. In het onderhandelingsdocument (negotiating box) is er geen uitleg gegeven voor deze aanpassing, maar de aanpassing volgt de brief met voorstellen die Commissievoorzitter Van der Leyen reeds op 6 januari jl. heeft gestuurd, waarbij de Commissievoorzitter aangeeft te willen zekerstellen dat additionele middelen beschikbaar zijn vanaf 2028 voor boeren en plattelandsgemeenschappen. Het totale voorlopige bedrag dat voor landbouw en visserij binnen het NRPP is gereserveerd, is te vinden in het voorstel van de Europese Commissie.33 Dit bedrag is onderdeel van de onderhandelingen en pas definitief na MFK-akkoord.
Wordt er bij deze oormerking ingezet op duurzaamheid en diervriendelijkheid? Welke mogelijkheden ziet u nog om deze oormerking te verminderen of van tafel te krijgen?
Antwoord van het kabinet:
In de huidige voorstellen wordt geen nadere of specifieke link gelegd tussen het al eerder kunnen vastleggen van een deel van de flexibiliteit onder het NRPP met duurzaamheid of diervriendelijkheid. Het kabinet is geen voorstander van de mogelijkheid om 40% van het flexibele deel van het NRPP nu al vast te leggen voor GLB-interventies of maatregelen in het landelijk gebied. Dit beperkt de noodzakelijke flexibiliteit bij de tussentijdse evaluatie, ondermijnt het gelijke speelveld binnen het GLB en verhoogt de betalingsdruk in de eerste jaren van het volgende MFK. Nederland steunt daarom geen oormerking of beperking van flexibiliteit ten gunste van het GLB of plattelandsontwikkeling.
Samenstelling:
Van Apeldoorn (SP) (voorzitter), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Bovens (CDA), Dittrich (D66), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Van Hattem (PVV), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Kanis (D66), Karimi (GroenLinks-PvdA), Kemperman (FVD) (ondervoorzitter), Koffeman (PvdD), Martens (GroenLinks-PvdA), Oplaat (BBB), Panman (BBB), Petersen (VVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden, Steenkamp (CDA), Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Nieuwsbericht Benelux Interparlementaire Assemblee, Werkbezoek aan Technoport Luxemburg | Benelux Interparlementaire Assemblee
Kamerbrief inzake update Nederlandse inzet ten aanzien van de onderhandelingen over het MFK en het EMB 2028–2034, Kamerstuk 22 112, nr. 4357.
Nieuwsbericht Benelux Interparlementaire Assemblee,Werkbezoek aan Technoport Luxemburg | Benelux
Kamerbrief inzake update Nederlandse inzet ten aanzien van de onderhandelingen over het MFK en het EMB 2028–2034, Kamerstuk 22 112, nr. 4357.
Kamerbrief inzake update Nederlandse inzet ten aanzien van de onderhandelingen over het MFK en het EMB 2028–2034, Kamerstuk 22 112, nr. 4357.
Kamerstuk 22 112, nr. 4357 (Kamerbrief Update Nederlandse inzet volgend MFK/EMB); Kamerstuk 22 112, nr. 4159 (Kamerbrief over informatievoorziening over nieuwe Commissievoorstellen: fiche 17 [MFK] Voorstel verordening voor de oprichting van Global Europe)
Kamerbrief inzake update Nederlandse inzet ten aanzien van de onderhandelingen over het MFK en het EMB 2028–2034, Kamerstuk 22 112, nr. 4357.
Kamerbrief inzake update Nederlandse inzet ten aanzien van de onderhandelingen over het MFK en het EMB 2028–2034, Kamerstukken 22 112, nr. 4357.
Economic, social and territorial cohesion, agriculture, rural and maritime, prosperity and security
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36866-F.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.