36 863 Wijziging van de Kieswet in verband met het stellen van nadere regels voor bijstand in het stemhokje

Nr. 25 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juli 2026

In het debat van 1 juli jl. inzake de behandeling van het wetsvoorstel «bijstand in het stemhokje» (Kamerstuk 36 863) zijn aanvullende vragen gesteld over het VN-Verdrag Handicap, in relatie tot de werkingssfeer van het wetsvoorstel. Aanleiding voor deze vragen is het feit dat alle kiezers in het wetsvoorstel recht krijgen op bijstand door een stembureaulid, terwijl kiezers met een fysieke handicap bijstand mogen krijgen door een persoon van hun eigen keuze, bijvoorbeeld een familielid.

Meerdere leden van uw Kamer hebben de vraag gesteld waarom er in het wetsvoorstel niet voor is gekozen iedereen recht te geven op bijstand door alleen een stembureaulid. Dit zou betekenen dat fysiek gehandicapten hun recht op hulp naar keuze verliezen; ook zij zouden dan alleen nog gebruik kunnen maken van hulp door een stembureaulid. Een dergelijk uniform regime is helder en eenduidig voor kiezers en waarborgt het stemgeheim en de stemvrijheid, zo is de gedachte van deze leden. In dit verband is gevraagd waartoe het VN-Verdrag Handicap precies verplicht, in hoeverre het verdrag de lidstaten ruimte biedt om nadere en afwijkende maatregelen te nemen en hoe het ratificatieproces is verlopen.

Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om het bovenstaande nader toe te lichten.

1. Het VN-Verdrag Handicap

Het VN-verdrag Handicap heeft tot doel om de mensenrechten van personen met een handicap te bevorderen, beschermen en waarborgen. Het artikel over hulp bij het stemmen is te vinden in artikel 29, onder a, sub iii. Deze bepaling luidt als volgt:

De Staten die Partij zijn garanderen personen met een handicap politieke rechten en de mogelijkheid deze op voet van gelijkheid met anderen te genieten, en verplichten zich:

iii. de vrije wilsuiting van personen met een handicap als kiezers te waarborgen en daartoe, waar nodig, op hun verzoek ondersteuning toe te staan bij het uitbrengen van hun stem door een persoon van hun eigen keuze;

Nederland heeft bij het ratificeren van het verdrag in 2016 een interpretatieve verklaring afgelegd bij artikel 29, die luidt:

De Staat der Nederlanden heeft verklaard het woord «ondersteuning» in artikel 29 (a) (iii) van het VN Verdrag te interpreteren als «ondersteuning buiten het stemhokje; met uitzondering van de ondersteuning die noodzakelijk is als gevolg van een lichamelijke beperking, in welk geval ondersteuning in het stemhokje ook toegestaan kan worden.1

Deze interpretatieve verklaring ziet dus op de interpretatie van het woord «ondersteuning». Deze interpretatie geldt enkel voor dat woord, waarbij de rest van artikel 29 (a) (iii)), dus ook de zinssnede over een persoon van hun eigen keuze, onverkort geldt. Dit betekent dat Nederland zich heeft gecommitteerd om, voor wat betreft personen met een fysieke handicap, ondersteuning in het stemhokje toe te staan door een persoon van hun eigen keuze. Voor andere kiezers, bijvoorbeeld personen met een verstandelijke beperking of laaggeletterden, is alleen ondersteuning buiten het stemhokje toegestaan.

Met «een persoon van hun eigen keuze» wordt ondubbelzinnig gedoeld op een persoon die de kiezer zelf heeft gekozen. En dus niet «u mag uit deze drie stembureauleden kiezen en verder niet». Dit blijkt uit de totstandkomings-geschiedenis bij het verdrag en de wijze waarop dat sedertdien wordt uitgelegd, onder meer door het College voor de Rechten van de Mens.2

Het verdrag bevat ook het standstill- of non-regressie beginsel (artikel 4, vierde lid): overheden mogen de bescherming en voorzieningen voor mensen met een beperking niet afbouwen. Eenmaal behaalde resultaten in de maatschappelijke positie en ondersteuning mogen niet verslechteren; de overheid moet juist blijven werken aan verbetering. Een achteruitgang in rechtspositie voor gehandicapten is derhalve niet toegestaan.

2. Aanpassen verklaring bij VN-Verdrag

Nederland is, zoals hierboven toegelicht, gebonden aan het toestaan van hulp in het stemhokje door een persoon van hun eigen keuze voor wat betreft kiezers met een fysieke handicap. In uw Kamer is de vraag gerezen of het mogelijk is om de interpretatieve verklaring aan te passen in die zin, dat voor fysiek gehandicapten niet langer een brede interpretatie zou gelden. Anders gezegd: is het mogelijk het recht op bijstand naar keuze voor fysiek gehandicapten terug te brengen naar enkel een recht op bijstand door een stembureaulid?

De Afdeling advisering van de Raad van State vraagt of er daadwerkelijk sprake zou zijn van een achteruitgang in rechtspositie indien personen met een lichamelijke beperking enkel nog recht zouden hebben op hulp door een stembureaulid. Ook voor hen kan immers gelden dat het verlenen van bijstand op een meer gewaarborgde manier voor de hand ligt, zo redeneert de Afdeling.3

Zoals in het nader rapport reeds toegelicht, is er wel degelijk sprake van een achteruitgang in rechtspositie en is er geen ruimte om tot een andere conclusie te komen. Het wijzigen van de interpretatieve verklaring in de bovengenoemde zin, zou in essentie de werking en het rechtsgevolg van artikel 29 uitsluiten. Immers: dat artikel ziet op ondersteuning door een persoon van eigen keuze, de ondersteuning door een lid van het stembureau komt neer op het niet langer hebben van een vrije keuze. Zoals hierboven toegelicht is het enkel mogen kiezen uit een aantal stembureauleden niet hetzelfde als hulp door een persoon van hun eigen keuze.

Verdragsrechtelijk wordt uitsluiting van rechtsgevolg niet beschouwd als een gewijzigde interpretatieve verklaring, maar als een zogeheten voorbehoud.

Het maken van een voorbehoud is ingevolge de algemene regels van het verdragenrecht alleen mogelijk op het moment van het partij worden bij het verdrag. Op een later moment middels een voorbehoud uitsluiten van de werking van een verdragsartikel is niet toegestaan. Nederland maakt om die reden doorgaans bezwaar tegen te laat ingediende voorbehouden van andere staten.

Op het moment dat Nederland een te laat voorbehoud zou maken, kunnen de andere verdragspartijen daar binnen een termijn van 12 maanden bezwaar tegen kunnen maken. Gezien de praktijk bij te laat gemaakte voorbehouden, zal de VN het voorbehoud niet aanvaarden wanneer een van de verdragspartijen bezwaar maakt en wordt het voorbehoud geacht niet te zijn gemaakt. Nederland zal zich er dan niet op kunnen beroepen.

In het geval dat een fysiek gehandicapte een beroep doet op artikel 29 van het VN-Verdrag Handicap in een zaak voor de Nederlandse rechter, zou de rechter kunnen oordelen dat dit artikel rechtstreekse werking heeft (d.w.z. een ieder verbindend is) en dat het bieden van ondersteuning door louter een stembureaulid een inperking is van de rechten van die persoon. De nationale bepaling die daarmee in strijd is kan dan ingevolge artikel 94 Grondwet buiten toepassing worden verklaard.

3. Conclusie

Gelet op het bovenstaande concludeer ik dat alle kiezers recht geven op bijstand door een stembureaulid, waardoor fysiek gehandicapten hun wettelijke recht op hulp naar keuze verliezen, in strijd is met het VN-Verdrag Handicap. Aanpassing van de in 2016 afgelegde interpretatieve verklaring is niet mogelijk. Dit betekent dat aanvaarding van een amendement, waarmee iedereen recht op bijstand door een stembureaulid zou krijgen, strijd zou opleveren met hogere rechtsnormen. Intrekking van het wetsvoorstel ligt dan in de rede. Hierdoor zou een grote groep kwetsbare kiezers niet krijgen waar zij juist zoveel behoefte aan hebben: zelfstandig in het stemhokje hun kiesrecht uitoefenen. Dit wetsvoorstel biedt hiervoor de waarborgen.

Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, zal bij de eerste evaluatie zorgvuldig worden gekeken naar de uitvoerbaarheid ervan. De ervaringen van zowel kiezers als stembureauleden bij het verkrijgen en geven van hulp in het stemhokje worden betrokken bij die evaluatie.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma


X Noot
1

De interpretatieve verklaring is te vinden op: treaties.un.org.

X Noot
2

Zie de brief van het CRM aan uw Kamer ter voorbereiding van de plenaire behandeling van het wetsvoorstel van 18 mei 2026.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2025/26, 36 863, nr. 4, p. 8.

Naar boven