De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
In artikel I, onderdeel B, wordt aan het voorgestelde artikel J 28a een lid toegevoegd,
luidende:
Toelichting
Dit amendement regelt dat het lid van het stembureau dat in het stemhokje bijstand
verleent, bij die taak zichtbaar neutraal optreedt.
Het wetsvoorstel kent aan stembureauleden een bijzondere rol toe. Zij kunnen in het
stemhokje aanwezig zijn en kennisnemen van de stemvoorkeur van een kiezer die bijstand
nodig heeft. Juist in die situatie moet iedere schijn van beïnvloeding, druk of partijdigheid
worden vermeden. De kiezer moet erop kunnen vertrouwen dat degene die in het stemhokje
bijstand verleent, dat doet vanuit een strikt neutrale publieke taak.
De regering wijst er in de toelichting op dat bijstand door een stembureaulid meer
waarborgen biedt, onder meer omdat stembureauleden neutraal en getraind zijn. Indiener
acht het daarom logisch om die neutraliteit ook zichtbaar te borgen bij de meest gevoelige
handeling: het verlenen van bijstand in het stemhokje. Het amendement maakt daartoe
een beperkte, verkiezingsrechtelijke norm, zonder te veronderstellen dat voor stembureauleden
in algemene zin een uniformplicht of vergelijkbaar wettelijk regime geldt.
Indiener onderkent dat deze norm kan raken aan de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
en aan de vrijheid van meningsuiting. De beperking is naar het oordeel van indiener
gerechtvaardigd, omdat zij bij formele wet wordt gesteld, beperkt is tot de specifieke
taak van bijstand in het stemhokje en strekt ter bescherming van stemvrijheid, stemgeheim
en het vertrouwen in de onpartijdige uitvoering van het verkiezingsproces.
De norm ziet op zichtbare persoonlijke uitingen, waaronder kledingstukken en accessoires
kunnen vallen. De norm ziet niet op de persoon van het stembureaulid of op uiterlijke
kenmerken als zodanig, maar uitsluitend op zichtbare uitingen die een politieke, godsdienstige
of levensbeschouwelijke overtuiging kenbaar maken.
Voor politieke uitingen sluit dit aan bij de onpartijdige positie die stembureauleden
in het stemlokaal reeds behoren in te nemen. Voor religieuze en levensbeschouwelijke
uitingen concretiseert het amendement die neutraliteit uitsluitend voor de situatie
waarin het stembureaulid in het stemhokje bijstand verleent.
De verplichting is beperkt tot het lid van het stembureau dat daadwerkelijk in het
stemhokje bijstand verleent en tot het moment waarop die bijstand wordt verleend.
Het amendement ziet dus niet op de kleding van de kiezer zelf en evenmin op uitingen
buiten deze specifieke taak. Het doel is uitsluitend om de neutraliteit, de stemvrijheid
en het vertrouwen in het verkiezingsproces te versterken.
Clemminck