36 843 Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668

Nr. 16 BRIEF VAN DE MINISTER VAN WERK EN PARTICIPATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 juni 2026

Op 27 mei jl. vond het plenaire debat plaats over het wetsvoorstel Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 (Kamerstuk 36 843). Daarin heb ik toegezegd een brief voor de stemmingen te sturen. Namelijk over de gevolgen van de overgang van de meldplichten van het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS) naar het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Over deze overgang heeft uw Kamer op 10 februari 2026 ook een brief ontvangen1. Met deze brief geef ik daarnaast mijn visie op motie met Kamerstuk 36 843, nr. 132, ingediend door leden van Ark en Patijn.

Stopzetten LAVS

Met Richtlijn (EU) 2023/2668 (hierna: Richtlijn) wordt het stelsel op een andere manier vormgegeven met ingrijpende wijzigingen in de regelgeving tot gevolg. De Richtlijn breidt daarnaast de omvang van de melding op projectbasis uit.

Daardoor kan het LAVS in zijn huidige vorm niet meer worden gebruikt voor de meldingen vanuit de nieuwe regelgeving. Zo moet uit de meldingen blijken of aan het opleidingsvereiste voor de werknemers en het aanbieden van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek wordt voldaan. De benodigde aanpassingen aan het LAVS zijn ingrijpender dan alleen het toevoegen van dergelijke meldingsvereisten. Zo komen de bestaande risicoklassen te vervallen en moeten de werkmethoden en rollen in het systeem worden aangepast.

Bovendien heeft het LAVS nog slechts een beperkte levensduur tot uiterlijk 2030. Het huidige systeem brengt momenteel hoge jaarlijkse kosten met zich mee voor beheer, onderhoud en noodzakelijke doorontwikkeling (€ 2,3 miljoen). Het systeem ingrijpend aanpassen aan de gewijzigde regelgeving zou een aanvullende, onevenredige (financiële) inspanning vergen, met een initiële investering van naar schatting 1 miljoen euro.

Naast financiële inspanningen vragen de aanpassingen ook om de nodige extra doorlooptijd, waardoor de implementatie van de Richtlijn verder kan vertragen. De boete die de Europese Commissie kan opleggen voor het niet tijdig implementeren van de Richtlijn kan dan oplopen met enkele miljoenen. Dit bovenop de circa € 9 miljoen boete die kan volgen bij inwerkingtreding op 1 januari 2027 met een overgangstermijn van een half jaar. Verder neemt het risico op een dwangsom toe.

Motivering overstap naar DSO

Met de keuze voor het afschaffen van het LAVS3 zal er elders aan de wettelijke meldplichten moeten worden voldaan. Meldplichten op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving, waaronder sloopmeldingen waarbij asbest aan de orde is, lopen al via het DSO. De keuze om ook de meldplicht die volgt uit de Richtlijn via het DSO te laten verlopen, sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingswet: één digitaal loket, uniforme processen en hergebruik van gegevens. Dit vermindert de administratieve lasten voor bedrijven. Ook geeft het in lijn met de bevindingen uit het ILT-onderzoek4 en de daaropvolgende beleidsreactie aan uw Kamer, uitvoering aan de stelselbrede inzet op generieke voorzieningen voor informatievoorziening en gegevensdeling binnen het VTH-stelsel5. Tegen die achtergrond wordt gekozen voor het DSO als centraal en juridisch geborgd loket voor meldingen.

Verschil LAVS en DSO

Voordat ik inga op de gevolgen voor het risicogerichte toezicht, merk ik op dat het LAVS en DSO verschillende functies vervullen binnen het stelsel. Het LAVS is een ketenvolgsysteem. Het DSO is een meldingensysteem. Het merendeel van de informatie uit het LAVS komt terug in het DSO. Deze wordt echter niet in dezelfde vorm en samenhang ontsloten. Toezichthouders blijven informatie krijgen over de locatie van werkzaamheden, de start, de afronding en de eindbeoordeling. Alle arbomeldplichten zijn aan de asbestsaneerder opgelegd. De saneerder moet het asbestinventarisatierapport en eindbeoordelingsrapport bij asbestwerkzaamheden melden. Wat niet terugkomt, is dat iedere schakel in de keten een eigen melding doet. Na de implementatie kijkt het kabinet nog wel naar een eventuele verplichte melding van alle inventarisatierapporten. Die ruimte biedt het wetsvoorstel wel, maar dit is geen richtlijnvereiste. Door de melding van alle inventarisatierapporten te verplichten is voor iedere toezichthouder beter na te gaan of op een bouw- of slooplocatie sprake is van asbest en is voldaan aan de verplichtingen. De toezichthouders maken gebruik van voorgaande inventarisatierapporten om illegale saneringen te kunnen aantonen bij vermoedens daarop. Tegelijkertijd zou deze verplichting kunnen leiden tot een lastenverzwaring voor burger en bedrijf. Het maken van een gedegen afweging hierover vergt meer tijd.

Gevolgen voor risicogericht toezicht Arbeidsinspectie

De Arbeidsinspectie geeft aan dat de overgang naar DSO twee effecten heeft voor het toezicht: 1) er is tijdelijk geen risicogericht toezicht en 2) structureel moet het risicomodel voor het risicogerichte toezicht aangepast worden, waarbij het onzeker is hoe effectief het risicogerichte toezicht wordt. Onderstaand licht ik deze punten toe.

  • 1. Tijdelijk geen risicogericht toezicht Arbeidsinspectie

    Vanaf de overgang naar het DSO kost het de Arbeidsinspectie naar verwachting minimaal negen maanden om een vorm van risicogericht toezicht opnieuw in te richten. Uitgaande van inwerkingtreding van het wetsvoorstel en DSO per 1 januari 2027 betekent dit dat de Arbeidsinspectie minimaal tot 1 oktober 2027 geen risicogericht toezicht kan uitvoeren. Dit schuift op bij eventueel latere invoering van het stelsel. Die periode is nodig om een nieuw risicomodel te maken voor het risicogerichte toezicht, dit model te voeden met voldoende nieuwe data uit het DSO, en om dit model te trainen met de nieuwe data. In deze periode kan de Arbeidsinspectie geen risicogericht toezicht houden, maar blijft zij wel op andere wijze toezicht houden op asbestsaneringen. De Arbeidsinspectie zal in deze periode ad random inspecteren op basis van de meldingen die via het DSO gedaan worden (ter illustratie nu ontvangt de Arbeidsinspectie via het LAVS zo’n 80.000 meldingen per jaar). Daarnaast blijft de Arbeidsinspectie in deze periode reactief inspecteren op basis van klachten of signalen dat er ergens een asbestsanering niet goed wordt uitgevoerd.

  • 2. Onzekerheid over effectiviteit structureel risicogericht toezicht Arbeidsinspectie

    Na afloop van deze periode, is de Arbeidsinspectie naar verwachting weer in staat om, naast het reactieve toezicht, ook risicogericht toezicht te houden. De praktijk moet uitwijzen in hoeverre dat risicogerichte toezicht net zo effectief is als het huidige toezicht. Dat is onzeker. Dit zal duidelijker worden met de uitwerking die de komende tijd plaatsvindt.

Daarnaast zijn er ook ontwikkelingen die kunnen bijdragen aan een verbetering binnen het asbestlandschap, waaronder de vergunningverlening en veranderingen in het certificatiestelsel. Dit versterkt het toezicht op bedrijven die asbest verwijderen, in het bijzonder het toezicht op malafide bedrijven. Naar verwachting draagt dit bij aan het verminderen van zware overtredingen. Zoals hiervoor is vermeld, kijk ik verder nog naar een eventuele verplichte melding van alle inventarisatierapporten.

Tot slot merk ik op dat bestaande LAVS-gegevens zorgvuldig worden gearchiveerd en beschikbaar blijven voor toezicht, handhaving en verantwoording. Over de manier waarop dit wordt vormgegeven vinden de komende tijd gesprekken plaats.

Samenvattend is het implementeren van de meldplichten via het DSO de meest doelmatige oplossing met de minste vertraging voor de implementatie van de richtlijn en lagere administratieve lasten.

In het najaar zal ik de Kamer nader informeren over de voortgang van dit proces en de concrete vervolgstappen. Verder ontvangt uw Kamer, overeenkomstig mijn toezegging, te zijner tijd de Raad van State versie van de lagere regelgeving en de bijbehorende uitvoeringstoetsen.

De motie van de leden van Ark en Patijn is na het debat nog gewijzigd. De motie verzoekt de regering om ervoor zorg te dragen dat de periode waarin geen risicogericht toezicht mogelijk is zo kort mogelijk is, en in die periode het toezicht op asbestsaneringen zoveel mogelijk te borgen via andere vormen van toezicht. Ik deel deze inzet en deze oproep sluit ook aan bij de aanpak van de Arbeidsinspectie, zoals ik heb toegelicht in deze brief. Omwille hiervan laat ik het oordeel op de motie over aan de Kamer.

De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen

Naar boven