36 835 Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1712 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (Implementatiewet herziene Europese richtlijn mensenhandel)

Nr. 12 AMENDEMENT VAN DE LEDEN FABER EN DIEDERIK VAN DIJK

Ontvangen 22 september 2026

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Artikel I, onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst en in de tekst wordt «artikel 273f, tweede lid,» vervangen door «het tweede lid».

2. Voor onderdeel 1 (nieuw) worden een aanhef en een onderdeel ingevoegd, luidende:

Artikel 273f wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In subonderdeel 1 wordt na «degene die een ander» ingevoegd «opzettelijk» en wordt «met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen» vervangen door «om die ander uit te buiten of diens organen te verwijderen».

b. In subonderdeel 2 wordt na «degene die een ander» ingevoegd «opzettelijk» en wordt «met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen» vervangen door «om die ander uit te buiten of diens organen te verwijderen».

c. In subonderdeel 3 wordt na «degene die een ander» ingevoegd «opzettelijk» en wordt «met het oogmerk» vervangen door «om».

Toelichting

Geen enkele vorm van criminaliteit druist zo in tegen de lichamelijke integriteit en de vrijheid van ieder mens als mensenhandel. Het heeft prioriteit om elke vorm van mensenhandel te voorkomen en/of te bestrijden. Het is volgens indieners onwenselijk dat veroordeling voor een van de verschillende vormen van mensenhandel onnodig wordt gecompliceerd door de bestanddelen die volgen uit de wettekst.

Voor veroordeling van mensenhandel is in de huidige wettekst de hoogste gradatie van opzet opgenomen, namelijk; het oogmerk van uitbuiting. Daarvoor is vereist dat het handelen van de verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat de ander door hem werd of zou kunnen worden uitgebuit (zie hiervoor o.a. ECLI:NL:PHR:2025:57 r.o. 4.3). Hierdoor kan het risico ontstaan dat een mensenhandelaar zijn straf ontloopt. Daarom kiezen de indieners voor voorwaardelijk opzet, om de drempel tot veroordeling voor een gruwelijk misdrijf, als mensenhandel, te verlagen.

Hiertoe wordt het bestanddeel «oogmerk» in relatie tot (seksuele) uitbuiting en orgaanverkrijging geschrapt. In plaats daarvan wordt in de wettekst opgenomen dat de aldaar genoemde gedragingen opzettelijk moeten zijn begaan, in welk verband voor het vaststellen van die opzet voldoende is dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit zou (kunnen) resulteren in (seksuele) uitbuiting of orgaanverkrijging van het slachtoffer.

Faber D. van Dijk

Naar boven