Aan de heer Šefčovič van de Europese Commissie
Den Haag, 3 oktober 2025
De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad van de Eerste Kamer
hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel COM(2025)259 van de Europese
Commissie om de toepassing van het begrip «veilig derde land» te versoepelen. De leden
van de fractie van GroenLinks-PvdA leggen naar aanleiding hiervan graag de navolgende vragen aan u voor.
De leden van deze fractie hebben met zorg kennisgenomen van voorstellen ter versoepeling
van het toepassen van het begrip veilige derde landen in Asielprocedureverordening.
Het voorstel voor een verordening, met name het loslaten van het bandencriterium en
het afschaffen van de automatische schorsende werking van beroep tegen niet-ontvankelijkheidsbesluiten,
roept bij deze leden aanzienlijke vragen op rond rechtszekerheid, mensenrechten, praktische
uitvoering en toezicht. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn niet voor
het loslaten van het bandencriterium bij de toepassing van het begrip veilig derde
land.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom er geen impact assessment is
opgesteld bij het voorstel COM(2025) 259. Bent u bereid alsnog, bijvoorbeeld parallel
met de onderhandelingen, zo’n impact assessment uit te voeren, specifiek wat betreft
de rechtspositie van asielzoekers, gevolgen voor doorreislanden of transitlanden en
risico’s voor mensenrechtenschendingen?
Daarnaast vragen deze leden welke lidstaten al «agreements» of «arrangements» hebben
met derde landen die als veilig worden beschouwd, of worden beschouwd onder het voorstel
als mogelijk veilig derde land. Kunt u een overzicht geven van bestaande overeenkomsten
(met details: welke landen, welke voorwaarden, welke rechtsstatelijke waarborgen)?
Hoe ziet u de toetsing van criteria om een derde land veilig te verklaren, in het
licht van internationale verdragen (VN-Vluchtelingenverdrag, EVRM, Handvest van de
Grondrechten van de EU, et cetera)? Welke kerncriteria hanteert u? En hoe worden deze
gewaarborgd in praktijk?
Ziet u mechanismen voor toezicht op landen die als veilig derde land worden gebruikt
voor doorverwijzing? Hoe worden klachten of signalen van mensenrechtenschendingen
(in veilige derde landen) onderzocht en welke verantwoording is er over mogelijke
schendingen na overdracht of verwijzing?
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe de Commissie voorkomt dat landen
met twijfelachtige mensenrechtenpraktijken, zoals Rwanda of andere landen die in het
verleden beschuldigd zijn van schendingen, als veilig derde land worden aangemerkt.
Wat zijn de criteria, welke informatiebronnen gebruikt u (ngo’s, UNHCR, EUAA, rapporten
mensenrechtenorganisaties), welke drempels of uitsluitingsnormen bestaan er?
In situaties waarin een asielzoeker wordt verwezen naar een veilig derde land, welke
rechtsmiddelen (beroep, schorsing, bezwaar) blijven beschikbaar onder het voorstel?
Hoe garandeert u dat de beroepsprocedure eerlijk is, tijdig, toegankelijk, met voldoende
juridische bijstand – zeker als de Commissie de automatische schorsende werking wil
los laten?
Bent u van plan in de verordening (of via uitvoeringshandelingen) een periodieke herziening
vast te leggen van landen die worden aangewezen als veilige derde landen (inclusief
inspecties in de praktijk)? Zo ja, met welke frequentie, met welke criteria, en met
welke betrokkenheid van onafhankelijke partijen en maatschappelijke organisaties?
De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad zien uw beantwoording
met belangstelling tegemoet en stellen het op prijs uw antwoord zo spoedig mogelijk te ontvangen.
De voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad, A.W.J.A. van Hattem