36 830 Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2024/1348 wat betreft de toepassing van het begrip «veilig derde land»

B BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL/JBZ-RAAD

Aan de heer Šefčovič van de Europese Commissie

Den Haag, 3 oktober 2025

De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad van de Eerste Kamer hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel COM(2025)259 van de Europese Commissie om de toepassing van het begrip «veilig derde land» te versoepelen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA leggen naar aanleiding hiervan graag de navolgende vragen aan u voor.

De leden van deze fractie hebben met zorg kennisgenomen van voorstellen ter versoepeling van het toepassen van het begrip veilige derde landen in Asielprocedureverordening. Het voorstel voor een verordening, met name het loslaten van het bandencriterium en het afschaffen van de automatische schorsende werking van beroep tegen niet-ontvankelijkheidsbesluiten, roept bij deze leden aanzienlijke vragen op rond rechtszekerheid, mensenrechten, praktische uitvoering en toezicht. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn niet voor het loslaten van het bandencriterium bij de toepassing van het begrip veilig derde land.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom er geen impact assessment is opgesteld bij het voorstel COM(2025) 259. Bent u bereid alsnog, bijvoorbeeld parallel met de onderhandelingen, zo’n impact assessment uit te voeren, specifiek wat betreft de rechtspositie van asielzoekers, gevolgen voor doorreislanden of transitlanden en risico’s voor mensenrechtenschendingen?

Daarnaast vragen deze leden welke lidstaten al «agreements» of «arrangements» hebben met derde landen die als veilig worden beschouwd, of worden beschouwd onder het voorstel als mogelijk veilig derde land. Kunt u een overzicht geven van bestaande overeenkomsten (met details: welke landen, welke voorwaarden, welke rechtsstatelijke waarborgen)?

Hoe ziet u de toetsing van criteria om een derde land veilig te verklaren, in het licht van internationale verdragen (VN-Vluchtelingenverdrag, EVRM, Handvest van de Grondrechten van de EU, et cetera)? Welke kerncriteria hanteert u? En hoe worden deze gewaarborgd in praktijk?

Ziet u mechanismen voor toezicht op landen die als veilig derde land worden gebruikt voor doorverwijzing? Hoe worden klachten of signalen van mensenrechtenschendingen (in veilige derde landen) onderzocht en welke verantwoording is er over mogelijke schendingen na overdracht of verwijzing?

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe de Commissie voorkomt dat landen met twijfelachtige mensenrechtenpraktijken, zoals Rwanda of andere landen die in het verleden beschuldigd zijn van schendingen, als veilig derde land worden aangemerkt. Wat zijn de criteria, welke informatiebronnen gebruikt u (ngo’s, UNHCR, EUAA, rapporten mensenrechtenorganisaties), welke drempels of uitsluitingsnormen bestaan er?

In situaties waarin een asielzoeker wordt verwezen naar een veilig derde land, welke rechtsmiddelen (beroep, schorsing, bezwaar) blijven beschikbaar onder het voorstel? Hoe garandeert u dat de beroepsprocedure eerlijk is, tijdig, toegankelijk, met voldoende juridische bijstand – zeker als de Commissie de automatische schorsende werking wil los laten?

Bent u van plan in de verordening (of via uitvoeringshandelingen) een periodieke herziening vast te leggen van landen die worden aangewezen als veilige derde landen (inclusief inspecties in de praktijk)? Zo ja, met welke frequentie, met welke criteria, en met welke betrokkenheid van onafhankelijke partijen en maatschappelijke organisaties?

De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en stellen het op prijs uw antwoord zo spoedig mogelijk te ontvangen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad, A.W.J.A. van Hattem

Naar boven