Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36800-VIII nr. D |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36800-VIII nr. D |
Vastgesteld 28 april 2026
Het gewijzigd wetsvoorstel heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
Inleiding
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP gezamenlijk, alsmede de fracties van de BBB, PvdD, Volt en de Fractie Visseren-Hamakers hebben met interesse kennisgenomen van de Begrotingsstaten Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het jaar 2026. Naar aanleiding hiervan wensen zij de regering een aantal vragen te stellen. De leden van het CDA sluiten zich aan bij de vragen 2 en 3 van de leden van de BBB-fractie. De leden van de fracties van de PvdD en Volt sluiten zich bij elkaars vragen aan.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP gezamenlijk
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SP stellen vast dat in deze begroting vrijwel geen ruimte is voor prijsbijstelling voor het mbo, hbo en wo, en voor de sectoren cultuur, onderzoek en emancipatie. Tijdens de behandeling van de suppletoire begroting 2025 in de Eerste Kamer is in debat met de toenmalige Minister op 14 oktober 2025 aan de orde geweest dat de korting op de prijsbijstelling een cumulatieve bezuiniging betreft die jaar op jaar doorwerkt.2 Dit gold voor 2025 en nu opnieuw voor 2026.
1. Deze leden vragen welke maatregelen de regering – die zich erop laat voorstaan alle bezuinigingen op het onderwijs terug te draaien – voornemens is te nemen om te voorkomen dat de bezuinigingen van de afgelopen jaren, met hun cumulatieve effect, leiden tot een structurele onderfinanciering van het mbo, het hoger onderwijs en de andere genoemde sectoren.
Tijdens het voornoemde debat is tevens besproken of en hoe de Minister zich zou kunnen inspannen om de prijsbijstelling ook in andere onderwijssectoren (vo, mbo en hoger onderwijs, dus niet alleen in het po) een wettelijke basis te geven.
2. Deze leden vragen de regering of en, zo ja, welke stappen hiertoe zijn genomen. Voorts vragen de leden welke stappen de regering van plan is te nemen om een op deze manier veroorzaakte systematische uitholling van een bepaald deel van het onderwijs te voorkomen.
De begrotingsstaat 2026 bevat een aanzienlijke bezuiniging van 170 miljoen op de brede brugklas. Het coalitieakkoord vermeldt echter dat de coalitie het van belang acht dat de subsidie voor de brede brugklas vanaf 2027 «een voldoende dekkend aanbod» biedt.3
3. Deze leden vragen wat de regering verstaat onder «een voldoende dekkend aanbod». Hanteert de regering hiervoor criteria? Zo ja, welke? Zo nee, verricht de regering hiernaar onderzoek en, zo ja, op welke wijze?
Ook zijn deze leden bezorgd dat de bezuiniging in het komende jaar kan leiden tot het afbreken van lopende programma’s die kort daarna opnieuw moeten worden opgebouwd.
4. Weet regering welke brede brugklassen hierdoor in de problemen komen en om hoeveel scholen en leerlingen het daarbij gaat? Welke mogelijkheden ziet de regering om tegemoet te komen aan deze structuur- en kapitaalvernietiging?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB
Bekostiging
1. In de begroting lezen de leden van de BBB-fractie dat het Ministerie van OCW verantwoordelijk is voor de uitvoering van een aantal SDG-doelen.4 Wat wordt daarvoor aan extra activiteiten ondernomen die Nederland dus niet al eerder uitvoerde? Welke extra kosten brengt dit voor het Rijk met zich mee? Welke meerwaarde hebben deze extra activiteiten voor Nederland zelf?
2. Welke voortgang is gemaakt in het project Einstein Telescoop?5 Hoeveel is daarin inmiddels door het Rijk geïnvesteerd, en hoeveel is daarvoor nog begroot? Welke activiteiten voert het Nationaal Expertisecentrum Wetenschap en Samenleving (NEWS) inmiddels uit?6 Hoeveel draagt het Rijk financieel bij aan het NEWS? Welke uitgaven doet de regering in het kader van «immersieve digitale content»,7 zoals voor de ontwikkeling van VR, AR, MR, 360-graden video en interactiviteit? Hoe groot verwacht de regering dat het multipliereffect hiervan respectievelijk voor de Nederlandse economie is?
3. Wat wordt de komende jaren gedaan voor de «speciale aandacht voor maritiem erfgoed»?8 Met welke (maritieme) organisaties vindt hierover overleg en samenwerking plaats? Welke extra investeringen doet de regering voor dit erfgoed?
4. Is de regering voornemens de bezuinigingen op apparaatsuitgaven uit het hoofdlijnenakkoord van het vorige kabinet9 ook na 2027 voort te zetten? Om hoeveel FTE aan ambtenaren gaat het hierbij in 2026, 2027 en daarna? Hoe groot is de totale efficiencytaakstelling in absolute bedragen en als percentage van de totale OCW-begroting die agentschappen en zbo’s in diezelfde jaren is opgelegd? Ziet de regering mogelijkheden om meer te reduceren dan door het vorige kabinet is afgesproken?
5. Waarom verdubbelen de uitgaven voor «alternatieve invulling taakstelling op de apparaatskosten» tot 2030?10
6. Waaruit bestaan de «overige intensiveringen», die tot 2030 verdubbelen?11
7. Wat verklaart de grote verschillen onder «kasschuiven», met name tussen 2025 en 2026?12 Waarom is de regering van mening dat het mogelijk zal zijn na die jaren veel minder te hoeven «kasschuiven»?
8. In de begroting wordt een Speciale Uitkering (SPUK) aan decentrale overheden genoemd.13 Hoeveel SPUK’s heeft OCW in 2026, en voor welk totaalbedrag? Hoe ziet de regering het aantal en totaalbedrag van SPUK’s onder haar verantwoordelijkheid de komende jaren ontwikkelen? Welke SPUK’s zijn nu al voorzien te worden beëindigd, en ziet de regering mogelijkheden er nog meer te beëindigen?
9. De Algemene Rekenkamer geeft al vele jaren aan (grotendeels) niet te kunnen aantonen waar de bekostiging van de onderwijssector daadwerkelijk aan wordt besteed. Is de regering voornemens meer geoormerkte bekostiging in te voeren? Voor welke kostenposten?
10. Met hoeveel procent krimpen de jaarcohorten onder de Nederlandse jeugd? Kan de capaciteit van basis- en middelbaar onderwijs niet evenredig worden gekort in de bekostiging vanuit het Rijk? Gebeurt dit al in de begroting? Zo niet, waarom niet?
11. In het voortgezet onderwijs lijken steeds meer medewerkers te werken voor steeds minder leerlingen. Hoe heeft deze verhouding zich de afgelopen generatie ontwikkeld? Hoe verklaart de regering deze ontwikkeling? Is sprake van meer staf en management, maar ook van meer facilitaire medewerkers? Is deze ontwikkeling wenselijk? Welke maatregelen neemt de regering al, en welke is zij voornemens nog extra te nemen?
12. Zijn Nederlandse hogescholen procentueel meer gaan uitgeven aan onderzoek? Hoe heeft dit zich de laatste (tien) jaren ontwikkeld? Hoe verhoudt dit aandeel zich tot dat van Nederlandse universiteiten? In hoeverre is deze ontwikkeling op hogescholen ten koste gegaan van budgetten en capaciteiten voor het geven van onderwijs? Welke hogescholen geven als percentage van hun begroting het meest uit aan onderzoek? Lijkt het de regering wenselijk voor hogescholen een maximumgrens te gaan hanteren, om zo ook het verschil met universiteiten te markeren?
13. In hoeverre zijn medewerkers in de sectoren onderwijs, cultuur en wetenschap gecompenseerd voor de inflatie van de afgelopen jaren? Wil de regering dit aanvullen tot volledige compensatie?
14. Hoeveel besparing zou opname van (de collectie van) het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in het Nationaal Archief naar schatting van de regering opleveren? Zou de regering deze en vergelijkbare efficiency-opties binnen haar verantwoordelijkheidsdomein willen overwegen, en de Kamer over de uitkomst afzonderlijk willen informeren?
15. Welke bezittingen heeft het Ministerie van OCW volgens de regering meer dan destijds stond vermeld in het rapport «Zicht op Rijksbezit» van de Algemene Rekenkamer?14 Zijn er meer bezittingen dan in het rapport aan te duiden en/of is de waarde toegenomen? Welk afwegingskader hanteert de regering om te bepalen welke bezittingen kunnen worden verkocht of anderszins afgestoten? Voor welke waarde verkoopt het ministerie jaarlijks aan bezittingen? Ziet de regering mogelijkheden dit uit te breiden?
Leerresultaten
16. Functioneel analfabetisme onder middelbare scholieren is de afgelopen decennia toegenomen. In hoeverre is deze achteruitgang van onderwijsresultaten volgens de regering te wijten aan immigratie? Hoe groot was de achteruitgang bij autochtone leerlingen en studenten? Welke extra maatregelen wil de regering voor de onderscheiden groepen nemen? Hoe kan worden voorkomen dat leerlingen met achterstanden anderen negatief beïnvloeden?
17. Tussen 1981 en 2021 is het percentage met hoogopgeleiden toegenomen van 11% naar 35%.15 Hoe verklaart de regering dit? Voor welk deel komt dit door emancipatie, met name meer kansen op toegang voor vrouwelijke en andere groepen studenten? Is daarnaast ook sprake geweest van «inflatie»: zijn studies makkelijker geworden? Wat wil de regering doen om studies (weer) moeilijker te maken?
18. De indruk bestaat dat steeds minder hogeronderwijsopleidingen verplichte jaarlijkse boekenpakketten voorschrijven. Heeft de regering hier zicht op? Welke verklaringen heeft de regering voor deze ontwikkeling, vindt zij deze (on)wenselijk en wil zij maatregelen nemen?
19. Hoeveel is het lezen (en schrijven) binnen hogeronderwijsinstellingen het afgelopen decennium afgenomen? Hoe houdt de regering daar zicht op? Deze leden hebben ook de indruk dat meer dan in het verleden in het kader van opleidingen gevraagd wordt om audiovisuele producten te gebruiken en te maken. Deelt de regering de mening dat dit onwenselijk is? Wat doet de regering om leesbevordering,16 bibliotheekbezoek en schrijven binnen het curriculum van hogeronderwijsinstellingen te stimuleren? Ziet zij mogelijkheden deze inspanningen uit te breiden?
20. Hoeveel procent van de begrotingen van het hoger onderwijs wordt uitgegeven aan docenten? Hoe ontwikkelt dit percentage zich? Wat wil de regering extra doen om dit (verder) te laten stijgen?
21. Heeft de regering zicht op de cijfers die worden gegeven voor scripties? Is sprake van een langere trend van steeds hogere beoordelingen, zoals door sommigen van universiteiten in de Verenigde Staten wordt beweerd? Hoe verklaart de regering de haar bekende trends in Nederland? Deze leden hebben ook de indruk dat, waar vroeger bij het verkrijgen of verlengen van accreditatie vaak scriptiebeoordelingen werden getoetst door docenten of hoogleraren van andere hogescholen of universiteiten, met als doel te bepalen of niet te makkelijk een voldoende werd gegeven, dit nu in de regel niet meer plaatsvindt. Herkent de regering het geschetste beeld? Is het mede hierdoor makkelijker geworden een voldoende voor een scriptie te krijgen? Hoe houdt de regering toezicht op het feitelijke niveau van eindscripties? Welke maatregelen wil de regering nemen om de eisen aan scripties (weer) te verhogen?
22. Sommige hogeronderwijsinstellingen bieden de mogelijkheid om twee studies te voltooien in slechts één jaar extra tijd. Doordat sommige vakken voor beide studies nodig zijn om het diploma te behalen en voor beide studies meetellen, hoeft voor twee diploma’s niet tweemaal zoveel te worden geleerd. Herkent de regering dit? Vindt de regering deze praktijk wenselijk? Wat wil de regering hiertegen doen?
23. In het Nederlandse voortgezet en hoger onderwijs wordt veel stage gelopen en vormen leerwerk- en leerarbeidsplaatsen bij sommige opleidingen een aanzienlijk deel van het curriculum. Sommige opleidingen bestaan voor bijna de helft uit werken bij een bedrijf of overheid. Dit leert leerlingen en studenten uiteraard werken, maar zij leren minder binnen hun opleiding. Toch krijgen zij hetzelfde diploma als in opleidingen die (bijna) geheel uit lessen bestaan. (Hoe) houdt de regering hier toezicht op? Hoe garandeert de regering dat leerlingen en studenten binnen hun opleiding voldoende leren? Hoe garandeert de regering dat voor diploma’s van verschillende opleidingen een vergelijkbare hoeveelheid lesstof wordt beheerst? Is de regering bereid te onderzoeken of een maximum aan het opdoen van werkervaring moet worden ingesteld?
24. Hoe heeft het percentage leerlingen dat op middelbare scholen in een klas of jaar blijft zitten zich de afgelopen decennia ontwikkeld? Is dit percentage gedaald? Hoe verklaart de regering dit? Welke ontwikkelingen zijn onwenselijk? Welke maatregelen neemt de regering al? Welke extra maatregelen wil de regering nemen?
25. In het afgelopen decennium lijkt in het (wetenschappelijk) onderwijs een toename te zijn geweest van groepsopdrachten. Heeft de regering hier goed zicht op? In welke opzichten en in hoeverre heeft de toename van groepsopdrachten de kwaliteit van het onderwijs en het kennisniveau van leerlingen en studenten positief of negatief beïnvloed? Hoe verklaart de regering de geconstateerde effecten? Welke middelen en bevoegdheden heeft zij om ongewenste effecten te verminderen? Wil zij meer wettelijke bevoegdheden en, zo ja, welke?
26. De leden van de BBB-fractie merken op dat voor veel hogeschool- en universitaire opleidingen het momenteel geen eis is dat op de middelbare school het betreffende vak is gevolgd, noch dat daarvoor een hoog gemiddeld eindcijfer is behaald. Zo kan bijvoorbeeld worden ingeschreven voor de studie economie zonder eindexamen te hebben gedaan in economie en zonder dat daarvoor ten minste een 7,5 is behaald. Herkent de regering dit beeld en wat vindt zij van deze situatie? Wat is de regering bereid te doen om vaker en hogere toelatingseisen voor vervolgonderwijs in te voeren?
Internationalisering
27. Wat wordt bedoeld met en waarom verviervoudigt het «Reisproduct buitenland studerenden» tot 2030?17
28. In de begroting wordt vrij abstract geschreven over «grip op internationale studenten».18 Is in de afgelopen jaren het aantal respectievelijk het percentage studenten van buiten de EU teruggelopen? Bij welke opleidingen en in welke studentensteden heeft de reductie vooral plaatsgevonden? Welke maatregelen vanuit het Rijk hebben dit vooral veroorzaakt? Wat wil de regering nog meer doen om het aantal en percentage niet-EU-studenten te reduceren?
29. Voor veel buitenlandse studenten lijkt een studie in Nederland een tweede of derde keus, constateren de leden van de fractie van de BBB. Daardoor lijkt de binding met en latere bijdrage aan (de economie van) ons land minder waarschijnlijk. Heeft de regering zicht op de motivaties van buitenlandse studenten om naar Nederland te komen? Welke maatregelen bevorderen dat Nederland later meer aan deze studenten zal hebben? Welke extra maatregelen wil de regering nemen? Zou ook meer geselecteerd moeten worden op «Nederland als eerste keus», bijvoorbeeld door het vragen om een motivatiebrief en het aantonen van eerdere interesse voor Nederland?
30. In welke landen ontvangen Nederlandse studenten die daar een opleiding volgen geen studiefinanciering, terwijl studenten uit diezelfde landen die in Nederland een opleiding volgen dat wel van de Nederlandse overheid krijgen? Uit welke van deze landen ontvangt Nederland, proportioneel naar de omvang van de bevolking, veel meer studenten dan andersom? Welke maatregelen wil de regering nemen om wederkerigheid met deze landen te vergroten?
31. Hoe ontwikkelt het percentage Nederlandse studenten in volledig Engelstalige opleidingen op Nederlandse hogescholen en universiteiten zich? Hanteert de regering een bepaald maximum, zoals langdurig 70%, waarna zij afdwingt dat deze opleidingen niet meer in het Engels worden aangeboden?
32. Waarom heeft Nuffic19 vestigingen buiten Nederland nodig? Hoeveel kosten deze? Hoe dragen deze bij aan het beleidsdoel om het aantal buitenlandse studenten in Nederland te reduceren? Hoeveel geld ontvangt Nuffic jaarlijks van de Europese Unie? Maakt dit de organisatie niet afhankelijk van de EU?
33. Draagt Nederland op basis van zijn bevolkingsomvang proportioneel bij aan het Europees Universitair Instituut Florence (EUI) en de United Nations University (UNU)?20 Of staat in de betreffende verdragen een andere berekeningsmethode dan wel een vast percentage dat maakt dat Nederland boven proportioneel bijdraagt?
34. Zijn Nederlandse universiteiten in de loop van de decennia minder onderzoek gaan doen naar de situatie en ontwikkelingen in Nederland zelf? In hoeverre heeft deze achteruitgang het Nederlandse onderwijs benadeeld, omdat minder over problemen en verbetermogelijkheden voor Nederland zelf les kon worden gegeven?
35. Is er de afgelopen generatie sprake geweest van een achteruitgang van het aantal Nederlandse wetenschappelijke uitgeverijen en Nederlandstalige wetenschappelijke publicaties? Hoe sterk was deze en houdt deze nog aan? Vindt de regering dit wenselijk? Welke maatregelen neemt de regering reeds en wat wil zij extra doen?
Beleid
36. Waarom wordt in de begroting wel de informatievoorziening aan de Tweede Kamer beschreven, en niet die aan de Eerste Kamer?21 Wil de regering in volgende begrotingen waar relevant ook altijd de Eerste Kamer vermelden?
37. Hoeveel zogenaamde «spookleerlingen» of «spookstudenten» zijn er volgens de Minister nog in het Nederlandse onderwijs? Neemt het aantal en percentage toe of af? Wat kosten spookstudenten/leerlingen de Nederlandse belastingbetaler in totaal? Hoe houdt de regering hier zicht op, en welke maatregelen neemt zij hiertegen?
38. Stimuleert de regering, al dan niet in het kader van het programma «klimaat en energie»,22 het planten van extra bomen en planten, of de aanleg van grasvelden op scholen en andere locaties binnen haar verantwoordelijkheidsdomein? Zo niet, waarom niet? Zo wel, hoeveel wordt hierdoor jaarlijks gerealiseerd? Ziet de regering mogelijkheden hiertoe meer maatregelen te nemen?
39. Wat doet de regering om te voorkomen dat binnen haar verantwoordelijkheidsdomein, ook bij onderwijsinstellingen, in het kader van «gelijke behandeling» en «diversiteit en inclusie»23 personen of groepen worden voorgetrokken?
40. Waar trekt de regering precies de grens tussen de verantwoordelijkheid van de (Rijks)overheid enerzijds en die van (potentiële) werknemers en (potentiële) werkgevers anderzijds voor om- en bijscholing/een »Leven Lang Leren»?24 Waar ligt de grens tussen algemeen en particulier/privébelang? Zijn om- en bijscholingen die onder verantwoordelijkheid van de regering worden uitgevoerd even effectief en efficiënt als om- en bijscholingsactiviteiten daarbuiten? Ziet de regering de noodzaak om meer aan de samenleving zelf over te laten?
41. De laatste jaren is veel maatschappelijke ophef geweest over seksueel vormende (les)activiteiten op basisscholen. Is de regering bereid een wettelijke minimumleeftijd voor leerlingen voor deze activiteiten in te voeren?
42. Onlangs werd bekend dat het ministerie in 2025 de taalgids «Woorden, toon en boodschap tegen discriminatie en racisme» heeft laten maken, en dat deze ongeveer 40.000 euro aan belastinggeld heeft gekost.25 Heeft de Minister indertijd zelf opdracht gegeven voor het maken van deze gids? Was de Minister tijdens het opstellen ervan er zelf mee bekend? Gaat de regering opdracht geven de invoering en het gebruik van de gids binnen het ministerie terug te draaien?
43. Kunnen de (wetenschappelijke) instituten die ressorteren onder de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW) en de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), om meer of beter onderzoek te doen alsook meer onderwijs te geven, niet beter deel uitmaken van universiteiten? Is deze optie door de regering onderzocht? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo niet, zou de regering dit alsnog willen uitzoeken?
44. Welke Minister is verantwoordelijk voor toezicht op het academisch niveau van de activiteiten van wetenschappelijke instituten van politieke partijen? Als dit niet expliciet als taak is toebedeeld, wil de regering zich dan hiervoor opwerpen, een beoordelingskader ontwikkelen en hiermee daadwerkelijk toezicht uitvoeren?
45. Welke maatregelen heeft de regering nu tegen ideologisering, door docenten, lesstof, eisen of anderszins, in het Nederlandse onderwijs? Welke mogelijkheden voor extra maatregelen ziet de regering?
Wet- en regelgeving
46. Wat is het onderscheid tussen hogescholen en universiteiten? Waar staat dat in de wet? Als dat niet in de wet staat: is de regering bereid het wel op te gaan nemen?
47. In Australië is in 2024 een wet aangenomen die sociale mediagebruik verbiedt onder de 16 jaar.26 Wat vindt de regering daarvan; wil zij dit ook voor Nederland overwegen? Doet veelvuldig gebruik van sociale media door jongeren in de praktijk afbreuk aan het goed leren lezen, schrijven en concentreren?
48. Hoeveel basis- en middelbare scholen verbieden leerlingen inmiddels mobiele telefoons te gebruiken op hun locaties? Welk percentage van alle scholen is dit? Hoe snel loopt dit percentage op? (Wanneer) wil de regering mobiele telefoons ten minste op basisscholen bij wet gaan verbieden?
49. De meeste kinderen in Nederland gaan al vanaf hun vierde levensjaar naar school, maar de leerplicht gaat pas in bij vijf jaar. Wat vindt de regering van verlaging naar vier jaar? Wat zijn de voor- en nadelen? Is zij bereid een wetswijziging in te dienen om de leerplicht te verlagen naar vier jaar?
50. Een vaak gehoorde klacht is dat scholen(gemeenschappen) en hogeronderwijsinstellingen te groot zijn geworden, dat wil zeggen te veel leerlingen of studenten tellen. Wat vindt de regering van de schaalgrootte van onderwijs in Nederland? Welke bevoegdheden en andere mogelijkheden heeft de regering om hierin te sturen? Wil de regering meer wettelijke bevoegdheden?
51. Is de ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) binnen het verantwoordelijkheidsdomein van de Minister de afgelopen jaren afgenomen? Zo ja, welke maatregelen zijn hiertegen met name effectief gebleken? Welke OBI neemt de Minister nog waar binnen haar verantwoordelijkheidsdomein? Welke aanscherpingen in wet- en regelgeving overweegt de regering tegen OBI?
52. Sommige personen die werken bij organisaties binnen het verantwoordelijkheidsdomein van de Minister lijken meer betaald te krijgen vanuit het Rijk en/of door het Rijk bekostigde organisaties, berekend op basis van een volledige fte (dus niet op parttimebasis), en inclusief nevenfuncties, vergoedingen voor aparte opdrachten, en winsten uit deelname in of eigenaarschap van bedrijven die direct of indirect worden betaald door het Rijk, dan is toegestaan op grond van de Wet normering topinkomens.27 Herkent de regering dit beeld? Wat is de regering bereid in genoemde wet aan te passen om de berekeningsbasis van de norm te verbreden?
Cultuur en media
53. Ziet de regering mogelijkheden om het lidmaatschap van en de deelname aan de Nederlandse Taalunie uit te breiden met extra landen waar Nederlands wordt gesproken, ook als tweede taal? Zo ja, met welke landen? Welke initiatieven is de regering bereid hiervoor te nemen?
54. In welke staten van de Verenigde Staten wordt door veel Nederlandse emigranten en hun nazaten nog vaak Fries gesproken? Is de regering bereid deze staten, naar het voorbeeld van de Nederlandse Taalunie, uit te nodigen voor het oprichten van een internationale Friese Taalunie?
55. Bij wet zijn uitgevers verplicht om een exemplaar van alle Nederlandstalige boeken of uitgaven aan de Koninklijke Bibliotheek (National Library) te sturen. Sinds wanneer geldt dit? Vielen destijds ook publicaties uit Nederlandse koloniën onder deze wet? Welk deel van de uitgaven uit de koloniën is verzameld in de Koninklijke Bibliotheek? Is het volgens de regering wenselijk dat het verzamelen en conserveren van zo veel mogelijk uitgaven uit koloniaal Nederland een taak is van de Koninklijke Bibliotheek?
56. Hoeveel procent van de cultuurbegroting besteedt de regering aan culturele organisaties binnen de gemeente Amsterdam? Hoeveel procent van de Nederlandse bevolking woont in Amsterdam? Hoe rechtvaardigt de regering dit grote verschil, in aanmerking nemende dat veel Nederlanders kunnen genieten van cultureel aanbod in Amsterdam omdat dit door de regering wordt bekostigd, terwijl zij wellicht naar andere plaatsen zouden gaan als de regering daar meer cultureel aanbod zou bekostigen? Wat is de regering bereid te doen om dit verschil te verminderen?
57. Welke wettelijke beperkingen gelden nu voor publieke omroepverenigingen om hun uitzendingen en/of andere producties via internet te verspreiden? Welke wetswijzigingen wil de regering overwegen om deze beperkingen te verminderen? Op welke termijn wil de regering dat de publieke omroep helemaal afscheid neemt van radio en tv-signalen en alleen via internet (non-lineair) en andere technieken of kanalen «uitzendingen» gaat aanbieden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD
1. Wanneer is de aangekondigde wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen,28 waarin een wettelijke zorgplicht voor gemeenten en provincies wordt opgenomen, te verwachten?
2. Wordt in de begroting 2026 al vooruitgelopen op een verhoging van de middelen voor bibliotheken in verband met de voorgenomen zorgplicht? Zo nee, waarom niet?
3. Op dit moment kunnen jongeren die boeken willen lenen gratis lid worden van een openbare bibliotheek. Is er berekend welke kosten ermee gemoeid zouden zijn als iedere ingeschrevene gratis boeken zou kunnen lenen, en is onderzocht welke gunstige gevolgen daarvan te verwachten zijn, zoals het verhogen van de leesvaardigheid en daarmee van het arbeidspotentieel? Zo niet, is de regering bereid om zo’n onderzoek te laten uitvoeren?
4. Wat kunnen bibliotheken betekenen voor het bevorderen van digitale geletterdheid? Het kabinet en in het bijzonder de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit pleiten voor zo’n bevordering. Op welke punten is de financiële ondersteuning daarvan in de begroting opgenomen? Is er een voornemen om die middelen in 2026 en de daaropvolgende jaren nog te verhogen?
5. Bij de behandeling van de begroting OCW in de Eerste Kamer op 25 maart 2025 sprak toenmalig Minister Paul de volgende woorden:
«De heer Nicolaï stelde twee vragen. De eerste vraag gaat over het voorkomen van gedachtegoed waarin vrouwenhaat een plaats inneemt. De heer Nicolaï vraagt zich af of ik de opvatting deel dat dit een belang is dat vanuit OCW beschermd dient te worden. Dat deel ik volledig. Vrouwenhaat is onacceptabel en moet keihard bestreden worden. Bijvoorbeeld moeten we de ontwikkelingen bestrijden die we nu online zien, onder meer vanuit de manosfeer, waar vrouwenhaat actief wordt gepromoot en waar veel jonge mannen vatbaar voor zijn. We zien daarover de onderzoeken en de reacties in bijvoorbeeld Australië en het Verenigd Koninkrijk, maar ook op veel andere plekken, met een heel kwalijke rol voor bepaalde influencers. Dat is iets waar we aandacht voor hebben.»29
a. Deelt de regering de zorgen van de toenmalige bewindspersoon? Welke inzet is van de regering te verwachten? Komt er op korte termijn een beleidsdocument van uw hand waarin specifiek op dat punt wordt ingegaan?
b. Zien deze leden het goed dat in artikel 25 van de ontwerpbegroting 2026 wordt bezuinigd in vergelijking met 2025? Zo ja, om welke bedragen gaat het en welke activiteiten zullen daarvan de gevolgen ondervinden?
c. Kan de regering aangeven welke middelen in 2026 beschikbaar zullen zijn voor gender- en LHBTI-gelijkheid en voor het bestrijden van vrouwenhaat en van het gedachtegoed van het gedachtegoed van de manosfeer, en hoe die worden ingezet?
d. Kan de regering aangeven welke allianties op dit moment zijn gesloten, welke plannen bestaan om deze uit te breiden en in hoeverre dat financieel gedekt wordt in 2026?
e. Geeft het recent gepubliceerde onderzoek over onveiligheidsgevoelens van vrouwen aanleiding om op grotere schaal middelen beschikbaar te stellen in 2026 en de daaropvolgende jaren voor projecten die de veiligheid van vrouwen vergroten? Is daarmee al in de begroting rekening gehouden en, zo ja, op welke wijze?
6. Minister Paul sprak tijdens de begrotingsbehandeling 2025 ook nog de volgende woorden:
«Het is misschien ook aardig om te noemen dat ik twee weken geleden in New York heb gesproken bij de UN Commission on the Status of Women, in feite de VN-top over vrouwenrechten en rechten van meisjes. Het was mooi, niet alleen om daar gewoon bepaalde zaken uit te spreken; door zaken uit te spreken, stel je ook een grens en normeer je, wat ik heel belangrijk vind. Maar het was tegelijkertijd ook een kans om met mijn Europese collega's van gedachten te wisselen. Een van de belangrijke acties die we namelijk ook moeten nemen – dat is nog under construction – is dat we richting de grootste technologiebedrijven, de big tech, in het geweer moeten komen, omdat ook zij een verantwoordelijkheid te nemen hebben. Dat is best wel ingewikkeld in de huidige geopolitieke constellatie. We zien in andere landen ook van alles gebeuren. Maar ik weet één ding: als we als Nederland in ons eentje opereren, slaan we geen deuk in een pakje boter. We moeten daarin samen optrekken. Ik vond het heel bemoedigend om bij mijn collega's, breed binnen de EU, te merken dat ze daar in gezamenlijkheid werk van willen maken. Ik ga daar dus verder mee aan de slag.»30
Is er voortgang geboekt op het terrein van het aanpakken van Big Tech om verspreiding van vrouwenhaat en het gedachtegoed van de manosfeer te bestrijden en te voorkomen? Worden projecten van organisaties die daarop gericht zijn op dit moment door de overheid financieel gesteund? Zo nee, is de regering bereid daarvoor middelen beschikbaar te stellen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie Volt
De leden van de Volt-fractie hebben met verbazing en ernstige zorg kennisgenomen van het feit dat het huidige kabinet heeft gekozen de begroting van het demissionaire kabinet-Schoof vrijwel ongewijzigd over te nemen, inclusief de daarin opgenomen bezuinigingen op onderwijs voor het jaar 2026. Dit terwijl de coalitiepartijen D66, VVD en CDA nadrukkelijk hebben aangekondigd deze bezuinigingen met ingang van 2027 te zullen terugdraaien. Deze leden achten het onbegrijpelijk dat een kabinet dat structurele investering in onderwijs belooft, tegelijkertijd de schade van zijn voorganger voor een volledig jaar laat voortbestaan.
De fractieleden van Volt constateren bovendien dat deze bezuinigingen juist plaatsvinden op een moment waarop het hoger onderwijs voor omvangrijke structurele transities staat: de implementatie van de Wet leeruitkomsten hoger onderwijs, de opkomst van AI in didactiek en toetsing, de noodzaak van blijvende docentprofessionalisering, dalende studentenaantallen door demografische krimp en de urgente vraag naar meer digitale soevereiniteit in de onderwijsinfrastructuur. Het zijn geen losstaande thema's, maar opgaven die direct raken aan de uitvoerbaarheid van de begrotingsartikelen voor hoger onderwijs en personeelsbeleid. Innovatie zonder voldoende implementatiekracht blijft een papieren belofte, aldus deze leden.
Continuering bezuinigingen
Kan de regering toelichten op welke gronden is besloten de bezuinigingen uit de begroting van het demissionaire kabinet-Schoof integraal over te nemen voor het begrotingsjaar 2026, terwijl het coalitieakkoord 2026–2030 voorziet in een substantiële intensivering van onderwijsinvesteringen vanaf 2027? Hoe verhoudt dit besluit zich tot de bestuurlijke verantwoordelijkheid van het huidige kabinet?
Schade in het transitiejaar
Heeft de regering een kwantitatieve analyse laten uitvoeren naar de concrete schade die de bezuinigingen in 2026 toebrengen aan het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, het hoger onderwijs en de wetenschap? Zo ja, is de regering bereid deze analyse met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet, en hoe rechtvaardigt de regering de continuering van deze bezuinigingen zonder een dergelijke onderbouwing?
Wet leeruitkomsten hoger onderwijs en uitvoerbaarheid
De Wet leeruitkomsten hoger onderwijs vraagt van instellingen dat zij opleidingen flexibeler en modulair inrichten. Dat vergt curriculumherontwerp, professionalisering, aanpassing van toetsing en vaak ook digitalisering van processen. Kan de regering aangeven hoe de middelen binnen de begrotingsartikelen voor hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs toereikend zijn om deze implementatie daadwerkelijk mogelijk te maken? Hoe voorkomt de regering dat instellingen, als gevolg van dalende studentenaantallen, terughoudend worden ten aanzien van deze noodzakelijke vernieuwing?
AI in didactiek en toetsing
Instellingen en docenten moeten steeds vaker omgaan met AI in lesontwerp, beoordeling en toetsing. Dat vraagt niet alleen beleid, maar ook tijd, scholing en duidelijke kaders. Welke middelen zijn binnen deze begroting concreet beschikbaar om docenten te professionaliseren op het gebied van AI-geletterdheid, AI-didactiek en verantwoord toetsen? Acht de regering dit voldoende in het licht van de snelheid waarmee deze ontwikkelingen zich aandienen?
Professionalisering van docenten
Behoorlijk hoger onderwijs staat of valt met goed toegeruste docenten, aldus de fractieleden van Volt. Toch zien deze leden dat juist professionalisering onder druk komt te staan wanneer middelen krapper worden. Hoe waarborgt de regering dat instellingen binnen deze begroting voldoende ruimte houden voor structurele docentprofessionalisering, juist op terreinen als blended learning, toetsingskwaliteit en technologische innovatie? Ziet de regering daarbij ook een eigen verantwoordelijkheid van het Ministerie van OCW, in plaats van dit volledig bij instellingen neer te leggen?
Kan de regering toelichten hoe Npuls, het achtjarige innovatieprogramma voor mbo, hbo en wo dat met € 640 miljoen wordt gefinancierd, waarvan € 560 miljoen uit het Nationaal Groeifonds en € 80 miljoen uit bijdragen van instellingen, zich verhoudt tot deze OCW-begroting, en hoe de regering borgt dat de via Npuls ontwikkelde innovaties op het gebied van docentprofessionalisering, digitalisering en gezamenlijke onderwijsinfrastructuur na afloop van deze tijdelijke programmagelden ook structureel uitvoerbaar en betaalbaar blijven voor instellingen?
Kwaliteit van toetsing en toezicht
Onderwijsinnovatie is alleen houdbaar als de kwaliteit van toetsing en diplomering goed geborgd blijven, aldus deze leden. Met modulaire routes, leeruitkomsten en AI-toepassingen neemt de complexiteit van die borging toe. Kan de regering toelichten of de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO), de Onderwijsinspectie en instellingen zelf binnen deze begroting over voldoende capaciteit beschikken om die kwaliteit te bewaken? En waarop baseert de regering dat oordeel?
Kansengelijkheid
De bezuinigingen raken onder meer programma's gericht op kansengelijkheid, waaronder de gemeentelijke onderwijsachterstandsregelingen en het programma School en Omgeving. Welke concrete maatregelen treft de regering om te voorkomen dat kwetsbare leerlingen in 2026 onevenredig hard worden getroffen? Beschouwt de regering een vol jaar additionele achterstand in kansengelijkheid als aanvaardbaar in het licht van de beleidsomslag die is aangekondigd voor 2027?
Demografische krimp en stelselverantwoordelijkheid
De komende jaren krijgen hogescholen en universiteiten te maken met lagere instroom door demografische krimp.31 Hoe voorkomt de regering dat deze krimp in combinatie met budgetdruk leidt tot verschraling van het opleidingsaanbod, juist in regio's waar toegankelijkheid en arbeidsmarktrelevantie al kwetsbaar zijn? Welke stelselverantwoordelijkheid neemt de regering hier zelf?
Hoger onderwijs en wetenschap
De structurele bezuiniging van 215 miljoen euro per jaar op sectorplannen en startersbeurzen voor het wetenschappelijk onderwijs is per 2026 ingegaan.32 Wetenschappelijk talent dat nu vertrekt of geen aanstelling krijgt, is niet eenvoudig terug te winnen. Welke maatregelen neemt de regering om braindrain en verlies van onderzoekscapaciteit in 2026 te beperken? Is de regering bereid in kaart te brengen hoeveel wetenschappelijke posities in dit begrotingsjaar verloren gaan?
Leraren en arbeidsmarkt
Het lerarentekort is nog altijd een acuut knelpunt. Hoe verhoudt de overname van de bezuinigingen van het kabinet-Schoof zich tot de ambitie van de huidige regering om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken en het tekort terug te dringen? Welke effecten verwacht de regering op de instroom van lerarenopleidingen en het behoud van zittende leraren als gevolg van de bezuinigingen in 2026? Welke concrete gevolgen ziet de regering voor zijinstroom en hybride docentschap, terwijl juist daar de vraag groot is, maar financiering, routes en uitvoerbaarheid in de praktijk nog vaak belemmerend werken?
Digitale soevereiniteit
Onderwijsinstellingen zijn voor hun primaire processen sterk afhankelijk van enkele grote, vaak niet-Europese technologieaanbieders. Tegelijk groeit de wens om publieke waarden, regie op data en digitale autonomie beter te borgen.33 Hoe ondersteunt de regering instellingen bij de overstap naar meer digitaal soevereine alternatieven? Zijn daarvoor binnen deze begroting middelen, coördinatie of gezamenlijke aanbestedingskracht beschikbaar? En hoe voorkomt de regering dat instellingen deze transitie wel moeten maken, maar zonder voldoende implementatieondersteuning?
Jojobeleid
Onderwijsinstellingen, gemeenten en wetenschappelijke instellingen worden geconfronteerd met het zogenaamde jojobeleid: bezuinigingen in 2026 worden gevolgd door beloften van intensiveringen in 2027. Dit leidt tot organisatorische onzekerheid, personeelsonrust en reputatieschade, aldus deze leden. Welke concrete maatregelen treft de regering om de schade van deze beleidsinconsistentie voor instellingen en hun medewerkers te beperken?
Tijdelijkheid versus structurele opgaven
De opgaven waar het hoger onderwijs voor staat zijn structureel van aard: flexibilisering, technologische verandering, professionalisering, krimp en digitale onafhankelijkheid. Waarom kiest de regering er dan voor een begroting vast te stellen die instellingen vooral dwingt tot korte-termijnbeheersing, in plaats van hen in staat te stellen deze structurele transities goed uit te voeren?
Cultuur en media
De begroting bevat eveneens bezuinigingen op cultuur en media. Kan de regering een overzicht geven van welke culturele instellingen en publieke media-instellingen in 2026 directe budgetkortingen ontvangen? Op welke wijze wordt geborgd dat de pluriformiteit van het culturele aanbod in dit transitiejaar niet structureel wordt aangetast?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Fractie-Visseren-Hamakers
Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers vraagt welke bezuinigingen ten opzichte van de voorgaande vier jaren zijn doorgevoerd voor het jaar 2026 met betrekking tot het hoger onderwijs en de cultuursector. Daarnaast verzoekt het lid om een overzicht van de uitgaven voor hoger onderwijs en de cultuursector over de periode 2022–2026. Tot slot vraagt het lid naar de concrete gevolgen van deze bezuinigingen voor zowel het hoger onderwijs als de cultuursector.
De leden van de vaste commissie voor Onderwijs Cultuur en Wetenschap zien de nota naar aanleiding van het verslag – bij voorkeur uiterlijk 26 mei 2026 – met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Rietkerk
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Graag
Samenstelling:
Van Apeldoorn (SP), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Jaspers (BBB), Karaaslan-Kilic (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Van Knapen (BBB), Lagas (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Rietkerk (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030 D66, VVD en CDA, p. 47.
De Algemene Rekenkamer, 2021, «Zicht op rijksbezit; De gewoonste zaak van de wereld?», p. 84–88.
Centraal Bureau voor de Statistiek, «Meer hoogopgeleiden en beroepsniveau steeg mee», 18 oktober 2022, zie https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/42/meer-hoogopgeleiden-en-beroepsniveau-steeg-mee.
Nuffic is de Nederlandse organisatie voor internationalisering in onderwijs, van basisschool tot universiteit.
NOS nieuws, «Kabinet: inclusieve taalgids ministerie «betuttelend» en «overbodig», 7 april 2026, zie https://nos.nl/artikel/2609496-kabinet-inclusieve-taalgids-ministerie-betuttelend-en-overbodig.
NOS nieuws, «Australische wereldprimeur: verbod op sociale media voor kinderen tot 16», 28 november 2024, zie Australische wereldprimeur: verbod op sociale media voor kinderen tot 16.
Van Dijck & Meijer, «Towards a collective digital autonomy for Dutch universities», Universiteit Utrecht, zie: https://www.uu.nl/sites/default/files/IOS%20Think%20Paper%207%20EN.pdf.
Samenstelling:
Van Apeldoorn (SP), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Jaspers (BBB), Karaaslan-Kilic (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Van Knapen (BBB), Lagas (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Rietkerk (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030 D66, VVD en CDA, p. 47.
De Algemene Rekenkamer, 2021, «Zicht op rijksbezit; De gewoonste zaak van de wereld?», p. 84–88.
Centraal Bureau voor de Statistiek, «Meer hoogopgeleiden en beroepsniveau steeg mee», 18 oktober 2022, zie https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/42/meer-hoogopgeleiden-en-beroepsniveau-steeg-mee.
Nuffic is de Nederlandse organisatie voor internationalisering in onderwijs, van basisschool tot universiteit.
NOS nieuws, «Kabinet: inclusieve taalgids ministerie «betuttelend» en «overbodig», 7 april 2026, zie https://nos.nl/artikel/2609496-kabinet-inclusieve-taalgids-ministerie-betuttelend-en-overbodig.
NOS nieuws, «Australische wereldprimeur: verbod op sociale media voor kinderen tot 16», 28 november 2024, zie Australische wereldprimeur: verbod op sociale media voor kinderen tot 16.
Van Dijck & Meijer, «Towards a collective digital autonomy for Dutch universities», Universiteit Utrecht, zie: https://www.uu.nl/sites/default/files/IOS%20Think%20Paper%207%20EN.pdf.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36800-VIII-D.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.