Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 december 2025
Op 16 oktober 2025 is aangifte gedaan tegen de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap, de heer Moes. De aangever stelt – kort gezegd – dat de Minister in het
openbaar oneigenlijke druk heeft uitgevoerd op de Radboud Universiteit om aangifte
te doen tegen hem. De Minister zou zich daarmee schuldig hebben gemaakt aan het ambtsmisdrijf
als bedoeld in artikel 365 van het Wetboek van Strafrecht (misbruik van gezag).
Artikel 119 van de Grondwet bepaalt dat de leden van de Staten-Generaal, de Ministers
en de Staatssecretarissen wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook
na hun aftreden, terecht staan voor de Hoge Raad en dat de opdracht tot vervolging
wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer. Het Protocol
inzake de behandeling van aangiften tegen leden van de Staten-Generaal, Ministers
en Staatssecretarissen (hierna: het Protocol Ambtsmisdrijven) geeft binnen de kaders
van artikel 119 Grondwet en de Wet ministeriële verantwoordelijkheid, richtlijnen
voor de omgang met aangiften tegen leden van de Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen.
Conform dit Protocol Ambtsmisdrijven heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad
de aangifte in ontvangst genomen en is hij een oriënterend onderzoek gestart. Dit
oriënterend onderzoek heeft zich gericht op de vraag of er aanknopingspunten zijn
voor het starten van een opsporingsonderzoek naar de in de aangifte gestelde feiten.
Het resultaat van het oriënterend onderzoek heeft de procureur-generaal bij de Hoge
Raad op 11 december 2025 met mij gedeeld en toegelicht.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd dat uit het oriënterend
onderzoek geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen waaruit een verdenking
van enig ambtsdelict kan voortvloeien. Het onderzoek heeft geen aanknopingspunten
opgeleverd voor een strafrechtelijk onderzoek naar de aangifte. Voor zijn toelichting
verwijs ik u naar de pagina «publicaties» op de website van de Hoge Raad: www.hogeraad.nl/over-ons/publicaties.
Eveneens op basis van het Protocol Ambtsmisdrijven is het vervolgens aan mij als Minister
van Justitie en Veiligheid om te beslissen of het instellen van een opsporingsonderzoek
geïndiceerd is. Op basis van de bevindingen van de procureur-generaal bij de Hoge
Raad, meen ik dat dit niet het geval is en beslis ik overeenkomstig. Dit betekent
dat er ook geen strafvervolging van de Minister komt naar aanleiding van deze aangifte.
Ik heb de procureur-generaal bij de Hoge Raad van mijn beslissing op de hoogte gesteld.
Voor de volledigheid wijs ik erop dat de bevindingen van de procureur-generaal bij
de Hoge Raad en mijn daaruit voortvloeiende beslissing om geen opsporingsonderzoek
te starten, niet in de weg staan aan een opdracht tot vervolging bij een besluit van
de Tweede Kamer.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. van Oosten