36 800 V Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2026

F VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 28 augustus 2026

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • • De uitgaande brief van 19 juni 2026.

  • • De antwoordbrief van 13 augustus 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Minister van Buitenlandse Zaken

Den Haag, 19 juni 2026

De leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) hebben met belangstelling kennisgenomen van uw Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 20262 van 24 april 2026, die u gezamenlijk met de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking naar de Kamer heeft gestuurd. De leden van de fracties van de BBB en SGP hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen. De leden van de fracties van JA21, Fractie-Beukering en Fractie-Walenkamp sluiten zich graag aan bij de vragen van beide fracties.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

  • 1. De beleidsbrief verwoordt uit hoofde van het opschrift bij paragraaf 1 een optimistisch en realistisch buitenlands beleid. De leden van de BBB-fractie stellen hierbij u de vraag hoe een realistisch buitenlands beleid optimistisch kan zijn. Enige scepsis of zelf enig pessimisme getuigt naar hun opvatting, gelet op de algehele toestand in de wereld, van een meer reële visie op dat beleid. Deze leden verzoeken u om een reflectie.

  • 2. Onderaan pagina 1 meldt u dat tegen de achtergrond van de veranderende positie van de VS we eenzijdige afhankelijkheid verminderen (naar de leden aannemen: van de VS), bijvoorbeeld op het gebied van defensie, software en kritieke grondstoffen. Kunt u verduidelijken welke maatregelen u in het bijzonder wil treffen om de afhankelijkheid van de VS op het gebied van defensie te verminderen, en hoe realistisch dat voornemen tot vermindering is?

  • 3. Op pagina 2 schrijft u over «een wereld waarin een grootmacht als China assertiever wordt». China is het afgelopen decennium al duidelijk assertiever geworden. Of het een grootmacht blijft, wordt door sommigen betwijfeld, ook omdat China zijn economische groei hoger en bevolkingsomvang groter zou hebben voorgesteld dan deze feitelijk zijn. Bent u van oordeel dat deze door de Chinese regering gepubliceerde cijfers en trends juist zijn? Of zijn ze feitelijk lager? Wat zijn de werkelijke economische groei en bevolkingsomvang van China volgens u en de Nederlandse inlichtingendiensten?

  • 4. Op pagina 2 schrijft u over het verbreden en verdiepen van «partnerschappen en allianties, ook met nieuwe partners». Zijn er ook landen waarmee u of internationale organisaties minder samenwerking of contact wilt? Zo ja: welke en waarom? Zo niet: waarom niet?

  • 5. Op dezelfde pagina wordt geschreven over de verdediging van het Caribisch deel van het Koninkrijk. Heeft u na de spanningen rond Venezuela, Cuba, maar ook na de druk van de Amerikaanse regering op Denemarken over Groenland, geëvalueerd of niet meer moet worden gedaan? Moet de aanwezigheid van de Nederlandse marine en luchtmacht niet worden uitgebreid? Moeten de Antilliaanse milities worden uitgebreid?

  • 6. Op pagina 3 schrijft u te willen «bouwen aan een Europese pijler binnen de NAVO». Wilt u zich inzetten voor toetreding van Ierland, Malta en Oostenrijk, wellicht zelfs ook Zwitserland, tot de NAVO?

  • 7. Welke voordelen ziet u voor het opnemen van overzeese gebiedsdelen van Europese NAVO-landen in de NAVO, zoals die in de Caraïben, het zuiden en noorden van de Atlantische Oceaan of het arctisch gebied? En welke nadelen? Voor opname in het NAVO-gebied van welke gebiedsdelen zou u zich willen inspannen?

  • 8. Op pagina 3 schrijft u «in te gaan op het Franse aanbod voor een strategische dialoog over Europese nucleaire en conventionele afschrikking». Wat is hieromtrent het standpunt van de regering? Bent u met de leden van de BBB-fractie van mening dat onzeker is of Frankijk haar kernwapens zal willen inzetten voor de veiligheid van Nederland, en dat de Franse kernwapens überhaupt onvoldoende nucleaire afschrikking tegen een aanval op Europa opleveren?

  • 9. In meerdere EU-lidstaten schijnt nu te worden gesproken over de ontwikkeling van een eigen kernwapen. Van welke andere EU-lidstaten weet u dat zij de ontwikkeling van een nationale nucleaire capaciteit overwegen? Onder welke omstandigheden en voorwaarden wil de regering een eigen Nederlandse nucleaire capaciteit overwegen?

  • 10. Op pagina 3 geeft u verder aan dat «het doorbreken van nationale industriële belangen essentieel» is. Wat zijn op dit vlak de voornemens van de regering voor de Nederlandse industrie?

  • 11. Ook geeft u aan de Russische «schaduwvloot» te willen aanpakken. Wil de regering zich anderzijds inzetten om de voor de Nederlandse (economische en voedsel-)veiligheid belangrijke Nederlandse koopvaardijvloot, onder zeggenschap van de regering over die vloot in gevaarlijke tijden, uit te breiden tot een vloot die een bijdrage als in de Koude Oorlog en Tweede Wereldoorlog kan leveren?

  • 12. Op pagina 4 noemt u de bevordering van voedselveiligheid. Wat wil de regering concreet doen om Nederland minder afhankelijk te maken van voedselimport en de import van middelen die Nederland nodig heeft voor voedselproductie? Welke scenario’s voorziet de regering waarin Nederland de export van voedsel moet beperken?

  • 13. Wanneer wilt u, naast de onderaan pagina 4 genoemde groepen, ook opkomen voor mannen, ouderen, hetero’s, joden en christenen?

  • 14. Waar denkt u bovenaan pagina 5 precies aan bij «modernisering van het internationale vluchtelingenrecht»? Om welke verdragen gaat het hierbij wel? Welke relevante verdragen wilt u uit overtuiging niet «moderniseren»? Over de wens tot «modernisering» van welke verdragen heeft u nog geen standpunt? Welke verdragen zijn wel bekend, maar nog niet in beschouwing genomen? Graag ontvangen de leden van de BBB-fractie een overzicht van de verdragen in deze vier categorieën.

  • 15. Op pagina 5 gaat u in op de «intensivering in het postennet». In welke landen wilt u posten uitbreiden om ongewenste migratie naar Nederland tegen te gaan? In welke landen wilt u de post(en) voor datzelfde doel juist in omvang beperken of zelfs opheffen? Welke andere activiteiten dan beleidsactiviteiten kunnen posten verminderen dan wel uitbreiden, om migratie naar Nederland of Europa te verminderen? Welke consulaire activiteiten en aanwezigheid wakkeren migratie naar Nederland aan? Heeft u hier studie(s) naar laten verrichten?

  • 16. Op pagina 5 stelt u dat er een einde moet komen aan het geweld tegen burgers in Gaza en het belemmeren van noodhulp. Bent u met deze leden ook van mening dat dat er een einde moet komen aan het terreurregime van Hamas in Gaza en het geweld van Hamas tegen de burgers aldaar, en dat het belemmeren van noodhulp door gewapende diefstal door Hamas-leden van die noodhulp moet stoppen, en zo ja, wat wilt u daartegen doen?

  • 17. Bovenaan pagina 6 noemt u een aantal landen op waarmee u de diplomatieke banden wil intensiveren. Ziet u ook de wenselijkheid om met een aantal Nederland omringende «deelstaten» de banden te intensiveren, zoals Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Schotland?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie kunnen zich in grote lijnen vinden in de richting van het voorgenomen beleid. Tegelijk hebben zij enkele vragen over hoe het buitenlandse beleid integraal wordt benaderd en hoe de afweging wordt gemaakt om de prioriteit te leggen bij nationale veiligheid, economische welvaart of de bescherming van mensenrechten.

Uit een onderzoek van het Tony Blair-instituut blijkt dat het Westerse Buitenlandbeleid actief bijdraagt aan de financiering van het Islamitisch extremisme van het Iraanse regime door handelsakkoorden te sluiten ondanks de wetenschap van ernstige mensenrechtenschendingen en ondanks de kennis dat Iran actief militante groeperingen financiert.3 Als gevolg worden voor tientallen miljarden contracten afgesloten met het Iraanse regime, zoals blijkt uit een onderzoek van Reuters.4 Een ander onderzoek toont aan dat vele miljarden van deze deals rechtstreeks naar de financiering van Iraanse militaire operaties in Syrië gingen, die de vluchtelingenstroom verder intensiveerden.5 Het valt deze leden verder op dat, terwijl in Iran in 2022 de vrouwenrechtenprotesten met harde hand werden neergeslagen, waarbij honderden mensen, waaronder tientallen kinderen, om het leven kwamen, in 2023 en 2024 werd opgeroepen om intensiever te investeren in Iran.

  • 1. Bent u op de hoogte van deze publicaties?

  • 2. Hoe reflecteert u hierop?

  • 3. Welke stappen onderneemt de regering om te voorkomen dat het buitenlandse handelsbeleid een financiële impuls geeft aan terrorisme of mensenrechtenschendingen?

Deze leden constateren dat de verscheidene ministeries andere Nederlandse belangen nastreven, dat dit zelfs binnen ministeries plaatsvindt, en dat het in de afstemming daarover niet altijd goed gaat.

  • 4. Hoe vindt de afstemming tussen ministeries omtrent het buitenlandse beleid plaats?

  • 5. Welke ruimte hebben bijvoorbeeld het Ministerie van Defensie of van Asiel en Migratie om hun belangen te verwerken in het buitenlandse handelsbeleid?

  • 6. Op welke wijze weegt het Ministerie van Buitenlandse Zaken de belangen tussen buitenlandse handel en het buitenlandse mensenrechtenbeleid?

  • 7. Heeft u inzicht in hoeveel Nederlands geld terechtkomt bij regimes die mensenrechten schenden of actief terrorisme financieren?

  • 8. Op welke wijze zet de regering zich in Europees verband in om discrepanties tussen het handelsbeleid en het vredes- en mensenrechtenbeleid te voorkomen dan wel op te lossen?

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, K. Petersen

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 augustus 2026

Hierbij bieden wij u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door de leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) inzake de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026. Deze vragen werden ingezonden op 19 juni 2026 met kenmerk 181521.

De Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen

De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.W. Sjoerdsma

Antwoorden van de Minister van Buitenlandse Zaken en Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op de schriftelijke vragen gesteld door de leden de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) over de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026

Vragen van de BBB-fractie

Vraag 1

Hoe kan een realistisch buitenlands beleid optimistisch zijn? Kunt u hierop reflecteren, gelet op de algehele toestand in de wereld?

Antwoord

De regering kwalificeert het buitenlandbeleid als realistisch omdat het de huidige serieuze risico’s en dreigingen, waaronder de Russische agressieoorlog en de druk op de internationale rechtsorde, onderkent. Het optimisme vloeit voort uit de overtuiging dat Nederland, als 18e economie ter wereld en kernlid van EU en NAVO, samen met partners over middelen beschikt om onze veiligheid, welvaart en vrijheden te helpen beschermen. Dit vergt zoals in de beleidsbrief wordt vermeld, een consistente inzet van diplomatie, defensie, handel en ontwikkelingssamenwerking en versterkte Europese samenwerking.

Vraag 2

Kunt u verduidelijken welke maatregelen u in het bijzonder wilt treffen om de afhankelijkheid van de VS op het gebied van defensie te verminderen, en hoe realistisch dat voornemen tot vermindering is?

Antwoord

De NAVO is de hoeksteen van het Nederlandse en Europese veiligheidsbeleid. Voor de versterking van het bondgenootschap zijn tijdens de top in Den Haag afspraken gemaakt de defensie-uitgaven substantieel te verhogen en deze lijn is in Ankara afgelopen week bevestigd en verder uitgewerkt, bijvoorbeeld middels meerdere coproductie initiatieven. Het gaat hierbij niet om het verminderen van onderlinge afhankelijkheid tussen bondgenoten, maar om het nemen van meer eigen verantwoordelijkheid binnen het bondgenootschap, zodat de NAVO als geheel sterker en veerkrachtiger wordt. Het kabinet zet zich in voor een burden shift waarbij Europa een grotere rol neemt binnen de NAVO. Een sterker Europa in de NAVO is in het belang van alle 32 bondgenoten, inclusief de VS. Deze verschuiving van defensieverantwoordelijkheden vindt plaats binnen NAVO-mechanismen. Een bij uitstek hiervoor geschikt mechanisme is het NAVO-defensieplanningsproces, waarmee capaciteitsdoelstellingen aan landen worden gegeven.

Grotere verantwoordelijkheid gaat gepaard met een sterkere industriële basis. Het Ministerie van Defensie heeft deze aanpak vervat in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–2029. Er worden langs drie hoofdlijnen belangrijke maatregelen getroffen:

  • 1. Versterken van de Nederlandse defensie-industriële basis: Nederland wil de productiecapaciteit, leveringszekerheid en strategische autonomie van de defensie-industrie vergroten, zodat Defensie in tijden van crisis en conflict sneller kan beschikken over materieel, munitie en ondersteuning.

  • 2. Gericht investeren in Nederlandse kennis- en technologiegebieden: het kabinet concentreert investeringen en innovatie-inspanningen op vijf technologische gebieden, te weten slimme materialen, sensoren, kwantumtechnologie, ruimtetechnologie en intelligente systemen (AI en autonomie).

  • 3. Opschalen van innovatie naar operationele capaciteit: om innovaties sneller van onderzoek naar inzet te brengen wordt nauw samengewerkt tussen Defensie, kennisinstellingen, startups, mkb en grote bedrijven, en worden innovatie- en aanbestedingsprocessen versneld.

Door deze maatregelen maakt Nederland, samen met andere Europese bondgenoten, Europa sterker en minder afhankelijk van anderen.

Vraag 3

Bent u van oordeel dat de door de Chinese regering gepubliceerde cijfers en trends over economische groei en bevolkingsomvang juist zijn? Of zijn ze feitelijk lager? Wat zijn volgens u en de Nederlandse inlichtingendiensten de werkelijke economische groei en bevolkingsomvang van China?

Antwoord

Uit Chinese cijfers blijkt dat China kampt met afvlakkende economische groei (5% in de afgelopen jaren) en een krimpende bevolking. Het kabinet heeft geen reden om aan deze trends te twijfelen. Internationale organisaties als de VN, Wereldbank en IMF gebruiken voor hun rapportages ook de nationale Chinese statistieken. Ook in het geval dat de officiële Chinese data niet (volledig) kloppend zou zijn, is en blijft China een economische en demografische grootmacht.

Vraag 4

Zijn er ook landen waarmee u of internationale organisaties minder samenwerking of contact wilt? Zo ja, welke en waarom? Zo niet, waarom niet?

Antwoord

Het kabinet wil partnerschappen en allianties verder verbreden en verdiepen op basis van wederzijdse belangen. Daarbij wordt het specifieke belang voor Nederland, bijvoorbeeld vanwege veiligheid, bescherming van onze vrije manier van leven, economische samenwerking, toeleveringsketens of migratie meegewogen. Tegelijkertijd zijn we realistisch over de veranderende wereld en de keuzes die Nederland daarin zal moeten maken, in de wetenschap dat niet alle partners met wie we samenwerken al onze waarden delen. Het kabinet beoordeelt de mate van samenwerking dus per land, in samenhang met internationale verplichtingen en onze eigen belangen, en blijft ook spreken met vertegenwoordigers van landen waarmee de bilaterale samenwerking beperkt of kritisch is.

Vraag 5

Heeft u na de spanningen rond Venezuela, Cuba, maar ook na de druk van de Amerikaanse regering op Denemarken over Groenland, geëvalueerd of niet meer moet worden gedaan voor de verdediging van het Caribisch deel van het Koninkrijk? Moet de aanwezigheid van de Nederlandse marine en luchtmacht niet worden uitgebreid? Moeten de Antilliaanse milities worden uitgebreid?

Antwoord

De Nederlandse Krijgsmacht wordt in het licht van de verslechterde veiligheidssituatie in de wereld al verder versterkt. Een deel van de investeringen komt ook de activiteiten van Defensie in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten goede, zoals de vernieuwing van de marinevloot.

Ook investeert Defensie specifiek in de Krijgsmacht in het Caribisch deel van het Koninkrijk, door onder andere een luchtwaarschuwingsradar en counter-UAS (Unmanned Aerial Systems) middelen. Defensie investeert op dit moment kwalitatief in de Caribische militairen (CARMIL) door hen verder te professionaliseren, zodat zij te allen tijde volledig paraat kunnen staan voor inzet en bijstand. Om dit te bereiken worden de beveiligings- en bewakingstaken van de CARMIL overgedragen aan het Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO).

Met de recent gepresenteerde Defensienota spreekt Defensie de ambitie uit om verder te investeren in het Caribisch gebied, voorbeeld hiervan is een permanente Marinierseenheid in het Caribisch deel van het Koninkrijk.

Vraag 6

Wilt u zich inzetten voor toetreding van Ierland, Malta en Oostenrijk, wellicht zelfs ook Zwitserland, tot de NAVO?

Antwoord

Het is aan deze landen zelf om te bepalen of zij lid willen worden van de NAVO. De NAVO heeft een open-deurbeleid, verankerd in artikel 10 van het Noord-Atlantisch verdrag, dat stelt dat elk Europees land dat de democratische waarden deelt en bijdraagt aan de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied, kan toetreden tot de alliantie. Wanneer landen besluiten toe te willen treden – hetgeen voor deze landen momenteel (nog) niet aan de orde is – dan doorlopen zij een formeel toetredingsproces waarin wordt beoordeeld of zij aan de voorwaarden en verplichtingen voldoen.

Vraag 7

Welke voordelen ziet u voor het opnemen van overzeese gebiedsdelen van Europese NAVO-landen in het NAVO-verdragsgebied, zoals die in de Caraïben, het zuiden en noorden van de Atlantische Oceaan of het Arctisch gebied? En welke nadelen? Voor opname van welke gebiedsdelen in het NAVO-gebied zou u zich willen inspannen?

Antwoord

Het NAVO Verdrag beschrijft de werkingssfeer in het geval van een gewapende aanval in het kader van artikel 5 en beperkt dat tot het grondgebied van de bondgenoten in Europa of Noord-Amerika of de eilanden onder de rechtsmacht van een van de verdragspartijen ten noorden van de Kreeftskeerkring. Voor uitbreiding van het NAVO-verdragsgebied naar gebieden daarbuiten zou een verdragswijziging noodzakelijk zijn. Het kabinet is daar op dit moment geen voorstander van, omdat de politieke en militaire prioriteit van de NAVO dient te liggen bij de collectieve verdediging van het genoemde grondgebied, en ziet ook geen draagvlak binnen de NAVO voor de genoemde uitbreiding.

Vraag 8

Wat is het standpunt van de regering over het ingaan op het Franse aanbod voor een strategische dialoog over Europese nucleaire en conventionele afschrikking? Bent u met de leden van de BBB-fractie van mening dat onzeker is of Frankrijk haar kernwapens zal willen inzetten voor de veiligheid van Nederland, en dat de Franse kernwapens überhaupt onvoldoende nucleaire afschrikking tegen een aanval op Europa opleveren?

Antwoord

Zoals toegelicht in de Internationale Veiligheidsstrategie (Kamerstuk 33694–72) en de Kamerbrief die op 2 maart jl. werd verstuurd aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 33279–40), heeft Europa te maken met fundamentele veiligheidsuitdagingen door geopolitieke dreigingen, internationale verschuivingen en technologische ontwikkelingen. De Russische agressieoorlog tegen Oekraïne heeft de veiligheidssituatie in Europa fundamenteel verslechterd. Dit vraagt om meer verantwoordelijkheid voor de eigen Europese veiligheid. De Europese bijdrage aan conventionele en nucleaire afschrikking maakt daar onderdeel van uit. In lijn met het coalitieakkoord is Nederland ingegaan op het Franse aanbod voor deze strategische dialoog. Het biedt Nederland de kans om invulling te geven aan het versterken van de Europese dimensie van afschrikking met NAVO-bondgenoten.

Het NAVO bondgenootschap is en blijft voor Nederland en Europa de hoeksteen van de Europese veiligheid. Het kabinet benadrukt dat de beoogde samenwerking met Frankrijk een aanvulling op en geen vervanging is van de collectieve verdediging en de nucleaire afschrikkingscapaciteiten van de NAVO. De Amerikaanse nucleaire paraplu via de NAVO blijft het fundament van NAVO’s nucleaire missie en Nederland zal binnen het bondgenootschap de kernwapentaak vanaf vliegbasis Volkel uit blijven voeren. Ook blijft het Britse kernwapenarsenaal verbonden aan de NAVO en is het daarmee onderdeel van geloofwaardige afschrikking.

Het Franse kernwapenarsenaal heeft altijd onafhankelijk van de NAVO geopereerd en kent daarom een unieke, aanvullende waarde in de Europese veiligheidsarchitectuur. Het Franse aanbod versterkt de Europese dimensie van de Franse nucleaire doctrine en komt daarmee de Europese veiligheid ten goede.

Vraag 9

Van welke andere EU-lidstaten weet u dat zij de ontwikkeling van een nationale nucleaire capaciteit overwegen? Onder welke omstandigheden en voorwaarden wil de regering een eigen Nederlandse nucleaire capaciteit overwegen?

Antwoord

Het ontwikkelen van eigenstandige Nederlandse nucleaire capaciteiten is niet aan de orde. Het is niet aan het kabinet om in te gaan op eventuele overwegingen die andere EU-landen hebben op dit terrein. Voor Nederland is en blijft het NAVO bondgenootschap de hoeksteen van de Europese veiligheid. Het kabinet zet zich daarom samen met NAVO bondgenoten in voor het versterken van de collectieve verdediging en afschrikking van het NAVO-grondgebied, middels het versterken van de nucleaire en conventionele afschrikking van de NAVO. Nederland draagt, net als een aantal andere Europese landen, bij aan de nucleaire afschrikking van de NAVO middels een eigen kernwapentaak die het uitvoert met Dual Capable Aircraft (DCA). Complementair aan de inzet binnen NAVO, verdiept Nederland de strategische samenwerking met Frankrijk op het gebied van Europese nucleaire en conventionele afschrikking (zie daarvoor ook het antwoord hierboven en Kamerstuk 33 279–40). Ook een aantal andere Europese landen verdiept deze samenwerking met Frankrijk.

Vraag 10

Wat zijn op het vlak van het doorbreken van nationale industriële belangen de voornemens van de regering voor de Nederlandse industrie? Staat hierover een ambitie in het regeerakkoord die we kunnen overnemen?

Antwoord

Dit valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Uw Kamer is door de Minister van Economische Zaken op 17 oktober 2025 per brief geïnformeerd over het Nederlandse industriebeleid met focus. In deze brief wordt ingegaan op de gerichte aanpak binnen het industriebeleid en in generiekere zin de voornemens van de regering voor de Nederlandse industrie. Er wordt op basis van technologie- en marktanalyses vol door het kabinet ingezet op een beperkt aantal markten waarop nu al tractie is en waarvan blijkt dat die sterk bijdragen aan het Nederlandse verdienvermogen, onze economische veiligheid en maatschappelijke missies. De focus ligt op zes markten: halfgeleiders, aan de DSII (Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie) gerelateerde groeimarkten, biotechnologie, digitale diensten (met name AI), machinebouw en innovatieve chemie. Waar mogelijk zet het kabinet hierbij in op Europese samenwerking, bijvoorbeeld via deelname aan EU partnerschappen en IPCEI’s (Important Project of Common European Interest).

Vraag 11

Wil de regering zich inzetten om de voor de Nederlandse (economische en voedsel-) veiligheid belangrijke Nederlandse koopvaardijvloot, onder zeggenschap van de regering over die vloot in gevaarlijke tijden, uit te breiden tot een vloot die een bijdrage als in de Koude Oorlog en Tweede Wereldoorlog kan leveren?

Antwoord

Het kabinet is zich bewust van de historische rol van Nederlandse en geallieerde koopvaardijvloten in tijden van oorlog en spanning, zoals in de Tweede Wereldoorlog en tijdens de Koude Oorlog. Tegelijkertijd zijn de veiligheids- en handelspatronen en de eigendoms- en vlagstructuren in de wereldwijde scheepvaart ingrijpend veranderd. In lijn met onze inzet op het versterken van de Europese veiligheidsarchitectuur en het afbouwen van risicovolle strategische afhankelijkheden, acht het kabinet het van belang dat Nederland – samen met Europese partners – kan beschikken over voldoende maritieme capaciteit om in crisissituaties de aanvoer van essentiële goederen, waaronder voedsel en kritieke grondstoffen, te borgen. In EU- en NAVO-verband zal Nederland blijven pleiten voor het beschermen van vrije en veilige zeeroutes, het voorkomen van ontwrichting van logistieke corridors en het versterken van de gezamenlijke weerbaarheid tegen hybride dreigingen op zee.

Vraag 12

Wat wil de regering concreet doen om Nederland minder afhankelijk te maken van voedselimport en de import van middelen die Nederland nodig heeft voor voedselproductie? Welke scenario’s voorziet de regering waarin Nederland de export van voedsel moet beperken?

Antwoord

Internationale handel op het gebied van agrofood biedt veel voordelen. Juist de combinatie van diverse binnenlandse voedselketens en import brengt veerkracht. Deze combinatie spreidt risico’s en draagt bij aan efficiëntie en voedselzekerheid via een betaalbaar, divers, stabiel en voedzaam voedselaanbod. De kabinetsinzet richt zich daarom enkel op het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden. Om Nederland minder kwetsbaar te maken zet de regering bijvoorbeeld in op het identificeren en monitoren van dergelijke afhankelijkheden, het diversifiëren van handelsstromen, het versterken van Europese en nationale productiecapaciteit voor strategische inputs (zoals circulaire meststoffen en alternatieven voor schadelijke gewasbeschermingsmiddelen) en innovatie in landbouwtechnologie en veredeling. De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een Strategische Agenda Voedselzekerheid aangekondigd. Deze wordt in de zomer van 2027 door het kabinet opgeleverd en zal aandacht hebben voor dit vraagstuk.

Het beperken van voedselexport is dus geen doel op zich, dit zou alleen in zeer uitzonderlijke crisissituaties aan de orde kunnen zijn. Verder is er een crisisinstrumentarium beschikbaar op zowel Europees als op nationaal niveau. Zo is het beperken van export en import, zelfs tijdens een crisis, niet mogelijk binnen de EU. Voor de uitvoer vanuit de Europese Unie naar derde landen is het uitgangspunt dat deze niet beperkt mag worden. Uitzonderingen zijn mogelijk tijdens een crisis, maar dit moet mogelijk zijn vanuit de internationale handelsregelingen onder de vlag van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).

Vraag 13

Wanneer wilt u, naast de onderaan pagina 4 genoemde groepen, ook opkomen voor mannen, ouderen, hetero’s, joden en christenen?

Antwoord

In de kabinetsinzet op mensenrechten staat de universaliteit van de mensenrechten centraal: zij gelden voor ieder mens, zonder onderscheid naar onder meer geslacht, leeftijd, seksuele gerichtheid, genderidentiteit, religie of levensovertuiging, of enige andere status. Het kabinet zet zich daarom in voor de bescherming en bevordering van de mensenrechten van iedereen.

De op pagina 4 van de beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 genoemde groepen (vrouwen en minderheden, jongeren en LHBTIQ+-personen) zijn voorbeelden van groepen die in bepaalde contexten aantoonbaar vaker te maken hebben met discriminatie, uitsluiting, geweld of andere mensenrechtenschendingen en daarom in het beleid extra aandacht kunnen vragen. Dat betekent niet dat andere groepen buiten beeld blijven. De inzet van het kabinet wordt steeds bepaald door de aard en ernst van de mensenrechtensituatie, vanuit het uitgangspunt dat mensenrechten universeel zijn en voor iedereen gelden.

Vraag 14

Waar denkt u bovenaan pagina 5 precies aan bij «modernisering van het internationale vluchtelingenrecht»? Om welke verdragen gaat het hierbij wel? Welke relevante verdragen wilt u uit overtuiging niet «moderniseren»? Over de wens tot «modernisering» van welke verdragen heeft u nog geen standpunt? Welke verdragen zijn wel bekend, maar nog niet in beschouwing genomen? Graag ontvangen de leden van de BBB-fractie een overzicht van de verdragen in deze vier categorieën.

Antwoord

Het kabinet streeft, zoals in het Coalitieakkoord aangegeven, naar een nieuw modern, streng en menswaardig migratiemodel, met als doel dat asielaanvragen uiteindelijk buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld. Innovatieve oplossingen, zoals terugkeerhubs en veilige derde landen zijn een stap in deze richting. In samenwerking en in overleg met onze Europese en internationale partners, zoekt Nederland naar draagvlak voor de modernisering van het internationaal vluchtelingenrecht, onder meer maar niet uitsluitend door de toepassing ervan aan te scherpen. Relevante verdragen in deze context zijn het Vluchtelingenverdrag, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, het Verdrag tegen Foltering en Andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Hoe de modernisering per verdrag in de praktijk zou kunnen worden vormgegeven, vormt onderdeel van het hierboven genoemde overleg. Hiertoe neemt het kabinet de leiding, middels het nemen van diplomatieke initiatieven, zowel op Europees vlak als vanuit brede partnerschappen, en de organisatie van een asieltop. Daarbij moet draagvlak behouden en vergroot worden bij landen in de regio van de herkomstlanden, waar nu al het merendeel van de vluchtelingen wordt opgevangen.

Vraag 15

In welke landen wilt u posten uitbreiden om ongewenste migratie naar Nederland tegen te gaan? In welke landen wilt u de post(en) voor datzelfde doel juist in omvang beperken of zelfs opheffen? Welke andere activiteiten dan beleidsactiviteiten kunnen posten verminderen dan wel uitbreiden om migratie naar Nederland of Europa te verminderen? Welke consulaire activiteiten en aanwezigheid wakkeren migratie naar Nederland aan? Heeft u hier studie(s) naar laten verrichten?

Antwoord

In de beleidsbrief Buitenlandse Zaken van 24 april 2026 is aangekondigd dat de nadere uitwerking van de invulling van de intensivering in het postennet, inclusief eventuele te openen en nog te sluiten posten, alsmede de invulling van de taakstellingen, in de ontwerpbegroting 2027 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken volgt die met Prinsjesdag gepresenteerd wordt. Bij de invulling wordt rekening gehouden met de ambities uit het coalitieakkoord en specifiek opgenomen in eerdergenoemde beleidsbrief. Migratie is hiervan belangrijk onderdeel in relatie tot veiligheid en stabiliteit in de wereld, modernisering van internationaal vluchtelingenrecht, samenwerking in Europees verband en verbreding en versterking van bilaterale partnerschappen. Teneinde de Nederlandse doelstellingen op het internationale migratiedomein te bereiken is samenwerking met betrokken landen essentieel. Diplomatie en verdere beleidsactiviteiten door posten vormen hierbij een belangrijk onderdeel. Het kabinet ziet geen aanwijzingen dat de consulaire aanwezigheid of de consulaire dienstverlening een aanzuigende werking hebben op migratie naar Nederland. Consulaire activiteiten zijn in de regel gericht op belangenbehartiging van Nederlanders. Visumverlening is er juist op gericht om het personenverkeer zodanig te reguleren dat zakelijke belangen worden gefaciliteerd en dat personen worden geweerd die een risico vormen voor de openbare orde (inclusief illegale immigratie) of binnenlandse veiligheid. Er zijn geen specifieke studies verricht naar de vraag of consulaire activiteiten of de aanwezigheid van Nederlandse ambassades en consulaten migratie naar Nederland aanwakkeren.

Vraag 16

Bent u met deze leden van mening dat er ook een einde moet komen aan het terreurregime van Hamas in Gaza en het geweld van Hamas tegen de burgers aldaar, en dat het belemmeren van noodhulp door gewapende diefstal door Hamas-leden van die noodhulp moet stoppen, en zo ja, wat wilt u daartegen doen?

Antwoord

Het kabinet koestert geen illusies over de intenties en het optreden van Hamas. Hamas is een terroristische organisatie die al jarenlang zijn eigen bevolking onderdrukt, mensenrechten schendt en door zijn gruwelijke daden van 7 oktober 2023 een spiraal van geweld ontketende. Het kabinet blijft dan ook pleiten voor additionele sancties tegen Hamas en Palestijnse Islamitische Jihad en blijft benadrukken dat Hamas de wapens neer moet leggen en geen rol mag hebben in het toekomstige bestuur van Gaza. Het kabinet houdt er rekening mee dat Hamas humanitaire hulp verhindert en spant zich met de professionele humanitaire partners in om de distributie te monitoren. Het heeft echter geen verifieerbaar bewijs gezien van systematische en grootschalige ontvreemding van hulp door Hamas sinds 7 oktober 2023. De humanitaire partners van het kabinet geven ook aan dat hier geen aanwijzingen voor zijn. Het kabinet informeert de Kamer altijd via de geëigende procedures over malversaties en ontvreemding van hulp.

Vraag 17

Ziet u ook de wenselijkheid om met een aantal Nederland omringende «deelstaten» de banden te intensiveren, zoals Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Schotland? DEU

Antwoord

Het kabinet hecht veel waarde aan goede grensoverschrijdende samenwerking met de buurlanden. Het doel hierbij is om grensbelemmeringen weg te nemen zodat de economische en maatschappelijke potentie van onze grensregio’s optimaal benut kan worden. Met Vlaanderen en Noordrijn-Westfalen vinden bijvoorbeeld regeringsconsultaties plaats, daarnaast zijn er met Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen samenwerkingsafspraken gemaakt waarbinnen ook decentrale overheden in de grensregio een belangrijke rol spelen. Hierbij zijn de onderlinge samenwerkingsagenda’s, zoals bijvoorbeeld de Grenslandagenda tussen Nederland en Noordrijn-Westfalen, een essentieel onderdeel. De relaties met Schotland worden behartigd binnen het bredere kader van de relaties met het Verenigd Koninkrijk.

Vragen SGP-fractie

Vraag 1

Bent u op de hoogte van de genoemde publicaties over de financiering van islamitisch extremisme door het Iraanse regime en de rol van Westerse handelsakkoorden?

Antwoord

Ja.

Vraag 2

Hoe reflecteert u hierop?

Antwoord

Het kabinet heeft zorgen over de steun (inclusief financiering) van extremistische organisaties door Iran. Als onderdeel van de zgn. Iraanse nucleaire deal van 2015 hebben de Verenigde Staten, China, Rusland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland een aantal sancties ten aanzien van Iran opgeschort in ruil voor restricties op het Iraanse nucleaire programma. De situatie is sinds 2015 echter aanzienlijk veranderd. In 2025 heeft de EU, met actieve Nederlandse steun, middels de zgn. snap-back alle bovengenoemde VN- en EU-sancties tegen Iran opnieuw ingesteld. Ook heeft de EU de afgelopen jaren aanvullende sancties en exportrestricties ingesteld tegen Iran.

Vraag 3

Welke stappen onderneemt de regering om te voorkomen dat het buitenlandse handelsbeleid een financiële impuls geeft aan terrorisme of mensenrechtenschendingen?

Antwoord

De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO OESO-richtlijnen) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights vormen de basis van het IMVO-beleid. Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat zij gepaste zorgvuldigheid in lijn met deze normen toepassen om negatieve gevolgen voor mens en milieu in hun bedrijfsvoering en waardeketens te identificeren en aan te pakken. Gepaste zorgvuldigheid is de verantwoordelijkheid van bedrijven zelf. De Nederlandse overheid informeert bedrijven over het belang van IMVO en het toepassen van gepaste zorgvuldigheid en biedt dienstverlening om bedrijven hierin te ondersteunen. Voorbeelden zijn het MVO-steunpunt en het instrument sectorale samenwerking waaraan bedrijven kunnen deelnemen om gezamenlijk te werken aan gepaste zorgvuldigheid.

Daarnaast wordt aangesloten bij de uitsluitingslijst van de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO).6 Ondernemingen en projecten die onder deze uitgesloten activiteiten vallen, komen niet in aanmerking voor ondersteuning of financiering via door de overheid gesteunde instrumenten. Daarmee beperken we het risico dat ons buitenlandse handelsbeleid indirect bijdraagt aan mensenrechtenschendingen of andere vormen van schadelijke activiteiten.

Vraag 4

Hoe vindt de afstemming tussen ministeries omtrent het buitenlandse beleid plaats?

Antwoord

Afstemming tussen ministeries omtrent het buitenlandse beleid vindt plaats in de daartoe geëigende onderraden, vooraf gegaan door ambtelijke interdepartementale afstemming waar nodig. Daarnaast wordt ook in de ministerraad stilgestaan bij relevante ontwikkelingen in het kader van het buitenland beleid en indien nodig besluiten genomen over de Nederlandse positie en/of inzet in internationaal verband. Tevens zijn er meerdere (hoog) ambtelijke overleggen die raken aan het buitenland beleid of waar specifieke thema’s in het kader van buitenland beleid op de agenda staan.

Vraag 5

Welke ruimte hebben bijvoorbeeld het Ministerie van Defensie of het Ministerie van Asiel en Migratie om hun belangen te verwerken in het buitenlandse handelsbeleid?

Antwoord

Zie antwoord vraag 4.

Vraag 6

Op welke wijze weegt het Ministerie van Buitenlandse Zaken de belangen tussen buitenlandse handel en het buitenlandse mensenrechtenbeleid?

Antwoord

Het Nederlandse handelsbeleid is gebaseerd op balans tussen versterking van ons internationale verdienvermogen en de weerbaarheid van de Nederlandse economie enerzijds en anderzijds om blijvend te engageren met landen in een bredere bilaterale relatie. Alhoewel er sprake kan zijn van een spanningsveld, sluiten mensenrechten en handel elkaar niet uit: zij kunnen elkaar juist aanvullen. De handelsinzet voor specifieke landen en de economische relaties die hieruit voortvloeien bieden juist mogelijkheden om binnen deze brede bilaterale relatie het gesprek te voeren over onderwerpen zoals mensenrechten. In economische consultaties met landen waar sprake is van hoge mensenrechtenrisico’s is waar relevant, ook aandacht voor mensenrechten. Bovendien verwacht de Nederlandse overheid van bedrijven dat zij verantwoord zaken doen in lijn met de OESO-richtlijnen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights. Dit is een voorwaarde voor alle Nederlandse bedrijven voor het verkrijgen van overheidsondersteuning bij internationale handels- en investeringsactiviteiten die het Ministerie van Buitenlandse Zaken aanbiedt.

Vraag 7

Heeft u inzicht in hoeveel Nederlands geld terechtkomt bij regimes die mensenrechten schenden of actief terrorisme financieren?

Antwoord

Besluiten om bepaalde organisaties te financieren worden altijd zorgvuldig genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Organisaties met wie Nederland samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluatie en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Nederland erkent dat er bij internationale financiële stromen en ontwikkelingsprogramma’s altijd een restrisico bestaat dat middelen indirect verkeerd terechtkomen. Als uit het toezicht blijkt dat hiervan sprake is (bijvoorbeeld via fraude, corruptie of mismanagement bij uitvoerende organisaties) dan treedt het ministerie daar tegen op.

In de jaarverslagen van Buitenlandse Zaken wordt uitgebreid gerapporteerd over malversaties en misbruik van middelen in OSprogramma’s en multilaterale fondsen. Verder neemt Nederland preventieve maatregelen langs verschillende sporen: via sancties, een strikte wapenexporttoetsing en streng financieel toezicht.

Vraag 8

Op welke wijze zet de regering zich in Europees verband in om discrepanties tussen het handelsbeleid en het vredes- en mensenrechtenbeleid te voorkomen dan wel op te lossen?

Antwoord

Het Europese buitenlandbeleid wordt besproken in de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ), de RBZ-Handel en de RBZ-OS. Mocht het kabinet discrepanties tussen verschillende elementen van het buitenlandbeleid constateren dan kunnen deze aan de orde worden gesteld in een van deze drie raden, of de voorbereidende ambtelijke Brusselse fora.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Bakker-Klein (CDA), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (fractie-Van de Sanden), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I, 2025–2026, 36 800 V, D.

X Noot
3

Tony Blair Institute for Global Change (2019), The Fundamentals of Iran’s Islamic Revolution, https://institute.global/insights/geopolitics-and-security/fundamentals-irans-islamic-revolution.

X Noot
4

Reuters (2017). After Iran’s Nuclear pact, state firms win most foreign deals, https://www.reuters.com/article/world/after-irans-nuclear-pact-state-firms-win-most-foreign-deals-idUSKBN15328T/.

X Noot
5

Kaitlin Coulter (2023). Iran’s involvement in de Syrian civil war before and after JCPOA.Chattanooga: Universiteit van Tennessee, https://scholar.utc.edu/honors-theses/425/.

X Noot
6

Deze uitsluitingslijst bevat activiteiten en sectoren die FMO en haar klanten niet mogen financieren, zoals projecten met gedwongen arbeid of kinderarbeid, activiteiten die in strijd zijn met (inter)nationale wet- en regelgeving, vernietiging van gebieden met hoge natuurwaarde, bepaalde gevaarlijke stoffen, porno en prostitutie, racistische en anti-democratische media, en projecten waarin bijvoorbeeld wapens, tabak of gokken een substantieel deel van de bedrijfsactiviteiten vormen.

Naar boven