36 785 Regels met betrekking tot de handhaving in de sociale zekerheid om meer passend handhaven mogelijk te maken (Wet handhaving sociale zekerheid)

Nr. 15 AMENDEMENT VAN HET LID NEIJENHUIS

Ontvangen 18 juni 2026

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In artikel I, onderdeel B, onder 2, wordt in het voorgestelde vierde lid, onder b, «naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank» vervangen door «het».

II

In artikel I, onderdeel C, wordt in het voorgestelde artikel 17a vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank» vervangen door «het».

III

In artikel II, onderdeel B, onder 2, wordt in het voorgestelde vierde lid, onder b, «naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank» vervangen door «het».

IV

In artikel II, onderdeel C, wordt in het voorgestelde artikel 39, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank» vervangen door «het».

V

In artikel III, onderdeel B, onder 2, wordt in het voorgestelde vierde lid, onder b, «naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank» vervangen door «het».

VI

In artikel III, onderdeel C, wordt in het voorgestelde artikel 17c, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank» vervangen door «het».

VII

In artikel IV, onderdeel C, onder 2, wordt in het voorgestelde zevende lid, onder b, «naar het oordeel van het college» vervangen door «het».

VIII

In artikel IV, onderdeel D, wordt in het voorgestelde artikel 18a, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het college» vervangen door «het».

IX

In artikel IV, onderdeel G, onder 2, wordt in het voorgestelde zevende lid, onder b, «naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank» vervangen door «het».

X

In artikel IV, onderdeel H, wordt in het voorgestelde artikel 47g, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank» vervangen door «het».

XI

In artikel V, onderdeel B, wordt in het voorgestelde artikel 6ab, vierde lid, onder b, «naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank» vervangen door «het».

XII

In artikel V, onderdeel C, wordt in het voorgestelde artikel 6b, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank» vervangen door «het».

XIII

In artikel VI, onderdeel B, onder 2, wordt in het voorgestelde vierde lid, onder b, «naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» vervangen door «het».

XIV

In artikel VI, onderdeel C, wordt in het voorgestelde artikel 14a, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» vervangen door «het».

XV

In artikel VII, onderdeel B, onder 4, wordt in het voorgestelde achtste lid, onder b, «naar het oordeel van het UWV» vervangen door «het».

XVI

In artikel VII, onderdeel C, wordt in het voorgestelde artikel 27a, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het UWV» vervangen door «het».

XVII

In artikel IX, onderdeel B, onder 3, wordt in het voorgestelde zesde lid, onder b, «naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» vervangen door «het».

XVIII

In artikel IX, onderdeel E, wordt in het voorgestelde artikel 48, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» vervangen door «het».

XIX

In artikel X, onderdeel D, onder 3, wordt in het voorgestelde vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» vervangen door «het».

XX

In artikel X, onderdeel F, wordt in het voorgestelde artikel 2:69, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» vervangen door «het».

XXI

In artikel X, onderdeel I, onder 3, wordt in het voorgestelde zesde lid, onder b, «naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» vervangen door «het».

XXII

In artikel X, onderdeel L, wordt in het voorgestelde artikel 3:40, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» vervangen door «het».

XXIII

In artikel XI, onderdeel B, onder 4, wordt in het voorgestelde zesde lid, onder b, «naar het oordeel van het college» vervangen door «het».

XXIV

In artikel XI, onderdeel C, wordt in het voorgestelde artikel 20a, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het college» vervangen door «het».

XXV

In artikel XII, onderdeel C, onder 4, wordt in het voorgestelde zesde lid, onder b, «naar het oordeel van het college» vervangen door «het».

XXVI

In artikel XII, onderdeel D, wordt in het voorgestelde artikel 20a, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het college» vervangen door «het».

XXVII

In artikel XIII, onderdeel C, onder 4, wordt in het voorgestelde zesde lid, onder b, «naar het oordeel van het UWV» vervangen door «het».

XXVIII

In artikel XIII, onderdeel D, wordt in het voorgestelde artikel 21, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het UWV» vervangen door «het».

XXIX

In artikel XIV, onderdeel A, onder 2, wordt in het voorgestelde zesde lid, onder b, «naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» vervangen door «het».

XXX

In artikel XIV, onderdeel D, wordt in het voorgestelde artikel 29a, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» vervangen door «het».

XXXI

In artikel XVI, onderdeel C, onder 4, wordt in het voorgestelde zevende lid, onder b, «naar het oordeel van het UWV» vervangen door «het».

XXXII

In artikel XVI, onderdeel F, wordt in het voorgestelde artikel 91, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het UWV» vervangen door «het».

XXXIII

In artikel XVII, onderdeel G, onder 4, wordt in het voorgestelde negende lid, onder b, «naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» vervangen door «het».

XXXIV

In artikel XVII, onderdeel H, wordt in het voorgestelde artikel 45a, vijfde lid, onder b, «naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen» vervangen door «het».

Toelichting

In het voorliggende wetsvoorstel laat de regering met de zinsnede «naar het oordeel van UWV / SVB / het college» het over aan de uitvoeringsorganisatie om in te schatten over er sprake is van een vergissing.

Door de zinsnede «naar het oordeel van» is er sprake van (subjectieve) beoordelingsruimte. Het bestuursorgaan dient dan bij de beantwoording van de vraag of de normconditie is vervuld een subjectief oordeel te geven. Oftewel, het bestuursorgaan mag een subjectief oordeel geven of sprake is van een «vergissing». Komt het tot een beroepszaak, dan zal een rechter slechts kijken of het bestuursorgaan zorgvuldig tot het oordeel is gekomen dat een vergissing niet aannemelijk is.

De indiener is van mening dat de rechtsbescherming van de betrokkene beter geborgd is bij een «gebonden beoordelingsruimte». Van belang is dat bij de gebonden beoordelingsruimte, na de bestuurlijke voorprocedure, er volle toetsing door de bestuursrechter plaatsvindt, terwijl bij beoordelingsruimte sprake is van terughoudende toetsing. In andere woorden: door het amendement zal een rechter ook tot een eigen beoordeling komen of sprake is van een aannemelijke vergissing.

Het amendement laat onverlet dat, net als in de oorspronkelijke tekst, de uitvoeringsorganisatie ook zelf een inschatting maakt of er aannemelijk sprake is van een vergissing. De indiener beoogt dan ook geen grote wijzigingen aan te brengen aan de initiële inschatting van de uitvoeringsorganisatie, doch slechts de rechtsbescherming van de burger in de beroepszaak te verstevigen.

Wat precies onder vergissing moet worden verstaan is vooraf moeilijk te verankeren in de wet. De indiener verwijst in deze dan ook naar de regering, die aangeeft dat het risico op onduidelijkheid door het ontbreken van een definitie wordt geaccepteerd, omdat een wettelijke definitie juist ook beperkend kan werken.

Het bestuursorgaan is zodoende als eerste aan zet om deze termen te interpreteren, maar door de gebonden beoordelingsruimte kan geen sprake zijn van volledige «vrijheid» voor het bestuur om zich een oordeel te vormen over de feitenkwalificatie.

De definiëring van vergissing zal gedurende de tijd en de hoeveelheid zaken die hierover gaan steeds duidelijker worden door middel van jurisprudentie. De indiener ziet hierin aan aanvullend voordeel, namelijk een uiteindelijke verkleining van de verschillen in de beoordeling tussen bestuursorganen.

Neijenhuis

Naar boven