36 783 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief

A GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

21 april 2026

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een rechtsvermoeden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst in te voeren op basis van een tariefgrens teneinde de positie van kwetsbare werknemers te versterken en schijnzelfstandigheid tegen te gaan en daartoe Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen;

Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A

[vervallen]

B

Na artikel 610a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 610aa

  • 1. Hij die ten behoeve van een ander tegen een beloning door die ander van ten hoogste € 36,– per uur, arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst.

  • 2. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gewijzigd op de wijze als bedoeld in artikel 14, eerste en tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het bedrag wordt daarbij naar boven afgerond op gehele euro’s. Bij de wijziging wordt uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing indien de ander een natuurlijke persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

ARTIKEL II

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

ARTIKEL III

  • 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

  • 2. Voor de eerste toepassing na inwerkingtreding van deze wet wordt, in afwijking van het in artikel I, onderdeel B, voorgestelde artikel 610aa van Boek 7 van het Burgerlijk wetboek, eerste lid, bij ministeriële regeling het toepasselijke bedrag gegeven.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Werk en Participatie,

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Naar boven