36 774 Voorstel van wet van het lid Bushoff tot wijziging van de Mededingingswet in verband met de uitbreiding van het concentratietoezicht (Wet inroepbevoegdheid ACM)

Nr. 7 VERSLAG

De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de indiener op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

I. ALGEMEEN DEEL

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel van het lid Bushoff tot wijziging van de Mededingingswet in verband met de uitbreiding van het concentratietoezicht (Wet inroepbevoegdheid ACM) (het wetsvoorstel).

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie willen allereerst hun waardering uitspreken voor het lid Bushoff en zijn ondersteuning voor het opstellen en indienen van deze uitgebreide initiatiefwet. Zij zijn zich er terdege van bewust dat het opstellen van een dergelijk initiatiefwetsvoorstel veel tijd en denkkracht vergt. De memorie van toelichting biedt bovendien een interessant overzicht van het internationale mededingingsbeleid.

De leden van de CDA-fractie staan in beginsel niet onwelwillend tegenover de doelstelling van het wetsvoorstel. Op basis van onderzoek van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) constateren zij dat in bepaalde markten sprake is van een afname van de concurrentie. Een goed functionerende concurrentie draagt echter juist bij aan innovatie, economische weerbaarheid, betaalbare prijzen en keuzevrijheid voor consumenten. Met betrekking tot de risico’s die kunnen ontstaan door een reeks kleinere overnames, zogenoemd «kralenrijgen», of door de overname van innovatieve concurrenten die onder de huidige omzetdrempels blijven, herkennen deze leden de door de initiatiefnemer geschetste problematiek. Dat geldt in het bijzonder voor sectoren waarin de markt lokaal of regionaal is georganiseerd, zoals delen van de zorgsector.

Tegelijkertijd constateren de leden van de CDA-fractie dat het wetsvoorstel een ingrijpende uitbreiding van het instrumentarium van de ACM behelst. Deze leden achten het daarom van belang dat overtuigend wordt aangetoond dat een generieke inroepbevoegdheid noodzakelijk, proportioneel en uitvoerbaar is. Zij hebben in dat kader vragen over de gevolgen voor de rechtszekerheid van ondernemingen, de administratieve lasten en doorlooptijden voor het bedrijfsleven, de uitvoerbaarheid voor de ACM en de afweging tussen een generieke bevoegdheid en meer sectorspecifieke alternatieven.

Daarnaast zien de leden van de CDA-fractie dat het voorliggende wetsvoorstel veel open normen hanteert en veel beoordelingsruimte laat voor de ACM. Daarin kan een spanning ontstaan tussen onafhankelijke uitvoering en democratische legitimiteit. Ook daar zullen zij op ingaan.

1. Inleiding

De leden van de D66-fractie delen de analyse die ten grondslag ligt aan het wetsvoorstel: ook concentraties die onder de huidige omzetdrempels blijven, kunnen de mededinging en daarmee het belang van consumenten schaden, in het bijzonder via «kralenrijgen» en zogenoemde killer acquisities. Deze leden wijzen erop dat het versterken van het mededingingsinstrumentarium met een inroepbevoegdheid aansluit bij de afspraak in het coalitieakkoord om de ACM als marktmeester twee nieuwe instrumenten te geven – de call-inbevoegdheid en de New Competition Tool – en bij voorstellen die de leden van de D66-fractie zelf hebben gedaan, onder meer bij de op 22 oktober 2024 door de Kamer aangenomen motie die de regering verzocht een call-inbevoegdheid in de Mededingingswet op te nemen.1 Deze leden steunen de hoofdlijn van het voorstel en hebben daarbij nog enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie waarderen de inzet die de initiatiefnemer op dit onderwerp toont. Deze leden delen de opmerking van de indiener in de toelichting dat het beter is om onevenredige marktconcentraties te voorkomen dan dat dit achteraf wordt gecorrigeerd. Deze leden hebben nog enkele opmerkingen en vragen over het wetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de initiatiefnemer de gezondheidszorg aanhaalt als sector waarbij in zijn ogen onwenselijke overnames plaatsvinden. Tegelijkertijd ontbreekt in de toelichting de notie dat investeringen in bijvoorbeeld de gezondheidszorg nodig zijn om de Nederlandse consument te bedienen. Een overname kan additioneel kapitaal in een sector teweegbrengen. Deelt de initiatiefnemer deze constatering? Zo ja, waarom meent hij dat het voorgestelde wetsvoorstel proportioneel is ten aanzien van een mogelijke reductie in investeringen in de economie?

De leden van de CDA-fractie merken op dat de initiatiefnemer in de toelichting zelf erkent dat overnames en schaalvergroting positieve effecten kunnen hebben, zoals efficiënter werken, kwaliteitsverbetering en innovatie. Deze leden vragen de initiatiefnemer hoe in de voorgestelde inroepbevoegdheid voldoende wordt gewaarborgd dat legitieme schaalvergroting en bedrijfsgroei niet onnodig worden belemmerd. De initiatiefnemer verwijst terecht naar het Towercast-arrest en de mogelijkheden die dit arrest biedt voor de ACM om niet-meldingsplichtige overnames te toetsen aan het verbod op misbruik van een economische machtspositie. De initiatiefnemer merkt daarbij op dat de bewijslast voor ingrijpen hoog is.

De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemer te reflecteren op de vraag in hoeverre deze hoge bewijslast juist niet proportioneel is, gelet op de ingrijpende aard van overheidsoptreden bij overnames en concentraties. Deze leden merken daarbij op dat ingrijpen in een overname zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd dient te zijn. Deze leden vragen hoe de initiatiefnemer aankijkt tegen de eerste Nederlandse praktijkervaringen sinds het schrappen van artikel 24, tweede lid, van de Mededingingswet.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnemer het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State pareert met de stelling dat het risico op mededingingsbeperkende concentraties zich niet beperkt tot enkele specifieke sectoren, maar een breder structureel karakter heeft. Deze leden vragen de initiatiefnemer echter nader te onderbouwen op basis van welke concrete Nederlandse praktijkvoorbeelden, marktanalyses of empirische gegevens hij concludeert dat een generieke inroepbevoegdheid voor de gehele economie noodzakelijk en proportioneel is, in plaats van een meer sectorspecifieke benadering.

2. Aanpassing van de Mededingingswet

Verhouding tot de generieke omzetdrempels

De leden van de D66-fractie constateren dat de initiatiefnemer een verhoging van de generieke omzetdrempels voor de reguliere meldingsplicht buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel laat. Deze leden begrijpen die afbakening, maar wijzen erop dat beide onderwerpen inhoudelijk nauw samenhangen. De ACM heeft in haar Wetgevingsbrief 2025 zelf bepleit de generieke omzetdrempel – die voor het laatst in 2003 is aangepast – te verhogen van € 30 miljoen naar € 50 miljoen, en wel uitdrukkelijk in combinatie met een inroepbevoegdheid voor onderdrempelige overnames. Volgens de ACM daalt het aantal verplichte meldingen daardoor van gemiddeld circa 130 naar ongeveer 75 per jaar, waardoor capaciteit vrijkomt om gericht de daadwerkelijk problematische concentraties – waaronder kralenrijgen en killer acquisities – in te roepen en te onderzoeken. De ACM presenteert de drempelverhoging en de inroepbevoegdheid daarmee als communicerende vaten; ook D66 heeft deze combinatie eerder bepleit.

De leden van de D66-fractie vragen de initiatiefnemer hoe hij een eventuele verhoging van de generieke omzetdrempel naar € 50 miljoen, conform het advies van de ACM, beoordeelt. Ziet de initiatiefnemer de drempelverhoging en de inroepbevoegdheid eveneens als complementaire, samenhangende maatregelen, en zo ja, wat betekent dit voor de weging van het voorliggende wetsvoorstel? Acht de initiatiefnemer een inroepbevoegdheid zónder gelijktijdige verhoging van de generieke drempel evenwichtig, mede gelet op de lasten voor het bedrijfsleven en de gerichtheid van het toezicht?

De leden van de D66-fractie wijzen er voorts op dat de ACM blijkens de toelichting verwacht per saldo geen extra middelen nodig te hebben voor de uitvoering van de inroepbevoegdheid. Tegelijkertijd heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat in het commissiedebat Marktordening en consumentenbescherming van 2 oktober 2025 gemeld dat de ACM heeft aangegeven het inroepen van fusies binnen de bestaande capaciteit te kunnen opvangen, mits dit wordt gecombineerd met de verhoging van de algemene omzetdrempel. Het voorliggende wetsvoorstel voorziet echter niet in die verhoging. Deze leden vragen de initiatiefnemer hoe de aanname dat de ACM geen extra middelen nodig heeft, zich verhoudt tot de voorwaarde die de ACM aan dat capaciteitsoordeel lijkt te hebben verbonden. Hoe waarschijnlijk acht de initiatiefnemer het dat de ACM de inroepbevoegdheid binnen de bestaande capaciteit kan uitvoeren wanneer het aantal verplichte reguliere meldingen niet gelijktijdig wordt teruggebracht, en is hij bereid het oordeel van de ACM op dit punt expliciet te maken?

Tot slot vragen de leden van de D66-fractie aandacht voor de wijze waarop de omzetdrempels in de toekomst worden geactualiseerd. Deze leden constateren dat de generieke omzetdrempel sinds 2003 niet is aangepast, mede doordat een aanpassing telkens een wetswijziging vergt. Zij vragen de initiatiefnemer of hij mogelijkheden ziet om de omzetdrempels (zowel de generieke drempel als de in dit voorstel gehanteerde drempel) een meer dynamisch karakter te geven, bijvoorbeeld door te voorzien in een grondslag voor periodieke of automatische indexatie, dan wel voor aanpassing bij algemene maatregel van bestuur, zodat de drempels kunnen meebewegen met bijvoorbeeld de inflatie zonder dat daarvoor telkens een wetswijziging nodig is. Hoe weegt de initiatiefnemer een dergelijke systematiek, mede gelet op enerzijds de rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor ondernemingen en anderzijds de wens om de drempels actueel en effectief te houden?

Asymmetrische omzetdrempel en reikwijdte

De leden van de D66-fractie constateren dat de initiatiefnemer het voorstel naar aanleiding van de internetconsultatie heeft aangepast, zodat ten minste één van de betrokken ondernemingen een omzet in Nederland van ten minste € 30 miljoen moet behalen voordat de inroepbevoegdheid kan worden toegepast. Deze leden begrijpen dat hiermee wordt voorkomen dat zeer kleine transacties onder de bevoegdheid vallen, en dat dit rechtszekerheid voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) biedt. Tegelijkertijd vragen deze leden aandacht voor het type concentraties dat juist de aanleiding voor dit voorstel vormt. Bij kralenrijgen bouwt een partij regionale of lokale marktmacht op via een reeks op zichzelf kleine overnames, waarbij ook de verwervende partij – bijvoorbeeld een opkomende keten of een investeringsvehikel – aanvankelijk een beperkte omzet kan hebben. Deze leden vragen de initiatiefnemer in hoeverre de asymmetrische drempel van € 30 miljoen voldoende ruimte laat om deze kralenrijgstrategieën te kunnen inroepen. Bestaat het risico dat problematische roll-ups in lokale of nichemarkten, waarbij in een vroege fase geen van de betrokken partijen de € 30 miljoen haalt, alsnog buiten bereik van de bevoegdheid blijven?

Rechtszekerheid

De leden van de D66-fractie hechten aan voorspelbaar en proportioneel toezicht. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft kanttekeningen geplaatst bij de breedte van de bevoegdheid en bij de rechtszekerheid voor ondernemingen. Deze leden vragen de initiatiefnemer nader toe te lichten hoe de voorspelbaarheid voor ondernemers wordt geborgd, onder meer via het detectieproces van de ACM en de gehanteerde termijnen.

De leden van de VVD-fractie lezen dat met het wetsvoorstel wordt voorgesteld om in de Mededingingswet een bepaling op te nemen dat de ACM als uitzondering op de geldende omzetdrempels in de huidige wet, de bevoegdheid krijgt om melding van een concentratie te eisen waarvan de ACM reden heeft om aan te nemen dat die concentratie de daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante wijze zou kunnen belemmeren. Die bevoegdheid kan worden ingeroepen als daarnaast één van de bij de concentratie betrokken ondernemingen voldoet aan de omzetdrempel van € 30 miljoen in Nederland. Deze leden lezen daarnaast dat de ACM zou hebben aangegeven dat indien de inroepbevoegdheid in de Mededingingswet wordt opgenomen, zij op dit punt guidance zal geven door via een leidraad vooraf duidelijk te maken waar zij op let bij het mogelijk inroepen van concentraties. Deze leden vragen de indiener toe te lichten of de Kamer nog een rol speelt in deze guidance en zo nee, waarom niet.

2.1 Enkele oplossingsrichtingen

De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnemer verschillende alternatieven bespreekt, waaronder lagere omzetdrempels, sectorspecifieke drempels en marktaandeeldrempels. Deze leden begrijpen de door de initiatiefnemer genoemde bezwaren tegen deze alternatieven, maar missen een nadere onderbouwing waarom de voorgestelde asymmetrische omzetdrempel uiteindelijk de meest proportionele en effectieve oplossing vormt. Kan de initiatiefnemer toelichten waarom is gekozen voor een omzetdrempel van € 30 miljoen bij slechts één van de betrokken ondernemingen? Welke alternatieve drempels zijn overwogen en op basis van welke criteria is deze keuze gemaakt?

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of de initiatiefnemer, gelet op de mogelijke gevolgen van de voorgestelde inroepbevoegdheid voor ondernemingen, investeringen en overnametrajecten, heeft overwogen de bevoegdheid in eerste instantie slechts van toepassing te laten zijn op één of enkele specifieke sectoren waarin de geschetste problematiek zich het meest nadrukkelijk voordoet.

De leden van de CDA-fractie vragen of de initiatiefnemer kan toelichten waarom niet is gekozen voor een meer gefaseerde of sectorspecifieke invoering, zodat eerst ervaring kan worden opgedaan met de praktische uitvoering, de effecten op de markt en de gevolgen voor de rechtszekerheid van ondernemingen.

De leden van CDA-fractie vragen de initiatiefnemer uiteen te zetten waarom het voorgestelde model volgens hem beter scoort op rechtszekerheid, uitvoerbaarheid, administratieve lasten en effectiviteit dan de besproken alternatieven. Kan de initiatiefnemer deze vergelijking schematisch weergeven, bijvoorbeeld in tabelvorm, waarbij het voorgestelde model wordt afgezet tegen alternatieven zoals lagere omzetdrempels, andere transactiewaarde drempels, sectorspecifieke drempels, marktaandeeldrempels en invoering voor specifieke sectoren in plaats van generiek? Daarnaast merken deze leden op dat de ACM eerder heeft voorgesteld de huidige omzetdrempel van € 30 miljoen te verhogen naar € 50 miljoen, juist om de toezichtcapaciteit gerichter in te kunnen zetten op concentraties waarbij de grootste risico’s voor de mededinging bestaan2. Hoe verhoudt de keuze van de initiatiefnemer om dezelfde omzetdrempel van € 30 miljoen als aanknopingspunt voor de inroepbevoegdheid te hanteren zich tot deze eerdere aanbeveling van de ACM? Heeft de initiatiefnemer overwogen aan te sluiten bij een hogere omzetdrempel en zo ja, waarom is daarvan afgezien?

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe de voorgestelde omzetdrempel zich verhoudt tot eventuele toekomstige wijzigingen van de reguliere omzetdrempels in het concentratietoezicht. Indien de generieke omzetdrempels worden verhoogd, stijgt de drempel voor de inroepbevoegdheid dan automatisch mee? Is sprake van een dynamische koppeling of van een zelfstandig in de wet vastgelegde drempel?

2.2 Voorstellen op hoofdlijnen

Open norm en rechtszekerheid

De leden van de CDA-fractie lezen dat het uitgangspunt voor toepassing van de nieuwe bevoegdheid is dat sprake moet zijn van het risico dat door een concentratie de mededinging op de Nederlandse markt, of een deel daarvan, op significante wijze zou kunnen worden belemmerd. De initiatiefnemer merkt daarbij zelf op dat het niet mogelijk is om vooraf volledig duidelijk te maken wanneer van een dergelijk risico sprake zal zijn. Deze leden constateren dat hier sprake is van een open norm die de ACM aanzienlijke beoordelingsruimte laat.

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat de ACM voornemens is hierover guidance te geven via een leidraad en achten dat op zichzelf verstandig. Zij vragen de initiatiefnemer echter in hoeverre een dergelijke leidraad voldoende waarborgen biedt voor rechtszekerheid. Hoe beoordeelt de initiatiefnemer het risico dat ondernemingen hierdoor terughoudender/risicomijdender worden met investeringen, bedrijfsgroei of reguliere overnames? Heeft de initiatiefnemer de mogelijke omvang van deze effecten op het vestigingsklimaat en de algemene marktdynamiek onderzocht en inzichtelijk gemaakt en wat is zijn weging hiervan?

De leden van de CDA-fractie merken op dat begrippen als «kralenrijgen» en «killer acquisities» een belangrijke rol spelen in de onderbouwing van het wetsvoorstel, maar geen juridische begrippen zijn die in de wet worden gedefinieerd. Hoe wordt voorkomen dat hierover in de praktijk onduidelijkheid ontstaat? Is de initiatiefnemer van mening dat de ACM deze begrippen in haar leidraad nader dient af te bakenen aan de hand van concrete en objectief toetsbare criteria, zodat voor ondernemingen vooraf beter voorspelbaar is wanneer een concentratie mogelijk onder de reikwijdte van de inroepbevoegdheid valt?

Informele zienswijze

De leden van de CDA-fractie achten het positief dat ondernemingen vooraf een informele zienswijze van de ACM kunnen vragen om meer duidelijkheid te verkrijgen over de mogelijke toepassing van de inroepbevoegdheid. Deze leden merken daarbij op dat snelheid, voorspelbaarheid en kwaliteit van dergelijke zienswijzen cruciaal zijn voor ondernemingen die zich in een overnametraject bevinden.

De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemer in hoeverre hij verwacht dat ondernemingen juist vanwege de open norm en de beoordelingsruimte van de ACM in grotere aantallen gebruik zullen maken van deze mogelijkheid. Op welke gegevens of ervaringen is de verwachting gebaseerd dat dit aantal beperkt zal blijven? Tevens vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat de ACM door een groot aantal verzoeken om informele zienswijzen overbelast raakt. Hoe wordt voorkomen dat hierdoor de doorlooptijden oplopen of dat de kwaliteit en daarmee de praktische waarde van deze zienswijzen onder druk komt te staan? Is bij de raming van de uitvoeringskosten expliciet rekening gehouden met een substantiële toename van dergelijke verzoeken?

3. Consultatie

De leden van de VVD-fractie lezen dat een aantal organisaties tijdens de internetconsultatie heeft aangedrongen op een verhoging van de omzetdrempels. Deze leden constateren dat de indiener ervoor heeft gekozen de inroepbevoegdheid mogelijk te willen maken als één bedrijf bij een overname, fusie of joint venture een omzet heeft die groter is dan € 30 miljoen. Waarom heeft de indiener er niet voor gekozen om aan de kant van de partij die wordt overgenomen eveneens met een omzetdrempel te werken?

De leden van de CDA-fractie staan positief tegenover de mogelijkheid voor ondernemingen om een voorgenomen fusie of overname vrijwillig via een eenvoudig (online) formulier aan de ACM voor te leggen. Deze leden achten het van belang dat ondernemingen op een laagdrempelige wijze vooraf duidelijkheid kunnen verkrijgen. Deze leden vragen de initiatiefnemer echter nader toe te lichten wat de juridische status en rechtsgevolgen zijn van een dergelijke informele zienswijze van de ACM. In hoeverre kunnen ondernemingen hier daadwerkelijk op vertrouwen? Bestaat het risico dat ondernemingen op basis van een informele beoordeling menen voldoende zekerheid te hebben verkregen, terwijl de ACM op een later moment alsnog besluit de concentratie in te roepen of nader onderzoek te starten?

De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorliggende wetsvoorstel niets verandert aan de bestaande rolverdeling tussen de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de ACM. Deze leden vragen de initiatiefnemer nader toe te lichten in hoeverre wordt voorkomen dat zorgaanbieders in de praktijk met dubbel toezicht of dubbele toetsing worden geconfronteerd. Hoe verhouden de sectorspecifieke concentratietoets van de NZa en de voorgestelde inroepbevoegdheid van de ACM zich concreet tot elkaar? Bestaat het risico dat een concentratie eerst door de NZa wordt beoordeeld en vervolgens alsnog door de ACM wordt ingeroepen? Tevens vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot extra administratieve lasten, langere doorlooptijden en meer onzekerheid voor betrokken zorgaanbieders.

4. Financiële paragraaf

De leden van de VVD-fractie lezen dat volgens de indiener de ACM verwacht dat het wetsvoorstel niet zal leiden tot extra benodigde middelen bij de toezichthouder. In de toelichting wordt daarbij verwezen naar de verwachting dat het aantal overnames, fusies of joint ventures dat daadwerkelijk «ingeroepen» zal worden, zeer beperkt zijn. Dat laat onverlet dat de ACM veel meer zaken moet behandelen om te kijken of er mogelijk sprake is van een overname, fusie of joint venture waarbij het de inroepbevoegdheid zou willen toepassen. De leden van de VVD-fractie vragen in dit licht om een toelichting op de stelling dat het wetsvoorstel niet tot extra benodigde middelen bij de ACM zal leiden.

De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat de initiatiefnemer stelt dat er «slechts geringe administratieve lasten» te verwachten zijn als dit wetsvoorstel wordt aangenomen. Deze leden vragen de indiener of hij bereid is het wetsvoorstel voor te leggen aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) en zo niet, waarom niet.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de toezichtskosten voor de ACM volgens de toelichting slechts beperkt zouden toenemen en dat wordt uitgegaan van ongeveer 500 uur extra capaciteit per jaar voor het behandelen van informele meldingen en zienswijzen. Deze leden vragen in hoeverre deze inschatting realistisch is, gelet op de potentieel brede reikwijdte van de voorgestelde inroepbevoegdheid en de mogelijke toestroom van verzoeken om informele zienswijzen van ondernemingen die vooraf zekerheid wensen te verkrijgen.

De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemer om nader toe te lichten welke aannames aan deze capaciteitsinschatting ten grondslag liggen. Is bij deze berekening rekening gehouden met het risico dat grotere aantallen ondernemingen uit voorzorg contact zullen opnemen met de ACM?

Tevens vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat de ACM bij een grotere toestroom van verzoeken onvoldoende capaciteit heeft om tijdig en zorgvuldig op dergelijke verzoeken te reageren. Zijn er volgens de initiatiefnemer voldoende waarborgen om te voorkomen dat ondernemingen gedurende langere tijd in onzekerheid verkeren over een voorgenomen concentratie?

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de prioritering binnen de ACM vorm zal krijgen bij zowel de behandeling van verzoeken om een informele zienswijze als het gebruik van de voorgestelde inroepbevoegdheid. Wie bepaalt welke zaken voorrang krijgen en op basis van welke criteria wordt die afweging gemaakt?

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat de behandeling van informele zienswijzen gaat concurreren met de inzet van capaciteit voor formele onderzoeken en handhaving. Acht de initiatiefnemer het risico aanwezig dat de ACM door prioriteringskeuzes minder capaciteit beschikbaar heeft voor andere mededingingsvraagstukken?

5. Overig

Evaluatie

De leden van de CDA-fractie merken op dat het wetsvoorstel geen evaluatiebepaling bevat los van de invoeringstoets na één jaar. Gelet op de ingrijpende aard van de voorgestelde bevoegdheid, de mogelijke gevolgen voor de rechtszekerheid van ondernemingen en de onzekerheid over de uitvoeringslasten voor zowel de ACM als het bedrijfsleven, achten deze leden een evaluatie van groot belang. Deze leden vragen de initiatiefnemer hoe hij de evaluatie van deze wet voor zich ziet. Acht de initiatiefnemer het wenselijk om binnen een vooraf bepaalde termijn na inwerkingtreding de werking van de wet te evalueren? Zo ja, welke termijn acht hij daarvoor passend?

Tevens vragen de leden van de CDA-fractie of de initiatiefnemer bereid is een evaluatiebepaling in het wetsvoorstel op te nemen.

II. ARTIKELSGEWIJS DEEL

Artikel I, onderdeel A

Artikel 49a

De leden van de PVV-fractie lezen dat de initiatiefnemer stelt dat problemen rondom concentratievorming zich niet alleen voordoen bij grote overnames, maar ook in lokale markten en bij relatief kleine overnames. Deze leden zijn het ermee eens dat dergelijke overnames, zeker wanneer zij onderdeel zijn van een reeks opeenvolgende overnames, kunnen leiden tot ongewenste marktmacht. Zij vragen daarom waarom er desondanks voor is gekozen om als voorwaarde voor de inroepbevoegdheid op te nemen dat ten minste één van de betrokken ondernemingen een omzet van € 30 miljoen in Nederland behaalt. Welke potentieel schadelijke concentraties blijven hierdoor alsnog buiten het bereik van de ACM? Wordt met dit initiatiefvoorstel beoogd de ACM de bevoegdheid te geven om ook concentraties die onder de reguliere omzetdrempels van de Mededingingswet blijven, alsnog te onderzoeken en zo nodig tegen te houden?

De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat de regering eerder heeft aangekondigd de omzetdrempels voor het reguliere concentratietoezicht te willen verhogen naar € 50 miljoen. Deze leden vragen in hoeverre een dergelijke verhoging van invloed is op het voorliggende initiatiefwetsvoorstel. Betekent een eventuele verhoging van de omzetdrempels dat ook de in dit wetsvoorstel opgenomen omzetdrempel van € 30 miljoen wordt aangepast naar € 50 miljoen, of staat deze drempel daar juridisch los van? Indien beide drempels los van elkaar staan, kan de initiatiefnemer dan toelichten waarom binnen de voorgestelde inroepbevoegdheid is gekozen voor een omzetdrempel van € 30 miljoen?

De leden van de PVV-fractie begrijpen dat niet altijd op voorhand duidelijk is wanneer sprake is van ongewenste lokale of regionale marktmacht. Deze leden onderschrijven daarom het belang van een inroepbevoegdheid voor de ACM, zodat de toezichthouder kan ingrijpen wanneer zij signalen ziet dat er ongewenste situaties ontstaan. Tegelijkertijd merken deze leden op dat de ACM niet altijd volledig zicht zal hebben op ontwikkelingen in specifieke markten of regio’s. Zou het daarom wenselijk zijn om een meldpunt in te richten waar ondernemers en anderen signalen kunnen melden over mogelijk ongewenste marktmacht of concentratievorming? Kan de initiatiefnemer toelichten of een dergelijk meldpunt volgens hem kan bijdragen aan het tijdig signaleren van situaties waarin gebruik van de inroepbevoegdheid wenselijk is?

Artikel III

De leden van de CDA-fractie merken op dat het wetsvoorstel geen specifieke termijn bevat voor de inwerkingtreding van de voorgestelde bevoegdheid. Zij vragen de initiatiefnemer welke termijn hij redelijk acht tussen de aanvaarding van het wetsvoorstel en de daadwerkelijke inwerkingtreding daarvan. Daarbij vragen deze leden in het bijzonder welke voorbereidingstijd volgens de initiatiefnemer noodzakelijk is voor de ACM. De voorgestelde inroepbevoegdheid lijkt immers in belangrijke mate afhankelijk van de ontwikkeling van guidance, een leidraad en de mogelijkheid voor ondernemingen om vooraf een informele zienswijze te verkrijgen.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe de initiatiefnemer het risico beoordeelt dat de bevoegdheid formeel in werking treedt voordat deze ondersteunende instrumenten voldoende zijn uitgewerkt. Acht de initiatiefnemer het wenselijk dat de leidraad en de werkwijze rondom informele zienswijzen beschikbaar zijn voordat de bevoegdheid daadwerkelijk van kracht wordt, mede om onzekerheid bij ondernemingen te beperken?

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie aan welke voorwaarden volgens de initiatiefnemer moet zijn voldaan voordat de ACM deze nieuwe bevoegdheid op een voorspelbare, uitvoerbare en rechtszekere wijze kan toepassen.

De voorzitter van de commissie, Van Eijk

De adjunct-griffier van de commissie, Krijger


X Noot
1

Kamerstuk 36 495, nr. 7.

X Noot
2

ACM, 17 maart 2025, ACM/25/193908 ACM Wetgevingsbrief 2025. (https://www.acm.nl/system/files/documents/2025-acm-wetgevingsbrief.pdf)


X Noot
1

Kamerstuk 36 495, nr. 7.

X Noot
2

ACM, 17 maart 2025, ACM/25/193908 ACM Wetgevingsbrief 2025. (https://www.acm.nl/system/files/documents/2025-acm-wetgevingsbrief.pdf)

Naar boven