36 771 Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1058 en Verordening (EU) 2021/1056 wat betreft specifieke maatregelen voor het aanpakken van strategische uitdagingen in het kader van de tussentijdse evaluatie

B VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld september 2025

De vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Economische Zaken over de tussentijdse herziening van het cohesiebeleid. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 17 juni 2025.

  • De antwoordbrief van 28 augustus 2025.

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, Karthaus

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN / KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Minister van Economische Zaken

Den Haag, 17 juni 2025

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie van 1 april 2025 om het EU-cohesiebeleid te moderniseren.2 Op 9 mei 2025 heeft de commissie het bijhorende BNC-fiche ontvangen. De leden van de fracties van de BBB, de PvdD, JA21 en Volt hebben naar aanleiding daarvan een aantal vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

Om investeringen in nieuwe prioriteiten te stimuleren, stelt de Commissie voor om tot 100% EU-cofinanciering te bieden. De fractieleden van de BBB vragen of 100% EU-financiering er niet toe leidt dat lidstaten, regio's en gemeenten minder «eigenaarschap» voelen en daardoor minder goed letten op een doelmatige besteding van Europees geld. De Commissie wil een voorfinanciering van maar liefst 30% geven voor middelen die naar nieuwe prioriteiten gaan, tegenover de huidige 0,5% per jaar. De fractieleden van de BBB vragen of zo'n extreem hoge voorfinanciering wel verstandig en proportioneel is, vooral zonder duidelijke onderbouwing. Lost dit wel echt de trage implementatie op, of geeft het lidstaten alleen een voorschot zonder dat de projecten ook echt van de grond komen? Ziet u deze risico’s ook? Zo ja, wat kunt u als grote netto-betaler doen om deze te beperken? Deze leden ontvangen hierop graag een reactie.

De Commissie heeft geen nieuwe impact assessment uitgevoerd voor deze ingrijpende voorstellen, aldus de fractieleden van de BBB. Moeten we niet eerst weten wat de gevolgen zijn voordat we akkoord gaan? Wil u alsnog toezeggen te pleiten voor een dergelijke analyse? Zo nee, waarom niet?

Er wordt gezegd dat lidstaten middelen kunnen «herprioriteren» naar nieuwe doelen. In het BNC-fiche meldt u dat het grootste deel van de Nederlandse cohesiemiddelen al is toegekend aan projecten.3 Hoeveel realistische ruimte is er dan nog voor onze regio's om hier flexibel mee om te gaan? Is het geen papieren tijger? Deze leden ontvangen hierop graag een reactie.

Het voorstel maakt het makkelijker om steun te verlenen aan grote bedrijven. Zouden cohesiefondsen zich niet primair moeten blijven richten op investeringen in het midden- en kleinbedrijf, inclusief startups en scale-ups, die vaak de motor van de regionale economie zijn? Grote internationale bedrijven hebben toch andere financieringsmogelijkheden? Deze leden ontvangen hierop graag een reactie.

Het uiteindelijke doel van het cohesiebeleid is het vergroten van gelijkheid tussen regio's. De fractieleden van de BBB vragen of al deze nieuwe prioriteiten, zoals investeringen, wel even effectief bijdragen aan het dichten van de sociaaleconomische kloof tussen de minder ontwikkelde en meer ontwikkelde regio's. Hoe wordt dit gemeten? Deze leden ontvangen hierop graag een reactie.

De Europese Commissie constateert dat de implementatie van de huidige cohesiefondsen traag verloopt.4 Hoe zorgt deze herziening met alle nieuwe prikkels en mogelijkheden ervoor dat de middelen daadwerkelijk sneller en effectiever bij projecten in de regio’s terechtkomen? Wordt het systeem hier niet nog ingewikkelder en dus trager van? Hoe wordt dit gemonitord?

De fractieleden van de BBB vragen of u ervoor kunt pleiten dat landen met een lager dan gemiddeld foutenpercentage bij regionale fondsen (waaronder Nederland) ruimere mogelijkheden krijgen voor cofinanciering. Zo nee, waarom niet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD

De fractieleden van de PvdD stellen dat uit de stukken niet helder wordt wat de redenen voor de herziening zijn. Aan de ene kant wordt gesproken over onder-uitputting van de cohesiefondsen; aan de andere kant worden nieuwe prioriteiten genoemd.

Wat zijn de aanleidingen voor de herziening? Als onder-uitputting één van de aanleidingen is, waarom wordt er dan niet voor gekozen om simpelweg minder uit te geven?

Inhoudelijk hebben de fractieleden van de PvdD begrip voor een aantal van de voorstellen, zoals het investeren in het bijscholen, omscholen en herscholen van werknemers en ondernemers die bijdragen aan het decarbonisatie-proces, het investeren in waterweerbaarheid en betaalbare huisvesting. Deze doelen kunnen echter ook via de nationale begrotingen worden gefinancierd, in lijn met nationale prioriteiten. Bovendien heeft de EU geen competentie op het gebied van woningmarktbeleid.5

Het lijkt erop dat dit geld op zoek is naar een bestemming. De fractieleden van de PvdD ontvangen hierop graag een reactie.

Om hoeveel geld gaat het daadwerkelijk? Verschillende bedragen worden genoemd. In het voorstel wordt gesproken van 16,1 miljard euro aanvullende voorfinanciering in 2026, met een netto effect op de begroting van 3,6 miljard euro. Het BNC-fiche spreekt van een totaal van 4,1 miljard euro in 2026.

En hoe zijn deze gelden verdeeld over de verschillende nieuwe prioriteiten en de verschillende lidstaten? Deze leden ontvangen graag een gedetailleerde toelichting op de financiële consequenties.

Welke oorspronkelijke prioriteiten van het cohesiebeleid krijgen door de herziening minder financiering?

De fractieleden van de PvdD vragen of de investeringen in defensie onderdeel zijn van het Readiness 2030 programma of additioneel zijn.

Gelden deze investeringen in defensie als onderdeel van de NAVO norm (voor de lidstaten die lid zijn van de NAVO)?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van JA21

De fractieleden van JA21 vragen waarom u het wenselijk acht dat de EU zich via het cohesiebeleid gaat bemoeien met beleidsterreinen zoals woningbouw en infrastructuur, waarvoor geen exclusieve EU-bevoegdheid bestaat.

Hoe verhoudt dit voorstel zich tot het streven naar terughoudendheid met Europees optreden op terreinen waar lidstaten zelf kunnen handelen?

Erkent u dat dit voorstel de EU-begroting zwaarder zal belasten in 2026 en latere jaren, ondanks dat het formeel geen aanvullend geld vergt? Vindt u dat verantwoord ten opzichte van de Nederlandse belastingbetaler?

De leden van de JA21-fractie vragen of het klopt dat ook meer ontwikkelde regio’s, waaronder die in Nederland, conform het voorstel toegang krijgen tot middelen voor Important Projects of Common European Interest (IPCEI’s)? Verwacht u dat Nederlandse regio’s hiervan gebruik gaan maken? Is hier overleg over geweest? Zo ja, kunnen deze gespreksverslagen worden gedeeld met de Kamer? Zo nee, waarom niet?

Wat zijn de budgettaire gevolgen voor Nederland? Anders gezegd, blijft Nederland netto-betaler? En zo ja, verandert er relatief iets aan die positie? De fractieleden van JA21 ontvangen graag een overzicht van de stijging (of daling) van de bijdrage en de ontvangsten in zowel euro's als percentages.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van Volt

Het eerste thema waar de fractieleden van Volt vragen over hebben betreft de financiële gevolgen van de voorgestelde wijzigingen. Eén van de redenen voor de wijzigingen is dat «de implementatie van de huidige cohesiefondsen traag verloopt en de uitputting van middelen achterblijft.»6 Dat betekent effectief dat aan het einde van de periode er een bedrag niet zou zijn uitgegeven. Heeft u een indicatie van de totaal voorziene onder-uitputting zonder de wijzigingen? Hoe zijn die verdeeld over de lidstaten? Wat is de op dit moment de verwachte onder-uitputting voor Nederland? Gezien de bijdrage van Nederland aan de EU-begroting, wat zou het gevolg zijn voor Nederland van een totale EU-onderuit-putting en de daaraan verbonden lagere EU-bijdrage, zo vragen de fractieleden van Volt.

Aan het vorige thema gekoppeld is het voorstel om tot 100% financiering over te gaan. U spreekt uit hier gereserveerd tegenover te staan. Tezelfdertijd geeft u in een andere context aan wel positief te staan om in de toekomst de systematiek van het herstel- en veerkrachtfonds over te nemen. Daar hoort ook de 100% financiering bij. Hoe verhouden deze twee posities zich ten opzichte van elkaar?

Er zijn als tweede thema ook een aantal vragen over de gekozen additionele sectoren waar de gelden aan mogen worden uitgegeven. Daarbij valt op dat er geen impactanalyse is gemaakt en bij de toewijzing van de middelen ook geen rekening is gehouden met de verschillende regionale problemen. Deze leden vragen of u heeft overwogen een reallocatie van middelen voor te stellen die meer recht doet aan de op te lossen problemen. Hoe zit dit met een herziening van de kernindicatoren?

Er is in de ogen van de fractieleden van Volt terecht steun voor een verdere investering van defensie in de verschillende lidstaten, met name ten aanzien van de defensie-industrie. In welke mate worden hierbij regionale verschillen meegewogen? Is er een onderscheid gemaakt tussen landen die wel en landen die niet aan de collectieve veiligheid via de NAVO bijdragen? Wat is de datum van vastlegging die gekozen is voor deze wijziging? Is dit de oorspronkelijke datum van inwerkingtreding van de programma’s? Zo ja, hoe verhoudt zich dat dan met het principe van additionaliteit? Als de datum van vastlegging de datum van de programmaherziening is, hoe kunnen lidstaten hier nog aan voldoen nu de programma’s bijna ten einde lopen?

«Het kabinet is echter kritisch op verdere verbreding van het cohesiebeleid door betaalbare huisvesting op te nemen als aparte prioriteit.»7 Dit geldt ook voor de verbreding voor waterbeheer. Kunt u toelichten waarom u hier niet positiever tegenover staat gezien de problemen op deze terreinen in Nederland? Ziet u een mogelijkheid voor een Important Project of Common European Interest (IPCEI) voor door woningbouwcorporaties of vergelijkbare Europese organisaties gebouwde woningen, om zo het probleem van mogelijke staatssteun op te lossen? Zou het niet goed zijn het gebrek aan woningen en benodigde investeringen in waterbeheer ook mee te nemen bij de toewijzing van de middelen voor het komende meerjarig financieel kader (MFK), indachtig de inzet van de Nederlandse regering in het verleden ten aanzien van de «negatieve bergen en heuvels»?

U spreekt over de mogelijke opportuniteiten om de besteding van EFRO-middelen voor het INTERREG-programma en voor stedelijke ontwikkeling te verbeteren.8 De fractieleden van Volt vragen waar u in dat kader concreet aan denkt. Hoe worden de provincies en de gemeenten bij de inname van het Nederlandse standpunt betrokken? Welk positief effect zou dit mogelijk kunnen hebben op de besteedbare middelen van de medeoverheden?

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, S.M. Kluit

BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 augustus 2025

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei over de tussentijdse herziening van het cohesiebeleid die u op 17 juni per brief aan mij heeft verstuurd. Vanwege het zomerreces is het mij helaas niet gelukt om de beantwoording binnen de gestelde termijn aan uw Kamer te doen toekomen.

De Minister van Economische Zaken, V.P.G. Karremans

Beantwoording vragen van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei over de tussentijdse herziening van het Cohesiebeleid (E250010)

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

1.

Om investeringen in nieuwe prioriteiten te stimuleren, stelt de Commissie voor om tot 100% EU-cofinanciering te bieden. De fractieleden van de BBB vragen of 100% EU-financiering er niet toe leidt dat lidstaten, regio's en gemeenten minder «eigenaarschap» voelen en daardoor minder goed letten op een doelmatige besteding van Europees geld.

Antwoord:

Zoals aangegeven in het BNC-fiche over de tussentijdse herziening van het cohesiebeleid is het kabinet kritisch op het voorstel om 100% EU-financiering te verlenen aan projecten, omdat nationaal, regionaal en/of lokaal eigenaarschap bij projecten belangrijk is. Bij het ontbreken van dit eigenaarschap dreigt het risico dat de noodzaak voor een doeltreffende en doelmatige besteding van eigen middelen wegvalt. Nationale cofinanciering door publieke en private partners is altijd een integraal onderdeel van het cohesiebeleid geweest en het kabinet wil dit principe behouden. Op aandringen van het kabinet heeft de Raad in de onderhandelingen ingezet op een verlaging van het cofinancieringspercentage. In het voorlopige akkoord dat op 15 juli jl. is bereikt tussen de Raad en het Europees Parlement is de mogelijkheid tot een hoger cofinancieringspercentage ingeperkt.

2.

De Commissie wil een voorfinanciering van maar liefst 30% geven voor middelen die naar nieuwe prioriteiten gaan, tegenover de huidige 0,5% per jaar. De fractieleden van de BBB vragen of zo'n extreem hoge voorfinanciering wel verstandig en proportioneel is, vooral zonder duidelijke onderbouwing. Lost dit wel echt de trage implementatie op, of geeft het lidstaten alleen een voorschot zonder dat de projecten ook echt van de grond komen? Ziet u deze risico’s ook? Zo ja, wat kunt u als grote netto-betaler doen om deze te beperken?

Antwoord:

Zoals aangegeven in het BNC-fiche over de tussentijdse herziening van het cohesiebeleid is het kabinet kritisch op het voorstel om 30% voorfinanciering te verlenen. Hoewel het kabinet denkt dat een bepaalde mate van liquiditeit door extra voorfinanciering de implementatie van programma’s kan versnellen, lijkt de voorgestelde 30% voorfinanciering hoger dan noodzakelijk om de doelstelling van het voorstel te bereiken. De hoogte van dit percentage wordt ook onvoldoende onderbouwd in het voorstel. Op aandringen van het kabinet heeft de Raad in de onderhandelingen ingezet op een verlaging van het voorfinancieringspercentage. In het voorlopige akkoord dat op 15 juli jl. is bereikt tussen de Raad en het Europees Parlement is het voorfinancieringspercentage naar beneden bijgesteld.

3.

De Commissie heeft geen nieuwe impact assessment uitgevoerd voor deze ingrijpende voorstellen, aldus de fractieleden van de BBB. Moeten we niet eerst weten wat de gevolgen zijn voordat we akkoord gaan? Wil u alsnog toezeggen te pleiten voor een dergelijke analyse? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Het kabinet hecht belang aan degelijke impact assessments binnen EU-beleidsvorming en heeft bij de Commissie meermaals erop aangedrongen om alsnog een impact assessment op het voorstel uit te voeren.

4.

In het BNC-fiche meldt u dat het grootste deel van de Nederlandse cohesiemiddelen al is toegekend aan projecten. Hoeveel realistische ruimte is er dan nog voor onze regio's om hier flexibel mee om te gaan? Is het geen papieren tijger?

Antwoord:

In Nederland is de ruimte om cohesiemiddelen te herprioriteren beperkt. De meeste programma’s hebben het grootste deel van het beschikbare budget al toegekend aan projecten. Mogelijkheden voor herprioritering zijn er met name nog bij het EFRO-programma in Noord-Nederland en de landsgrensoverschrijdende programma’s in de Duits-Nederlandse grensregio (Interreg Duitsland-Nederland en Interreg Maas-Rijn). De beheerautoriteiten van deze programma’s zijn gewezen op de mogelijkheden die het Commissievoorstel biedt. De grootste winst van dit voorstel is echter te halen in lidstaten met grotere cohesie-enveloppen waar de uitputting achterblijft.

5.

Het voorstel maakt het makkelijker om steun te verlenen aan grote bedrijven. Zouden cohesiefondsen zich niet primair moeten blijven richten op investeringen in het midden- en kleinbedrijf, inclusief startups en scale-ups, die vaak de motor van de regionale economie zijn? Grote internationale bedrijven hebben toch andere financieringsmogelijkheden?

Antwoord:

Zoals aangegeven in het BNC-fiche over de tussentijdse herziening van het cohesiebeleid is het kabinet van mening dat de fondsen onder cohesiebeleid zich primair moeten blijven richten op investeringen in het midden- en kleinbedrijf (mkb). Het kabinet stelt zich terughoudend op bij het verruimen van de mogelijkheden voor grote bedrijven, maar denkt ook dat in specifieke gevallen gerichte steun aan grote bedrijven actief in de energietransitie en de defensiesector noodzakelijk kan zijn om de regionale concurrentiekracht te bevorderen.

6.

Het uiteindelijke doel van het cohesiebeleid is het vergroten van gelijkheid tussen regio's. De fractieleden van de BBB vragen of al deze nieuwe prioriteiten, zoals investeringen, wel even effectief bijdragen aan het dichten van de sociaaleconomische kloof tussen de minder ontwikkelde en meer ontwikkelde regio's. Hoe wordt dit gemeten?

Antwoord:

Het cohesiebeleid blijft gericht op het bevorderen van convergentie tussen Europese regio’s. Het Commissievoorstel doet hier geen afbreuk aan. Regio’s besluiten nog steeds zelf of zij willen investeren in de nieuwe prioriteiten, indien zij denken dat dit bijdraagt aan het versterken van de regionale concurrentiekracht. De monitoring- en rapportageverplichtingen zoals bekend in de programma’s blijven van toepassing bij eventuele herprioritering. Daarbij komt dat de Commissie de economische, sociale en territoriale cohesie binnen de EU iedere drie jaar evalueert in het Cohesieverslag.

7.

De Europese Commissie constateert dat de implementatie van de huidige cohesiefondsen traag verloopt. Hoe zorgt deze herziening met alle nieuwe prikkels en mogelijkheden ervoor dat de middelen daadwerkelijk sneller en effectiever bij projecten in de regio’s terechtkomen? Wordt het systeem hier niet nog ingewikkelder en dus trager van? Hoe wordt dit gemonitord?

Antwoord:

Door cohesieprogramma’s van aanvullende voorfinanciering te voorzien, kunnen beheerautoriteiten de middelen sneller uitkeren aan projecten. Onderzoek van de Europese Rekenkamer laat zien dat hiermee de implementatie van de programma’s wordt versneld. De voorfinanciering zal via de bestaande structuren in de cohesieprogramma’s beschikbaar komen. De bestaande monitoring- en rapportageregels blijven volledig van toepassing. Het voorstel bevat een aantal nieuwe indicatoren voor monitoring van de nieuwe prioriteiten.

8.

De fractieleden van de BBB vragen of u ervoor kunt pleiten dat landen met een lager dan gemiddeld foutenpercentage bij regionale fondsen (waaronder Nederland) ruimere mogelijkheden krijgen voor cofinanciering. Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Het kabinet ziet nationale cofinanciering door publieke en private partners als een integraal onderdeel van het cohesiebeleid en is geen voorstander van verruiming. Substantiële nationale cofinanciering zorgt voor nationale, regionale en/of lokale eigenaarschap bij projecten. Bij hoge EU-cofinancieringspercentages dreigt het risico dat de noodzaak voor een doeltreffende en doelmatige besteding van eigen middelen wegvalt. Ook wordt de controle op middelen vanuit lidstaten zelf ontmoedigd, wat mogelijk juist kan leiden tot een hoger foutenpercentage. Uiteraard hecht het kabinet wel grote waarde aan een correcte besteding van Europese middelen en zal het zich nadrukkelijk blijven inzetten dat relevante autoriteiten vermoede misstanden onderzoeken en waar nodig rechtzetten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD

9.

De fractieleden van de PvdD stellen dat uit de stukken niet helder wordt wat de redenen voor de herziening zijn. Aan de ene kant wordt gesproken over onder-uitputting van de cohesiefondsen; aan de andere kant worden nieuwe prioriteiten genoemd. Wat zijn de aanleidingen voor de herziening? Als onder-uitputting één van de aanleidingen is, waarom wordt er dan niet voor gekozen om simpelweg minder uit te geven?

Antwoord:

De Commissie wil met deze tussentijdse herziening de investeringen uit de fondsen onder het cohesiebeleid beter afstemmen op de nieuwe Europese prioriteiten. De bestaande prioriteiten en kaders van het cohesiebeleid zijn vastgesteld bij de onderhandelingen voor dit MFK in 2020. De EU staat inmiddels voor nieuwe uitdagingen op bijvoorbeeld het gebied van het EU-concurrentievermogen en de defensie-industrie. De fondsen onder het cohesiebeleid bieden het grootste investeringsinstrumentarium binnen het huidige Meerjarig Financieel Kader (MFK) dat loopt van 2021 tot en met 2027. De allocatie van deze middelen is voor de gehele periode vastgelegd in lidstaat-enveloppen. Omdat de uitputting van het cohesiebeleid vooralsnog achterblijft, bieden deze fondsen binnen het huidige MFK mogelijk wel nog ruimte om nu al in deze nieuwe prioriteiten te investeren.

10.

Inhoudelijk hebben de fractieleden van de PvdD begrip voor een aantal van de voorstellen, zoals het investeren in het bijscholen, omscholen en herscholen van werknemers en ondernemers die bijdragen aan het decarbonisatie-proces, het investeren in waterweerbaarheid en betaalbare huisvesting. Deze doelen kunnen echter ook via de nationale begrotingen worden gefinancierd, in lijn met nationale prioriteiten. Bovendien heeft de EU geen competentie op het gebied van woningmarktbeleid. Het lijkt erop dat dit geld op zoek is naar een bestemming. De fractieleden van de PvdD ontvangen hierop graag een reactie.

Antwoord:

Zoals aangegeven in het BNC-fiche over de tussentijdse herziening van het cohesiebeleid is het oordeel van het kabinet t.a.v. het subsidiariteitsbeginsel positief.

Het kabinet erkent dat in de afgelopen jaren toegang tot betaalbare huisvesting een groeiend en nijpend probleem is gebleken in de EU. De EU heeft geen exclusieve of gedeelde competentie op het gebied van woningmarktbeleid, maar kan wel indirect invloed uitoefenen via bijvoorbeeld subsidies, sociale inclusie, interne markt en staatsteunregels. Het kabinet zet op EU-niveau in op betaalbare huisvesting, o.a. door het verruimen van de staatssteunregels voor huurwoningen in het middensegment en het versimpelen en stroomlijnen van andere Europese regelgeving die woningbouw en renovatie vertraagt of belemmert.

Het kabinet is echter terughoudend over verdere verbreding van het cohesiebeleid door van betaalbare huisvesting en waterweerbaarheid nieuwe prioriteiten te maken. Dit past niet binnen de kabinetsinzet voor een gefocust cohesiebeleid dat zich richt op convergentie en concurrentievermogen. Het kabinet vraagt zich af of met meer cohesiegeld voor betaalbare huisvesting en waterweerbaarheid de meeste Europese toegevoegde waarde kan worden gecreëerd.

11.

Om hoeveel geld gaat het daadwerkelijk? Verschillende bedragen worden genoemd. In het voorstel wordt gesproken van 16,1 miljard euro aanvullende voorfinanciering in 2026, met een netto effect op de begroting van 3,6 miljard euro. Het BNC-fiche spreekt van een totaal van 4,1 miljard euro in 2026.

Antwoord:

De tussentijdse herziening van het cohesiebeleid betreft een voorstel voor herverdeling binnen de aan lidstaten gealloceerde enveloppes voor cohesie. Dit betreft geen voorstel tot aanvullende middelen. De voorstellen kunnen wel effect hebben op het ritme en de omvang van de betalingen, binnen het afgesproken betalingenplafond van het MFK.

De Commissie schat het netto-effect van additionele voorfinanciering binnen EFRO en het Cohesiefonds op het betalingenniveau ca. 3,6 mld. euro in 2026. Het netto-effect van additionele voorfinanciering binnen ESF+ op het betalingenniveau bedraagt ca. 0,5 mld. euro in 2026. In totaal betekent dit een netto-effect van 4,1 mld. euro.

12.

En hoe zijn deze gelden verdeeld over de verschillende nieuwe prioriteiten en de verschillende lidstaten? De fractieleden van de PvdD ontvangen graag een gedetailleerde toelichting op de financiële consequenties.

Antwoord:

De middelen voor het cohesiebeleid liggen binnen het huidige MFK (2021–2027) vast in lidstaat-enveloppen. Dit voorstel voorziet geen aanpassingen aan deze verdeling tussen lidstaten. Er komen met dit voorstel ook geen nieuwe middelen voor Nederland of andere lidstaten beschikbaar.

Op 15 juli jl. is een voorlopig akkoord bereikt tussen de Raad en het Europees Parlement over het voorstel. Definitieve goedkeuring wordt in september verwacht. Het is nu nog onduidelijk in hoeverre lidstaten en regio’s gebruik zullen maken van de mogelijkheden die het voorstel biedt. Het kabinet kan daarom geen inschatting maken van de (financiële) effecten van het voorstel.

13.

Welke oorspronkelijke prioriteiten van het cohesiebeleid krijgen door de herziening minder financiering?

Antwoord:

Indien het Commissievoorstel wordt aangenomen door de Raad en het Europese Parlement, beslissen de lidstaten zelf of zij gebruik maken van de mogelijkheden voor herprioritering naar de nieuwe prioriteiten die met dit voorstel binnen het cohesiebeleid worden geïntroduceerd. Het kabinet heeft geen zicht op de mate waarin andere lidstaten besluiten om te herprioriteren op de nieuwe prioriteiten uit het Commissievoorstel.

14.

De fractieleden van de PvdD vragen of de investeringen in defensie onderdeel zijn van het Readiness 2030 programma of additioneel zijn.

Antwoord:

Ja, de EU wil met het Paraatheid 2030 programma bestaande EU-instrumenten beter benutten voor investeringen in defensie. De toevoeging van een nieuwe prioriteit voor defensie en veiligheid bij de tussentijdse herziening van het cohesiebeleid is daar onderdeel van.

15.

Gelden deze investeringen in defensie als onderdeel van de NAVO norm (voor de lidstaten die lid zijn van de NAVO)?

Antwoord:

Op de NAVO-top hebben bondgenoten zich gecommitteerd aan het «The Hague Defence Investment Plan» van 5% defensie-uitgaven ten opzichte van het bbp in 2035. Dit percentage is onderverdeeld in 3,5% voor directe defensie-uitgaven en 1,5% voor bredere investeringen in defensie-gerelateerde uitgaven, zoals maatschappelijke weerbaarheid en infrastructuur. Voor de directe defensie-uitgaven wordt gekeken naar uitgaven die op de nationale begroting staan. De EU-bijdrage uit de fondsen onder het cohesiebeleid valt hier dus niet onder. De NAVO-bondgenoten gaan de komende tijd nog in gesprek over de precieze invulling van de defensie-relevante uitgaven.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van JA21

16.

De fractieleden van JA21 vragen waarom u het wenselijk acht dat de EU zich via het cohesiebeleid gaat bemoeien met beleidsterreinen zoals woningbouw en infrastructuur, waarvoor geen exclusieve EU-bevoegdheid bestaat. Hoe verhoudt dit voorstel zich tot het streven naar terughoudendheid met Europees optreden op terreinen waar lidstaten zelf kunnen handelen?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 10.

17.

Erkent u dat dit voorstel de EU-begroting zwaarder zal belasten in 2026 en latere jaren, ondanks dat het formeel geen aanvullend geld vergt? Vindt u dat verantwoord ten opzichte van de Nederlandse belastingbetaler?

Antwoord:

De voorstellen van de Commissie hebben geen directe gevolgen voor de raming van de Nederlandse afdrachten aan de EU. De raming van de Nederlandse afdrachten aan de EU houdt rekening met de maximale uitputting van cohesiemiddelen. De tussentijdse herziening van het cohesiebeleid bevat voorstellen voor herverdeling van cohesiemiddelen binnen de vastgelegde enveloppen van lidstaten, geen voorstellen voor aanvullende middelen. Het vormt dus geen financieel risico voor de Nederlandse belastingbetaler. De voorstellen kunnen wel effect hebben op het ritme en de omvang van de betalingen, binnen het afgesproken betalingenplafond van het MFK.

18.

De leden van de JA21-fractie vragen of het klopt dat ook meer ontwikkelde regio’s, waaronder die in Nederland, conform het voorstel toegang krijgen tot middelen voor Important Projects of Common European Interest (IPCEI’s)? Verwacht u dat Nederlandse regio’s hiervan gebruik gaan maken? Is hier overleg over geweest? Zo ja, kunnen deze gespreksverslagen worden gedeeld met de Kamer? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Het Commissievoorstel bevat de mogelijkheid voor alle categorieën regio’s om vanuit EFRO direct te investeren in Important Projects of Common European Interest (IPCEI’s). Er komen geen nieuwe middelen voor Nederland of andere lidstaten beschikbaar. De Nederlandse regio’s zijn gewezen op de mogelijkheden die het Commissievoorstel biedt. Zij zijn voornemens de resterende middelen op een andere wijze in te zetten. Hier zijn geen specifieke gespreksverslagen van.

19.

Wat zijn de budgettaire gevolgen voor Nederland? Anders gezegd, blijft Nederland netto-betaler? En zo ja, verandert er relatief iets aan die positie? De fractieleden van JA21 ontvangen graag een overzicht van de stijging (of daling) van de bijdrage en de ontvangsten in zowel euro’s als percentages.

Antwoord:

Het voorstel voorziet geen aanpassingen op de huidige verdeling van cohesiemiddelen tussen lidstaten. Er komen met dit voorstel ook geen nieuwe middelen voor Nederland of andere lidstaten beschikbaar. Er verandert daarom niks aan de (relatieve) positie van Nederland als netto-betaler aan de EU.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van Volt

20.

Eén van de redenen voor de wijzigingen is dat de implementatie van de huidige cohesiefondsen traag verloopt en de uitputting van middelen achterblijft. Dat betekent effectief dat aan het einde van de periode er een bedrag niet zou zijn uitgegeven. Heeft u een indicatie van de totaal voorziene onder-uitputting zonder de wijzigingen? Hoe zijn die verdeeld over de lidstaten? Wat is de op dit moment de verwachte onder-uitputting voor Nederland? Gezien de bijdrage van Nederland aan de EU-begroting, wat zou het gevolg zijn voor Nederland van een totale EU-onderuitputting en de daaraan verbonden lagere EU-bijdrage?

Antwoord:

Indien de implementatie van de huidige programma’s niet wordt versneld, heeft dit mogelijk tot gevolg dat een deel van het aan een lidstaat gealloceerde budget niet tijdig wordt uitgegeven. Deze middelen worden gealloceerd in jaarschijven. Middelen uit een jaarschijf die na 3 jaar nog niet zijn besteed worden gedecommitteerd. Decommiteringen zijn aangegane verplichtingen die uiteindelijk niet tot uitbetaling zijn gekomen. Als middelen worden gedecommitteerd leidt dat tot een lagere realisatie, wat op termijn kan resulteren in lagere Nederlandse afdrachten aan de EU-begroting. Echter spelen meerdere factoren een rol bij de vertraagde implementatie, waardoor het kabinet niet goed kan inschatten in hoeverre met het voorstel mogelijke decommitteringen worden voorkomen.

In Nederland is het merendeel van de cohesiemiddelen reeds gecommitteerd aan begunstigden of wordt op korte termijn gecommitteerd. Nederland behoort daarmee tot de koplopers in Europa. Voor een overzicht van de voortgang van de implementatie van de fondsen onder het cohesiebeleid in de verschillende lidstaten verwijs ik u graag naar het Cohesion Open Data Platform9.

21.

Aan het vorige thema (zie vraag 20) gekoppeld is het voorstel om tot 100% financiering over te gaan. U spreekt uit hier gereserveerd tegenover te staan. Tezelfdertijd geeft u in een andere context aan wel positief te staan om in de toekomst de systematiek van het herstel- en veerkrachtfonds over te nemen. Daar hoort ook de 100% financiering bij. Hoe verhouden deze twee posities zich ten opzichte van elkaar?

Antwoord:

Voor het kabinet blijft nationale cofinanciering door publieke en private partners een integraal onderdeel van het cohesiebeleid, ook bij eventuele invoering van een nieuwe systematiek. De Europese Commissie heeft op 16 juli jl. haar voorstellen voor het volgende Meerjarig Financieel Kader gepubliceerd, waarin onder meer een structuur is opgenomen die vergelijkbaar is met de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit. Daarbij staat het kabinet open tegenover het verkennen van resultaatfinanciering. Het kabinet is momenteel bezig om deze voorstellen, inclusief de implicaties voor nationale cofinanciering, zorgvuldig te appreciëren en zal de Kamer hier begin september over informeren.

22.

Er zijn ook een aantal vragen over de gekozen additionele sectoren waar de gelden aan mogen worden uitgegeven. Daarbij valt op dat er geen impactanalyse is gemaakt en bij de toewijzing van de middelen ook geen rekening is gehouden met de verschillende regionale problemen. De fractieleden van Volt vragen of u heeft overwogen een reallocatie van middelen voor te stellen die meer recht doet aan de op te lossen problemen. Hoe zit dit met een herziening van de kernindicatoren?

Antwoord:

Het kabinet betreurt dat er geen impact assessment is uitgevoerd en heeft er bij de Commissie meermaals op aangedrongen om alsnog een impact assessment op het voorstel uit te voeren. Het kabinet zet zich in de Raad in voor een cohesiebeleid dat gefocust blijft op het bevorderen van convergentie en het versterken van het concurrentievermogen. Gezien de veranderende geopolitieke context acht het kabinet het wel van belang dat het cohesiebeleid lidstaten meer ruimte biedt om ook te investeren in defensie en veiligheid. Het kabinet stelt zich in de Raad echter terughoudend op over de verdere verbreding van het cohesiebeleid door ook van waterweerbaarheid en betaalbare huisvesting nieuwe prioriteiten te maken. Uiteindelijk bepalen lidstaten en regio’s zelf of het voor hun opportuun is om te investeren in de nieuwe prioriteiten. De indicatoren van de huidige prioriteiten in de cohesieprogramma’s blijven ongewijzigd, maar het voorstel bevat een aantal nieuwe indicatoren voor monitoring van de nieuwe prioriteiten.

23.

Er is in de ogen van de fractieleden van Volt terecht steun voor een verdere investering van defensie in de verschillende lidstaten, met name ten aanzien van de defensie-industrie. In welke mate worden hierbij regionale verschillen meegewogen? Is er een onderscheid gemaakt tussen landen die wel en landen die niet aan de collectieve veiligheid via de NAVO bijdragen?

Antwoord:

De middelen voor het cohesiebeleid liggen binnen het huidige MFK (2021–2027) vast in lidstaat-enveloppen. Het voorstel voorziet geen aanpassingen aan deze verdeling tussen lidstaten of tussen regio’s. Lidstaten en regio’s beslissen uiteindelijk zelf of zij gebruik willen maken van de nieuwe mogelijkheden die dit voorstel biedt voor investeringen in defensie en veiligheid. NAVO-lidmaatschap speelt hierbij geen rol.

24.

Wat is de datum van vastlegging die gekozen is voor deze wijziging? Is dit de oorspronkelijke datum van inwerkingtreding van de programma’s? Zo ja, hoe verhoudt zich dat dan met het principe van additionaliteit? Als de datum van vastlegging de datum van de programmaherziening is, hoe kunnen lidstaten hier nog aan voldoen nu de programma’s bijna ten einde lopen?

Antwoord:

Cohesieprogramma’s zijn verplicht om halverwege de looptijd een tussentijdse evaluatie uit te voeren en bij de Commissie een eventuele herziening van het programma in te dienen. De deadline voor deze tussentijdse herziening van het programma stond aanvankelijk op 31 maart van dit jaar. Om effectief gebruik te maken van de mogelijkheden die het voorstel biedt, stelt de Commissie voor dat cohesieprogramma’s de reeds ingediende tussentijdse herzieningen kunnen aanpassen tot twee maanden nadat het voorstel van kracht is. In principe kunnen alle middelen die nog niet zijn gecommitteerd onder de huidige cohesieprogramma’s voor herprioritering worden ingezet.

25.

«Het kabinet is echter kritisch op verdere verbreding van het cohesiebeleid door betaalbare huisvesting op te nemen als aparte prioriteit.» Dit geldt ook voor de verbreding voor waterbeheer. Kunt u toelichten waarom u hier niet positiever tegenover staat gezien de problemen op deze terreinen in Nederland?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 10.

26.

Ziet u een mogelijkheid voor een Important Project of Common European Interest (IPCEI) voor door woningbouwcorporaties of vergelijkbare Europese organisaties gebouwde woningen, om zo het probleem van mogelijke staatssteun op te lossen?

Antwoord:

Nee. IPCEI is onderdeel van het staatssteuninstrumentarium, op basis waarvan lidstaten nationaal omvangrijke steun mogen verlenen. Met IPCEI’s komen geen Europese gelden beschikbaar.

Onder strikte voorwaarden laten IPCEI-regels lidstaten en industrieën toe om gezamenlijk in doorbraakinnovatie en infrastructuur te investeren. Dit met het oog op het leveren van een zeer belangrijke bijdrage aan duurzame economische groei, werkgelegenheid, concurrentievermogen en veerkracht voor de industrie en de economie in de Europese Unie en de open strategische autonomie ervan versterken via grensoverschrijdende samenwerking. Reguliere (publieke) investeringen zoals het bouwen van woningen vallen niet binnen deze criteria.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Gasteren (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Oplaat (BBB), Panman (BBB), Crone (GroenLinks-PvdA), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Vos (GroenLinks-PvdA), Van Ballekom (VVD), Straus (VVD), Petersen (VVD), Bovens (CDA), Prins (CDA), Aerdts (D66), Dittrich (D66), Van Strien, (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Aelst-den Uijl (SP), Holterhues (ChristenUnie), Dessing (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL), Kemperman (Fractie-Kemperman)

X Noot
2

COM(2025)123, 2025/0084 (COD).

X Noot
3

BNC-fiche COM(2025)123, p. 5, 11.

X Noot
4

BNC-fiche COM(2025)123, p. 2.

X Noot
5

BNC-fiche COM(2025)123, p. 7.

X Noot
6

BNC-fiche COM(2025)123, p. 2.

X Noot
7

BNC-fiche COM(2025)123, p. 7.

X Noot
8

BNC-fiche COM(2025)123, p. 11.

Naar boven