Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 maart 2026
Tijdens het Eerste Kamerdebat van 24 maart over de RED-III implementatie heb ik uw
Kamer toegezegd om terug te komen op een aantal vragen met betrekking tot de inzet
van dierlijk vet voor het behalen van de brandstoftransitieverplichting. In deze Kamerbrief
kom ik hierop terug.
In 2024 werd 5,5% van de biobrandstoffen die werden ingezet in de Nederlandse vervoerssector
geproduceerd uit dierlijk vet. Dierlijk vet uit de slachtindustrie is een laagwaardig
afvalproduct, wat wil zeggen dat het niet voor andere toepassingen gebruikt kan en
mag worden. Biobrandstoffen geproduceerd uit deze vetten vervangen fossiele brandstoffen.
Dierlijk vet wordt in Europa op grond van de wettelijk toegestane toepassingen ingedeeld
in drie categorieën. De laagste twee categorieën zijn gelimiteerd toegestaan voor
de productie van biobrandstoffen. Deze categorieën mogen niet worden ingezet voor
andere toepassingen. De hoogste categorie (dierlijk vet categorie 3) is wel geschikt
voor gebruik in cosmetica en wordt in Nederland niet ingezet voor de productie van
biobrandstoffen (zie bijlage).
In het Eerste Kamerdebat over de RED-III implementatie uitte het lid Visseren-Hamakers
zorgen over de duurzaamheid en hernieuwbaarheid van dierlijke vetten voor de productie
van biobrandstoffen. Allereerst vroeg zij naar de herkomst van het dierlijk vet dat
wordt ingezet voor biobrandstoffen om te voldoen aan de brandstoftransitieverplichting.
De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) rapporteert jaarlijks over de herkomst en samenstelling
van hernieuwbare energie in vervoer. In de rapportage hernieuwbare energie voor vervoer
in Nederland is te zien dat er in 2024 geen leveringen van biobrandstoffen gemaakt
uit dierlijk vet categorie 3 plaatsvonden (zie bijlage). Biobrandstoffen gemaakt uit
dierlijk vet categorie 1 kwamen uit Nederland en de rest van West Europa (64%; met
name Nederland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk), Oost-Europa (17%) en Azië
(19% China, Rusland, Israël). Biobrandstoffen gemaakt uit dierlijk vet categorie 2
kwamen uit West-Europa (92%; vooral Finland) en Oost-Europa (8%).
Ten tweede vroeg het lid Visseren-Hamakers tijdens het debat naar de mitigerende maatregelen
die genomen worden om de nadelen van het gebruik van categorie 3 dierlijk vet voor
biobrandstofproductie te verminderen. De overgang naar het nieuwe systeem zou zonder
aanpassing ertoe leiden dat de inzet van categorie 3 dierlijk vet laagdrempeliger
wordt. Dit zou zich kunnen uiten in een stijgende inzet van de grondstof voor biobrandstofproductie,
en in een dalende inzet van de grondstof voor andere toepassingen zoals de cosmetische
sector. Vanwege deze reden wordt er op categorie 3 dierlijk vet een dempingsfactor
van 0,5 ingesteld. Daarmee tellen biobrandstoffen uit deze dierlijke vetten maar voor
de helft mee in het behalen van de brandstoftransitieverplichting. Hiermee houden
we de inzet van dierlijke vetten zeer beperkt.
Ten derde vroeg het lid Visseren-Hamakers naar de meerwaarde van de inzet van dierlijk
vet en mest voor de productie van biobrandstoffen. Daarbij vroeg zij specifiek of
de klimaat- en milieu-impact van de landbouwsector wordt meegenomen in de CO2-reductieberekeningen van deze biobrandstoffen, en of deze grondstof wel echt hernieuwbaar
is. De in de Nederlandse vervoerssector ingezette dierlijk vet en mest zijn afvalproducten
van de landbouwsector die geen andere toepassingen kennen dan voor biobrandstofproductie.
Deze grondstoffen zouden anders ongebruikt weggegooid of verbrand worden. Bovendien
leidt inzet van deze biogrondstoffen niet tot het in stand houden van de veestapel
of van emissies in de landbouwsector.
De klimaat- en milieu-impact van de landbouwsector wordt niet meegenomen in de CO2-reductieberekeningen. Dit komt doordat het hier gaat om emissies en milieueffecten
die al plaatsvinden vóór de winning van de biogrondstoffen. Factoren zoals CO2-uitstoot en de milieu-impact van bijvoorbeeld pesticidengebruik, maken volgens de
Europese regels geen deel uit van de ketenemissiereductie die wordt toegeschreven
aan het gebruik van dierlijk vet en mest. Dit geldt voor de meeste rest- en afvalstromen
die ingezet kunnen worden voor de productie van biobrandstoffen. Voor grondstoffen
zoals tussengewassen wordt wél gekeken naar de gehele keten van de CO2-emissiereductie.
Wel geldt dat biogrondstoffen zoals dierlijk vet en mest aan strenge (duurzaamheids)eisen
moeten voldoen om te mogen worden ingezet voor de brandstoftransitieverplichting.
Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, leveren zij een aanzienlijke CO2-emissiereductie op ten opzichte van fossiele grondstoffen en worden zij als duurzaam
beschouwd.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram