Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36744 nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36744 nr. B |
Vastgesteld 17 maart 2026
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en OPNL hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis. Deze leden hechten in het bijzonder aan een nadere toelichting op de uitvoerbaarheid, proportionaliteit, terugwerkende kracht, rechtsgelijkheid en rechtsbescherming van het voorstel.
De leden van de BBB-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben een aantal vragen. Het valt de leden van de BBB-fractie op dat het wetsvoorstel voortvloeit uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, deze leden constateren echter dat de reikwijdte van het wetsvoorstel aanzienlijk verder gaat dan die uitspraak.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en hebben een aantal vragen.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis. Deze leden onderschrijven het belang van een goede rechtspositie voor mensen die werkzaam zijn in de huishoudelijke dienstverlening en zien dat het wetsvoorstel beoogt om de aansluiting met het reguliere arbeids- en socialezekerheidsrecht te verbeteren. Dat neemt volgens deze leden echter niet weg dat in de parlementaire behandeling aandacht moet worden besteed aan de praktische en stelselmatige gevolgen van de voorgestelde wijzigingen. Naar aanleiding van het wetsvoorstel hebben deze leden enkele vragen aan de regering.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Wet Regeling dienstverlening aan huis en hebben een aantal vragen. De leden van de VVD-fractie sluiten zich aan bij deze vragen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en hebben een aantal vragen.
De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben naar aanleiding van de amendering van het voorstel door de Tweede Kamer een aantal vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben een aantal vragen.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben een aantal vragen. De leden van de JA21-fractie sluiten zich aan bij deze vragen.
De leden van de fracties GroenLinks-PvdA en OPNL merken op dat het wetsvoorstel mede voortvloeit uit Europees recht en een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin is geoordeeld dat de huidige regeling voor pgb-zorgverleners onvoldoende toegang biedt tot werknemersverzekeringen. Hoe beoordeelt de regering de proportionaliteit van het wetsvoorstel, mede gezien de financiële en administratieve gevolgen voor budgethouders van het volledig onderbrengen van pgb-zorgverleners onder de werknemersverzekeringen?
Kan de regering in een overzicht duiden welke van de voorgestelde wijzigingen in de wetgeving wel of niet noodzakelijk zijn om aan de betreffende rechtspraak en het Europese recht te voldoen? In hoeverre is onderzocht of een beperktere aanpassing van de wetgeving mogelijk zou zijn geweest waarmee aan de verplichtingen vanuit Europees recht en rechtspraak wordt voldaan? De gemiddelde verhoging van de werkgeverslasten wordt ingeschat op circa 20%.2 Kan de regering aangeven hoe hoog deze lasten zouden zijn indien de aanpassingen zouden zijn beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is op grond van het Europese recht en desbetreffende rechtspraak?
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en OPNL hebben daarnaast nog enkele vragen met betrekking tot rechtsgelijkheid en rechtsbescherming.
De modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank voor partner- en familiezorg betreft een overeenkomst van opdracht. Kan de regering bevestigen dat bij een overeenkomst van opdracht in beginsel geen sprake is van werkgeverschap van de pgb-houder? Wat is het percentage van het aantal pgb-houders dat op dit moment een dergelijke overeenkomst van opdracht heeft? Wat is het percentage van pgb-houders waarvoor op basis van het wetsvoorstel de werkgeververplichtingen ontstaan?
Kan de regering bevestigen dat in de huidige situatie en op basis van het wetsvoorstel een dergelijke overeenkomst van opdracht alleen kan worden gebruikt wanneer de zorgverlener een partner of eerste- of tweedegraads familielid is? Op welke wijze wordt het begrip partner in het kader van dit wetsvoorstel gedefinieerd? Kan de regering toelichten of en wanneer een dergelijke constructie mogelijk is wanneer de zorgverlener en de pgb houder op een andere wijze duurzaam een huishouden delen dan vanuit partnerschap of als eerste- of tweedegraads familielid?
De aan het woord zijnde leden begrijpen dat in veel gevallen de loonadministratie en betalingen plaatsvinden via de Sociale Verzekeringsbank, terwijl in andere situaties de dienstverleningsrelatie op een andere wijze wordt vormgegeven. Kan de regering toelichten hoe op grond van het wetsvoorstel de rechtspositie van zowel budgethouder als zorgverlener voldoende wordt beschermd, met name wanneer feitelijke beslissingen over de arbeidsrelatie door een derde worden genomen? Kan de regering aangeven waarom de invoering van de regeling verschillend kan uitwerken voor zorgrelaties die via de SVB lopen en zorgrelaties die op andere wijze zijn georganiseerd? Hoe wordt voorkomen dat dergelijke verschillen, zoals het al dan niet van toepassing zijn van een transitieperiode, leiden tot rechtsongelijkheid in vergelijkbare situaties?
Volgens de leden van de VVD-fractie zet de verdere juridisering in dit wetsvoorstel de flexibiliteit van het organiseren van zorg via het pgb onder druk. Hoe beoordeelt de regering dit? Deze leden maken zich zorgen dat de flexibiliteit waarmee in wisselende zorgbehoeften kan worden voorzien, met daarbij de inzet van passende zorgmedewerkers, onder druk komt te staan zodra het werkgeverschap bij de budgethouder ligt. Hoe waarborgt de regering dat de flexibiliteit in de zorgrelatie behouden blijft wanneer het werkgeverschap bij de budgethouder ligt? Is de regering het met deze leden eens dat de werking van dit wetsvoorstel, waarbij taken worden overgenomen zonder dat de bijbehorende verantwoordelijkheid wordt overgedragen, een mogelijk precedent kan scheppen voor andere regelingen?
Deze leden vragen de regering daarnaast hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de wens van uitvoerende partijen om regelingen te vereenvoudigen? Welke mogelijkheden op korte en langere termijn ziet de regering om vereenvoudiging aan te brengen binnen het pgb-stelsel?
De aan het woord zijnde leden merken op dat in het verleden er verschillende signalen naar voren zijn gekomen over fraude binnen het pgb-stelsel. Hoe verwacht de regering dat het voorliggende wetsvoorstel de fraudegevoeligheid laat afnemen en welke maatregelen worden genomen om fraude binnen de pgb-sector tegen te gaan?
De leden van de CDA-fractie lezen dat dit wetsvoorstel tot doel heeft uitvoering te geven aan een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Echter, deze uitspraak ging alléén over sociale zekerheid, niet over allerlei arbeidsrechtelijke verplichtingen die het voor budgethouders ondoenbaar maken. Deze leden hebben vernomen dat in het vooroverleg op SZW door leden van de SGP-fractie en de CDA-fractie van de Tweede Kamer is aangedrongen op het uitsluiten van alle arbeidsrechtelijke verplichtingen in dit wetsvoorstel. Een daarvoor breed opgesteld amendement werd ontraden, omdat het een juridische onmogelijkheid zou zijn om afdrachten voor sociale zekerheid los te koppelen van arbeidsrechtelijke verplichtingen, anders dan de verplichtingen die nu wél al door de Tweede Kamer uit het oorspronkelijke wetsvoorstel zijn geamendeerd of waarvan de inwerkingtreding is opgeschort. Dit zou te maken hebben met het feit dat de SVB en het UWV het voorstel al in uitvoering hebben genomen. Deze leden lezen de argumentatie voor het ontraden voor een volledige uitsluiting daarvan niet terug bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Kan de regering hier alsnog op ingaan? Kan de regering ook aangeven hoe uitvoering gegeven gaat worden aan het amendement van het lid Bühler over een uitzondering op de inwerkingtreding van een aantal werkgeversverplichtingen?3
Deze leden maken zich grote zorgen over de uitvoerbaarheid van voorliggend wetsvoorstel. De bedoeling – bescherming van sociale zekerheid bij werknemers – is goed, maar de verplichtingen uit deze wet zijn voor de budgethouders volgens deze leden onwerkbaar. Feitelijk wordt het pgb hiermee om zeep geholpen. Dat kan toch niet de bedoeling van dit wetsvoorstel zijn? Kan de regering hierop reflecteren?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom zij het noodzakelijk acht de uitzonderingspositie van pgb-zorgverleners binnen de Regeling dienstverlening aan huis volledig te beëindigen en waarom een minder ingrijpende aanpassing van de regeling volgens de regering niet zou volstaan. Welke alternatieve oplossingsrichtingen zijn onderzocht om de geconstateerde problematiek op te lossen, en waarom zijn deze alternatieven uiteindelijk niet gekozen?
In hoeverre vloeit dit wetsvoorstel rechtstreeks voort uit jurisprudentie van de rechter en in hoeverre betreft dit een beleidsmatige keuze van de regering?
De leden van de SP-fractie vragen de regering of het geamendeerde wetsvoorstel nog wel zal werken zoals deze oorspronkelijk bedoeld was. Tevens vragen deze leden wat de gevolgen zijn van de aangenomen amendementen voor de uitvoering van de wet.
Daarnaast hebben deze leden de volgende vragen over het amendement van de leden Flach en Bühler over het intact laten van de uitzondering ten aanzien van scholing van zorgverleners.4
1. Kan de regering toelichten wat het effect is van het in stand laten van de uitzondering op scholing voor zorgverleners die minder dan vier dagen per week werken? In hoeverre blijft hierdoor een verschil bestaan in arbeidsrechten tussen zorgverleners die via een pgb werken en andere zorgverleners?
2. Acht de regering het wenselijk dat juist in sectoren waar veel kwetsbare werknemers werken een uitzondering op scholingsrechten blijft bestaan?
3. In hoeverre kan het ontbreken van scholingsmogelijkheden gevolgen hebben voor de kwaliteit van zorg, de duurzame inzetbaarheid van zorgverleners in deze sector en hun mogelijkheden om zich binnen de zorgsector verder te ontwikkelen?
4. Ziet de regering mogelijkheden om de zorgverleners die hieronder vallen alsnog tegemoet te komen?
Ook hebben de leden van de SP-fractie een tweetal vragen over het amendement van het lid Bühler over een uitzondering op de inwerkingtreding voor een aantal werkgeversverplichtingen voor pgb-houders.5
5. Deelt de regering de vrees van deze leden dat concrete verbeteringen in arbeidsrechten mogelijk niet tot stand komen door het opschorten van deze onderdelen van de wet? En zo ja, kan de regering dit specificeren?
6. Het amendement spreekt over een «juridische noodzaak» om de bepalingen alsnog in werking te laten treden. Kan de regering toelichten wat hieronder wordt verstaan en in welke situaties daarvan sprake zou kunnen zijn?
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep zich toespitst op de verplichting van werknemersverzekeringen. Dit wetsvoorstel voegt daar meer verplichtingen aan toe, zoals de verplichte verlofregeling en een verdere verankering van het reguliere ontslagrecht binnen de pgb-arbeidsovereenkomst. Waarom kiest de regering voor deze bredere interpretatie van de uitspraak van de Centrale Raad voor Beroep?
Een verdere verankering van het informeel persoonsgebonden budget in het arbeidsrecht kan de grenzen tussen het informele en het formele pgb verder doen vervagen. Hoe kijkt de regering hiernaar?
De leden van de SGP-fractie lezen dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die oordeelt dat de huidige wetgeving leidt tot indirecte discriminatie de aanleiding is voor dit wetsvoorstel. De regering geeft aan dat dit wetsvoorstel het minst ingrijpende alternatief was en dat verscheidene alternatieven zijn afgewogen. Welke alternatieven zijn concreet afgewogen? Voldoet de voorliggende wet volgens de regering aan het subsidiariteitsbeginsel?
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en OPNL vragen de regering nader toe te lichten hoe de voorgestelde regeling zich verhoudt tot het beginsel van rechtszekerheid en kenbaarheid. In het bijzonder vanwege de terugwerkende kracht van de invoering. Kan de regering motiveren waarom inwerkingtreding van het voorstel met terugwerkende kracht in dit geval gerechtvaardigd wordt geacht? Welke risico’s ziet de regering bij de toepassing met terugwerkende kracht als het gaat om rechtszekerheid en hoe zijn deze risico’s beoordeeld? In hoeverre is het doenvermogen van betrokken burgers, pgb-houders en dienstverleners, in het geding bij invoering van het voorstel met terugwerkende kracht? Hoe wordt gewaarborgd dat betrokken budgethouders en zorgverleners niet worden geconfronteerd met onvoorzienbare of onverwachte verplichtingen en gevolgen door de terugwerkende kracht van de invoering?
De leden van de VVD-fractie constateren uit gesprekken met de SVB dat het stelsel dat voortvloeit uit onderhavig wetsvoorstel al is ingevoerd. Klopt dit? En zo ja, wat zijn de redenen hiervoor? In hoeverre is het mogelijk de uitvoering terug te draaien, mocht dit wetsvoorstel in de Eerste Kamer geen meerderheid halen?
De leden van de CDA-fractie vragen de regering of het klopt dat de SVB al per 1 januari 2026 met de uitvoering van dit wetsvoorstel is begonnen, terwijl die nog niet door de Eerste Kamer is aanvaard. En zo ja, wat zijn de consequenties voor de uitvoering als de Eerste Kamer deze wet afkeurt?
De leden van de SGP-fractie begrijpen dat de wet met terugwerkende kracht zal worden uitgevoerd vanaf de datum van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep op 16 december 2021. Het is voor deze leden echter nog onduidelijk waarom de feitelijke uitvoering van de wet vanaf 1 januari 2026 plaatsvindt, terwijl de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel nog niet is afgerond en het wetsvoorstel nog niet is aangenomen. Kan de regering reflecteren op de vraag of dit geen rechtsonzekerheid creëert? Hoe raakt dit het doenvermogen van de betrokken budgethouders?
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en OPNL constateren dat het wetsvoorstel implicaties heeft voor de uitvoering, zowel voor overheidsorganisaties als voor persoonsgebonden budget (pgb)-houders en dienstverleners.
Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is een aantal amendementen en moties aangenomen en zijn er door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toezeggingen gedaan. Kan de regering in een overzicht aangeven wat de feitelijke implicaties zijn van de aangenomen amendementen, moties en de gedane toezeggingen, onder meer als het gaat om de uitvoerbaarheid en de consistentie van de wetgeving zoals deze nu voorligt?
Kan de regering nader toelichten hoe zij de uitvoerbaarheid van het werkgeverschap beoordeelt voor pgb-houders, die vanwege hun zorgbehoefte afhankelijk zijn van ondersteuning en voor dienstverleners die werknemer worden? Is onderzocht in hoeverre alternatieve modellen, waarbij het formele werkgeverschap bijvoorbeeld bij een andere organisatie wordt belegd, mogelijk of wenselijk zouden zijn vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid? Zo ja, welke overwegingen hebben daarbij een rol gespeeld en wat waren de uitkomsten?
Kan de regering, mede in het licht van de problematiek rond het vaststellen van het dagloon zoals naar voren gebracht in het rapport van de Algemene Rekenkamer over fouten bij WIA-uitkeringen6, aangeven in hoeverre vergelijkbare problematiek zich kan voordoen bij de berekening van het dagloon bij dienstverlening aan huis? Welke gevolgen kan onduidelijkheid over de berekening van het dagloon hebben voor de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel?
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en OPNL constateren dat op basis van het wetsvoorstel de kosten voor dienstverlening voor de pgb-houder substantieel structureel toenemen. Op welke wijze wordt er in een structurele dekking van de financiële gevolgen voorzien? Wat zijn de gevolgen indien daarin niet structureel kan worden voorzien voor de pgb-houders en hoe weegt de regering de proportionaliteit daarvan?
De leden van de BBB-fractie hebben vragen over de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Daarbij doelen deze leden niet op de uitvoeringsorganisaties SVB en UWV, maar deze leden maken zich zorgen over de uitvoerbaarheid voor de kwetsbare groep waarop dit voorstel ziet: de pgb-houders. Deze leden hebben daarom de volgende vragen.
1. Deelt de regering de mening van de leden van de BBB-fractie dat veel pgb-houders kwetsbare burgers zijn, bijvoorbeeld vanwege ziekte, handicap of hoge leeftijd, en daardoor beperkt in staat zijn om de verantwoordelijkheden en risico’s van het werkgeverschap te dragen?
2. Is de regering het met deze leden eens dat de SVB weliswaar een groot deel van de administratieve lasten voor haar rekening neemt, maar dat de pgb-houder juridisch de rol van werkgever heeft en in dat kader ook verantwoordelijk en aansprakelijk is?
3. Is de regering bekend met het feit dat een pgb kan worden beëindigd, bijvoorbeeld door het overlijden van de budgethouder of wijziging van een indicatie?
4. Hoe beoordeelt de regering het risico dat een pgb-houder loopt wanneer een zorgrelatie wordt vastgelegd in een arbeidsovereenkomst die arbeidsrechtelijke verplichtingen met zich meebrengt (zoals loondoorbetaling, opzegtermijnen en transitievergoedingen), terwijl het pgb aan wijziging onderhevig kan zijn?
5. Hoe wordt in de huidige wetgeving voorkomen dat pgb-houders of hun nabestaanden financieel aansprakelijk blijven voor arbeidsrechtelijke verplichtingen nadat het pgb is beëindigd of gewijzigd?
6. Deelt de regering de opvatting van deze leden dat het werkgeverschap ook een zorgplicht met zich meebrengt, waardoor een pgb-houder aansprakelijk kan worden gesteld voor schade die een zorgverlener tijdens het werk oploopt?
7. Heeft de regering onderzocht in hoeverre particuliere aansprakelijkheidsverzekeringen dekking bieden voor werkgeversaansprakelijkheid in situaties waarin een pgb-houder een zorgverlener in dienst heeft? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van dat onderzoek?
8. Worden pgb-houders momenteel actief geïnformeerd over hun mogelijke aansprakelijkheidsrisico’s als werkgever en over de eventuele noodzaak om aanvullende verzekeringen af te sluiten? Zo ja, op welke wijze?
9. Heeft regering onderzocht of dit wetsvoorstel ertoe kan leiden dat pgb-houders minder snel zorgverleners in dienst nemen? Zou deze wetswijziging tot gevolg kunnen hebben dat een groep zeer kwetsbare mensen in onze samenleving niet de zorg krijgt die ze nodig heeft?
10. Is de regering van mening dat het risico op ongelijke behandeling in het kader van de uitspraak van de Centrale Raad voor Beroep prevaleert boven de zorgbehoefte van deze groep zeer kwetsbare mensen?
De leden van de VVD-fractie wijzen op de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer waarin de regering schrijft dat de budgethouder eindverantwoordelijk blijft voor het uitvoeren van werkgeverstaken.7 Deelt de regering de zorg van deze leden dat de uitbreiding van de werknemersverplichtingen een beroep doet op het doenvermogen van de budgethouders? Kan de regering daarbij ingaan op de verhouding tussen de verantwoordelijkheid van de budgethouder en de ondersteuning vanuit de SVB?
De leden van de D66-fractie constateren dat het wetsvoorstel belangrijke gevolgen kan hebben voor particuliere werkgevers die huishoudelijke dienstverlening inkopen, in het bijzonder voor budgethouders die ondersteuning inkopen via een persoonsgebonden budget. Uit de uitvoeringstoetsen blijkt dat deze groep in bepaalde gevallen als werkgever zal worden aangemerkt en daardoor verantwoordelijk zijn voor loonadministratie en premieafdracht. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten hoe zij de uitvoerbaarheid van deze verplichtingen beoordeelt voor particuliere huishoudens en budgethouders. In hoeverre acht de regering deze groep in staat om de werkgeversverplichtingen die uit het wetsvoorstel voortvloeien daadwerkelijk na te leven, en welke ondersteuning of vereenvoudiging wordt voorzien om de administratieve lasten voor deze groep te beperken?
De aan het woord zijnde leden lezen in de uitvoeringstoets van de Belastingdienst dat er zorgen bestaan over het zogenoemde doenvermogen van particuliere werkgevers.8 Deze leden vragen de regering nader toe te lichten welke gevolgen het heeft wanneer budgethouders er niet in slagen om een zorgverlener formeel in dienst te nemen of fouten maken bij de registratie of loonaangifte van hun werknemer(s). Wat betekent dit in dergelijke situaties voor de rechtspositie van de zorgverlener, bijvoorbeeld met betrekking tot de opbouw van rechten in de werknemersverzekeringen? Hoe wordt voorkomen dat zorgverleners hierdoor tussen wal en schip raken of dat budgethouders worden geconfronteerd met onbedoelde financiële of juridische consequenties?
De leden van de D66-fractie constateren daarnaast dat de voorgestelde wijziging gevolgen kan hebben voor de financiering van ondersteuning via persoonsgebonden budgetten. Zo wordt er in de uitvoeringstoets van de SVB op gewezen dat budgethouders die een zorgverlener in dienst nemen sociale lasten moeten gaan afdragen, terwijl het bestaande pgb-budget mogelijk niet toereikend is om deze extra kosten te dekken.9 Heeft de regering onderzocht in hoeverre dit wetsvoorstel kan leiden tot hogere kosten voor gemeenten of andere financiers van zorg en ondersteuning. Kan de regering toelichten of er risico bestaat dat kosten verschuiven naar het gemeentelijke domein of naar de thuiszorg, en hoe dit voorstel zich verhoudt tot eventuele budgettaire druk of bezuinigingen op huishoudelijke ondersteuning en thuiszorg?
Met betrekking tot de handhaafbaarheid merken de aan het woord zijnde leden op dat de arbeidsrelaties waarop deze regeling ziet zich veelal afspelen binnen particuliere huishoudens. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe zij in dit licht de naleving van de voorgestelde regels beoordeelt. Welke mogelijkheden hebben toezichthouders om zicht te krijgen op de naleving van de regeling, en hoe wordt voorkomen dat de complexiteit van de regeling in de praktijk leidt tot onduidelijkheid over de juridische status van de arbeidsrelatie?
De leden van de CDA-fractie wijzen op de in de Tweede Kamer aangenomen gewijzigde motie van het lid Flach over een verkenning naar een vereenvoudigd en verlicht regime voor budgethouders. Gelet op het feit dat het wetsvoorstel reeds wordt uitgevoerd, is er ook al een start gemaakt met deze verkenning. Wanneer verwacht de regering dat er een vereenvoudigd en verlicht regime tot uitvoering kan worden gebracht?
In de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) is geregeld dat de hulpverlener vier dagen van tevoren moet worden opgeroepen. Is de hulpverlening dan niet (meer) nodig, dan moet er toch worden betaald. De kern van het pgb is dat mensen op flexibele momenten een hulpverlener kunnen inhuren. Die noodzakelijke flexibiliteit is immers vaak juist de reden dat geen gebruik gemaakt wordt van het aanbod in natura. Ook lopen budgethouders door de WAB enorme financiële risico’s en kunnen zij zelfs na 5 jaar nog terugvorderingen krijgen. Is het mogelijk om via de uitvoering van de bovengenoemde motie van het lid Flach tegenstrijdige wet- en regelgeving arbeidsrecht (o.a. WAB) met pgb reglementen op te heffen en budgethouders met arbeidsovereenkomsten uit te zonderen van deze verplichtingen?
Deze leden merken daarnaast op dat pgb-houders een boete krijgen als zij geen vervangend werk kunnen aanbieden bij het re-integratieproces van hun zieke hulpverlener in het kader van de Wet verbetering poortwachter. Maar dat vervangende werk heeft een budgethouder natuurlijk niet. Kan de regering uitleggen hoe dit door een budgethouder moet worden opgelost? En kan de regering toezeggen dat een budgethouder nooit hiervoor persoonlijk financieel aansprakelijk gesteld kan worden omdat dit voor hem of haar onuitvoerbaar is? Als de budgethouder zelf in het ziekenhuis of andere instelling ligt kan er niet doorbetaald worden. Dan zou de budgethouder namelijk in strijd handelen met pgb regels (alleen uren betalen als het werk gedaan is). Toch is er in deze wet voor de hulpverlener een recht op doorbetaling opgenomen. Hoe is de financiering daarvan nu geregeld?
De vereniging van budgethouders (Per Saldo) heeft – gesubsidieerd door het Ministerie van VWS -in het verleden een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheid om een organisatie te creëren waar alle werknemers die budgethouders hebben uitgezocht bij in dienst kunnen komen. (Coöperatie Eigen Regie). Destijds wilde het Ministerie van VWS daar niet aan. Is overwogen om, gezien alle eisen die met dit wetsvoorstel aan budgethouders worden gesteld, alsnog tot een dergelijke organisatievorm over te gaan? Zo nee, waarom niet? En zo ja, wat zijn daarvan de kosten voor het Rijk?
De leden van de PVV-fractie hebben de volgende vragen aan de regering over de gevolgen van het wetsvoorstel.
1. Hoeveel pgb-zorgverleners en pgb-budgethouders worden naar verwachting door deze wetswijziging geraakt?
2. Hoe beoordeelt de regering of de werkgeversverplichtingen die uit dit wetsvoorstel voortvloeien uitvoerbaar zijn voor pgb-budgethouders, die vaak zelf zorgafhankelijk zijn?
3. Kan de regering concreet uiteenzetten welke administratieve verplichtingen pgb-budgethouders krijgen als gevolg van dit wetsvoorstel en welke extra tijd en kosten hiermee gemiddeld gemoeid zijn?
4. Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat pgb-budgethouders als gevolg van deze verplichtingen onbedoeld fouten maken in loonadministratie, premieafdracht of andere werkgeversverplichtingen?
5. Welke ondersteuning wordt voorzien door de Sociale Verzekeringsbank of andere instanties om pgb-budgethouders te helpen bij het uitvoeren van hun werkgeversverplichtingen?
6. Wat is de verwachte gemiddelde stijging van werkgeverslasten per zorgverlener als gevolg van dit wetsvoorstel?
7. Kan de regering garanderen dat pgb-budgetten structureel voldoende worden verhoogd zodat de hogere werkgeverslasten volledig kunnen worden opgevangen?
8. Kan de regering uitsluiten dat hogere werkgeverslasten ertoe leiden dat pgb-budgethouders minder zorguren kunnen inkopen?
9. Hoe wordt voorkomen dat verschillen in regelgeving en budgetsystematiek tussen de Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), Jeugdwet en Zorgverzekeringswet (Zvw) leiden tot ongelijkheid tussen pgb-budgethouders?
10. Hoe waarborgt de regering dat deze wetswijziging niet leidt tot verstoring van bestaande zorgrelaties of tot verminderde continuïteit van zorg voor pgb-budgethouders?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering inzichtelijk te maken welke verdere verplichtingen dit wetsvoorstel oplegt aan pgb-zorgverleners en budgethouders, en hoe de regering wil voorkomen dat de betreffende diensten hierdoor duurder worden.
Deze leden merken daarnaast op dat er een grote verscheidenheid is van pgb-budgethouders. Sommigen van hen ervaren ernstige lichamelijke of psychische problematiek. Kan het opleggen van nieuwe formele verantwoordelijkheden bij deze groep voor meer druk zorgen die zij mogelijk niet aankunnen? Hoe kijkt de regering hiernaar?
Bestaat er een risico dat door het opleggen van nieuwe administratieve lasten en verplichtingen een deel van het aanbod voortaan via het zwarte circuit zal gaan plaatsvinden? De Commissie Kalsbeek concludeerde in 2014 dat dit nagenoeg nihil is10, is dat naar verwachting van de regering nog steeds het geval in 2026?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen op de website van de Rijksoverheid dat gemeenten ten aanzien van Wmo en de Jeugdwet tijdelijk het pgb mogen ophogen, zodat budgethouders de werkgeverspremies hiervan kunnen betalen.11 Wat wordt hier precies verstaan onder «tijdelijk»?
Waarom heeft de regering ervoor gekozen om voor de Wlz en de Zvw deze middelen echter voor slechts twee jaar beschikbaar te maken? Wordt er daarnaast ook op lange termijn rekening gehouden met de structureel hogere kosten, waar een groter aandeel van het pgb naartoe zal gaan? En welke gevolgen heeft dit voor de financiële houdbaarheid van het sociaal domein, die in veel gemeenten onder druk staat?
De leden van de SGP-fractie constateren dat aangezien budgethouders per definitie als werkgevers worden beschouwd, zij ook aansprakelijk worden voor alle verplichtingen die uit die rol voortvloeien. Dit heeft volgens deze leden ongewenste gevolgen. De budgethouder wordt hierdoor ook privé aansprakelijk voor bijkomende kosten. Zo geldt de loondoorbetalingsplicht van 104 weken, terwijl in de praktijk het budget kan wijzigen, bijvoorbeeld door een wijziging in de zorgindicatie. Dit betekent dat de budgethouder het loon moet doorbetalen terwijl de budgethouder tegelijkertijd een lager budget ontvangt op basis van zijn of haar indicatie. Welke risico’s brengt dit met zich mee voor budgethouders? Welke maatregelen gaat de regering nemen om deze situatie op te lossen?
De leden van de VVD-fractie merken op dat de SVB in haar uitvoeringstoets heeft aangegeven dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. De benodigde functionaliteiten in het PGB2.0 systeem tijdig zijn doorgevoerd;
b. Het Ministerie van VWS in overweging neemt dat de SVB, naast de werkzaamheden voor de Rdah, geen ontwikkelcapaciteit beschikbaar heeft voor de implementatie van eventueel andere beleidsvoorstellen, zoals bijvoorbeeld de voorgenomen beëindigingsvergoedingen;
c. Het Ministerie van VWS in overweging neemt dat de werkzaamheden voor de Rdah niet tegelijk uitgevoerd kunnen worden met de werkzaamheden rondom het aansluiten van gemeenten op het PGB2.0 systeem.12
Kan de regering per voorwaarde aangeven of hieraan is voldaan?
De aan het woord zijnde leden lezen daarnaast dat UWV in haar uitvoeringstoets concludeert dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is, mits rekening wordt gehouden met een aantal opmerkingen. Zo merkt UWV in haar uitvoeringstoets op dat de voorgestelde regelgeving uitgaat van een jaarlijkse loonaangifte. Voor een goede uitvoering zijn maandelijkse loongegevens gewenst. Volgens UWV leidt het ontbreken van maandgegevens tot handmatige gegevensuitwisseling met de SVB en dit kan leiden tot een onterechte afwijzing, een onterechte toekenning en een langere doorlooptijd.13 Kan de regering toelichten in hoeverre het UWV, mede gelet op de hoeveelheid werk en de systeemuitdagingen die er zijn, in staat is dit wetsvoorstel foutloos uit te voeren?
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitvoeringstoets onder meer
onderstaande aanbevelingen gedaan voor een effectieve uitvoering van het wetsvoorstel door gemeenten:
a. Zorg vanuit VWS voor inzicht in de financiële impact voor gemeenten op basis van informatie van de SVB; en,
b. Zorg vanuit VWS voor voldoende financiële compensatie voor de extra pgb-lasten die gemeenten krijgen, anders komen gemeenten financieel in de knel.14
Kan de regering per aanbeveling aangeven of hieraan is voldaan?
De VNG constateert in haar uitvoeringstoets ook dat de werkgeverslasten voor een deel van de budgethouders met ongeveer 20% stijgen.15 Onderschrijft de regering deze constatering? Kan de regering toelichten op welke groep budgethouders deze verhoging van toepassing is, uit welke componenten de opbouw van deze 20% bestaat, en wat het gewicht van elk component is? Wordt de stijging van werkgeverslasten evenredig over de betrokken budgethouders verdeeld, of worden bepaalde groepen budgethouders relatief zwaarder geraakt?
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe zij voornemens is te zorgen voor een goede afstemming tussen de verschillende uitvoeringsorganisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van dit wetsvoorstel. Kan de regering toelichten op welke wijze gegevensuitwisseling, verantwoordelijkheidsverdeling en uitvoeringsprocessen tussen deze organisaties worden ingericht, zodat zowel budgethouders als zorgverleners duidelijkheid hebben over hun verplichtingen en rechten en de uitvoering in de praktijk zo soepel mogelijk verloopt?
De leden van de CDA-fractie merken op dat met name vrouwen werken in de regeling dienstverlening aan huis. Het feit dat zij niet verzekerd zijn voor de WW en de WIA is volgens deze leden indirecte discriminatie. Het is volgens deze leden positief dat daar iets aan gedaan wordt en dat met budgethouders is afgesproken dat zij hiervoor gecompenseerd worden als zij dit niet uit het aan hen toegekende tarief kunnen betalen. De aan het woord zijnde leden hebben echter vernomen dat een aantal budgethouders door de SVB momenteel wordt gesommeerd om het tarief te verlagen. Hoe kan dit? Heeft deze praktijk te maken met onbekendheid van de afspraken bij de SVB, of met uitvoeringproblemen bij de SVB? Hoe wordt dit zo snel mogelijk teruggedraaid?
Deze leden hebben daarnaast signalen ontvangen dat meerdere gemeenten geen compensatie bieden om de werkgeverslasten te betalen, terwijl zij hier wel een compensatie vanuit het gemeentefonds hebben ontvangen. Budgethouders worden hierdoor persoonlijk financieel aansprakelijk gesteld om de werkgeverslasten te betalen en aan hen wordt hen gevraagd de arbeidsovereenkomsten met hun werknemers om te zetten in een overeenkomst van opdracht (zzp’er). Herkent de regering deze signalen en welke stappen worden ondernomen om tot een juiste uitvoering te komen? Erkent de regering dat deze handelwijze risico’s met zich meebrengt gezien de aanpak schijnzelfstandigen?
Gemeenten toetsen of mensen met een ondersteuningsbehoefte (of de vertegenwoordiger) «pgb-vaardig» zijn. Hoe schat de regering het risico in dat gemeenten door de enorme complexiteit waarmee budgethouders door dit wetsvoorstel worden geconfronteerd in die situaties een pgb gaan ontraden?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering of voorafgaand aan de indiening of behandeling van dit wetsvoorstel een uitvoerbaarheidstoets is uitgevoerd door niet alleen de Sociale Verzekeringsbank en gemeenten, maar ook door zorgkantoren en zorgverzekeraars, en zo ja, wat de belangrijkste conclusies daarvan waren. Beschikken deze (uitvoerings)organisaties volgens de regering over voldoende capaciteit en middelen om de extra taken die uit dit wetsvoorstel voortvloeien uit te voeren?
De leden van de SGP-fractie lezen in de uitvoeringstoets van de VNG dat gemeenten de toename aan financiële lasten niet zelfstandig te kunnen dragen.16 Daarnaast is nog onduidelijk voor hoeveel budgethouders de wet tot hogere (uitvoerings)kosten gaat leiden. Daardoor is het nog niet mogelijk om hiervan een goede raming in de Gemeentebegroting te geven. Welke waarborgen zijn er dat gemeenten tijdig inzicht hebben in de aantallen budgethouders waarop dit wetsvoorstel ziet, de hoogte van de toename van de te verstrekken budgetten, en de kosten van de extra uitvoeringslasten zowel voor het verstrekken van de budgetten als het vervullen van een loketfunctie voor de budgethouders?
Nu voorliggend wetsvoorstel al enige tijd wordt uitgevoerd ontvangen deze leden signalen dat het voorstel financieel negatiever uitpakt dan voorzien. Het blijkt dat de SVB de werkgeverslasten bij voorbaat aftrekt van de te verstrekken budgetten, zonder dat voor deze extra werkgeverslasten aanvullend budget beschikbaar wordt gesteld. Als gevolg daarvan ontvangen budgetverstrekkers minder budget om uit te keren, waarvan zij ook nog hun uitvoeringslasten moeten bekostigen. Daardoor ontvangen budgethouders netto minder budget dan voorheen. Welke maatregelen stelt de regering voor om de ontstane situatie op te lossen?
De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien de nota naar aanleiding van het verslag met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken.
De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van Gurp
De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van der Bijl
Samenstelling:
Van Apeldoorn (SP), Bakker-Klein (CDA), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Bovens (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Karaaslan-Kilic (D66), Koffeman (PvdD), Van der Linden (VVD), Moonen (D66) (ondervoorzitter), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)
Algemene Rekenkamer, Fouten bij WIA-uitkeringen: blind voor de signalen, burgers geraakt, 3 december 2025.
Adviescommissie Dienstverlening aan huis (commissie Kalsbeek), Dienstverlening aan huis: wie betaalt de rekening?, maart 2014.
Rijksoverheid.nl, https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/persoonsgebonden-budget-pgb/gelijke-rechten-voor-pgb-zorgverleners.
Samenstelling:
Van Apeldoorn (SP), Bakker-Klein (CDA), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Bovens (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Karaaslan-Kilic (D66), Koffeman (PvdD), Van der Linden (VVD), Moonen (D66) (ondervoorzitter), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)
Algemene Rekenkamer, Fouten bij WIA-uitkeringen: blind voor de signalen, burgers geraakt, 3 december 2025.
Adviescommissie Dienstverlening aan huis (commissie Kalsbeek), Dienstverlening aan huis: wie betaalt de rekening?, maart 2014.
Rijksoverheid.nl, https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/persoonsgebonden-budget-pgb/gelijke-rechten-voor-pgb-zorgverleners.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36744-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.